We hebben 187 gasten online

Een joodse bankier bouwde mee aan het Duitse Rijk

Gepost in Duitsland

Goud en Ijzer


`Niet door redevoeringen en meerderheidsbesluiten worden de grote vragen van de tijd beslist - dat was de grote fout van 1848 en 1849 - maardoor ijzer en bloed.'


Deze uitspraak van Otto von Bismarck (1815-1898) als kersverse minister-president van Pruisen tegenover de begrotingscommissie van de opposi-
tionele Landdag is hem gedurende zijn gehele politieke loopbaan blijven vergezellen. In de ogen van de buitenwereld was Bismarck `de man van
het staal en het bloed'.

Jacco Pekelder bespreekt:

Fritz Stern, Goud en Ijzer. Bismarck en Bleichrlider en het ontstaan van het Duitse Rijk (Agon, Amsterdam 1992) vertaald door Roelof Manning,
784 blz., prijs f75,-.

De Amerikaanse historicus Fritz Stern betoogt in zijn boek Goud en IJzer. Bismarck en Bleichroder en het ontstaan van het Duitse rijk uit 1977 dat in 1992 in Nederlandse vertaling verschenen is, dat niet `ijzer en bloed' maar `goud en ijzer' de grondvesten van het Bismarck-rijk vormden.'
Sterns boek is gewijd aan het tot dusver onvertelde verhaal over de manier waarop Bismarck zich de financiële middelen, het `goud', verwierf voor de drie oorlogen waarmee hij de verschillende Duitse staten samensmeedde tot het verenigde Duitse keizerrijk.

De hoofdrol in dit verhaal van de financiële onderbouwing van het Rijk vervulde Gerson von Bleichröler (1822-1893), die niet alleen meer dan dertig jaar lang Bismarcks persoonlijke bankier was, maar ook gedurende diens gehele ambtsperiode met adviezen en leningen de Pruisische staatsfinanciën ondersteunde.
Bleichroder was daardoor de man die ervoor zorgde dat de Pruisische krijgskas in weerwil van de weerspannige, liberale Pruisische Landdag zodanig gevuld was, dat Bismarck zijn oorlogszuchtige eenwordingspolitiek mee kon uitvoeren.

Het is een grote verdienste van Stern dat hij door middel van de samenwerking van Bismarck en Bleichróder de tot het verschijnen van zijn boek duister gebleven financiële zijde van de `Reichsgründung' belicht. Toch rijst de vraag waarom van Goud en IJzer nog vijftien jaar na het verschijnen van de eerste Engelse druk een Nederlandstalige uitgave in de handel wordt gebracht.
Het antwoord op die vraag is gelegen in het feit dat Bleichroder een jood was. Het verhaal van de samenwerking van Bismarck en Bleichrhder wordt hiermee het verhaal van de joden in Pruisen en Duitsland in de negentiende eeuw.

Joden en Duitsers

Door de geleidelijke afschaffing van alle officiële discriminerende maatregelen in de negentiende eeuw werden de omstandigheden voor joodse Duitsers om zich economisch te ontplooien steeds beter. Een aanzienlijk aantal van hen slaagde erin in korte tijd fortuin te maken. Deze joodse plutocraten vormden een deel van de grote groep van nieuwe rijken die aan haar gestegen welvaart de wens verbond maatschappelijk een overeenkomstige status te verwerven.

Deze assimilatiedrang van de bourgeoisie werd echter gedwarsboomd door de starre sociale structuur van de Pruisisch-Duitse maatschappij. In Pruisen, het toonaangevende land in het nieuwe Rijk, bestond een egoïstische kaste van Junkers, die nauwelijks nieuwe leden opnam. Anders dan in Engeland en Frankrijk was de bourgeoisie niet in staat om een eigen stelsel van waarden en normen te ontwikkelen. In plaats daarvan pasten de nieuwe rijken zich aan bij de aristocratische wereld.
Fritz Stern noemt dit verlangen van de Duitse nieuwe rijken naar sociale acceptatie een kernthema van de negentiende eeuw: `de loopbaan van de rijke bourgeois in al zijn luxueuze ellende'.

Volgens de auteur belichaamde Bleichroder `de onbestendigheid van de Duitse plutocratie: ze hongerden naar rijkdom en status - en ontdekten dat het laatste niet automatisch uit het eerste voortvloeide' 2

Als joods plutocratisch parvenu moest Bleichriider behalve deze eerste hindernis er nog een nemen: zijn joods-zijn vormde in de Pruisische negentiende-eeuwse maatschappij een tweede drempel naar de toegang tot de wereld van de elite. Zijn verlangen naar sociale acceptatie was om deze reden zo mogelijk nog groter dan dat van zijn niet-joodse collega's.

Voor vele joodse nieuwe rijken was de discriminatie tegen joden een reden om zich tot het Lutherse geloof te bekeren. Gerson von Bleichroder bleef het joodse geloof trouw, maar probeerde aansluiting bij de Pruisische elite te vinden door een kritiekloos voorvechter van de Pruisische staat te worden. Nu had hij daar ook een principiëlere reden voor: hij zag de Pruisische staat als de beste waarborg voor de joodse burgers.

Zijn relatie met Bismarck was in zekere zin Bleichröders geluk. De contacten met de overheid leverden zijn bank schatten op. Voor Bleichröder was de samenwerking met Bismarck echter boven alles ook een manier om de zo door hem gewenste maatschappelijke status te bereiken. Oppervlakkig bezien lukte dat ook. Als dank voor bewezen diensten kreeg Bleichroder een aantal belangrijke Pruisische en buitenlandse onderscheidingen en bovendien werd Bleichròder als eerste niet-bekeerde jood in 1872 opgenomen in de Pruisische adel.

In werkelijkheid betekenden die uiterlijke bewijzen van erkenning in Pruisen-Duitsland echter niet veel. Bleichróders klantenkring telde een groot aantal noodlijdende aristocraten, die hij veelal ondersteunde met gunstige leningen en aandelentransacties. Bleichroder hoopte door deze cliënten te helpen opgenomen te worden in hun wereld. Hij leek hierin ook te slagen; enige tijd lang was hij een geziene gast in de Berlijnse `beau
monde'. Het was echter alles schone schijn. De armlastige aristocraten accepteerden graag zijn hulp, maar bleven hun joodse bankier achter zijn rug om beschimpen.
Tegen het einde van de jaren 1870 traden anti-joodse sentimenten weer volop in de openbaarheid. Aangewakkerd door het slechte economische klimaat kreeg het antisemitisme in Duitsland de wind in de zeilen. Bleichroder was vanaf het begin het slachtoffer van veel van de antisemitische publicaties. Stern noemt dan ook de joodse bankier, lange tijd de rijkste man van Duitsland en een bekende raadgever van de regering, in zijn boek de `kroongetuige' van het antisemitisme. Bleichróder was het beste bewijs van de vooroordelen en aanklachten die onder de jodenhaters leefden en daarmee voor het grote publiek de ideale zondebok.

Bismarck en het antisemitisme

Het moet voor Bleichrdder een teleurstelling geweest zijn dat Bismarck bij dergelijke hetzes tegen zijn persoon niet vaak voor hem in de bres is gesprongen. Tenslotte was hij een zeer verdienstelijk medewerker van de Rijkskanselier, spraken zij elkaar meestal zeker wekelijks en werd hij door Bismarck zelfs aangesproken met 'geehrter Freund'. Bismarck hielp zijn joodse vriend echter alleen tegen laster als een aanval op Bleichròler in wezen gericht was tegen hemzelf of tegen het particulier bezit.

Met name in de Roemeense kwestie rond 1878 liet Bismarck Bleichroder lelijk in de steek. Er speelden rond de erkenning van de Roemeense staat twee zaken: de westerse grote mogendheden, daartoe aangespoord door de internationale joodse gemeenschap (waaronder Bleichròder), eisten van Roemenië dat het de mensenrechten van haar joodse burgers zou garanderen en de Duitse regering eiste van Roemenië een schadeloosstelling voor Duitse houders, veelal Junkers, van bepaalde Roemeense spoorwegaandelen. Bismarck schakelde Bleichróder in bij de afhandeling van de aandelenkwestie. Deze dacht dat hij door Bismarck daarin te assisteren op hulp van de Rijkskanselier kon rekenen in de mensenrechtenkwestie. Bismarck draaide het echter om. Hij wilde de Roemenen onder druk zetten door de joodse zaak te ondersteunen om ze tot toegeeflijkheid te dwingen op het vlak van de spoorwegaandelen. Nadat de Roemeense onderhandelaar met Bleichroder tot een akkoord was gekomen over de spoorwegaandelen en dit in 1880 door het Roemeense parlement geratificeerd was, erkenden de westerse grote mogendheden het land zonder dat gelijkberechtiging van de Roemeense joden bereikt was.
Bismarck, schrijft Stern, `had de joden gebruikt om de Jonkers [aandeelhouders] te redden'3.

Stern vraagt zich af of Bleichráder ooit ten volle heeft beseft dat Bismarck hem in deze zaak had gebruikt. Het lijkt hem na lezing van brieven van Bleichroder uit deze tijd toe dat deze `het onbehagen dat hij gevoeld moet hebben - gezien zijn verwachtingen in de Roemeense zaak en het uiteindelijke resultaat -, probeerde te minimaliseren'. Stern spreekt van `een zekere blindheid' die wat in zich heeft van `gewild zelfbedrog'.'
Bleichrdders wanhopige zoeken naar sociale erkenning en zichtbare bewijzen daarvan maakte hem kritiekloos ten opzichte van de staat en zijn machtige vriend.

Bismarck ging zelfs zover dat hij trachtte het antisemitisme ten eigen voordele in de binnenlandse politiek aan te wenden. Rond 1880 meende de Rijkskanselier korte tijd het antisemitisme te kunnen gebruiken in de strijd tegen zijn politieke vijanden, de liberalen, wier leiders voor een groot deel joods waren. Door de campagne van de regering werden links en kritiek op het antisemitisme gelijkgesteld. Toen in de verkiezingen van 1881 bleek dat deze taktiek niets opleverde voor de regeringspartijen, nam Bismarck discreet afstand van het antisemitisme. Het kwaad was echter al geschied; onder andere de openlijke steun van de regering had het antisemitisme in enkele jaren `salonfahig' gemaakt.

Het was al met al een heel gevaarlijk spel dat Bismarck met het antisemitisme speelde. Bovendien was Bismarck zelf niet helemaal ongevoelig voor de vooroordelen van de maatschappij waarin hij leefde. De `IJzeren Kanselier' zag zijn politieke vijanden ook als persoonlijke vijanden.
Lothar Gall toonde in zijn Bismarck-biografie al aan, dat Bismarck in die zin geen Machiavellist te noemen was; hij was niet zakelijk en koel berekenend.' In zijn vormingsjaren had hij zich langzamerhand ontworsteld aan de vooroordelen die er in Duitsland leefden ten aanzien van joden. Bismarck was geen antisemiet. In de politieke strijd verloor Bismarck echter veel van zijn redelijkheid en doken de oude vooroordelen weer op.

In het kader van zijn gebruik van het antisemitisme rond 1880 zegt Stern het als volgt: `een nadrukkelijke joodse aanwezigheid in het vijandelijke kamp [van de links-liberalen] zette zijn geleidelijk verworven neutraliteit jegens joden onder druk.'

Zonder Bismarck meteen de schuld in de schoenen te schuiven van de gruwelen van de beide wereldoorlogen, stelt Stern dat hij de eerste Duitse politicus was die zonder scrupules mensen en vooroordelen van mensen tegen elkaar uitspeelde. Bismarck vergat daarbij dat vooroordelen anders dan mensen een eigen leven gaan leiden en daarom niet zonder gevaar te gebruiken zijn.

Beoordeling

Bij zijn leven was Bleichòdder een bekende figuur in binnen- en buitenland. Na zijn dood raakte hij echter al snel in vergetelheid. Bismarck noemt hem ondanks hun hechte contact slechts een enkele keer in zijn mémoires. De Duitse Bismarck-historici veronachtzaamden lange tijd Bleichriiders rol in de totstandkoming van het Duitse Rijk. Ten dele volgden zij blindelings Bismarcks dictaat, zoals dat in zijn Gedanken and Erinnerungen vastgelegd was. Voor een ander deel van de historici geldt dat zij in de Rankeaanse traditie van politieke geschiedschrijving stonden en om deze reden de financiële zijde van het verhaal onbelangrijk vonden. Sommige historici waren echter domweg niet erg gelukkig met een zo gewichtige rol van een jood in de stichting van het tweede Rijk.

Fritz Stern corrigeerde met zijn boek het valse beeld dat zodoende ontstond van de Duitse geschiedenis. Dankzij Goud en IJzer hebben andere historici nu meer aandacht voor de sleutelrol van Bleichròder in de `Reichsgriindung'. De (Oost-)Duitse Bismarckbiograaf Ernst Engelberg verwijst expliciet naar Sterns boek en besteedt relatief veel aandacht aan de figuur van Bleichróder. Dit doel is dus bereikt.
Daarbij heeft Stern een uiterst leesbaar boek geschreven. Met zijn beeldende stijl weet de Amerikaanse historicus het verhaal van Bleichrdder en Bismarck de allure van een roman te geven.
De Nederlandstalige uitgave van Agon mikt op een groot publiek en daarom permitteer ik me de kritiek dat Stern een enkel keer teveel voorkennis vraagt .7

De vertaler Roelof Manning heeft Sterns literaire stijl goed weten te bewaren. Af en toe hanteert hij de interpunctie zodanig, dat onderwerp en werkwoord van elkaar gescheiden worden. Dat kan storend zijn. Bovendien zijn er nogal wat zetfouten in de vertaling geslopen, waardoor er bijvoorbeeld 1870 staat waar 1879 had moeten staan (p.323).

Het belangrijkste is echter dat het boek licht werpt op het feit dat aan de wortels van het Duitse Rijk een jood stond. Tegen de achtergrond van de gebeurtenissen van de laatste tijd in Duitsland lijkt dat een waardevol gegeven. Waardevol voor buitenstaanders, omdat het hen erop wijst dat Duitsland meer is dan militarisme en antisemitisme, ook al lijkt dat na Rostock niet het geval. Waardevol is het ook voor de Duitsers zelf. De samenwerking van een Pruis en een Duitse jood leidde tot de vereniging van alle Duitsers in een staat. Pas toen Duitsland begon de joden in zijn
midden te bestrijden, en daarmee zichzelf, werd de eenheid opnieuw in de waagschaal gesteld.

Noten

1. Oorspronkelijke titel: Gold and Iron. Bismarck and Bleichróder and the building of the German Empire. Pocket editie: Penguin, Harmondsworth 1987, prijs ca. f35,-.
2. Stem, p.225.
3. Stem, p.501.
4. Stern, pp.502, 503.
5. Lothar Gall, Bismarck, der weifle Revolutionair (Frankfort, Berlijn, Wenen 1980) pp.566-568.
6. Stern, p.646. Overigens citeer ik hier niet geheel correct. In de vertaling staat in plaats van verworven verworden. Omdat er in het Engelse origineel gesproken wordt van his gradually acquired neutrality' lijkt me verworven meer op zijn plaats. Het kan een zetfout zijn. p.510.
7. Een voorbeeld: op pagina 101 noemt Stern Sleeswijk en Holstein ineens `ondeelbaar'. Hij zou moeten uitleggen dat het oude Duitse recht voorschreef dat de beide hertogdommen `up ewig ungedeelt' zouden zijn; d.w.z dezelfde vorst en grondwet zouden hebben.