We hebben 155 gasten online

Frankrijk 1919-1946 Deel 2

Gepost in Frankrijk

 
petain

Frankrijk in de maalstroom van onze eeuw Deel 2

De onaantastbaar lijkende machtspositie, de terugval, de nederlaag, de verdeeldheid én het volledige herstel [1919-1946]

H. Toorenvliet publicist in Militaire Spectator 1980 pagina 985-505

petain revolutionair

Onmiddellijk werd in Vichy begonnen aan de verwezenlijking van de plannen voor een nieuwe, autoritaire regeringsvorm. De vice-voorzitter van de ministerraad, Pierre Laval, trad daarbij op als de grote promotor; hij stelde alles in het werk om de gedeputeerden en senatoren voor zijn ideeen te winnen; voor de uitvoering was nu eenmaal de instemming van de Assemblee nationale onontbeerlijk.

In enkele dagen tijds bereikten de politieke kuiperijen een hoogtepunt. Toch werd ook nog tegen weer geboden; bij het noemen van namen van tegenstanders mogen die van Vincent Auriol, Marcel Astier, Léon Blum, Paul Boncour en Pierre Flandin niet worden vergeten. De felle debatten konden echter niet verhinderen, dat in de grote zaal van het casino in Vichy op 10 juli met overgrote meerderheid van stemmen de republiek werd begraven: 569 leden van de Assemblee stemden voor en 80 tegen aanvaarding van de autoritaire staatsvorm. Daarbij was het „vive la France" niet van de lucht geweest, alleen senator Astier durfdenog te roepen: „vive la république, quand même..

Op 13 juli droeg president Lebrun de macht over aan maarschalk Pétain. Aan beiden kon waardigheid stellig niet worden ontzegd; over en weer werden dankbaarheid en vertrouwen uitgesproken en zelfs in de hoffelijkste bewoordingen. Pétain dacht voor Lebrun de bittere pil nog enigszins te moeten verzachten door mee te delen, dat hij Lebrun niet verving doch aanwezig was als de exponent van iets geheel nieuws. De „État Francais" was een voldongen feit. Het nieuwe regime genoot spoedig algemene internationale erkenning. De regeringen van 32 landen onderhielden met Vichy diplomatieke betrekkingen, waarbij de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en het Vaticaan niet ontbraken.

Washington wilde op de Franse politiek invloed blijven uitoefenen, een streven dat met succes zou worden bekroond. Moskou ambieerde en verkreeg een vooruitgeschoven uitkijkpost. En het Vaticaan kreeg er een nieuw troetelkind bij: de nieuwe Franse staatsvorm liep ideologisch het meest parallel met de Spaanse van Franco, die in Vaticaanstad immers altijd op voorspraak kon rekenen.

Gedachten, acties en doelstellingen

Bij de poging een standpunt te willen bepalen over de toenmalige Franse gebeurtenissen kan nooit uit het oog worden verloren, dat de enorme nederlaag ook een groot gedeelte van de vroegere denkwijze in de grond had geboord; plotseling bleken vele axioma's-van-gisteren te zijn verdwenen. De politici was duidelijk aangetoond dat de basis van het eigen bestel voos was; dat impliceerde echter niet dat de zogenaamde „nieuwe orde" voetstoots als iets beters werd aanvaard. Bij de militairen was het vrijwel totale falen van het militaire apparaat nog veel harder aangekomen, waardoor vele frustraties ontstonden. Daarbij moet worden bedacht dat iemand die anti-Brits denkt daardoor stellig nog niet pro-Duits hoeft te zijn. Het tijdelijk collaboreren uit bittere noodzaak of uit opportunisme berustte vrijwel nooit op antinationale gevoelens. Onder de Franse marineofficieren en onder de landmachtofficieren met een langdurige koloniale ervaring waren er — althans in 1940/'41 — velen die anti-Engelse gevoelens koesterden, maar het aantal werkelijk pro-Duitse Franse officieren was op de vingers van één hand te tellen.

Voor de Franse militaire top was het thema van de trouw aan het gezag bezaaid met voetangels en klemmen; voor velen was het dan ook uiterst belangrijk op welk punt van de aardbol zij zich tegen het einde van juni 1940 bevonden.

Bijvoorbeeld was de keuze voor iemand als generaal Catroux, die toen in Saigon verbleef, veel eenvoudiger dan voor iemand als generaal De Lattre de Tassigny, die in Frankrijk de gebeurtenissen van zo nabij meemaakte.

De internationale gebeurtenissen van 1940 en 1941 waren van een uiterst gecompliceerd karakter. Aan de Franse kant werden de hoofdrollen vertolkt door maarschalk Pétain, de politicus Laval, de generaals Huntziger en Weygand en admiraal Darlan. Tot beter begrip van hetgeen in de periode van juli 1940 tot medio november 1942 door de machthebbers in Vichy werd nagestreefd, is het goed die hoofdrolspelers wat beter te leren kennen.

Henri Philippe Benoni Omer Joseph Pétain (24 april 1856-23 juli 1951), maarschalk van Frankrijk sinds 8 december 1919, was een persoonlijkheid, die in het vooroorlogse Frankrijk steeds, en soms wel eens ongewild, op de voorgrond trad. Aangezien zijn collega's maarschalken Fayolle, Foch, Galliéni, Lyautey en Joffre allen waren overleden — met uitzondering van Franchet d'Espéry (1856-1942) die zich na zijn ernstige auto-ongeluk van maart 1933 niet meer in het openbaar vertoonde — dacht iedere Fransman bij het horen van de titel „Ie maréchal" uitsluitend aan Pétain. En dat was niet alleen het geval bij de eenvoudige burgers, doch eveneens bij alle Fransen van enige importantie. Bij iedereenhad het idee postgevat, dat wanneer Pétain ergens bij was betrokken, het land ermee gebaat was.

Hij was zonder meer anti-Duits; in 1940 was hij ervan overtuigd, dat de Duitsers ook deze oorlog als verliezers zouden beëindigen. Derhalve luidde zijn devies: na afwachten en overleven volgt herstel. Verder was Pétain anti-Italiaans en uitgesproken pro-Amerikaans, terwijl de Engelsen hem niet na aan het hart lagen. In Vichy omringde hij zich met figuren — waarvan het merendeel uit de militaire sector kwam — die hem persoonlijk zeer waren toegedaan. Zij hadden als voornaamste taak hem voor Duitse onhebbelijkheden te vrijwaren, terwijl zij tevens Laval zoveel mogelijk dienden te isoleren. Pétain had een persoonlijke afkeer van Laval maar achtte hem in de regering minder gevaarlijk dan daarbuiten. Tot deze groep van persoonlijke beschermers behoorden onder meer vice-admiraal Jean Fernet, de beroemde Franse oorlogsvlieger uit de Eerste Wereldoorlog kolonel René Fonck en de schrijver René Gillouin.

Fernet, die fungeerde als particuliere secretaris van de maarschalk, was anti-Duits en apolitiek; tot in de tweede helft van 1944 zou hij Pétain trouw terzijde blijven staan. Fonck had in de periode tussen de beide oorlogen Göring, zijn vroegere tegenstander, talrijke malen ontmoet. Zij hadden elkaar goed leren kennen en waarderen. De Fransman wist dat hij, als „As de la Grande Guerre", zo nodig menig potje bij de luchtmaarschalk zou kunnen breken. Soms werd hij daarom ter verkrijging van enkele onontbeerlijke faciliteiten als bemiddelaar bij Göring ingezet, en dan werden de hem verstrekte opdrachten altijd op een subtiele en hoogst bekwame wijze uitgevoerd.

Gillouin was degene, die de ideeën van Pétain in de vorm van redevoeringen op schrift stelde. Hij was niet alleen anti-Duits, maar was ook een van de felste tegenstanders van Laval. In april 1941 stond hem het water zo na aan de lippen, dat hij de wijk nam naar het neutrale Zwitserland. Op de Gestapolijsten van gezochte personen stond Gillouin vermeld onder de rubriek: bij arrestatie onmiddellijk neerschieten ...

Om deze ring van beschermers bouwden de Duitsers en hun trawanten een eigen ring op die de eerste zou moeten penetreren. Jammer genoeg zegevierde de laatste in november 1942, toen de Duitsers de vrije zone bezetten. In naam bleef het Vichyregime nog wel bestaan, doch het miste elke vrijheid van handelen. En sindsdien was de oude maarschalk gedegradeerd tot marionet.

Pierre Laval was ontegenzeglijk een bekwaam politicus. Hij volgde een loopbaan die in de Derde Republiek (1871-1940) nogal en vogue was. Hij begon als socialist, werd daarna onafhankelijke en ging aan het einde van zijn politieke carrière de rijen van uiterst rechts versterken. Verder was zijn huwelijk met een vrouw die een behoorlijke bruidschat meebracht, een aangename bijkomstigheid.

Laval had zitting in vele ministeries en beheerde talrijke portefeuilles; in 1931/'32 en in 1935 was hij minister-president. Reeds in 1935 genoot hij bekendheid vanwege zijn voorkeur voor de autoritaire staatsvorm. Toch was hij degene, die in mei 1935 het Frans-Russische bondgenootschap nieuw leven wist in te blazen. Dat werd hem door de Duitsers niet in dank afgenomen: het verdrag van Stalin en Laval was zonder meer tegen Duitsland gericht. Laval was in deze periode alleen nog maar pro-Italiaans, van welke gezindheid hij na het begin van de Italiaanse overval op Abessinië (oktober 1935) openlijk getuigde. Mede door zijn toedoen werden de tegen Italië gerichte sancties een wassen neus.

laval als collaborateur

In juni 1940 diende Laval zich aan als voorstander van de nieuwe Europese orde. In Vichy steunde hij eerst indirect op de Duitse bajonetten en geraakte daardoor later in de kwalijke positie, dat direct te moeten doen. Laval voelde voor Pétain geen hoogachting; hij beschouwde hem als een soort onmisbaar requisiet waaraan men nu eenmaal was gewend. Lafheid kon Laval echter beslist niet worden aangewreven, want tijdens zijn naoorlogse proces verweerde hij zich uiterst agressief; chapeaubas-spelen was er bij hem niet bij.

Generaal Charles Huntziger ( 25 juni 1880- 12 november 1941) behoorde tot de kleine groep van opperofficieren, die de Franse militaire ineenstorting als hun eigen nederlaag hadden beleefd. Hij was uitgesproken anti-Duits, terwijl hij de Italianen niet eens zag staan. Als officier, die een langdurige en veelzijdige loopbaan in de koloniën achter de rug had, was hij gespeend van pro-Britse gevoelens. Voor de Amerikanen had hij echter grote bewondering. Korte tijd speelde Huntziger met de gedachte, dat een geleidelijk van de grond komende Duits-Franse militaire samenwerking voor Frankrijk de enige mogelijkheid was zich tot een mogendheid van enige betekenis te herstellen. Ten gevolge van zijn persoonlijke bevindingen gaf hij al in november 1940 deze zienswijze geheel op. Huntziger, die onbetwist een van de twee of hoogstens drie werkelijk goede legeraanvoerders was waarover Frankrijk in 1940 beschikte, was ongetwijfeld een goed vaderlander.

generaal maxime Weyand

Generaal Maxime Weygand ( 21 januari 1867 - 28 januari 1965), die van 1918 af met het aureool van de tweede man na maarschalk Foch had rondgelopen, beschikte stellig over goede kwaliteiten, maar hij was veel minder briljant dan Huntziger en miste eveneens diens politieke flair. Ook Weygand was anti-Duits en nog feller anti- Italiaans; met zijn vroegere Britse collega's had hij meestal goed kunnen opschieten en evenals de meeste Franse topmilitairen was hij pro-Amerikaans. Hoewel hij dat deed op zijn eigen enigszins typische manier, stelde hij steeds alles in het werk om zijn land goed te dienen. In zijn naoorlogse proces werde hij volkomen terecht van elke blaam gezuiverd. Ook na de oorlog bleef hij trouw aan zijn persoonlijke en waarderende zienswijze ten opzichte van maarschalk Pétain.

Admiraal Francois Darlan streefde doeleinden na, die sterk afweken van die van de maarschalk en van de generaals Huntziger en Weygand. Inderdaad was het ontstaan van de krachtige en moderne Franse marine voor een groot gedeelte zijn werk geweest. Als opperbevelhebber van de zeestrijdkrachten legde hij de vloot te veel in de watten en deze werd slechts sporadisch ingezet. Darlan was dol op politiek, maar bij het bedrijven daarvan bleek alras zijn volkomen gebrek aan reëel inzicht. In de eerste plaats was hij zeer anti- Engels en in de tweede plaats anti-Italiaans; in de Duitsers zag hij een noodzakelijk kwaad waaraan men moeilijk kon voorbijgaan. Hij was de enige Franse militaire topfiguur wiens ideeën enigszins parallel liepen met die van Laval.

Darlan speelde niet zomaar te hooi en te gras met de gedachte aan militaire samenwerking met de Duitsers, integendeel zelfs: hij deed dat vrijwel permanent. Derhalve liepen Darlans persoonlijke contacten met de Duitsers na verloop van tijd gemakkelijk uit in het doen van te onverantwoordelijke concessies. Zijn activiteiten wekten dikwijls de ergernis en zelfs ontsteltenis op van Huntziger en Weygand; zoals later zal blijken, was het dan weer voor Huntziger weggelegd door middel van een subtiel diplomatiek spel te trachten een en ander weer ongedaan te maken. Opvallend was het gemak waarmee Darlan in Algiers (november 1942) zijn veel te ver doorgevoerde collaboratie met de Duitsers wist om te zetten in totale medewerking met de Amerikanen.

Het drama van Mers-el-Kébir

plan mers-el-kebirhaven

Nog voor het tot stand komen van het nieuwe regime in Vichy, werd de wereld opgeschrikt door het gebeuren bij de Franse oorlogshaven Mersel-Kébir in Algerije. Daar lagen onder het opperbevel van admiraal Gensoul de oorlogsbodems van de Force de raid voor anker. Overeenkomstig de wapenstilstandsvoorwaarden was al een begin gemaakt met het uitdunnen van de scheepsbemanningen. In de haven lagen de grootste Franse schepen zo dicht bijeen, dat het praktisch onmogelijk zou zijn bij een eventuele aanval artilleristisch behoorlijk van repliek te kunnen dienen; alleen met het luchtafweergeschut zou kunnen worden gevuurd. Maar men hield met een aanval, van welke zijde dan ook, in het geheel geen rekening, daarbij de lessen niet trekkende uit hetgeen kort tevoren in Alexandrië was gebeurd waar, onmiddellijk na 22 juni, de Franse oorlogsschepen waren geblokkeerd na overleg van admiraal Cunningham met zijn Franse college Godefroy; bovendien was alle munitie van boord gehaald.

De dag van 3 juli was voor de Britse marine niet alleen belangrijk, doch tevens een dag van ongekende activiteit. In de Engelse havens Plymouth, Portsmouth en Southampton werden van de enkele daar aanwezige en slechts kleine Franse oorlogsbodemsdoor Britse mariniers de bemanningen van boord gehaald. Terzelfder tijd verscheen de „Force H", het Britse smaldeel onder commando van admiraal Sommerville, op de rede van Mersel- Kébir. Sommerville zond zijn gevolmachtigde kapitein ter zee Holland met de torpedobootjager Foxhound naar de haven. Namens admiraal Gensoul trad de lieutenant de vaisseau Dufay als onderhandelaar op; een pikante noot was, dat Holland en Dufay talrijke ontmoetingen hadden gehad en elkaar daardoor heel goed kenden.

De Fransen mochten kiezen uit drie mogelijkheden:

1. zich aansluiten bij de Engelsen om schouder aan schouder de oorlog voort te zetten;

2. uitwijken naar de Amerikaanse wateren;

3. vernietiging vanuit zee van de „Force de raid" door de Force H.

operatie catapult

Admiraal Gensoul, die eerder zelf al het uitwijken naar de Verenigde Staten had overwogen, sloeg toch het gehele keuzepakket af, aangezien hij het Engelse optreden onaanvaardbaar vond. Onverrichterzake keerde Holland aan boord van de Foxhound naar het Britse smaldeel terug. De daarna volgende telegrafische ruggespraak met Londen duurde slechts kort. Sommerville kreeg opdracht „finish the job before midnight. . .". Het Engelse vernietigingsvuur (38 mm geschut!) liet niet lang op zich wachten; na een beschieting van 15 minuten had de Force de raid opgehouden te bestaan. De ravage in de haven was verschrikkelijk. Het slagschip Bretagne explodeerde en zonk; het slagschip Provence zonk eveneens, de slagkruiser Dunkerque maakte slagzij, het vliegdekschip Commandant Teste werd zwaar beschadigd en drie torpedobootjagers werden vernietigd.

Gebruik makende van de enorme rookontwikkeling waren de slagkruiser Strasbourg en drie torpedobootjagers, de Volta, Terrible en Tigre, toch erin geslaagd uit het inferno te ontsnappen; de volgende morgen liepen deze vier schepen onbeschadigdde haven van Toulon binnen.

Op 5 juli vond met grote plechtigheid de teraardebestelling van de slachtoffers plaats. De Fransen waren zo kortzichtig, in een communiqué te vermelden dat de Dunkerque slechts licht beschadigd was. Prompt vielen op 6 juli drie golven Engelse torpedovliegtuigen de Dunkerque van zee uit aan; zij slaagden in hun opzet, namelijk het tot zinken brengen van het schip. De Franse verliezen aan mensenlevens waren nu tot 1300 man opgelopen, terwijl in het hospitaal van het nabijgelegen Oran 350 zwaargewonden werden verpleegd.

In onbezet Frankrijk gaven de — overigens voorzichtig geleide —• media uiting aan de algemene verontwaardiging. De unanieme conclusie luidde dat Frankrijk door de actie bij Mers-el-Kébir zijn vrijheid van handelen had herkregen. De pro-Duitse boulevardbladen in Parijs waren zelfs oorlogszuchtig. En Laval en Darlan waren het ook.

Behalve Pétain waren het vooral Huntziger en Weygand, die olie op de golven wierpen. Darlan wist nog wel door te drukken dat Gibraltar door Franse vliegtuigen zou worden gebombardeerd. Dat bombardement werd met slechts enkele toestellen uitgevoerd, waarvan de bemanningen bewust de werkelijke doelen ongemoeid lieten en hun bommenlast in het water deponeerden.

Voorlopig behoefden de Engelsen zich geen zorgen meer te maken dat de Franse schepen in Duitse handen zouden overgaan, maar hun prestige had in Frankrijk wel een enorme en duurzame deuk opgelopen. In de Arabische wereld echter was door Mers-el-Kébir het Engelse aanzien aanzienlijk vergroot. Daar redeneerde men als volgt: Engeland is met tegenstanders zonder scrupules in een strijd op leven en dood gewikkeld. Nu tonen de Britten echter, dat zij de manieren van die tegenstanders overnemen en wel met veel kracht en grote wreedheid. Het Verenigde Koninkrijk is dus aanzienlijk sterker dan algemeen werd aangenomen en zal daardoor uiteindelijk deze oorlog wel kunnen en ook gaan winnen.

l 'armee d'armistice

De leiding over de Franse afgevaardigden bij de wapenstilstandscommissie in Wiesbaden bleef de eerste maanden in handen van generaal Huntziger, terwijl generaal Weygand in Vichy minister van nationale verdediging was.

Al bij de eerste Duits- Franse besprekingen over het wapenstilstandsleger werd duidelijk dat de meningen niet ver uiteenliepen. In de Vrije zone zouden de Fransen acht divisies op de been mogen houden, die over acht „régions militaires" waren verdeeld. Vier divisies vielen onder het commando van de „groupe de divisions militaires" van Avignon en de andere vier divisies onder die van Clermont-Ferrand. Een nieuwe divisie bestond uit drie regimenten infanterie, een regiment cavalerie, een regiment beredenartillerie, een bataljon genie, een verbindingsafdeling en een transportcompagnie.

Een regiment infanterie mocht bestaan uit maximaal 65 officieren, 315 onderofficieren en 1520 korporaals en soldaten. Het beschikte over ten hoogste 132 mitrailleurs, vijf auto's en zes motorfietsen.

Een regiment cavalerie bestond uit zes eskadrons; twee bereden eskadrons, drie eskadrons wielrijders en een eskadron van zes gepantserde verkenningsauto's (Panhard); de totale sterkte van een regiment cavalerie was vastgesteld op ongeveer 1050 man. De artillerie, waarvan maximaal 1/8 deel mocht worden gemotoriseerd, beschikte uitsluitend over de 75 mm vuurmond en dan nog bij voorkeur over de oude 75 mm van 1897, terwijl de tot luchtafweergeschut omgebouwde 75 mm uiteraard geheel taboe was.

Dat het dienstplichtsysteem voor de Fransen verleden tijd was geworden, behoeft nauwelijks betoog. Tegen een eventueel Frans militair onderwijs maakten de Duitsers slechts weinig bezwaar; zij wisten uit eigen ervaring maar al te goed hoe verbodsbepalingen konden worden ontdoken. Verder was voor het wapenstilstandsleger het bezit van tanks en gevechtsvliegtuigen verboden.

De besprekingen over het tot stand komen van het nieuwe leger, dat in feite voor de Duitsers geen bedreiging van betekenis kon zijn, leidden omstreeks november 1940 tot tastbare resultaten. De leden van de Duitse militaire controlecommissie waren al van medio augustus af met hun werkzaamheden begonnen. In het begin van september vonden in de Vichyregering talrijke mutaties plaats. Generaal Weygand verloor zijn ministerszetel en werd spoedig daarna overgeplaatst naar Noord-Afrika om de strijdkrachten aldaar te reorganiseren. Generaal Huntziger, die in Wiesbaden alle belangrijke zaken inclusief het vraagstuk van de Franse troepensterkte in Noord- en West-Afrika had geregeld, werd nu minister van oorlog en was tevens belast met de leiding over zijn grotendeels eigen schepping, het nieuwe leger.

Het wapenstilstandsleger was uitstekend gedisciplineerd; er werd veelvuldig gedefileerd, terwijl andere militaire ceremoniën aan de lopende band plaatsvonden. Het 2e Regiment Dragonders, dat onder het commando stond van kolonel Guy Schlesser en in Auch was gelegerd, verwierf weldra faam als het best gedisciplineerde legeronderdeel.

Toch week de opzet van de nieuwe strijdmacht aanzienlijk af van die van de vroegere Reichswehr. Indertijd formeerden de Duitsers een „Führerarmee", terwijl nu de Fransen het voor alles in teamgeest zochten. Maar ook de gevechtstraining kreeg meer dan gewone aandacht. Dat alles deed Huntziger met een gerust hart ertoe besluiten, de commandanten in de Provence al bij voorbaat toestemming te verlenen een eventuele Italiaanse poging, Nice te bezetten, met geweld te verhinderen.

De overzeese troepensterkte

soldaten voor het imperium

De nog door Huntziger afgeronde besprekingen inzake de troepensterkte in Afrika waren voor Frankrijk niet ongunstig verlopen. De meeste tegenstand, die hij had moeten overwinnen, was een indirecte geweest, namelijk de Italiaanse. De Italianen hadden een grote aversie tegen de aanwezigheid van een behoorlijke Franse troepenmacht; bij voorkeur wensten zij een Tunesië zonder Franse troepen, terwijl die in Algerije tot een minimum dienden te worden teruggebracht. De Duitsers waren echter ontvankelijk voor het Franse standpunt, dat alleen de aanwezigheid van een behoorlijke Franse troepenmacht de Engelsen en tevens de Gaullisten op een afstand zou kunnen houden. Dat argument had Huntziger al lang weten te hanteren; reeds talrijke malen had hij de Duitsers verzocht de Franse officieren, die over een langdurige koloniale ervaring beschikten, uit krijgsgevangenschap te ontslaan. Ook deze pogingen werden met succes bekroond, want een niet onaanzienlijk aantal van deze officieren werd inderdaad vrijgelaten. Van deze groep was generaal Juin een van de belangrijkste leden.

Uiteindelijk werd overeengekomen dat met ingang van september 1940 de Fransen aan landstrijdkrachten in Noord-Afrika over 115.000 en in West-Afrika over 60.000 man mochten beschikken Als tegemoetkoming aan de Italiaanse beduchtheid zouden daarvan slechts 15.000 in Tunesië gelegerd mogen zijn; de uitrusting van die troepen diende overeen te stemmen met die van het wapenstilstandsleger.

In Algerije mochten de Fransen één tankregiment aanhouden, terwijl aldaar de artillerie tevens over geschut van 105 en 120 mm kaliber mocht beschikken. Het in stand houden van een summiere luchtmacht in Afrika werd de Fransen toegestaan. Deze bestond dus uit een beperkt aantal escadrilles, die bovendien zoveel mogelijk in de westelijke Maghreb (Marokko) en in Senegal (Dakar!) dienden te worden gestationeerd.

Na de wapenstilstand werd door de Asmogendheden aan de Franse strijdkrachten in de Levant — zowel voor Berlijn als voor Rome was toen zelfs Syrië nog niet van strategisch belang; dat zou pas veranderen na de Balkan-veldtocht en na de eerste successen van Rommel in Noord-Afrika in 1941 — bijna geen aandacht besteed. Ook de aanwezigheid van Franse luchtstrijdkrachten, die slechts uit enkele tientallen gevechtstoestellen bestonden, was op dat tijdstip voor niemand eenprobleem.

Wel zaten de Fransen evenals in onbezet Frankrijk vast aan de verplichting, zodra de wens te kennen werd gegeven, aan Duitse en/of Italiaanse militaire controlecommissies toegang te verlenen; dat gold voor West- en Noord-Afrika én voor Libanon en Syrië. Het was immers logisch, dat de Franse legerleiding zoveel mogelijk trachtte extra oorlogsmaterieel en munitie op geheime plaatsen te doen opslaan. Enorme voorraden waren dat beslist niet, maar toch werd zo nu en dan wel iets ontdekt. De Fransen waren al voor de oorlog vertrouwd met veelvuldige mutaties: officieren uit het moederland werden overgeplaatst naar overzeese gebiedsdelen en omgekeerd. Dit systeem werd stringent gehandhaafd, terwijl de frequentie van de overplaatsingen werd opgevoerd. Het stelde de Fransen in staat, de controle op de werkelijke personeelssterkte danig te bemoeilijken.

De Duitsers toonden steeds een grote nieuwsgierigheid, gepaard aan een grote dosis wantrouwen. In de beginperiode legden de Italianen nog een zekere ijver aan de dag, maar die verflauwde snel na hun prestaties op alle oorlogstonelen (Egypte, Griekenland, Oost-Afrika!). Hun controlecommissies beperkten zich nadien tot het strikt noodzakelijke, zodat zij hun energie konden sparen voor de beoefening van het edele, van Britse origine zijnde, tennisspel.

Gaullistische strijdkrachten en acties

Ook de dissidenten, de door generaal De Gaulle uit Londen aangevoerde Fransen, stelden echter alles in het werk om tot een strijdmacht van enige betekenis te komen. Uit de Franse troepen die nu hun evacuatie uit Narvik na de wapenstilstand nog in het Verenigd Koninkrijk verbleven, vormden de Vrije Fransen hun eerste militaire eenheden.

De Engelsen, die traditiegetrouw nog steeds maritiem dachten, waren voor de voornamelijk uit landstrijdkrachten bestaande Franse eenheden uiterst sportief geweest. Zij stelden deze Fransen voor de keuze: of in Engeland blijven en de strijd voortzetten of repatriëring; dat laatste kwam in de praktijk neer op een scheepsreis naar Noord- Afrika. Het grootste aantal Fransen koos voor de laatste mogelijkheid: de beperkte sympathie die de arrogante De Gaulle genoot, legde het af tegen de faam van de oude maarschalk. Behalve generaal Catroux behoorden onder anderen admiraal Muselier, generaal Le Gentilhomme en kolonel De Larminat tot de voornaamste Gaullisten van het eerste uur.

Zoals de Vichyregeerders generaal Catroux na diens ontslagneming hadden vervangen door admiraal Decoux, zo stuurden zij generaal Germain naar Frans Somaliland om de bevoegdheden van generaal Le Gentilhomme in Djiboeti over te nemen. Daarna week de laatste uit naar Aden, waar hij zich bij de Britten aansloot. Kolonel De Larminat diende als chef-staf onder generaal Mittelhauser, die in mei 1940 de functie van opperbevelhebber over het Levantleger van generaal Weygand had overgenomen bij diens vertrek naar Frankrijk. Mittelhauser, die op bevel De Larminat had doen gevangennemen, wist echter diens spoedige ontvluchting niet te voorkomen. In onbezet Frankrijk veroordeelde een krijgsraad de generaals De Gaulle en Le Gentilhomme en kolonel De Larminat bij verstek tot de kogel.

Verder verkregen de Gaullisten wel een zekere toeloop, die vooral in de beginperiode slechts druppelsgewijs verliep. Zo meldden zich onder meer de meeste in Zuid-Amerika geaccrediteerde Franse militaire attachés alsmede de leden van de uitsluitend uit cavaleristen bestaande Franse militaire missie in Paraguay.

Aangezien de autoriteiten in Frans Equatoriaal- Afrika weigerden een directe keuze te doen, ontbrandde een korte maar felle concurrentiestrijd. Eerst maakte vice-admiraal Platon, die in het begin van september Henri Lémery als minister van koloniën in Vichy zou opvolgen, in juli 1940 namens de maarschalk een rondreis door Frans West- en Equatoriaal-Afrika. Alleen in West-Afrika wist Platon te imponeren met het enige hem ter beschikking staande wapen, namelijk de slagzin:

„slechts een eensgezind en aaneengesloten Frans imperium onder de beproefde leiding vande maarschalk biedt reële overlevingskansen."

De Gaulle begreep uitstekend, dat alleen in de gebieden van Frans Equatoriaal-Afrika mogelijkheden voor hem en de zijnen waren weggelegd. Daarheen stuurde hij dus op zijn beurt zijn afvaardiging, bestaande uit de politicus René Pleven en drie officieren, waarvan majoor Leclerc de meeste bekendheid genoot. Per vliegtuig werd op 24 augustus via Lagos Fort Lamy bereikt. De Gaulle's missie boekte succes, want op 27 augustus sloot Tsjaad zich bij de Vrije Fransen aan. De volgende dag deed Frans Congo hetzelfde; daarbij was tevens De Larminat betrokken, die Brazzaville inmiddels had weten te bereiken.

De regering in Vichy, die in het begin van augustus al door de minder rooskleurige rapporten van Platon was gealarmeerd, zat echter niet stil. Zij koesterde de hoop dat het verschijnen van een behoorlijk Frans smaldeel op de rede de gemoederen tot inkeer zou kunnen brengen. Dat was echter zonder Duitse toestemming niet mogelijk; op het daartoe gedane verzoek werd begin september door de Duitsers welwillend beschikt. Op 9 september 1940 verliet een Frans smaldeel, bestaande uit zes moderne schepen — drie kruisers en drie torpedobootjagers — de haven van Toulon met Libreville in Gabon als eindbestemming. De Britten lieten het in kiellinie varende smaldeel de Straat van Gibraltar ongehinderd passeren (11 september), maar blokkeerden de vaart naar Libreville met sterke eenheden. De Fransen vermeden een regelrechte zeeslag en wendden de steven. De zes schepen liepen op 14 september de haven van Dakar binnen; zij vormden voor de Franse zeestrijdkrachten aldaar een meer dan welkome versterking.

Deze maritieme uitbreiding weerhield de Engelsen echter niet ervan met een sterk smaldeel, waarvan ook het vliegkampschip Ark Royal deel uitmaakte, in de vroege ochtenduren van 23 september een actie tegen Dakar in te zetten. Aan boord van de schepen bevonden zich 3000 Britse mariniers en 2000 man Vrije Fransen als landingstroepen.

Aangezien een ezel zich nooit voor de tweede keer stoot aan dezelfde steen, lagen ingevolge de wrede les van Mers-el-Kébir én uit artilleristisch standpunt bekeken de Franse schepen in uitstekende posities. Na enkele schuchtere onderhandelingen, die op niets uitliepen, volgde nog het gebruikelijke bedreigen door middel van telegrammen. En nog spoediger dan verwacht, was alleen het geweld aan het woord. Maar deze keer aan beide zijden. De oorlogsschepen trachten elkaar het volle pond te geven en ook de Franse kustbatterijen wisten de Engelsen flinke schade toe te brengen. Over en weer werd van vliegtuigen gebruik gemaakt. Twee Franse onderzeeboten werden in de haven tot zinken gebracht en de Richelieu, het vlaggeschip, werd beschadigd. Maar ook de Engelse schepen moesten menige treffer incasseren. De Gaulle, die zelf met het Engelse smaldeel was meegegaan, zag nu zijn illusies over een vreedzame overneming van Dakar letterlijk en figuurlijk in vlammen opgaan.

Het waren immers zijn ideeën geweest, die de Engelsen tot deze actie hadden doen besluiten. Duidelijk was gebleken dat de door de Vrije Fransen verstrekte optimistische inlichtingen onjuist waren; Londen toonde zich onthutst en Churchill gelastte op 24 september de actie te beëindigen.

Het onverwachte mislukken van deze raid had voor De Gaulle onaangename gevolgen. Dat de Parijse dagbladen met riooljournalistiek en de pers in onbezet Frankrijk in gematigder terminologie De Gaulle afkraakten, was te verwachten en in feite onbelangrijk, even onbelangrijk als het symbolische bombardement dat door enkele van Marokkaanse vliegvelden gestarte Franse vliegtuigen op 24 en 25 september op Gibraltar werd uitgevoerd.

de gaulle in tunis 1943

Pijnlijker was, dat ook de geallieerde media hem met kritiek overstelpten. De Britse pers ging zelfs zo ver over donquichotterie te praten. De naweeën zouden tot ver in 1943 de politieke positie van De Gaulle nog nadeel berokkenen. De afweerslag bij Dakar van september 1940 bezorgde echter de regering in Vichy het — tijdelijke — vertrouwen van de Duitsers; Vichy had woord gehouden, want de Franse strijdkrachten hadden bewezen bereid te zijn elke aanval op het imperium met geweld af te slaan. En generaal Huntziger, alert als steeds, kwam onmiddellijk met redelijke en tevens talrijke wensen naar voren. Ondanks het fronsen van de Italiaanse wenkbrauwen werden de Franse verlangens grotendeels door de Duitsers ingewilligd.

In westelijk Afrika konden de Fransen overgaan tot beperkte motorisering van enkele daarvoor in aanmerking komende onderdelen; de luchtstrijdkrachten ter verdediging van Dakar werden met twee escadrilles onbewapende transportvliegtuigen uitgebreid en het aantal escadrilles bommenwerpers werd aldaar van drie op vier gebracht. Tevens mochten in Marokko de troepen met 5000 man worden versterkt, waardoor de Franse landstrijdkrachten in de Maghreb een totale sterkte van 120.000 man bereikten.

Toch boekten de Gaullisten nog een succes, aangezien in Libreville de lokale machthebbers op 9 november 1940 Gabon tot Vrij Frans gebied verklaarden. Dat nam evenwel niet weg dat Vichy toch nog twee jaar lang het gezag over Westelijken Noord-Afrika in handen zou houden.

Het bestaan van het Gaullistische Equatoriaal- Afrika leverde de Engelsen echter profijt op: zi beschikten daardoor over directe verbindingswegen met hun eigen gebieden in noordoostelijk Afrika; dat bleek van belang bij hun voorbereidingen voor het liquideren van de Italiaanse posities in Abessinië, Eritrea en Italiaans Somaliland.De tijdelijke Italiaanse bezetting van Brits Somaliland bleek voor Londen een extra prikkel te zijn in deze contreien de Italiaanse macht definitief te breken.

Van Aden uit werd Berbera heroverd, terwijl tegelijkertijd Britse eenheden uit Kenya en Soedan de Italianen aantastten. Hoewel de laatste en summiere Italiaanse tegenstand bij Gondar pas op 27 november 1941 werd gebroken, was het Italiaanse tot daarvoor al lang bezegeld. Op 4 april viel Addis Abeba, en het gros van de Italiaanse troepenmacht in Oost-Afrika, onder bevel van de hertog van Aosta, gaf zich — met behoud van de militaire eer — op 16 mei 1941 aan de Engelsen over. Op 10 juni 1940, toen Italië zich in de oorlog was gaan mengen, was de Italiaanse sterkte in Oost-Afrika 350.000 man; zij werden uitgeschakeld door Britse eenheden die nauwelijks 22.000 man telden ...

Het zat De Gaulle echter danig dwars dat de troepen in het Vichy-getrouwe buurland Frans Somalië geen enkele bijdrage tot de strijd hadden willen leveren.

Annexaties

Terug naar 1940 en wel naar de periode van precies drie weken tussen het sluiten van de wapenstilstand en de stichting van de Etat Francais. Door de veelheid van gebeurtenissen was het de Fransen eigenlijk ontgaan, dat Hitler al op 28 juni zijn triomfantelijke intocht in Straatsburg had gehouden. Dat betekende de eerste aanduiding van een op handen zijnde annexatie van Elzas-Lotharingen. Die werd in augustus officieus, en van 30 november 1940 af door de Duitsers als officieel beschouwd.

Lotharingen en het Saargebied werden verenigd in de gouw Westmark, en de Elzas werd administratief aan Baden gekoppeld. Vichy protesteerde fel, waarbij maarschalk Pétain Hitler erop attent maakte dat de wapenstilstandsvoorwaarden waren aanvaard „voor het gehele en ongeschonden Frankrijk"; bijgevolg waren de Duitse maatregelen allerminst rechtsgeldig.

Vrijwel alle Fransen zagen in de annexatie een onwettige handeling; van de Franse prominenten legden zich alleen Laval en De Brinon, de Franse ambassadeur bij de Duitse bezettingsautoriteiten i n Parijs, bij de nieuwe toestand neer. Het bezorgde onbezet Frankrijk ook nog een vluchtelingenprobleem: men diende te zorgen voor wie vrijwillig weg mocht en voor wie eruit werd gegooid. En omdat het Derde Rijk nu ook in deze ex-Franse gebieden de dienstplicht invoerde, die een grote weerstand ontmoette, kwam er nog een derde groep vluchtelingen bij, de „deserteurs", die eveneens liefdevol in onbezet Frankrijk werden opgenomen.

Hun veiligheid was echter dubieus, en de verstandigsten onder hen sloten zich dan ook met bekwame spoed aan bij de Maquis, die aanvankelijk weinig te betekenen had maar na het uitbreken van de Duits-Russische oorlog (22 juni 1941) aanzienlijk groeide door de grote toeloop van communisten. Werkelijke militaire waarde kreeg het Franse verzetsleger eerst na november 1942, toen een groot aantal officieren en onderofficieren van het wapenstilstandsleger zich erbij aansloot.

Buitensporige bezettingskosten

De Vichyregering had zich verplicht tot het betalen van bezettingskosten voor de elders in Frankrijk gelegerde Duitse en Italiaanse troepen. De Duitsers hadden onder leiding van de econoom dr. Hemmen een exorbitant hoog bedrag bedongen. Bij vooruitbetaling voor steeds tien dagen tegelijk moest Vichy 20 miljoen RM (400 miljoen Franse francs!) per dag betalen. Vanzelfsprekend kregen de Italianen veel minder, namelijk l miljard francs per drie maanden. Deze afgedwongenm enorme bedragen betekenden voor de Franse economie een complete ramp.

Een ongeluk komt ook nooit alleen; de Duitsers gebruikten de ontvangen gelden vrijwel geheel voor het leegkopen van de Franse zwarte markt, waarvan het ontstaan door hen zelf was bevorderd. Nagenoeg alle Duitse instanties — van Wehrmacht tot en met Gestapo — beschikten vooral in Parijs over hun eigen inkoopbureaus. Het was typisch, dat de SS pas als laatste aan dat spel ging deelnemen, maar de leden van deze organisatie haalden die schade geheel in: hun geraffineerde hebzucht kende geen grenzen.

Nadat in november 1942 onbezet Frankrijk van de kaart verdween, zou kunnen worden aangenomen dat deze betalingen werden afgeschaft, of ten minste verlaagd. Het tegendeel gebeurde echter, want dr. Hemmen wist door te drukken dat de dagelijkse heffing werd opgevoerd tot 500 miljoen francs; Laval en de toenmalige Vichyminister van financiën, Cathala, gingen daarmee akkoord. En ten slotte vorderden de Duitsers na de Italiaanse capitulatie in september 1943 ook nog het bedrag op dat eerder aan hun voormalige bondgenoot was verschuldigd.

In de tweede helft van augustus 1944 bezetten de geallieerden Parijs en rukten terzelfder tijd zegevierend in Zuid-Frankrijk op. Belfort was toen nog in Duitse handen; in die stad bevonden zich niet alleen de met de Duitsers meegevluchte Laval met enkele van zijn ministers, doch ook dr. Hemmen was daar neergestreken. Dat betekende, dat Laval c.s. onder een dusdanig zware druk werden geplaatst, dat de Duitsers zelfs toen nog een gedeelte van de voor hen gebruikelijke betalingen konden incasseren.

Londen en Montoire

Pétain was in 1940 zo ingenomen met zijn besluit, op 6 september generaal Weygand als hoofd van „la délégation du gouvernement francais en Afrique francaise" naar de overzeese gebieden te sturen, dat hij eveneens besloot de Engelsen op de hoogte te stellen van zijn goede bedoelingen voor de toekomst. Voor deze delicate taak had hij de internationaal befaamde professor Louis Rougier uitverkoren. Deze verklaarde zich bereid de opdracht te aanvaarden. Bij de uitvoering van zijn plannen kon Pétain rekenen op de steun van Huntziger, die hij geheel vertrouwde en derhalve volledig inlichtte. Vanzelfsprekend waren Darlan en Laval op de hoogte van Weygands vertrek maar van de missie-Rougier wisten zij niets. Darlan had zo zijn twijfels, maar de altijd wantrouwige Laval vond Weygands missie verdacht.

Toch stond Laval er niet lang bij stil, aangezien hij geheel opging in zijn zelfstandige en eigengereide politiek Frankrijk te stuwen in de richting van algehele collaboratie met Duitsland, dus met inbegrip van de militaire samenwerking. Vooral in Parijs ontplooide Laval grote bedrijvigheid. Hij sprak daar onder anderen met Göring, die hij wist te interesseren voor militaire samenwerking en voor een daartoe noodzakelijk onderhoud tussen Hitler en Pétain. Maar toch verwees Göring, die zijn vingers niet wilde branden, Laval naar Abetz, de Duitse ambassadeur.

Pétain, die het wankele politieke evenwicht van onbezet Frankrijk niet extra wilde belasten, verklaarde zich in principe bereid tot een ontmoeting met Hitler. De maarschalk had zich al voorgenomen Lavals positie te ondermijnen; het forceren van een breuk durfde hij nog niet aan. De 84-jarige Pétain voelde zich nog zo sterk dat hij voor zich zelf overtuigd was, nooit ja te zullen zeggen tegen voorstellen die hij niet kon onderschrijven.

Inmiddels had hij allang daarvoor zijn getrouwen Gillouin en Fernet opdracht gegeven de geheime missie-Rougier met de grootste nauwgezetheid voor te bereiden.

Via voortreffelijk verborgen gehouden Engels- Franse contacten op diplomatiek niveau in Bern werd de Britse toestemming voor Rougiers komst naar Londen verkregen. De Engelsen haddenslechts een voorwaarde gesteld: Rougier diende in Londen elk contact, van welke aard ook, met De Gaulle zelf en/of diens medewerkers en voorstanders geheel te vermijden. Zelfs het gebeuren bij Dakar kon de voorgenomen reis van Rougier niet tegenhouden. Op 22 oktober kwam de professor in Londen aan waar hij de volgende dag werd uitgenodigd voor een eerste bespreking met Churchill.

Zoals reeds ter sprake kwam, had het drama van Dakar de Duitsers wel beïnvloed; van een gesprek tussen Hitler en Pétain verwachtten zij dat daaruit voor hen gunstige ontwikkelingen zouden voortvloeien. Dat optimisme werd nog gevoed door het inleidende gesprek dat Hitler op 22 oktober met Laval voerde in Montoire, dezelfde plaats waar ook de Führer en de Chef d'Etat elkaar zouden treffen. Laval had het Hitler wel gemakkelijk gemaakt door zich als een willoze prooi op te stellen. Maar de volgende dag kreeg Hitler tijdens zijn gesprek met Franco in Hendaye een veel zwaardere noot te kraken: Franco's onwil, in het gareel van Hitler te lopen, bezorgde de laatste veel ergernis en deed hem na afloop in grote woede ontsteken.

Hitler sloot zijn driedaagse bezoek aan het Westen af met zijn ontmoeting met Pétain op 24 oktober. De militaire ontvangst voor Pétain was tot in de puntjes georganiseerd, maar zelfs de eenvoudigste deelnemer aan deze Duitse show had de grootste moeite in Pétain de verliezer te ontdekken.

De maarschalk gedroeg zich waardig en betoonde zich verre van onderdanig, en had in zoverre geluk dat Hitler bij Franco veel van zijn spraakwater had verloren. De bekende gebruikelijke alleenspraak duurde ditmaal geen uren. Op Hitlers hamvraag of Pétain voorstander was van een eventuele Duits-Franse militaire samenwerking, kreeg hij kort en bondig te horen, dat de maarschalk zijn verslagen land daartoe niet in staat achtte. Dat onderhoud werkte op Hitler als een koude douche; hij besefte, ook in Montoire geen succes te hebben geboekt. Later werd in Vichy rondverteld, dat Montoire slechts één resultaat had opgeleverd, namelijk de door Pétain gewenste vrijlating uit Duitse krijgsgevangenschap van generaal Laure. En het verzoek daartoe had Pétain niet eens persoonlijk gedaan.

Montoire was echter in Londen van grote invloed bij het onderhoud van Churchill met Rougier op 25 oktober. De Britse oorlogsleider was erg in zijn wiek geschoten want het naadje van de kous kende hij nog niet; voor een Duits-Franse militaire samenwerking was hij uiterst bevreesd. De uitleg van Rougier deed hem wel bedaren, maar de prompt daarna komende analyse uit Bern — de Zwitsers waren volledig op de hoogte van de gebeurtenissen in Frankrijk en de Brits-Zwitserse betrekkingen waren uitstekend — stelde Churchill pas echt gerust. Op 28 oktober 1940 waren Churchill en Rougier het geheel eens: de geheime overeenkomst van Londen was een feit.

Churchill erkende daarin de onschendbaarheid van het gehele Franse imperium en sprak tevens waarderend over de missie Weygand; hij betuigde zijn spijt over Mers-el-Kébir, terwijl hij Dakar als „een Gaullistisch incident" afdeed. De Fransen in Marokko zouden door de Engelsen economisch worden ondersteund; de Britse marine zou opdracht krijgen bij aanhouding van koopvaardijschepen, die levensmiddelen of goederen voor onbezet Frankrijk vervoerden, voortaan een oogje dicht te knijpen. De Brits-Franse besprekingen inzake economische hulp zouden in Madrid worden gevoerd.

In Vichy bracht Rougier op 11 november uitgebreid rapport uit aan de maarschalk, waarbij viceadmiraal Fernet aanwezig was. Spoedig daarna werd in Madrid een Brits-Frans akkoord bereikt over de hulp aan Marokko. Toen de Duitsers daarvan lucht kregen, riepen zij in Parijs Laval — die van de Brits-Franse contacten niet op de hoogte was — op het matje. De door het falen van Montoire toch al uit het lood geslagen Laval voelde zich daarna in Vichy als een geïsoleerd man. Naar buiten nam hij een nog arrogantere houding aan dan voorheen. Dat was koren op de molen van Pétain, die zich al van Laval wilde ontdoen: op 13 december 1940 hakte Pétain de knoop door en zond hem de laan uit; de vice-voorzitter van de ministerraad kreeg tevens huisarrest opgelegd. Jammer genoeg was Lavals uitschakeling niet van blijvende aard.

Afbrokkelend imperium

Ook elders in de wereld zagen de Franse locale machthebbers zich voor grote moeilijkheden geplaatst. Reeds op 20 juni waren de Fransen in Indo-China met Japanse eisen en wensen lastig gevallen. Op 2 augustus werd aan admiraal Decoux het volledige Japanse eisenpakket overhandigd: Japan eiste gebruik te mogen maken van de Franse vliegvelden in noordelijk Indo-China, benevens vrije doortocht voor zijn landstrijdkrachten naar China. Wel hadden de Fransen enkele malen de Amerikanen zowel in Washington als in Manilla om hulp gevraagd, maar ook Decoux' laatste verzoek de onhoudbare situatie over te nemen bleef onbeantwoord. Met het ondertekenen van het akkoord van Tokio gingen de Fransen op 29 augustus 1940 door de knieën. Toch was er in Vichy verzet aangetekend tegen het inwilligen van de Japanse eisen, en wel bij monde van Weygand en Lémery, die op een uitgebreide koloniale ervaring kon bogen. Deze laatste voorspelde toen al dat deze overgave een naoorlogs Frans bewind in Indo-China voorgoed onmogelijk maakte.

Niet alle Franse eenheden legden zich bij de overeenkomst van Tokio neer, na hun landingen stuitten de Japanners soms op onverwacht verzet. De Franse tegenstand, die toch al beperkt van omvang was, diende echter bovendien met ontoereikende middelen te worden gevoerd. Het kostte de Japanse overmacht dan ook niet al te veel moeite, binnen de kortst mogelijke tijd de overigens fel strijdende Fransen tot overgave te dwingen.

Een autoritair bewind zonder armslag

Vooral de gebeurtenissen in Indo-China maakten duidelijk dat het voeren van een krachtige en evenwichtige buitenlandse politiek voor Vichy vrijwel geheel onmogelijk was. Maar niet alleen voor heel ver, doch ook voor vlak bij huis was Vichy aan handen en voeten gebonden. Onder Duitse druk werden al op 30 oktober 1940 de eerste anti- Joodse maatregelen afgekondigd die, voor zover de Fransen nog daartoe bij machte waren, zo beperkt mogelijk waren gehouden.

Uiteraard werd na de wapenstilstand ook de Franse politie aan de nieuwe situatie aangepast. Na enkele zuiveringen werd deze zoveel mogelijk intact gelaten; deze beleidslijn werd in bezet Frankrijk doorgetrokken, zij het dan onder enige beperking van de bevoegdheden. Maar al spoedig ging geheel Frankrijk gebukt onder een teveel aan politie-instanties, die evenals in Duitsland eikaars macht trachtten te beknotten en, nog liever, probeerden elkaars bevoegdheden over te nemen. Het wekte dan ook nauwelijks verwondering dat — in bezet gebied op bevel en in de zone na dringend verzoek — de Franse politie bijna altijd direct bereid bleek de eigen politieke gevangenen (Duitsers en andere buitenlanders) vlot aan de Duitse politie over te dragen. Deze methode kwam vooral in opspraak door de uitlevering in het begin van december 1940 van de prominente Duitse emigranten Breitscheid en Hilferding, die beiden zelfs al over een uitreisvisum van Vichy beschikten. Kort daarop ondergingen de Duitse grootindustrieel Fritz Thyssen en zijn vrouw hetzelfde lot.

Het doen en laten van Vichy in 1941

Met de aankomst van de nieuwe Amerikaanse ambassadeur admiraal Leahy verkreeg de ambassade, die daarvoor door de zaakgelastigde Matthews was geleid, de nodige zwaarte en werd tevens een factor van het grootste belang. Reeds na hun eerste ontmoeting wisten zowel Pétain als Leahy, dat zij vrijwel op dezelfde golflengte zaten; Pétain legde zijn oor met graagte bij de Amerikaan te luisteren.

Tot grote ergernis van de Duitsers nam in Vichy de Amerikaanse invloed aanzienlijk toe. Met bedachtzaamheid en met inzicht van zaken mengde Leahy zich in het diplomatieke en politieke steekspel. In het laatst van februari voerde Weygand eerst in Algiers een veelomvattend gesprek met de Amerikaanse consul-generaal Robert Murphy.

Ruiterlijk deelde de generaal Murphy mee dat hij onmiddellijk het vuur zou laten openen indien de Amerikanen een landingspoging zouden ondernemen met slechts twee divisies; hij zou hen echter hoffelijk en geestdriftig verwelkomen indien zij dat met twintig of meer divisies zouden doen. Door toedoen van graaf De Rose, een van Weygands naaste medewerkers, kreeg de laatste de gelegenheid Leahy in het geheim te ontmoeten (9 maart 1941). Ook deze bespreking werd met open vizier gevoerd. Beide openhartige besprekingen hadden één gevolg: de eerste schreden op de lange weg, die uiteindelijk zou leiden tot de Amerikaanse landingen van 8 november 1942, waren gezet.

Na het ontslag van Laval had Pétain de ervaren politicus Pierre-Étienne Flandin tot minister van buitenlandse zaken benoemd. De Duitse reactie kwam vrijwel direct: deze benoeming was voor hen onaanvaardbaar. Flandin had dan wel na München (30 september 1938) een fraai telegram aan Hitler verzonden, maar daartegenover stond, dat zijn verzet tegen de nieuwe Franse staatsvorm de Duitsers erg had geprikkeld. Botweg werd door hen elk contact met de nieuwe Vichy-minister vermeden.

De Duitse druk op Vichy werd zo groot dat Pétain — zij het noodgedwongen — het vrijwillig door Flandin zelf aangeboden ontslag aanvaardde. Daarna brachten de Duitsers uit Berlijn, Wiesbaden en Parijs werkelijk alles in stelling om de voor hen zo plooibare Laval weer in het zadel te krijgen, maar in deze aangelegenheid gaf Pétain geen krimp; hij bleef de hoop koesteren dat de Duitsers zijn oplossing zouden aanvaarden. Intussen had hij wettelijk doen regelen dat hij na zijn overlijden niet door Laval maar door Darlan zou worden opgevolgd als staatshoofd. Ondanks het Duitse doordrammen zette hij zijn volgende stap: de benoeming van zijn nieuwe „dauphin" tot premier.

Naar Vichy-terminologie werd Darlan dus de nieuwe vice-voorzitter van de ministerraad (25 februari 1941). Hij werd tevens belast met het beheren van de portefeuilles van buitenlandse zaken, binnenlandse zaken en marine. Overeenkomstig de verwachtingen bleef generaal Huntziger in het nieuwe kabinet minister van oorlog, en generaal Bergeret bleef aan als staatssecretaris van luchtvaart. Voor het beteugelen van de Duitse bemoeizucht had Darlan slechts een mogelijkheid tot zijn bebeschikking: de voortzetting van de door Laval begonnen politiek, die uiteindelijk totale collaboratie beoogde. Aangezien Darlan toen nog in de Duitse eindzege geloofde, kostte hem dat weinig moeite.

Marseille roert zich

Naar aanleiding van de machtsoverneming in Joegoslavië op 27 maart 1941 door generaal Simovitsj in Belgrado vond in Marseille een spontane pro-geallieerde betoging plaats. Enkele leden van de extremistische Milice — een met de Duitse SA vergelijkbare politieke organisatie, die toen nog maar over beperkte bevoegdheden beschikte — raakten in paniek en openden het vuur op de betogers. Pas nadat talrijke doden waren gevallen, ging de menigte uiteen. Deze gebeurtenis had Darlan tot lering kunnen strekken: de echte Franse publieke opinie was even aan het woord geweest. De inwoners van Marseille lieten zich echter niet intimideren; zij bleven openlijk van hun oppositiewil getuigen en zouden zelfs nog twee keer uit de band springen.

Op de eerste keer hoefde niet lang te worden geacht. Nog voor medio april 1941 liep een Amerikaanse vrachtvaarder, die grote hoeveelheden medicamenten en kleding voor de Franse kinderen zou lossen, de haven binnen. De bevolking gaf massaal blijk van dankbaarheid en van pro-Amerikaanse gevoelens. De tweede demonstratie vond plaats op 14 juli 1942. De Marseillanen wensten deze nationale feestdag geheel overeenkomstig de vooroorlogse opvattingen te vieren. Aldus geschiedde. Vichy stond vrijwel machteloos en de nog op afstand zijnde Duitsers moesten hun woede beteugelen, maar wel zetten zij hun wraakzuchtige plannen toen al op papier. In januari 1943 zouden deze weerzinwekkende Duitse plannen tot uitvoering worden gebracht. . .

De overeenkomst Darlan-Warlimont

Na hun falen de terugkeer van Laval af te dwingen, trachtten de Duitsers Vichy de duimschroeven aan te leggen. Darlan moest de knoop wel doorhakken: afwijzing van de verlangde collaboratie zou Frankrijk een behandeling bezorgen, zoals Polen had ondervonden. Het was voor de Fransen ongunstig, dat de Duitsers haast betrachtten. De Operatie Barbarossa stond voor de deur, het met Engeland verbonden Turkije moest onder druk worden gezet en het nieuwe anti-Britse bewind in Irak rekende op Duitse militaire steun. En aangezien de zo succesvol voor de Duitsers verlopen Balkan-veldtocht veel indruk had gemaakt in het Nabije Oosten, wilden de Duitsers het ijzer smeden zolang het nog heet was.

Darlan reisde veel en strooide overal kwistig vage toezeggingen rond, maar bij zijn besprekingen in Parijs, waarbij de Duitse generaal Warlimont als zijn voornaamste tegenspeler optrad, kwam hij noodgedwongen tot een overeenkomst. Deze ging de geschiedenis in als „de protocollen van Parijs" en werd op 28 mei 1941 gesloten. Darlan deed enorme en onverantwoordelijke concessies, die het internationale prestige van Vichy vrijwel tot het nulpunt terugbrachten.

De Fransen gaven de Duitsers de beschikking over enkele vliegvelden in het noorden van Syrië, Bizerta als aanvoerhaven van oorlogsmaterieel en, voor het vervoer daarvan, de spoorlijn van die haven naar Gabès. Verder zouden de havens van Casablanca en Dakar voor Duitse schepen worden opengesteld, zij het dan voorlopig alleen voor vrachtvaarders. Alleen de ingangsdata bleven nog oningevuld.

In Vichy sloeg velen de angst om het hart. Uit Noord-Afrika liet Weygand zijn „onaanvaardbaar" horen. Huntziger, eveneens geschokt, verloor echter zijn realiteitszin niet maar begon alles in het werk te stellen om de opengebleven data naar de toekomst te verschuiven. Overigens werden de protocollen van Parijs nooit geratificeerd.

Alleen in de Levant boekten de Duitsers een zichtbaar succes, want inderdaad werden daar tijdelijk enkele escadrilles Stuka's gestationeerd. De contacten tussen het personeel van beide luchtmachten werden als uiterst stroef doch correct omschreven. Toch bleken de taaie Engelsen in Irak in staat met beperkte middelen het hun vijandig gezinde bewind te verjagen: de laatste Stuka verliet op 6 juni 1941 de Franse luchthaven bij Aleppo.

De 37-daagse oorlog

Aangezien het Nabije Oosten toch al in beroering was, dachten de Vrije Fransen hun slag te kunnen slaan en het door Vichy beheerde gebied over te nemen. Het waren vooral de denkbeelden van Catroux , die de Engelsen tot ingrijpen deden besluiten. Ten aanzien van de verdedigingsbereidheid van de Vichy-troepen tastte men nog steeds in het duister; de zojuist naar de Vrije Fransen overgelopen kolonel Collet achtte die niet groot, hoewel deze cavalerist beter had kunnen weten.

Van 28 december 1940 af trad in deze contreien generaal Dentz als Hoge Commissaris op. Dentz, een gezagsgetrouwe en apolitieke opperofficier met langdurige koloniale ervaring, had in juni overeenkomstig de wens van premier Reynaud en op bevel van generaal Weygand Parijs als open stad aan de Duitsers moeten overdragen. Daarna werd hij een van de acht divisiecommandanten in het wapenstilstandsleger en ook in zijn huidige functie genoot hij het volledige vertrouwen van Vichy. Precies twee dagen na het hiervoor vermelde verdwijnen van het laatste Duitse gevechtstoestel uit Aleppo gaf Wavell, de Britse opperbevelhebber in het Nabije Oosten, generaal Wilson opdracht met de inmiddels goed voorbereide veldtocht te beginnen (8 juni 1941).

Aangezien de Britten nog steeds gebrek aan mankracht hadden, kreeg Wilson slechts zes brigades infanterie toegewezen, samengesteld uit één Britse, negen Australische, zes Vrije Franse en twee Brits-Indische bataljons. Deze kleine invasiemacht kreeg wel de beschikking over voldoende (en zelfs voortreffelijke) Australische artillerie en twee Australische tankeenheden. Bovendien zouden Jordaanse grenstroepen en het befaamde Arab Legion van Glubb Pasha worden ingezet. Eenheden van de Royal Navy zouden zich met de kust bezighouden, terwijl het geheel op royale wijze door de Royal Air Force zou worden ondersteund. Deze luchtsteun zou in de geplande campagne de doorslag geven.

Het Franse Oriëntleger bestond uit een klein staand leger en ongeveer 15.000 man Libanese en Syrische hulptroepen, die echter uitsluitend voor garnizoensdienst werden gebezigd. Het kleine veldleger, onder bevel van de uiterst bekwame generaal De Verdillac, was samengesteld uit twintig bataljons infanterie — Fransen, legioensoldaten, Algerijnen, Marokkanen, Tunesiërs en Senegalezen — twee tankregimenten, enkele verkenningseenheden met pantserauto's en hoofdzakelijk met Noordafrikanen bemande cavalerie.

Evenals de Engelsen beschikten de Fransen over voldoende artillerie; de twee tankregimenten konden negentig tanks van het type R-35 in het veld brengen. De Franse luchtmacht was inderdaad het zwakke punt. Er was wel een luchtmachtcommando onder leiding van kolonel Jannekeyn, maar het aantal aanwezige gevechtstoestellen was uiterst klein. Darlan wilde Dentz nog wel ter wille zijn met de terugkeer van enkele escadrilles Stuka's, maar deze, die vooral door De Verdillac en Jannekeyn goed was geïnformeerd over wat er bij de Franse troepen leefde, wees die hulp van de hand: hij zag zeer wel in dat Franse troepen in geen geval gevechtssteun van Duitse vliegtuigen zouden willen aanvaarden.

Aan weerszijden werd de strijd fel doch correct gevoerd; bij beide partijen sneuvelden ongeveer duizend man. Na heldhaftig verzet staakten de Fransen op 14 juli de strijd. De wapenstilstand werd in Saint- Jean d'Acre voor de Engelsen door generaal Wilson, voor de Vichy-Fransen door generaal De Verdillac en voor de Vrije Fransen door generaal Catroux ondertekend. Pas tijdens hun besprekingen met de twee groepen Fransen, werd het de Engelse stafofficieren duidelijk hoever daar de meningen en standpunten uit elkaar lagen; de grote Franse verbetenheid wist zelfs de nuchtere Britten te schokken.

petain spotprent

Als gebruikelijk speelden de Engelsen hun spel echter met grote flair. Zij complimenteerden de Fransen met de door hen geleverde prestaties en prezen in het bijzonder de Senegalezen voor hun enorme moed; als tegenprestatie roemden de Fransen de buitengewone vechtlust van de Brits-Indiërs. Ten slotte legden allen zich neer bij het Engelse plan. Het voornaamste daarvan was dat de Vichy-troepen geheel zelfstandig hun eigen toekomstplannen mochten bepalen. Nog niet een op acht van de overwonnenen opteerde voor overgang naar de Vrije Fransen; een kleine 30.000 man gaf de voorkeur eraan zich in de periode van 7 augustus tot 12 september met eigen scheepsruimte naar Marseille te laten evacueren. De populariteit van de maarschalk was klaarblijkelijk nog niet getaand.

De Brits-Franse strijd in de Levant, die soms de aspecten van een rugbywedstrijd had vertoond, behoorde tot het verleden; de strijd van de Fransen onderling zou voor korte tijd tot het politieke vlak beperkt blijven. Alle Franse gesneuvelden waren zoveel mogelijk bij elkaar ter aarde besteld; dank zij de Britten kregen zij allen hetzelfde grafschrift: „gevallen voor Frankrijk" . . .

Militaire Spectator 1980 pagina 485 t/m 505

Zie voor deel 3 De tumultueuze Franse Vierde Republiek 1945-1959