We hebben 299 gasten online

Het Duitse verzet

Gepost in Duitsland

De jaren van het Derde Rijk zijn ook de jaren van het Duitse verzet tegen het nationaal-socialisme geweest, dat de enige legitieme politieke lijn vormt tussen de tijd vóór 1933 en die na 1945. Dit Duitse verzet was soms al vóór 1933 ontstaan. Tot 1939 toe werden de strafgevangenissen en concentratiekampen in Duitsland, soms dichtbij de grens met Nederland zoals Esterwegen, door Duitse tegenstanders van het Hitlerregime bevolkt.

Vanuit Nederland heeft men met dit Duitse verzet in contact gestaan, tot in de oorlogsjaren toe. Al in het eerste jaar van het Hitlerregime doorbraken Nederlandse communisten, sociaal-democraten, kerkelijke personen en anderen het algemene beeld van terughoudendheid en voorzichtigheid, soms van opluchting omdat in Duitsland een communistische revolutie was uitgebleven, en toonden hun solidariteit met vervolgde geestverwanten en partijgenoten in Duitsland.

Nadat in de nacht van 27 op 28 februari 1933 te Berlijn het Rijksdaggebouw in vlammen was opgegaan, was de Nederlandse communist Goulooze naar Berlijn gereisd. Daar ontmoette hij Dimitrof die tot de leiding van de Komintern behoorde. Hij kende Van der Lubbe, een oud-lid van de CPH, die op verdenking van brandstichting was gearresteerd, goed. Met Dimitrof besprak Goulooze de mogelijke politieke gevolgen van deze brand en legde de eerste contacten om vanuit Nederland hulp te bieden.

Ongeveer een maand later na een bezoek aan Berlijn riep de Rotterdamse predikant Krop zijn landgenoten in een brochure op om ' het kritische geluid in Duitsland' te steunen. De leiding van de SDAP had verwacht, dat in Duitsland een burgeroorlog zou uitbreken. Toen deze uitbleef, ging men ter plaatse poolshoogte nemen en spoorde kaderleden in Duitsland tot illegaal werk aan. Met enkele van deze personen werd een communicatienet opgebouwd, waarbij partijgenoten in het grensgebied als contactpersoon optraden.

Toen de protestantse kerk in Duitsland een nieuwe leiding kreeg en zich moest aanpassen aan de nieuwe omstandigheden, zocht de kerkelijke oppositie in het Westen van Duitsland contact met Nederland. Daarop kwam op 9 juli 1933 een groep van vijftien Nederlanders te Utrecht met enkele Duitsers bijeen om zich op hulpacties te beraden. In het weekend van 8 en 9 september 1933 reisden enkele Nederlandse predikanten naar een pastorie bij Osnabruck om hun Duitse collega's raad te geven. Dat ging zo ook de volgende jaren door, al was de Nederlandse regering bepaald geen voorstander van deze contacten, omdat ze de handelsbetrekkingen in gevaar brachten.

Nu we meer weten over het verzet in Nederland, hoe beperkt dit nog was in de eerste fase van de bezettingstijd, is er alle reden het Duitse verzet positiever te beoordelen. Lange tijd immers hebben velen buiten Duitsland sceptisch gestaan tegenover de gedachte, dril er een Duits verzet is geweest. De propagandamachinerie van het Derde Rijk had tiouwens altijd Hitler en het Duitse volk geïdentificeerd. Uit Duitse archieven blijkt echter, dat de instanties van het Derde Rijk zich wel degelijk van het bestaan van een breed verzet hewust waren. De Engelse en Amerikaanse regering hadden vóór, tijdens en na de oorlog het bestaan van een Duits verzet meestal genegeerd. Eerst na het mislukken van de aanslag op Hitler op 20 juli 1944 reageerden ze geïnteresseerd. Uit diplomatieke en inlichtingenrapporten van geallieerde zijde blijkt echter, dat ze hierop herhaaldelijk geattendeerd waren. Onlangs is een OSS-dossier vrijgegeven waaruit blijkt, dat deze Amerikaanse inlichtingendienst in 1943 van plan was, één van de leidende figuren van het Duitse verzet uit Duitsland te smokkelen en Washington van advies te dienen bij de voorbereiding van de invasie.

Bij het verzet van het 'Andere Duitsland' moeten we niet aan organisaties denken. Die zouden hun leden alleen maar in groot gevaar hebben gebracht. Het Duitse verzet bestond uit enkelingen en kleine groepen, die met zo min mogelijk onderling contact hun werk moesten doen. Zochten groepen contact, dan nam het gevaar ontdekt te worden toe. Tussenpersonen mochten maar twee of drie contactpersonen kennen. Via een koerier schreef iemand aan een bekende in Engeland: " Je kunt je niet voorstellen, wat het betekent als groep te werken, terwijl je de telefoon niet kunt gebruiken en de namen van je naaste medewerkers aan anderen niet mag noemen, uit angst dat één van hen gearresteerd zal worden en dan onder druk namen prijs zal geven."

Dit isolementskarakter is anders dan het latere verzet in de bezette landen kenmerkend geweest voor het Duitse verzet. Dit was bovendien een verzet tegen de regering van het eigen land. Mettertijd werd de omvang van dit verzet kleiner. Nog in 1933 en 1934 waren er in Mannheim ongeveer achthonderd personen uit sociaal-democratische kring bij illegale activiteiten betrokken. In vele verzetsgroepen hebben vrouwen een belangrijke initiërende en ondersteunende functie vervuld. Uit lokale en regionale studies van de laatste 25 jaar wordt duidelijk, dat protest, oppositie en verzet een in betekenis wisselend verschijnsel zijn geweest.

Bij het Duitse verzet als overkoepelend begrip voor uiteenlopende activiteiten moeten we een onderscheid maken tussen hen die vóór 1933 de democratische Republiek van Weimar hadden gesteund en hen, die het einde van deze republiek hadden toegejuicht.

De eerste categorie had het nationaal-socialisme vaak al vóór 1933 bestreden. Het was een gevolg van gebrek aan leiding en aan eensgezindheid geweest, dat hun meeste groepen al binnen enkele jaren door de Gestapo werden ontdekt en opgerold. Maar men kende de tegenstander en trachtte zich mettertijd aan diens methoden aan te passen.

De tweede categorie was door vreugde over de 'nationale vernieuwing' in 1933 te zeer verblind, dan dat zij toen al oog had voor nieuwe dreigende gevaren. Ze was trouwens gewend om die gevaren in een heel andere richting te zoeken: bij de marxisten, de joden en het buitenland. Bij deze categorie ontstond de gedachte aan verzet meestal veel later. Daar was een heel ontwikkelingsproces voor nodig. Begonnen met het constateren van misstanden, kon dit overgaan in passief verzet en uitmonden in actief verzet. Was de beslissing eenmaal genomen, dan greep deze ook in het eigen leven in.

Op den duur bleek, dat arbeiders en militairen elkaar nodig hadden om te kunnen slagen. Zo kwam tijdens de tweede wereldoorlog een samenwerking op gang tussen vertegenwoordigers van beide categorieën. Een van de eerste contacten was een ontmoeting tussen Julius Leber en generaal Von Falkenhausen in 1939. In latere jaren was van de kant van de arbeidersleiders Wilhelm Leuschner een belangrijke verbindingspersoon. Ook bij de aanslag op Hitler op 20 juli 1944, werkten verzetsmensen uit beide categorieën samen tegen het Hitlerregime.

De verzetsstrijders van het eerste uur kwamen overwegend uit de arbeidersbeweging, al waren als gevolg van de massale werkloosheid ongeveer 25 % van de arbeiders in 1932 NSDAP gaan stemmen. Al vóór de machtsovername door Hitler op 30 januari 1933 waren de voorstanders van de republiek en de democratie zich gaan organiseren in grote organisaties als 'Reichsbanner' en 'Eiserne Front'. Die belegden bijeenkomsten en organiseerden demonstratieve optochten. Vooral in de tijd van de verkiezingen waren ze actief.

Een grote tegenslag voor hen was de staatsgreep van Von Papen op 20 juli 1932 in de grootste deelstaat Pruisen. Daar werd de democratische minderheidsregering zonder dat zij zich verzette, afgezet en kwam de politie onder antidemokratische leiding te staan. In een aantal plaatsen kwam het tot bloedige botsingen tussen groepen nationaal-socialisten en hun tegenstanders, waarbij de politie werkloos toezag.

Een groot nadeel was de onenigheid binnen de arbeidersbeweging tussen communisten en socialisten en het feit, dat de communisten tot begin 1933 in de sociaal-democraten een groter gevaar zagen dan in de nationaal-socialisten. De leiding van de SPD en van de vakbonden hadden in de eerste maanden van het Derde Rijk nog bepaalde verwachtingen. Daardoor wachtte hun aanhang tevergeefs op een signaal uit Berlijn om in opstand te komen. Wel kwam het in enkele steden tot protestdemonstraties, zoals in Berlijn op 7 februari en in Lubeck op 15 februari 1933.

Na de Rijksdagbrand volgde een arrestatiegolf van veel communistische kaderleden, waarvan de namen en adressen bij de Pruisische politie bekend waren. Onder de arrestanten bevond zich ook Carl von Ossietzky, die als redacteur van 'Die Weltbuhne' het nationaal-socialisme al jaren fel had bestreden. Ook SPD-leiders van wie werd gevreesd dat zij het initiatief zouden nemen tot een opstand, zoals Leber, Mierendorff, Haubach en Leuschner, werden voor jaren opgesloten in gevangenissen en concentratiekampen. De partijleidingen weken uit naar het buitenland en probeerden via functionarissen in grensgebieden met de partij-afdelingen in contact te blijven. Uit langs deze weg verkregen informaties werden de 'Deutschland-Berichte' van de SPD samengesteld, nog steeds een belangrijke bron voor informatie over protest en oppositie. Vooreerst bleven de kleinere organisaties uit de arbeidersbeweging nog onopgemerkt.

De eerste verzetsgroepen uit de arbeidersbeweging ontstonden in de loop van 1933, al gaat hun begin terug tot het najaar van 1932. Het waren zowel illegale Reichsbannergroepen als nieuwe groepen zoals het 'Sozialistische Front' in Hannover en de 'Roter Stosstrupp' in Berlijn. Ze bestonden uit cellen van vijf personen en hadden een eigen orgaan, dat ook elders in Duitsland werd verspreid. Ook verscheen eind 1933 het eerste nummer van 'Neu Beginnen', een groep die de activisten uit alle organisaties bijeen wilde brengen. Voornamelijk werd informatie gegeven over wat er in Duitsland gebeurde. Als gevolg van de decentralistische opzet wisten deze groep en die in Hannover zich jaren te handhaven, voordat ze werden ontdekt.

Daarnaast ontstond in die eerste jaren een veelheid van losse groepen, die zich voordeden als sportclubs en wandelverenigingen, maar in werkelijkheid illegale partij-afdelingen waren. In 1934 kwam het daarom tot een reeks van grote processen tegen groepen sociaal-democraten uit verschillende gebieden in Duitsland.

Bij de vakbonden waren vooral de spoorweg- en transportarbeiders actief, die steun kregen van de Internationale Transportarbeiders onder Edo Fimmen te Amsterdam. Via een koerierssysteem stonden contactpersonen met elkaar in verbinding. Soms kwam illegaal kader op een geheime plaats bijeen. Daarnaast werden veel brochures en pamfletten verspreid. Ze kregen de raad zich op een lange duur van het regime in te stellen. Na de eerste arrestatiegolf van communistische kaderleden, eind februari 1933, slaagde de KPD er betrekkelijk snel in, een nieuwe illegale partij-organisatie op te bouwen. Eind 1934 ging de leiding onder druk van enkele afdelingen en groepen over op een nieuwe strategie. Alle activisten uit de arbeidersbeweging zouden zich in een 'eenheidsfront' onder communistische leiding moeten verenigen. Deze nieuwe strategie, ingegeven door ontwikkelingen in het buitenland (Frankrijk), kwam veel te laat. Ook werd de illegale strijd meer naar de bedrijven verlegd. Een tweede arrestatiegolf maakte in vele gebieden een definitief einde aan het verzet. Tijdens de oorlog werd met steun van Goulooze uit Amsterdam een nieuw illegaal partij-apparaat opgebouwd, dat ook met Moskou in verbinding stond, (Rote Kapelle), maar heel gebrekkig functioneerde. Binnen de SPD bouwden Leuschner en Leber, na hun vrijlating, vanuit Berlijn een netwerk van vertrouwenspersonen in heel Duitsland op, dat actief moest worden bij een binnenlandse opstand of staatsgreep tegen het regime.

Veel te weinig aandacht is er voor het joods verzet in Duitsland. Toch liep deze bevolkingsgroep, in januari 1933 ongeveer 550.000 personen, met haar organisaties en pers vanaf de machtsovername het meeste gevaar. De vanuit Berlijn geleide boycot-actie op 1 april 1933 was een eerste waarschuwing. Wie niet kon emigreren, kwam in een ghetto terecht.

Moest men zich aanpassen of zich verzetten? Een van de eerste joodse verzetsstrijders was Hilde Meisel, die joden hielp te vluchten en het buitenland opriep om een einde te maken aan het Hitlerregime. Martin Buber en Leo Baeck hebben een belangrijke rol gespeeld bij het geestelijk weerbaar maken van hun geloofs- en lotgenoten. In Breslau was een joodse verzetsgroep, de Kamerdan, actief, waartoe Helga Beyer behoorde. De groep heeft tot 1937 bestaan. Kleine joodse groepen bestreden in Berlijn het nationaal-socialisme in hun pamfletten. Een van hun aanvoerders was Eva Mamlok, die hiervoor enkele malen is gearresteerd. Het meest bekend geworden is de in 1939 ontstane verzetsgroep van jonge joden in Berlijn rond Herbert Baum. Ze protesteerden tegen de geringe vergoeding die joden voor hun werk kregen, demonstreerden tegen het regime, verspreidden pamfletten, spoorden buitenlandse arbeiders tot sabotage aan en hielpen joden te vluchtten. Op 18 mei 1942 stichtten ze zelfs brand in een met veel publiciteit aangekondigde tentoonstelling tegen de Sowjet-Unie. Deze actie werd hen echter noodlottig. Er was verraad in het spel. In korte tijd werden meer dan dertig leden van de groep gearresteerd. Vanwege het aantal werden ze in groepen veroordeeld en terechtgesteld. Bovendien werden nog 500 andere Berlijnse joden gearresteerd, waarvan 250 in Lichterfelde geëxecuteerd en 250 in Sachsenhausen werden omgebracht. Een aantal joden heeft tot andere verzetsgroepen behoord, als 'Roter Stosstrupp', 'Neu Beginnen' en de Hamburgse tak van de 'Weisse Rose'.

Het jongerenverzet ontstond bij hen, die tot een politieke jongerenorganisatie hadden behoord. Op de dag van de Rijksdagbrand kwamen in Berlijn enkele honderden jongeren van verschillende organisaties bijeen. Ze besloten het verzet tegen het nationaal-socialisme niet op te geven. In verschillende steden ontstonden groepen zoals de 'Junge Kampfer' in Frankfurt, die pamfletten verspreidden en vervolgden hielpen. Een van de eerste slachtoffers was Anton Schmaus, die tot de Reichsbannerjeugd behoorde. Bij zijn arrestatie in juni 1933 had hij met een pistool drie SA-mensen gedood. Op 30 juli 1934 werd de katholieke jeugdleider Adalbert Probst vermoord, omdat hij bij de voorbereiding van een actie contact had gezocht met de 'Reichswehr'. Toen de vrije jeugdorganisaties verboden werden, kwamen velen in verweer. De meesten van hen bleven in een min of meer 'pedagogisch verweer' steken. Bovendien vond het jongerenverzet onvoldoende aansluiting bij het verzet van de volwassenen. Reeds in 1937 had Willy Brandt gewezen op dit belangrijke 'reservoir' voor het politieke verzet.

Onder de illegale jeugdgroepen in het begin van de oorlog was een Hamburgse groep die berichten doorgaf van een Londense zender. Het bleek een actie te zijn van een groep jongeren van 16 en 17 jaar. Een van hen was Helmuth Hubener. In 1942 ontstond de groep van de 'Weisse Rose' van Hans en Sophie Scholl, eerst in Munchen, later ook in andere steden. Hun studie had hen bijeengebracht. Enkele van hen waren al eens eerder voor illegale activiteiten gearresteerd. Ze namen zich voor op zoveel mogelijk plaatsen in Duitsland pamfletten te verspreiden, waarin de wandaden van het regime openlijk aan de kaak werden gesteld. Ook werd opgeroepen tot passief verzet en sabotage. Ze oriënteerden zich ook bij andere verzetsgroepen, maar besloten niet met actie te wachten. Het legen van een koffer vol pamfletten in een gebouw van de universiteit on 18 februari 1943 werd hen noodlottig. Eerst werden Hans en Sophie en later ook anderen gearresteerd. Vele duizenden moeten de pamfletten hebben gelezen. Nog meer zullen via de radio van de actie hebben gehoord. De tekst van een van de pamfletten werd zelfs in een Noorse illegale krant afgedrukt.

In de latere jaren van het Hitlerregime ontstonden in tal van steden losse groepen arbeidersjongeren, de zgn. 'Edelweisspiraten'. Ze leken wat op de vroegere vrije jeugdgroepen en waren het gedril en militarisme beu.

Het kerkelijk verzet was eerder verzet binnen de kerken dan van de kerken. De protestantse kerk was de vroegere staatskerk. De meesten van haar leden hadden de 'nationale vernieuwing' in 1933 toegejuicht. In overwegend protestantse gebieden in het Oosten en Noorden van Duitsland hadden veel inwoners al vóór 1933 massaal op de NSDAP gestemd.

De katholieke kerk had wel het lidmaatschap van de NSDAP verboden, maar had toch met het nieuwe bewind een concordaat gesloten en was in verband hiermee accoord gegaan met de opheffing van het katholieke Zentrum.

Toch kwam het in beide kerken tot een 'Kirchenkampf', het eerst in de protestantse kerk. Als gevolg van het optreden van de zgn. 'Duitse Christenen' die het nationaal-socialisme binnen de kerk propageerden, en de steun die zij van staat en partij kregen, ontstond in de tweede helft van 1933 een crisis. Eind 1933 hadden zich al 6000 predikanten verenigd in een oppositionele 'Pfarrernotbund', de voorloper van de 'Bekennende Kirche'. Op een eind maart 1934 te Barmen gehouden synode waaraan o.a. de theoloog Karl Barth en de latere Bondspresident Heinemann deelname, werd het streven naar een totale staat veroordeeld, werd met de zgn. 'Reichskirche' gebroken en werd de taak van de kerk, ook tegenover de staat, nieuw geformuleerd.

De ondertekenaars van deze verklaring waren het echter niet in alle dingen eens. In de katholieke kerk hadden het optreden van Alfred Rosenberg als ideoloog van de NSDAP en de toenemende inmenging van staat en partij in kerkelijke zaken voor onrust gezorgd. Acties tegen de katholieke jeugdorganisaties en de katholieke orden liepen ook daar uit op een 'Kirchenkampf', waar de bisschoppen verdeeld op reageerden. Reeds in 1933 werden in beide kerken zgn. politieke predikanten en priesters gearresteerd.

Tijdens de moordpartij na de zgn. 'Róhm- Putsch' in juni 1934 werden ook enkele vooraanstaande katholieken vermoord, die de Nazi's te lastig vonden als de hoge ambtenaar en politiechef Erich Klausener en de jeugdleider Adalbert Probst.

Hadden in 1934 op grote bijeenkomsten tienduizenden protestanten hun steun betuigd aan de 'Bekennende Kirche', in juli 1937 namen bijna 800.000 kerkleden deel aan een grote processie te Aken, waar zij hun steun betuigden aan de bisschoppen. Hadden dezen niet ingegrepen, dan zou het tot een openlijke demonstratie tegen het regime zijn gekomen. Bovendien had de paus in een nieuwe encycliek ' Mit brennender Sorge' uiting gegeven aan zijn bezorgdheid over de situatie in Duitsland. Tijdens de oorlog maakten vooral de preken van de bisschoppen van Berlijn en Munster, Preysing en Galen, ook buiten de kerk, veel indruk.

In hoeverre is bij deze kerkelijke activiteiten sprake geweest van verzet? Hiervoor moeten we enkel fasen onderscheiden. Verweer tegen de inmenging door de staat in kerkelijke aangelegenheden was een begin. De protestantse kerk kon zich hierbij beroepen op Luthers tweerijkenleer, de katholieke kerk op het concordaat. Een volgende fase was het opkomen voor de vrije verkondiging van het evangelie. De verklaring van Barmen en enkele herderlijke brieven en preken zijn hier voorbeeld van. De eigen kerkelijke vrijheid was in het geding. Een volgende, derde fase, waren kerkelijke protesten, over de kerkmuren heen, tegen de misdaden en vervolgingen, tegen de rechteloosheid en de onvrijheid. Voorbeelden hiervan zijn het memorandum van de leiding van de 'Bekennende Kirche' uit juli 1936, enkele verklaringen van belijdende synodes uit later jaren en enkele herderlijke preken van bisschop Preysing en bisschop Galen. In de vierde en laatste fase wordt gevraagd naar kerkelijke steun voor en betrokkenheid bij het politieke verzet, bij het weigeren van de eed, bij het doden van de tegenstander en bij dienstweigering.

Niet de kerken als zodanig, maar wel enkele van de bisschoppen van beide kerken, Preysing, Wurm, Dietz, Faulhaber, hebben in de oorlogsjaren hun steun gegeven aan het politieke verzet. Een klein aantal geestelijken, bij de protestanten Bonhoeffer, Asmussen, Poelchau en Gerstenmaier en bij de katholieken de jezuïeten Rásch, Delp en König en de dominicanen Siemer en Braun waren direct betrokken bij het overleg in kringen van het verzet. Daarnaast heeft een klein aantal geestelijken van de kansel tegen het regime gerichte politieke uitspraken gedaan, die niet altijd door hun kerkleidingen werden gedekt. Een dienstweigeraar kreeg echter in principe geen kerkelijke steun.

Het burgerlijke verzet is eerst veel later ontstaan dan het verzet uit de arbeidersbeweging en het verzet binnen de kerken. In 1933 waren alle burgerlijke partijen ontbonden. Tevergeefs had een minderheid in deze partijen gewaarschuwd tegen de illusies van een meerderheid. Daarna trachtte men, voorzover dat mogelijk was, met elkaar in contact te blijven. Enkelen van deze politici waren begin 1934 bij plannen voor een staatsgreep betrokken. Daarna waren de 'Montagsgesellschaft' van een groep liberale politici rond de oud-minister van justitie Eugen Schiffer en het Ketteler-Haus van de Katholieke Arbeidersbeweging in Keulen de belangrijkste contactcentra voor hen, die zich niet zoals Adenauer in de 'innere Emigration' terugtrokken. Daar kwam eind jaren dertig verandering in.

Medio 1938 ontstond zoiets als een kleine burgerlijk-militaire 'Anti-Oorlogspartij', die niet een oorlog op zich afwees, maar vreesde, dat een nieuwe Europese oorlog tot Duitslands vernietiging zou leiden. Op de achtergrond speelden ook enkele bezwaren tegen de binnenlandse politiek van Hitler ( jodenvervolging, kerkstrijd) een rol. Het middelpunt aan burgerlijke kant was Carl Goerdeler, vroeger burgemeester van Leipzig en onder Hitler enkele jaren 'Rijkscommissaris voor de Prijscontrole'. Hij en zijn burgerlijk medestanders, Popitz, Hassell, Schacht, hielden er nogal restauratieve en romantisch-reactionaire opvattingen op na. De leiding was in militaire handen. Om een Europese oorlog te voorkomen, zou Hitler door een staatsgreep uitgeschakeld worden. Ook de nieuwe staatssecretaris van buitenlandse zaken, Weiszácker, deelde de bezorgdheid en stond met deze groep in contact, zonder overigens tot het verzet te behoren. De overeenkomst van München verhinderde een uitvoering van het plan. Door de niet aflatende ijver van Goerdeler breidde de groep nationaal-conservatieven in de jaren daarna haar activiteiten uit en ging haar doelstellingen formuleren. Een van de eerste resultaten was een in 1941 geschreven memorandum 'Das Ziel', dat nogal eens aan Bismarck refereerde en uitging van een Duitse hegemonie in Europa.

In de loop van de jaren ging in het burgerlijk verzet het generatieverschil een rol spelen. Door een groep jongeren, die meer beïnvloed waren door de gevolgen van de economische crisis dan door het Keizerrijk, werd kritiek uitgeoefend op de 'Honoratioren' rond Goerdeler en hun opvattingen. Deze jongeren behoorden tot de zgn. Kreisauergroep, waarvan Helmuth James von Moltke de motor was. Anders dan de Goerdelergroep hadden zij vóór 1933 de democratische Republiek van Weimar gesteund, enkelen in overheidsfuncties ( Lukaschek, Steltzer, Reichwein) of als parlementariër (Leber, Mierendorff, Peters). Ze waren niet alleen democraten, maar ook Europeanen, die een Europese samenwerking voorstonden. Daarom ook zochten ze contact met groepen in andere landen, ook in Nederland.

In de laatste jaren is in Duitsland de belangstelling voor deze groep sterk toegenomen. Tijdens een beraad op 8 januari 1943 werden de verschillen tussen beide groepen besproken. Dit leidde niet tot overeenstemming. Wel was men het er over eens, dat er zo spoedig mogelijk een staatsgreep moest komen.

Het militaire verzet is pas laat ontstaan. Een uitzondering was de chef van de legerleiding, Von Hammerstein, die in 1933 het leger had willen inzetten tegen de Nazi's. President Von Hindenburg verbood hem dit en kort daarna werd hij ontslagen. De nieuwe minister van oorlog, Blomberg, was door Hitler omgekocht en steunde de herbewapeningspolitiek. In juni 1934 hielp het leger de SS tegen de SA en protesteerde niet tegen de moord op generaal Von Schleicher. Daarmee was mogelijke oppositie vooreerst uitgeschakeld.

Door de herbewapeningspolitiek nam de status van het leger en daarmee van de officieren toe. In tegenstelling tot de oudere officieren was het merendeel van de jongere officieren fel nationaal-socialist. In die situatie veroorloofde zich slechts een enkele hogere officier kritische opmerkingen.

Toen Hitler begin 1938 onder een voorwendsel de chef van de legerleiding, Von Fritsch, wilde afzetten, rees hiertegen oppositie. Kort daarop keerde zich de chef van de generale staf, Beck, tegen Hitlers oorlogsplannen. Omdat hij geen verantwoordelijkheid wilde dragen voor een militair avontuur, nam hij ontslag en verloor hierdoor ook een groot deel van zijn invloed. Enkele officieren, waaronder Oster die eind 1939 de Nederlandse regering zou laten waarschuwen voor de komende Duitse aanval, en de met de 'Bekennende Kirche' sympathiserende Groscurth, werkten plannen uit voor een militaire staatsgreep, waarvan de generaals Witzleben, Halder en Stulpnagel de leiding zouden hebben. Door de overeenkomst van Manhen kwam er niets van. Ook eind 1939 was er een uitgewerkt actieplan, maar Halder, de opvolger van Beck, gaf het op.

Toen Hitler tijdens de oorlog het leger steeds meer bij zijn misdaden betrok, ontstonden nieuwe verzetscellen van jongere officieren aan het Oostfront. Dezen drongen onder leiding van Henning von Tresekow er op aan, Hitler door een aanslag uit te schakelen. Na een mislukte aanslag in maart 1943 leidde dit tot de aanslag en staatsgreep van kolonel Von Stauffenberg op 20 juli 1944. Deze mislukte echter en duizenden, die bij de wederopbouw van Duitsland in 1945 dringend nodig zouden zijn geweest, werden ter dood gebracht.

Het Duitse verzet was de reactie van een kleine minderheid van het Duitse volk, die in eigen land en daarbuiten onvoldoende steun heeft gekregen. Het is echter, ook lokaal en regionaal, een bredere beweging geweest dan bekend is. De acties van dit verzet vormen een aantal lichtpunten in een donkere tijd.

G van Roon in Syllabus studiedag geschiedenis 28 september 1993