We hebben 274 gasten online

Frankrijk 1919-1946 Deel 1

Gepost in Frankrijk

1919-1946 Deel 1

petain

Frankrijk in de maalstroom van onze eeuw

De onaantastbaar lijkende machtspositie, de terugval, de nederlaag, de verdeeldheid én het volledige herstel [1919-1946]

H. Toorenvliet publicist in Militaire Spectator 1980 pagina 985-505

Ongetwijfeld behoort Frankrijk tot de kleine groep van landen die op een lange en uitzonderlijke militaire geschiedenis kunnen terugzien. Deze historie was meestal glorieus, maar omdat glorie nu eenmaal vergankelijk is, was ook deze stellig geen aaneenschakeling van alleen maar overwinningen.

Ook zij kende haar nederlagen, die soms zo groot waren dat zij het land aan de rand van de afgrond brachten. Zo kwam de nederlaag in 1871 tegen het Pruisische leger en de strijdkrachten van de andere Duitse staten hard aan, hoewel de gevolgen daarvan achteraf overkomelijk bleken. De grote zegepraal van november 1918 wiste deze smaad echter volkomen uit. De nederlaag van juni 1940 had fataal kunnen zijn, maar door de gecompliceerdheid van de internationale toestand bood de toekomst toch nog de nodige overlevingskansen. Ondanks een tranendal dat enkele jaren duurde, kon Frankrijk de beproevingen te boven komen.

Overeenkomstig een oud en beproefd recept wisten bekwame en kordate militairen, die ondanks hun verdeeldheid hetzelfde doel nastreefden, Marianne weer op het nippertje voor een fatale val in de afgrond te behoeden.

De Engels-Franse tegenstellingen

1e wo en gevolgen

Nog voor de ondertekening van het vredesverdrag van Versailles (28 juni 1919) was de Franse politici, en Clémenceau in het bijzonder, duidelijk geworden, dat de Engelse en de Franse zienswijzen ten aanzien van de behandeling van het verslagen Duitsland sterk uiteenliepen. Inderdaad ging de Britse buitenlandse politiek nog steeds uit van het grondbeginsel, dat de vijanden van heden de vrienden van morgen kunnen zijn, en Lloyd George was zelfs zo eerlijk geweest daar openlijkvoor uit te komen.

De Engelsen, die het eventuele bezit van de Russische olievelden stellig niet afwezen, hadden nog wel meegewerkt aan het door Parijs gestichte cordon sanitaire. Deze tegen de Sovjet-Unie gerichte omsingelingspolitiek stortte echter spoedig ineen. Alleen het voortbestaan van het onafhankelijke Polen kon als een succes van de Franse buitenlandse politiek worden aangemerkt. Niet alleen werd de Pools-Russische Oorlog van 1920 door de Polen overleefd, maar tevens konden zij bij de vrede van Riga (18 maart 1921) hun grens ten koste van de Sovjet-Unie in oostelijke richting doen opschuiven.

Inmiddels had Parijs niet stilgezeten; Frankrijk hield zich naarstig bezig met een nieuwe omsingelingspolitiek die tegen Duitsland was gericht. Deze opzet slaagde wel, want in de periode van 1919 tot 1933 waren vooral Joegoslavië, Roemenië en Tsjechoslowakije (de drie landen van de Kleine Entente) én Polen zowel in politiek als in militair opzicht erg nauw aan Frankrijk verbonden.

In deze jaren was Frankrijk beslist een aantrekkelijke bondgenoot; het kwam uit de Eerste Wereldoorlog met een prima leger, dat modern en royaal was uitgerust, terwijl de luchtstrijdkrachten in een uitstekende staat verkeerden. De landmacht beschikte onder meer over ruim 6000 stukken veldgeschut van 75 mm (de beroemde soixante-quinze van Schneider), ruim 5300 kanonnen met kalibers van 105 tot 220 mm, ruim 47.500 zware en 120.000 lichte mitrailleurs, 2500 Renault-tanks en 100 zware tanks.

Verder vertoonde Parijs weinig bereidheid tot terugschakelen op vredessterkte, hoewel zelfs al iets aan de modernisering van het materieel werd gedaan. Later zou worden aangetoond, dat „iets doen" onherroepelijk tot achterstand moest leiden.

Inmiddels werd de politieke kloof tussen Londen en Parijs breder; zij zou inderdaad uitgroeien tot een controverse die zelfs in 1943 nog niet geheel tot het verleden behoorde. Voor haar ontstaan was echter niet alleen Londen verantwoordelijk te stellen, want ook Parijs ging een eigen weg.

Tijdens de Grieks-Turkse Oorlog van 1920-'22 stond Londen pal achter Athene, terwijl de Fransen met de Italianen in hun kielzog al betrekkelijk spoedig de Turkse nationalisten van Moestafa Kemal Pasja niet alleen van wapens voorzagen maar tevens politiek steunden.

handen af van het Rurhgebied

Op 10 januari 1923 gingen Franse en Belgische troepen over tot de bezetting van het Roergebied, waartegen door de Duitsers passieve weerstand werd geboden; die werd door de zware industrie bekostigd en pas in september door toedoen van rijkskanselier Stresemann beëindigd. De Engelsen veroordeelden openlijk het Franse optreden, hetgeen in Parijs veel kwaad bloed zette.

Door de verovering van Damascus op 23 juli 1920 hadden de Fransen uiteindelijk het door hen zo begeerde nieuwe mandaatsgebied Syrië bij hun imperium kunnen inlijven. In de felle Drusenopstanden tijdens de jaren 1924/'25 meenden de Fransen Britse machinaties te onderkennen.

Het alom bekende Verdrag van Locarno werd op 16 oktober 1925 ondertekend. In theorie was dat een bevestiging van de Franse hegemonie in Europa; in de praktijk betekende het echter een verzwakking van het Verdrag van Versailles en zo was het in feite een eerste succes voor de buitenlandse politiek van het naoorlogse Duitsland.

De Maginotlinie

Ontegenzeglijk was Frankrijk nog steeds een sterke natie, maar na alles eens even op een rij te hebben gezet begrepen sommige Franse prominenten toch wel terdege dat het toekomstpad voor hun land niet alleen over rozen zou voeren. Met het oog op de toekomst liet een lichte huivering zich niet altijd even gemakkelijk onderdrukken. Deze summiere voorgevoelens, die van een zekere angst getuigden, zouden uiteindelijk uitmonden in de aanleg van een omvangrijke gordel van fortificaties die zijn naam dankt aan Maginot.

André Maginot (1877-1932) had zich als député in 1914 moeiteloos aan actieve militaire dienst kunnen onttrekken. Dat lag evenwel niet in zijn aard en dus meldde hij zich als vrijwilliger. Hij ontpopte zich als een uitstekende soldaat die nooit verstek liet gaan als er gevaarlijke opdrachten moesten worden uitgevoerd. Voor zijn heldendaden werd hij vele malen onderscheiden, maar nadat hij tot sergeant was bevorderd wenste hij geen verdere promoties meer omdat hij er de voorkeur aan gaf bij zijn eigen manschappen te blijven. Op een van zijn nachtelijke patrouilles raakte hij zwaar gewond en moest worden achtergelaten; pas in de loop van de volgende nacht konden zijn soldaten hem uit het niemandsland halen. Wel herstelde hij langzaam, maar hij kon nooit meer normaal lopen.

fort fermont maginotlinie

Onder invloed van zijn frontervaringen, die hem niet meer los lieten, ontwikkelde hij zich tot een gezaghebbende pleitbezorger voor een vergroting van Frankrijks militaire veiligheid, waarop hij een geheel eigen visie had; het uitdragen van zijn ideeën ging hem gemakkelijk af: de gedeputeerde, tevens voorzitter van de kamercommissie voor militaire aangelegenheden en bovendien een vermaard oorlogsheld, had overal toegang en vond bij zeer velen een willig oor. In de eerste helft van 1927 verzette Maginot een berg werk en voerde het ene gesprek na het andere. Hij kreeg de leden van zijn kamercommissie mee, hij sprak uitvoerig met ministers, kamerleden en senatoren en met officieren van de generale staf en het opperbevel. Hij wist zijn eigen geestdrift voor het grootse plan op velen over te brengen en was vrij spoedig van vele medestanders verzekerd.

De Franse zware industrie zag er een nieuwe goudmijn in en deed alles om de uitvoering te stimuleren van een project dat jarenlange vaste en grote verdiensten beloofde. Het was dan ook niet verwonderlijk, dat in het begin van 1928 al met de werkzaamheden werd begonnen. In 1930 smaakte Maginot, die toen zelf minister van oorlog was, het genoegen de jaarlijkse uitgaven voor de aanleg van de fortificatiegordel door het parlement te zien goedkeuren. Hij zou echter de voltooiing van zijn levenswerk niet meemaken, aangezien hij in 1932 overleed.

De nadelen van het bezit

Nakaarten is nooit moeilijk, maar toch kan worden vastgesteld dat het bezit van de in 1936 gereedgekomen Maginotlinie Frankrijk grote nadelen heeft berokkend. Tijdens de eerste jaren van de bouw van de afweergordel legde Brussel — de Belgen waren in deze periode nog sterk met Frankrijk verbonden — een zekere welwillendheid aan de dag, de Franse verdedigingslinie in oostelijk België te doen doortrekken. De noodzaak daarvan werd evenwel door velen bestreden.

Op 11 december 1932 verwierven de Duitsers de theoretische erkenning van hun gelijkgerechtigdheid inzake bewapening en zeer kort daarna vond de machtsoverneming in Berlijn plaats (30 januari 1933).

De Belgen beperkten zich nu tot het moderniseren van de fortificaties bij Luik en ondernamen verder vrijwel niets meer om onnodige prikkeling van de machthebbers in het Derde Rijk te voorkomen. Daarbij voelde Brussel steeds meer voor de Nederlandse opstelling in strikte neutraliteit. Zo werd het mogelijk, dat reeds geruime tijd voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de buitenlandse politiek van Brussel en Den Haag geheel parallel liep.

Toch gaf de Maginotlinie de doorsnee-Fransman een veilig gevoel; het grootste nadeel daarvan werd, dat de verdedigingsgordel als een soort Klaas Vaak ging fungeren: het zandmannetje voor volwassenen. Veel erger was evenwel dat de linie ook invloed had op de mentaliteit van talrijke figuren uit de Franse militaire top. Het tot stand komen van de nieuwe inzichten bij die prominenten geschiedde niet snel; het liep echter in de pas met de aanleg van de Maginotlinie, waaraan men acht jaar had gewerkt. In 1936 waren velen in Parijs geneigd het sprookje als een realiteit te beschouwen: wij Fransen hebben nu eenmaal die onaantastbare linie, ook al loopt deze niet tot Maastricht door; in de eventuele volgende oorlog —• indien onverhoopt het Belgische grondgebied toch door de Duitsers zal worden geschonden — zullen de Belgen weer aan onze kant staan; zij beschikken over de sterke en geheel aan de eisen van de tijd aangepaste fortificaties bij Luik en dan zullen wij een gedeelte van onze troepenmacht uit Noord-Frankrijk laten oprukken om in nauwe samenwerking met het Belgische leger de Belgische Ardennen — een natuurlijke barrière bij uitstek — zodanig af te grendelen dat een verdere Duitse opmars onmogelijk zal zijn.

maginotlinie

Die optimistische zienswijze zou echter door de harde werkelijkheid worden gelogenstraft. In het begin van 1934 was Frankrijk in een politieke impasse geraakt; president Lebrun zag zich genoodzaakt — nadat kort daarvoor Chautemps en Daladier en vrijwel al hun voorgangers als premier hadden gefaald — een beroep te doen op de bekwame vroegere president Gaston Doumergue, als minister-president een kabinet te willen samenstellen. Doumerque, 71 jaar oud, gaf zich pas na grote druk gewonnen. Op 9 februari had hij zijn kabinet van nationale eenheid (alleen de communisten maakten geen deel ervan uit) samengesteld.

Doumergue zou tot 14 november aanblijven en stelde alles in het werk om de regeringsuitgaven drastisch te doen verminderen. In zijn regering was de 78-jarige maarschalk Pétain als minister van oorlog opgenomen. Zelfs in de militaire sector werd bezuinigd, hoewel door middel van een aanvullende (bescheiden) begroting toch nog enkele van de noodzakelijkste uitgaven door het parlement werden aangenomen.

De Gaulle dient Reynaud van advies

Ontegenzeglijk behoort het tot de grote verdiensten van De Gaulle, dat hij in deze periode niet alleen in woord en geschrift achter zijn eigen moderne ideeën over de toekomstige wijze van oorlogvoeren bleef staan, maar dat hij tevens pogingen ondernam enkele politici met hun neus op de feiten te drukken. Zo voerde de toenmalige kolonel in januari 1935 een langdurig gesprek met de eerzuchtige politicus Reynaud, die door het betoog van De Gaulle geheel overstag ging. Hoewel Reynaud voordien een totaal afwijkende visie was toegedaan, ontpopte hij zich nu in het parlement als de exponent van hen die voor de Franse verdediging alleen nog maar heil verwachtten van het bezit van een slagvaardig en omvangrijk pantserwapen en een ultramoderne luchtmacht.

Reynaud ageerde niet uitsluitend voor het landsbelang, maar ook voor eigen glorie. Toch deed hij zijn uiterste best de ideeën van De Gaulle, die overeenkwamen met die van de Duitse militaire leiders, als zijn eigen visie aan de man te brengen. Zijn pogingen vielen niet in goede aarde; de vele tegenstanders gaven fel verweer en de weinige medestanders hielden zich op de achtergrond.

Men bezat immers de bijna voltooide Maginotlinie . . . En hoezeer — zij het dan ook maar tijdelijk — de militaire top was blijven stilstaan, bleek duidelijk toen in 1935 sommige Franse generaals het uitgesloten achtten dat een massale inzet van parachutisten en/of luchtlandingstroepen tot de mogelijkheden behoorde.

De bij de Fransen ontbrekende wil tot verzet kwam goed aan het licht bij de remilitarisatie van de linker Rijnoever door de Duitsers op 7 maart 1936. In Parijs gonsde het van de besprekingen op hoog niveau, die echter slechts één besluit opleverden namelijk de weigering van de Franse bevelhebber generaal Gamelin iets te ondernemen indien de algemene mobilisatie niet werd afgekondigd. Wel hield de Franse premier Albert Sarraut — deze stond als een krachtige figuur bekend — een militante radiorede; daarin zei hij onder meer het voor Frankrijk een onduldbare zaak te achten dat Straatsburg nu onder de bedreiging van Duits geschut was komen te liggen. En daar bleef het bij, want in de Franse ministerraad was geen meerderheid voor een mobilisatieafkondiging te vinden.

Toch kwam in 1937 de voorziening van materieel voor de strijdkrachten, die in de jaren van 1933 tot en met 1936 ronduit slecht was geweest, weer behoorlijk op gang. De bewapeningsindustrie — die al die jaren ook nog buitenlandse orders uitvoerde en uiteraard bij voorkeur van „bevriende" naties — werkte nu op volle toeren. Impasses kwamen niet meer voor en zelfs kon de achterstand, die in vorige jaren was ontstaan, geheel worden ingelopen.

De werkelijke oorlog begon voor Frankrijk pas in mei 1940; de nederlaag in juni van dat jaar kon slechts ten dele aan materieelgebrek worden toegeschreven: het euvel in de sector materieel bestond zuiver uit de afwezigheid van superieure wapens.

De luchtstrijdkrachten

Evenals het leger kwam de Franse luchtmacht als een strijdmacht van aanzienlijke betekenis uit de Eerste Wereldoorlog. Reeds in 1924 werd de planning voor de sterkte in 1931 gemaakt. De geplande sterkte van 2400 moderne toestellen werd in 1931 niet gehaald, men had slechts ongeveer 1650 moderne toestellen ter beschikking. Aan de ontwikkeling van de prototypes werd te veel tijd besteed; hier vierden de — overigens prijzenswaardige — Franse lust tot vervolmaking en het Franse individualisme hoogtij.

De Franse nationale feestdag, 14 juli, werd ook in 1936 met de gebruikelijke parade op de Champs-Elysées in Parijs gevierd. Vele autoriteiten, waaronder president Lebrun en de nieuwe ministerpresident Léon Blum, en talrijke buitenlandse gasten woonden het schouwspel bij.

leon Blum

De socialist Blum was de leider van de Volksfrontregering, waarvan behalve de socialisten en de communisten ook de radicaalsocialisten deel uitmaakten. Door hun deelneming aan de regering hadden de communisten hun houding ten opzichte van de strijdkrachten geheel herzien en hun aanhangers juichten de troepen even geestdriftig toe als wie dan ook. Als apotheose verschenen deze dag boven Parijs de nieuwste aanwinsten van de Franse luchtmacht, die pas sinds 1933 een onafhankelijk onderdeel van de strijdkrachten was geworden.

De opperbevelhebber van de luchtmacht, generaal Vuillemin, had het klaargespeeld 200 moderne gevechtstoestellen tegelijkertijd te doen tonen. Dat aantal van 200 — het was immers maar tijdens een parade — deed het misplaatste gevoel van veiligheid nog toenemen.

Geslaagde intimidatiepogingen van Göring

In augustus 1938 groeide de Tsjechoslowaakse crisis naar een hoogtepunt. Toch bracht generaal Vuillemin in gezelschap van enkele van zijn stafofficieren in die maand op uitnodiging van Göring een vriendschapsbezoek aan de Luftwaffe. Dat mag dan enigszins vreemd aandoen, men mag niet uit het oog verliezen dat tussen de beide wereldoorlogen de oorlogsvliegers, ook als zij vroeger vijanden waren geweest, uiterst hoffelijk en vriendschappelijk met elkaar omgingen. Vuillemin en zijn medewerkers aanvaarden de reis naar Duitsland met onverholen nieuwsgierigheid. Door Göring werd uiteraard vooral Vuillemin volkomen in de watten gelegd, maar de maarschalk kon nog veel meer, want de Fransen werden niet alleen gefêteerd maar ook geïntimideerd. En hoe! Niet alleen werd hun in Augsburg in de Messerschmittfabriek de fabricage aan de lopende band (deze liep al van 1934 af) van de befaamde jager de Me 109 getoond, het selecte Franse gezelschap werd daarna elders in staat gesteld de later zo geduchte Stuka's in actie te zien. Dat was niet alleen belangwekkend, doch vóór alles angstaanjagend.

Vanzelfsprekend maakten de Fransen vergelijkingen omdat zij hun achterstand terdege beseften. Het rapport, dat Vuillemin na zijn terugkeer in Parijs ten behoeve van Daladier — die nu voor de tweede keer premier was — deed samenstellen, loog er dan ook niet om. Vooral dat rapport zou enkele weken later van grote invloed zijn op de houding van Daladier bij de regeling van de Tsjechoslowaakse kwestie tijdens de Viermogendhedenconferentie te München op 29 en 30 september (1938): inderdaad kon en durfde Daladier geen vuist maken; hij legde zich, evenals Chamberlain, bij vrijwel alles neer. Beiden hadden in München slechts één ding voor ogen: tijd winnen.

En of het winnen van die tijd — hetgeen in werkelijkheid betekende het naar een later tijdstip verschuiven van het uitbreken van de oorlog — zo voordelig is geweest, blijft op zijn zachtst uitgedrukt aanvechtbaar. Politiek gezien was de overeenkomst van München een grote blunder, van een militair standpunt bekeken was zij catastrofaal; de Fransen verbraken niet alleen enkele verdragen, maar werkten tevens mee aan de liquidatie van hun laatste trouwe bondgenoten de Tsjechoslowaken, aan wie zelfs de mogelijkheid tot mondeling verweer bleef ontzegd.

De zeestrijdkrachten

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had de Franse marine in vele wateren talrijke activiteiten ontplooid. De vloot had nogal wat schepen verloren, zoals onder andere bij Gallipoli. Reeds in 1919 kwamen de wensen tot vernieuwing en modernisering aan de orde. Het mag dan tegenstrijdig aandoen, maar de Franse marineleiding bereikte wél alles overeenkomstig die wensen. Ook de vlootbesprekingen in Washington, die op 12 november 1921 waren begonnen, zouden echter een duidelijk stempel drukken op de naoorlogse vlootpolitiek van Parijs. De onderlinge verhoudingen van de totale tonnage van de vijf voornaamste martieme mogendheden, namelijk de Verenigde Staten, Engeland, Japan, Frankrijk en Italië, werden bij de aanvaarding van het vlootverdrag van Washington (6 februari 1922) als volgt vastgesteld: 5 : 5 : 3 : 1,75 : 1,75. Tegen deze pariteit hadden de Fransen zich fel verzet. Zij voelden het als een grote onbillijkheid dat de Italianen, indien zij dat wensten, nu het recht hadden een even sterkevloot — althans in theorie — als de Fransen te gaan bouwen. Het Franse wereldrijk was immers veel omvangrijker en meer verspreid dan het bescheiden en compacte Italiaanse imperium. Pas na aanzienlijke Amerikaanse, Britse en Japanse druk gaven de Fransen zich gewonnen; tevens werkte daarbij mee, dat zij zich evenmin graag het predikaat van superimperialisme lieten aanleunen.

Toch was weer bij de Fransen veel kwaad bloed gezet. De Franse scheepsbouwkundige ingenieurs gaf het echter een extra stimulans; voor de eigen marine werden uitsluitend schepen gebouwd die, niet alleen qua bewapening en snelheid doch ook qua incasseringsvermogen, van een ongekende en voortreffelijke kwaliteit waren.

Van een maritieme gezichtshoek uit bekeken, was Duitsland voor 1933 van geen enkele betekenis. De opbouw en samenstelling van de nieuwe Franse zeestrijdkrachten werden derhalve geheel erop afgestemd de Italiaanse marine in elk denkbaar opzicht te kunnen overtreffen.

Nu bouwden ook de Italianen goede oorlogsschepen, maar bij hen lag in de eerste plaats het accent op de snelheid (!). Toch mag worden gememoreerd, dat de ranke Italiaanse schepen het visueel uitstekend deden.

Het Brits-Duitse vlootakkoord, dat op 18 juni 1935 tot stand was gekomen, bleek voor de Fransen een te zware pil om zomaar te kunnen verteren. Aan het simpele feit, dat de Engelsen de Duitsers hadden toegestaan een vloot op te bouwen tot maximaal 35% van hun eigen tonnage, werd niet zo zwaar getild, maar de daarin opgesloten officiële Engelse erkenning van de Duitse herbewapening — die overigens al van december 1932 af officieus bestond — was voor Parijs de werkelijke bron van irritatie.

Parijs achtte zich nu echter wél geheel bevrijd van de laatste remmingen, die de eigen marinepolitiek nog zouden kunnen drukken; het verdrag van Washington was ter ziele. De marineleiding breidde de taken uit; niet alleen de Italianen maar ook de Duitsers dienden te worden overtroefd. De nieuwe opzet slaagde vrijwel geheel; bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was het Franse vlootprogramma bijna voltooid. In ieder geval begon Frankrijk deze oorlog als de sterkste Europese maritieme macht na Engeland. Maar later zou jammer genoeg blijken, dat die krachtige Franse vloot niet onder een gelukkig gesternte was opgebouwd. Een groot gedeelte van haar schepen was tot ondergang gedoemd en deze zouzich onder uiterst tragische omstandigheden voltrekken.

De „dröle de guerre" en de échte oorlog

Inderdaad hadden na 1937 de Franse strijdkrachten over de toevoer van modern materieel niet veel meer te klagen. De — bij de wet van 11 augustus 1936 genationaliseerde — Franse wapenindustrie ging echter wel door met het leveren aan het „bevriende" buitenland. Ondanks alles voelde Parijs zich toch verplicht de rol van grote mogendheid te blijven spelen en zo werden (eind augustus 1939) aan Polen vijftig en aan Roemenië tien tanks afgeleverd; op dringend aanraden van generaal Weygand verkregen even later de Turken 750 stuks 25 mm antitankgeschut.

Bij het uitbreken van de oorlog in 1939 beschikte het Franse leger onder meer over 9000 stuks 75 mm veldgeschut, 6000 stuks veldgeschut van zwaarder kaliber tot en met 155 mm, 6700 mortieren (60 en 81 mm), 50.000 zware en 130.000 lichte mitrailleurs. Deze aantallen doen sterk denken aan die van november 1918, maar het materieel van 1939 was vernieuwd of verder geheel gemoderniseerd.

Het andere materiaal, het beweeglijke en modernere, is vermeld in de tabel; duidelijk komt tot uiting, dat tijdens de periode van de 'drölle de guerre' de Franse wapenindustrie geen stagnatie had ondervonden.

Soort

globale aantallenper

globale aantallen per

 

3 sept 1939

10 mei 1940

Antitankgeschut (47 mm)

350

1280

Antitankgeschut (25 mm)

3750

4250

Luchtafweergeschut (20 t/m 105 mm)

1235

2800

Lichte tanks met 37 mm kanon; type Renault '35 en Hotchkiss '35

1780

2665

Snelle tanks met 47 mm kanon; type D2 en Somua

260

415

Zware tanks met 75 mm kanon type B

220

380

Gepantserde verkenningsauto's met mitraiieurbewapening

600

750

Rupsvoertuigen

3400

3900

De in de tabel vermelde lichte tanks waren stellig voor de Duitsers geen volwaardige tegenstanders. Door hun gebrek aan snelheid en hun geheel onvoldoende vuurkracht waren zij, overeenkomstig de reeds lang achterhaalde zienswijze, alleen bruikbaar ter ondersteuning van de infanterie in het gevecht. Alleen de tanks van type B (het Franse leger bezat er in 1936 nog geen twintig!) en van de typen D2 en Somua, dus ongeveer een 800 stuks in totaal, waren gelijkwaardig aan de Duitse.

Over de sterkte van de luchtstrijdkrachten lopen zelfs de gegevens van de betrouwbaarste bronnen sterk uiteen. Wel mag worden aangenomen dat de Fransen in mei 1940 beschikten over 900 moderne en inzetbare gevechtstoestellen. De Franse luchtmacht bezat echter geen enkele duikbommenwerper, terwijl het aantal inzetbare gewone bommenwerpers ongeveer 100 was. Een pluspunt was, dat de Franse vliegers altijd van grote klasse waren en aan geoefend personeel had de luchtmacht geen gebrek.

Door het niet aanvallen van Duitsland tijdens de Poolse veldtocht, had het Franse militaire aanzien al een aanzienlijke deuk opgelopen. Weer had de passieve instelling getriomfeerd. Zelfs de Engelsen deden in september 1939 iets: de RAF deed enkele luchtaanvallen op Duitsland, hoewel die in vergelijking tot de latere nog uiterst summier waren.

In de beginfase van de oorlog speelde de regering Daladier even met de gedachte de Maginotlinie alsnog te verlengen. Als werkkrachten had men allereerst de Britse werklozen op het oog, een plan dat door Londen werd afgewimpeld.

Toch konden Engeland en Frankrijk een groot diplomatiek succes boeken, namelijk het sluiten van het Drievoudige Verbond met Turkije op 19 oktober 1939. Dat verdrag bracht vooral de Franse generale staf op het idee nu ook aanvalsplannen tegen de Sovjet- Unie te gaan ontwerpen. Men beschikte immers over het Levantleger, waarvan de Franse troepenmacht in Syrië het voornaamste bestanddeel uitmaakte en waarover generaal Weygand de scepter zwaaide. De Britse troepen in de Levant haalden nauwelijks een sterkte van 60.000 man; zij waren echter verspreid over o.a. Palestina, Irak, Jordanië en Egypte.

De plannen voor het veroveren en/of het vernietigen van de Russische olievelden in de Kaukasus waren het resultaat van een volslagen irreëel denkproces. Frankrijk was immers in oorlog met Duitsland, terwijl het met de Sovjet-Unie in vrede leefde! In het begin van 1940 werd aan deze dwaze kronkel nieuw leven ingeblazen; dat resulteerde in de oprichting van een expeditiekorps ter ondersteuning van de Finnen in hun strijd tegen de Sovjet-Unie. Deze plannen onthulden duidelijk dat een aanzienlijk deel van de Franse militaire top voor alles anti-Bolsjewistisch was, en dat was koren op de Duitse molen.

De Duitsers zaten overigens niet stil, want in Stuttgart werd, vooral door middel van radiouitzendingen, de politieke trom geroerd; een perfect Frans sprekende figuur, die onder de schuilnaam „Ferdonnet" optrad, bewoog geregeld hemel en aarde om de Franse gemobiliseerden in anti-Britse zin te indoctrineren, waarbij hij de populairste Franse liedjes als lokmiddel gebruikte.

Aan de vele zorgen die Daladier kwelden, werd er op 8 februari 1940 nog een toegevoegd door de afgevaardigde De Kerillis. Deze vroeg namelijk schriftelijk of het op waarheid berustte dat de elektrische apparatuur in de Maginotlinie indertijd door het Franse filiaal van Siemens was aangelegd. Op 25 februari kreeg hij antwoord, uiterst hoffelijk en erkentelijk, doch tevens nietszeggend.

daladier

Daladier

Toch kwam Daladier, die zo direct bij het akkoord van München betrokken was geweest, op 21 maart 1940 ten val. Als premier werd hij door Reynaud opgevolgd; behalve over zijn reeds eerder vermelde eerzucht beschikte Reynaud stellig over de nodige intelligentie, maar evenals Daladier miste hij juist de noodzakelijke eigenschappen die hem tot een groot oorlogsleider konden doen uitgroeien.

Inmiddels had Gamelin generaal Georges belast met het opperbevel over de noordoostelijke sector van het Franse front, waardoor hij tevens de betekenis van zijn eigen opperbevelhebberschap had verkleind. Van de andere Franse legeraanvoerders was de bekwame generaal Gustave Billotte afgevallen ten gevolge van een dodelijk auto-ongeluk, en de eveneens kundige generaal Giraud zou al op 21 mei krijgsgevangen worden gemaakt. Daarna bleef van de leden van deze beperkte groep, waarvan hij in 1939 als 59-jarige de benjamin was, slechts generaal Huntziger over.

Tijdens de oorlogshandelingen van mei en juni 1940 wist deze door zijn vastberaden en beheerste manier van optreden vrijwel iedereen van zijn kunde te overtuigen. Maar al te snel was na 10 mei aan het licht getreden, dat de „natuurlijke Ardennenbarrière" voor de Duitse pantserdivisies van generaals als von Manstein, Hoth en Guderian, geen beletsel van enige betekenis was geweest. Al op 14 mei Generaal Maurice Gamelin (20 september 1872-14 april 1958) hadden de eerste Duitse eenheden bij Dinant en op twee andere punten de overkant van de Maas bereikt.

Toen Reynaud op 20 mei Gamelin door Weygand had vervangen, riep hij tevens maarschalk Pétain uit Madrid terug om hem als vicepremier in zijn regering op te nemen. Op Reynauds verzoek maakte Pétain een inspectiereis langs de belangrijkste Franse commandocentra. Hij had vele op- en aanmerkingen te rapporteren, vooral dat er in het algemeen te veel werd afgewacht, waardoor het eigen initiatief te weinig aan bod kwam. Alleen over het optreden van Huntziger en over de werkwijze op het hoofdkwartier van de marine liet hij zich lovend uit.

Inmiddels was de geslaagde Duitse doorbraak naar Sedan, waardoor tevens de weg naar Abbeville was komen open te liggen, allang verleden tijd. Het 9e Franse Leger van generaal Corap was vrijwel geheel vernietigd; op 28 mei capituleerde het Belgische Leger en op 4 juni verlieten via Duinkerken de laatste eenheden van het Britse expeditieleger het Franse grondgebied.

Generaal De Gaulle had op bevel van Reynaud de frontdienst moeten verlaten en werd op 6 juni in de regering opgenomen als onderstaatssecretaris van defensie. Reynaud, die daarbij door velen werd gesteund, had Weygand als opperbevelhebber nog willen vervangen door Huntziger die, nuchter als altijd, bereid was het opperbevel op zich te nemen. Maar aangezien de militaire situatie benarder was dan ooit durfde de regering die stap toch niet meer aan.

Ondanks Frankrijks precaire militaire positie bleken er voor de Italianen, die op 10 juni Engeland en Frankrijk de oorlog hadden verklaard, geen militaire successen te zijn weggelegd. De Franse Armee des Alpes, die slechts vier divisies telde en door de bekwame generaal Olry werd aangevoerd, bleek voor de negentien ingezette Italiaanse divisies een veel te sterke tegenstander te zijn.

Op 13 juni probeerde Churchill in Tours voor de laatste maal de leden van de Franse regering en de militaire leiders tot het uiterste verzet te bewegen. Het was echter tevergeefs, de nederlaag was onafwendbaar. Vooral door de massale inzet van 2400 moderne tanks, die zonder onderbreking krachtdadig door de Luftwaffe werden ondersteund, was de Franse tegenstand eerst verlamd en stortte daarna ineen. De 800 gelijkwaardige Franse tanks waren steeds te verdeeld opgesteld, waardoor de mogelijkheid met tankconcentraties tot tegenaanvallen van betekenis te kunnen overgaan, had ontbroken. Dat de Duitsers op 21 juni in een opslagplaats van het Franse leger 700 fonkelnieuwe en ongebruikte tanks konden buit maken, was ontegenzeglijk een treurige zaak.

Terwijl de Duitsers op 14 juni Parijs, dat tot open stad was verklaard, geheel bezetten, druppelden de eerste Franse regeringsleden Bordeaux binnen.

Aldaar vond op 17 juni een regeringswisseling plaats. Reynaud trad af en president Lebrun benoemde maarschalk Pétain tot zijn opvolger. Pétain en Weygand, die beiden verdere tegenstand beschouwden als nutteloos, en zelfs schadelijk, zetten nu alles op alles om tot een wapenstilstand te komen. In de vroege ochtend van 19 juni stelde de Spaanse ambassadeur Lequirica, dieals bemiddelaar was opgetreden, de nieuwe Franse minister van buitenlandse zaken Paul Baudouin ervan in kennis dat de Duitsers bereid waren een Franse delegatie te ontvangen. Generaal Huntziger werd met de leiding daarvan belast; een moeilijke taak, die hem door niemand werd benijd.

De Fransen ondertekenden de Duitse wapenstilstandsvoorwaarden op 22 juni. Daardoor bleven zij — althans in theorie — heer en meester binnen de afgebakende Vrije zone. De onverslagen Franse vloot zou niet worden uitgeleverd, maar diende wel zoveel mogelijk in de eigen oorlogshavens te worden geconcentreerd om aldaar, geneutraliseerd en onderbemand, de vrede af te wachten. Verder waren de Fransen gerechtigd in de Vrije zone een armee d'armistice van maximaal 100.000 man op de been te houden. Op de kortst mogelijke termijn moest een Duits-Franse wapenstilstandscommissie worden geïnstalleerd; deze kreeg Wiesbaden als standplaats en moest direct na installatie de sterkte van de Franse strijdkrachten in het imperium vaststellen.

Sommige Franse militaire leiders, zoals generaal Weygand en admiraal Darlan, hadden heel even overwogen de oorlog tegen Italië wel voort te zetten. Dat was kortzichtig, aangezien de Duitsers een dergelijke situatie beslist niet konden toestaan; zij zegden echter wel toe dat zij de Italianen onder grote druk zouden zetten om hun eisen tot een minimum te beperken. Op 24 juni zetten de Fransen in Turijn hun handtekening onder de, inderdaad milde, Italiaanse wapenstilstandsvoorwaarden. Aan het slot van deze bijeenkomst meende de Italiaanse opperbevelhebber, maarschalk Badoglio, te moeten opmerken dat hij oprecht hoopte op een spoedig herstel van Frankrijk als grote mogendheid. Aangezien de datum van 10 juni bij de Franse afgevaardigden nog vers in het geheugen lag, was het logisch dat zij hem deze woorden niet in dank afnamen.

In de échte oorlog van mei en juni hadden de Franse landstrijdkrachten 130.000 man aan gesneuvelden te betreuren. Meer dan 1,5 miljoen Franse militairen werden als krijgsgevangenen in Duitse kampen geïnterneerd. Zelfs in vergelijking met de totale cijfers van de Eerste Wereldoorlog — 1,4 miljoen gesneuvelden en 800.000 zwaargewonden—• waren de verliezen, die Frankrijk in zes weken van felle strijd had geleden, zeer zwaar.

De Franse luchtmacht maakte bekend in deze periode 900 gevechtstoestellen te hebben verloren. Inmiddels was door de val van de regering Reynaud op 17 juni generaal De Gaulle ambteloos burger geworden; nog dezelfde dag verliet hij zijn land door samen met de Engelse generaal Spears met diens vliegtuig uit Bordeaux naar Londen te vliegen. Op zijn appel aan de Fransen tot voortzetting van de strijd behoefde niet lang te worden gewacht.

Dictatoriale regering in Frankrijk

Aangezien Bordeaux al door eenheden van de Wehrmacht werd bezet, verliet de Franse regering deze stad in de ochtenduren van 29 juni 1940. In de namiddag werd Clermont-Ferrand bereikt, waar men tot l juli verbleef. Na rijp beraad besloot de regering zich in Vichy te vestigen, omdat deze badplaats over vele en grote hotels beschikte; er was niet alleen voldoende ruimte voor de regeringsstaven, kamerafgevaardigden en senatoren, doch tevens voor de leden van het corps diplomatique.

Zie voor aflevering 2: Frankrijk 1919-1946 Deel 2