We hebben 220 gasten online

De tumultueuze Franse Vierde Republiek 1945-1959

Gepost in Frankrijk

 

1946 Vraag om een nieuwe constitutie

 

De tumultueuze Franse Vierde Republiek (1945-1959)

 

H. Toorenvliet publicist

 

Zowel het op 9 september 1944 als het op 21 november 1945 door generaal De Gaulle samengestelde kabinet waren voorlopige regeringen. Aangezien de formatie van november 1945 tevens een naoorlogse regering was, rekent men deze tot de periode van de Vierde Republiek. De eerste naoorlogse vernieuwing van de Franse grondwet van 13 oktober 1946 legde een aanzienlijk gedeelte van de macht in handen van de Nationale Wetgevende Vergadering. De leden daarvan kozen de president van de republiek, die echter zelf de bevoegdheid miste de Nationale Wetgevende Vergadering te ontbinden.

Vincent Auriol 1947-1954

President Vincent Auriol 1947-1954

De Vierde Republiek kende slechts twee presidenten: de bekwame gematigde socialist Vincent Auriol en de onopvallende man van het midden, de eveneens kundige René Coty. Auriol werd op 16 januari 1947 geïnstalleerd en had bij zijn aftreden op 15 januari 1954 zijn ambtsperiode van zeven jaar geheel voltooid. Coty, die na dertien (!) stemmingen op 23 december 1953 als president werd gekozen, zou zijn tijd niet volmaken aangezien hij op 8 januari 1959 aftrad.

René Coty

President René Coty 23 december 1953 - 8 januari 1959

Inderdaad hadden vele naoorlogse Franse politici hun sporen in het verzet verdiend. Aan hen was tijdens de oorlog duidelijk bewezen hoe belangrijk nationale eensgezindheid kan zijn. Maar toch zou het politieke spel ten tijde van de Vierde Republiek een opvallende gelijkenis vertonen met dat van de Derde Republiek.

Stellig deden de leden van de talloze regeringen, die elkaar in een veel te snel tempo zouden opvolgen, hun uiterste best de in de oorlog zo zwaar getroffen economie weer op peil te brengen. Van vrijwel iedere premier, van welke politieke richting hij dan ook mocht zijn, kregen het herstel van de economie en de uitbreiding van de industrialisatie absolute voorrang.

Nog tijdens de periode van de Vierde Republiek zou ondanks de politieke onenigheid het Franse streven naar een economische toppositie met succes worden bekroond. De machthebbers van de Vijfde Republiek behoefden deze politiek slechts over te nemen, te consolideren en zo nodig nog uit te breiden; een uitgangspositie die zij voortreffelijk zouden benutten.

De binnenlandse politiek

Van augustus 1944 tot in 1958 werden in Parijs hoofdzakelijk meerderheidskabinetten gevormd. In theorie konden deze derhalve op voldoende steun van de volksvertegenwoordiging rekenen, maar de praktijk pakte wel anders uit. Vrijwel alle belangrijke meningsverschillen deden het zo typisch Franse individualisme weer opleven. Dat resulteerde meestal in de val van de regering, gevolgd door de formatie van een nieuwe équipe. De leden van de overigens zeer sterke Franse communistische partij namen na 1947 niet meer aan de regeringen deel, waardoor zij in feite werden geïsoleerd.

Evenals talrijke politici uit het midden en van gematigd rechts, maakten de socialisten wél deel uit van de meeste combinaties. Alleen in de jaren van 1950 tot 1954 lieten zij verstek gaan, aangezien zij tegen de toen gangbare loonpolitiek waren. Bijna alle politieke groeperingen gingen echter mank aan het euvel, veel te zwaar te tillen aan de stringente handhaving van de, bij de Grondwet van 1946 ingestelde, Franse Unie. Inderdaad was deze visie te sterk op vooroorlogse ideeën geënt. En deze zienswijze sleepte een onaangenaam gevolg mee, want daardoor kon de grootse opzet van de economische opbouw niet de bewondering oogsten, die deze stellig wél verdiende. Terwijl vriend en vijand zich vergaapten aan het Duitse „Wirtschaftswunder" - dat zonder de Amerikaanse hulp nooit had kunnen worden gerealiseerd - werd het naoorlogse Parijs internationaal op overdreven wijze beschouwd als de broedplaats bij uitstek voor koloniale oorlogen.

Toegegeven, de instandhouding van het vooroorlogse Franse wereldrijk was een onhaalbare kaart geworden. Vanzelfsprekend had voor Parijs de tijd evenmin stilgestaan en geleidelijk zou ook het Franse imperium uiteenvallen. De meest intense en zelfs grootscheepse militaire inspanningen en acties zouden dat niet meer kunnen voorkomen.

Hoe de Gallische haan ook van zich afbeet, veel glorie was er niet meer te behalen. Integendeel zelfs, overal leverde het einde hetzelfde resultaat op: de nederlaag, gevolgd door het verdwijnen van de Fransen uit het betrokken gebied. En zo verwierven landen als Indo-China en Algerije en - zij het in mindere mate — eveneens Marokko en Tunesië pas na enorme Franse aderlatingen hun onafhankelijkheid.

De buitenlandse politiek

Tijdens de oorlog was, zowel voor de machthebbers in Vichy als voor de vrije Fransen in Londen, de overlevingskans van het imperium het belangrijkste leidmotief geweest bij het uitstippelen van de lijnen voor hun buitenlandse beleid. Derhalve was het niet onlogisch dat de naoorlogse Franse regeerders deze lijn doortrokken. Op zijn zachtst uitgedrukt bracht deze zienswijze inderdaad een serie kolossale ontgoochelingen teweeg. Maar tevens zorgde zij voor één enorm voordeel: aangezien Frankrijk als — zij het dan een uiterst zwakke — partner mocht deelnemen aan het concert van de toch zo kleine groep van grote mogendheden, wisten de bij de buitenlandse politiek betrokken Franse politici het vermogen te bewaren ook hun eigen acties in het brede verband van het totale wereldgebeuren te blijven zien.

Dat verklaart ook dat de Israëli's in hun streven naar onafhankelijkheid Frankrijk bereid vonden als de grote promotor voor hun zaak op te treden. De Frans-Israëlische samenwerking zou zeer hecht worden, doch daarover later meer.

Frankrijk stelde alles in het werk, op ieder daarvoor in aanmerking komend gebied met de Westerse mogendheden nauwe banden aan te halen. In Duinkerken — de symboliek voor de keuze van deze stad zal niemand ontgaan — werd op 4 maart 1947 het Brits-Franse verdrag tot wederzijdse bijstand gesloten. Dit defensieve verbond werd in maart 1948 uitgebreid met de Beneluxlanden; het nieuwe verdrag, Westerse Unie genaamd, werd aangegaan voor vijftig jaar.

Bij de oprichting van de Noordatlantische Verdragsorganisatie op 4 april 1949 behoorde Frankrijk tot de partners van het eerste uur, evenals de Verenigde Staten, Engeland, Canada, Noorwegen, Denemarken, IJsland, Portugal, Italië en de Beneluxlanden.

Aanvankelijk werden vooral van Franse zijde talrijke bezwaren aangevoerd tegen de Duitse herbewapening, maar ondanks zijn verzet kon Frankrijk deze ontwikkeling niet tegenhouden. De verdragen van Parijs (19-23 oktober 1954) leverden onder meer op de volledige erkenning van de soevereiniteit van de Bondsrepubliek en de toetreding van de Bondsrepubliek en Italië als leden van de Westerse Unie (die tegelijkertijd in West-' europese Unie werd omgedoopt); en bovendien kwam nu de aanwezigheid van de Amerikaanse, Engelse en Franse bezettingstroepen in de Bondsrepubliek op wettige basis te berusten. Vanzelfsprekend was het daarna nog slechts een kwestie van tijd eer de Bondsrepubliek ook als lid van de NAVO zou worden geaccepteerd. In 1955 was het zo ver.

Verder werd de Franse politiek inderdaad hoofdzakelijk beheerst door de gebeurtenissen in de overzeese gebiedsdelen. Vooral de Algerijns-Franse Oorlog — waarin de controverse nog werd verscherpt doordat de Frans-Israëlische betrekkingen in de Islamitische Maghreb veel ergernis deden groeien — zou het einde van de Vierde Republiek bespoedigen.

Aangezien het krampachtige Franse vastklampen aan Indo-China al in 1940 manifest was geworden, dient eerst dat drama te worden besproken.

Het verlies van Cambodja, Laos en Vietnam

Nuchter bezien was het Vichybewind in Frans Indo-China onder leiding van admiraal Decoux zeker niet slecht te noemen geweest. Hij heeft het beslist niet gemakkelijk gehad, want de problemen waren groot en ingewikkeld. Het begon al op 20 juni 1940, toen de Fransen in Saigon werden geconfronteerd met de Japanse eisen die uiteindelijk leidden tot het akkoord van Tokio (29 augustus 1940); met veel moeite slaagden de Franse onderhandelaars erin de bepalingen van die overeenkomst nog een enigszins draaglijk aanzien te doen geven.

Hoe beperkt de Japanse penetratie in het begin ook was, toch leed het Franse gezag een geducht gezichtsverlies. Kort daarna diende de Siamese agressie zich aan en in oktober was een minioorlog aan de gang, die de Fransen voor grote militaire problemen plaatste. In Indo-China beschikten zij na de mobilisatie van juni 1940 over een troepenmarkt van 90.000 man. De landstrijdkrachten, voor het grootste gedeelte uit koloniale troepen samengesteld, waren onvoldoende bewapend en uitgerust; het Vijfde Regiment van het Vreemdelingenlegioen vormde de voortreffelijke maar veel te kleine kern. De summiere luchtmacht bestond uit vijftien Morane-jagers, enkele verkenners van het (eenmotorige) type Potez-25, vier langzame Bréguet- en enkele Potez 540-bommenwerpers.

De marine telde een zware en een lichte kruiser, een onderzeeboot en vier verouderde kanonneerboten. De Fransen hadden nog gepoogd van de Engelsen toestemming te verkrijgen uit Djiboeti Senegalese eenheden naar Indo-China te mogen overbrengen; dat verzoek werd echter niet ingewilligd.

Toch stuitten de Siamezen op reguliere en soms felle tegenstand, maar het ontbrak de Fransen aan kracht om een beslissing te kunnen afdwingen. Met het bevechten van de overwinning in de zeeslag bij Kok-Tsjang behaalden de Fransen op 17 januari 1941 wél een maritiem succes.

De hele situatie, met inbegrip van deze overigens onbelangrijke zege, beviel de Japanners allerminst. Zij noopten daarom beide partijen de strijd te staken en dwongen vervolgens Saigon de in Tokio opgestelde vredesvoorwaarden aan te nemen. De Siamezen kregen hun begeerde gebiedsuitbreidingen bij de „vrede" van Tokio, die op 19 mei 1941 werd getekend.

hotsimin

HoTsji Min

In 1941 zag tevens de nationalistische onafhankelijkheidsbeweging Vietminh het levenslicht; van 29 oktober af werd deze communistisch georiënteerde beweging door Ho Tsji-Minh geleid. Hoewel uiterst moeizaam slaagde het Franse bewind erin zich onder de Japanse bezetting tot in maart 1945 te handhaven. In januari van dat jaar was de Franse militaire leiding al begonnen plannen te ontwikkelen voor het elimineren van de Viet-Minhstrijdkrachten met een grootscheeps offensief dat op 12 maart zou worden ingezet.

Maar daarvan kwam niets terecht: op 9 maart maakten de Japanners met militair geweld een einde aan het Franse bewind. De alerte Ho Tsji- Minh rook onmiddellijk zijn kans; reeds op 10 maart verklaarde hij dat de Japanners de vijanden bij uitstek waren van zijn revolutionaire beweging.

Die weloverwogen standpuntbepaling legde ongetwijfeld een belangrijk fundament voor de latere onafhankelijkheid van Vietnam. Ondanks de gevolgen van de ook in deze contreien hersende hongersnood tijdens de winter van 1944/45 zagen de, onder aanvoering van de guerrillaleider Giap staande, Viet-minhtroepen de kans schoon in het voorjaar verder in zuidelijke richting door te stoten; in juni 1945 hergroepeerden zij zich op bekwame wijze. Na de Japanse capitulatie van 12 augustus 1945 bedacht Ho Tsji- Minh zich niet lang en kondigde de onafhankelijkheid van de republiek Vietminh af (2 september).

Parijs weigerde de nieuwe situatie te aanvaarden en begon met het vervoer overzee van een aanzienlijke militaire macht. Hoewel de Franse landingen gemakkelijk verliepen, werden alras wel enkele zaken duidelijk: ten eerste, dat de onafhankelijkheidsbeweging op serieuze leest was geschoeid en ten tweede, dat vooral in de noordelijke gebieden op grote tegenstand moest worden gerekend. In het zuidelijk gelegen Saigon koesterden aanvankelijk de Fransen nog enkele illusies, zij meenden het daar weer voor het zeggen te hebben. Deze gedachtengang zou echter geen lang leven zijn beschoren.

De Franse regering benoemde de tactvolle admiraal Thierry d'Argenlieu tot Hoge Commissaris, maar na een hoopgevend begin liepen zijn pogingen — evenals later die van anderen — stuk op de onbuigzaamheid van Ho Tsji-Minh en de zijnen die niets anderj wilden dan de volledige onafhankelijkheid.

Toch begrepen de Fransen dat er niet alleen moest worden gepraat maar ook echt onderhandeld; daarover was geen verschil van mening tussen Thierry d'Argenlieu en generaal Leclerc die sinds 1945 opperbevelhebber was van de Franse troepen in Indo-China en dat zou blijven tot in juni 1946; hij had inmiddels al gezorgd voor redelijke betrekkingen met generaal Giap en diens staf.

Na vrijwel uitzichtloze onderhandelingen kwam toch een overeenkomst tot stand: het Akkoord van Hanoi van 9 maart 1946. Uit opportunistische overwegingen aanvaardde Ho Tsji-Minh de tijdelijke vervanging door Franse troepen van Tsjang Kai-Sjeks Chinese formaties, die voor de verslagen Japanners in de plaats waren gekomen.

De wederzijdse interpretaties van het akkoord verschilden echter nogal. Uiteindelijk toonde Ho Tsji-Minh zich bereid in Frankrijk, dus in het hol van de leeuw, de onderhandelingen voort te zetten. Begeleid door generaal Salan vloog hij daarheen en arriveerde op 30 mei 1946 in het conferentieoord Biarritz. Maar ook daar, met premier Bidault aan het hoofd van de Franse delegatie, bleven de door velen oprecht gewenste resultaten uit. Na het mislukken van de besprekingen nam „l'oncle Ho" het aanbod aan, met een Frans oorlogsschip thuis te varen; op 19 september zette hij weer voet aan wal op Vietnamese bodem. De Fransen gingen er enigszins prat op dat zij de gewenste onafhankelijkheid tijdelijk op een zijspoor hadden gerangeerd. Dat hadden zij beter niet kunnen doen, want eer zij het goed en wel beseften, waren zij verwikkeld in een uitputtende, uitzichtloze guerrilla.

betoging in parijs in 1950 tegen de oorlog in vietnam

Betoging in 1950 in Parijs tegen de oorlog in Vietnam

Pas jaren later, namelijk op 30 december 1949 werden Cambodja, Laos en Vietnam als onafhankelijke staten officieel in de Franse Unie opgenomen. Internationaal werd deze „mosterd na de maaltijd" gekenmerkt als een Franse wanhoopsdaad. De Viet-Minhregering in Hanoi werd in 1950 zowel door de Sovjet-Unie als door de Volksrepubliek China erkend.

Hoewel de Fransen ook elders op militair verzet stuitten, leden zij in het noorden hun eerste echt gevoelige nederlagen. De val van Lang Son en van het uiterst noordelijk gelegen Cao Bang waren voor Parijs een duidelijk teken aan de wand, maar de meeste leden van de legertop en van de burgerlijke bewindslieden lieten één wensdroom niet vallen: het scheppen van de unieke militaire situatie, die de Franse strijdkrachten de eindoverwinning zou opleveren.

landing franse 1e parachutisten batillion Dien Bien Phu 20 november 1953

Landing Franse 1e parachutistenbattillion Dien Bien Phu 20 november 1953

In verband met de planning voor de komende operaties deed de toenmalige Franse opperbevelhebber generaal Navarre op 3 december 1953 aan zijn ondercommandanten strikt geheime instructies toekomen. Deze hielden onder meer in, dat eventueel Laïchau nog kon worden prijsgegeven,maar dat het zuidelijker gelegen Dien Bien Phoe zelfs ten koste van de zwaarste offers in Franse handen moest blijven. De Fransen beschouwden Dien Bien Phoe als het belangrijkste strategische bolwerk voor midden- en noord-Indo-China; bij de opbouw van die positie waren ook kosten noch moeiten gespaard om er een onneembare vesting van te maken. De grillige vorm van de stelling besloeg ongeveer 7 bij 14 km, waarop acht verschillende doch wel onderling samenhangende steunpunten waren gesitueerd. De Franse strategie ging echter ten onrechte uit van de veronderstelling dat de Viet-Minh niet in staat zou zijn een voldoende sterke aanvalsmacht ter plaatse te concentreren. Daarenboven werd de vijandelijke transportcapaciteit schromelijk onderschat. De Fransen namen aan dat Giap nooit meer dan twee divisies tegen Dien Bien Phoe zou kunnen inzetten en dat hij voor zijn aanvoeren niet zou kunnen beschikken over meer dan 20.000 dragers. Niet alleen Navarre en zijn luchtmachtgeneraal Lauzin huldigden dat standpunt, zelfs de toenmalige chef van de generale staf generaal Ely, die ter plaatse poolshoogte had genomen, deelde hun opvattingen.

Tijdens een routinebezoek in januari 1954 bracht Navarre, die door voorgevoelens werd geplaagd, in aanwezigheid van de Franse premier Laniel en generaal Ely toch enkele bedenkingen te berde, maar met typisch Franse nonchalance werden die in Parijs van tafel geveegd. Laïchau kon inderdaad niet worden gehouden. Pas na de val van deze stad verkregen de Fransen een iets zuiverder beeld van de werkelijke situatie. Toch durfden zij de te verwachten aanvallen met zelfvertrouwen tegemoet te zien. Hun mentaal sterke troepen waren uitstekend toegerust en zelfs was op 30 november 1953 de verdediging van Dien Bien Phoe versterkt met drie bataljons parachutisten, door de Fransen terecht als elitetroepen aangemerkt. Zowel voor hun grondacties als voor hun aanvoer konden de Fransen op voldoende luchtsteun rekenen. Een zestigtal vliegtuigen zou steeds inzetbaar blijken; zij waren grotendeels van Amerikaanse makelij, en werden gevlogen door ervaren Franse piloten.

Al direct op de eerste dag van de grote aanval, 13 maart 1954, gaven Giaps troepen een demonstratie van hun kracht en aanvalsdrift. Een van de acht steunpunten werd gewoonweg onder de voet gelopen en daarmee was de eerste deuk geslagen in de rondomverdediging. Generaal Navarre reageerde prompt: reeds op 16 maart arriveerden opnieuw drie bataljons parachutisten, per vliegtuig aangevoerd om de door kolonel De la Croix de Castries gecommandeerde verdediging te versterken.

De Castries, die kort nadien tot generaal werd bevorderd, voerde het verdedigende gevecht op kundige en vastberaden wijze, maar tegen het elan van de Viet-Minh bleek geen kruid gewassen. Hoewel op 4 april andermaal twee bataljons parachutisten de verdediging kwamen versterken, was het getij al niet meer te keren. Eerst nu bleek hoe foutief de Franse schattingen waren geweest: de verdedigers werden door vier complete divisies onder druk gezet en Giaps troepen werden door 80.000 (!) transportkoelies van munitie, proviand en vervangingsmateriaal voorzien. Het summiere bezit van een paar dozijn verouderde Franse en Japanse vrachtauto's speelde geen rol; vrijwel alles werd aangevoerd op fietsen met zijspan, en bij gebrek aan fietsen ging het te voet!

Het laatste nog overgebleven Franse steunpunt, waarin het hoofdkwartier was gevestigd, werd op l mei geheel omsingeld. Op 7 mei gaf Giap bevel voor de aanval, die de laatste Franse weerstand zou moeten breken. Dat gebeurde inderdaad, waarmee aan bijna 56 dagen heroïeke Franse tegenstand een einde was gekomen. Een klein Stalingrad had zich voltrokken aan de Fransen, die in totaal ruim 16.000 man aan gesneuvelden, gewonden en gevangenen hadden verloren. Onder de Franse overlevenden, die als krijgsgevangenen werden afgevoerd, bevonden zich onder meer generaal De Castries, twaalf kolonels, ruim 250 andere officieren en ongeveer 1000 onderofficieren.

Allen kregen een behoorlijke behandeling en ze werden later niet langer dan noodzakelijk vastgehouden. Juist omdat Dien Bien Phoe als een onneembare vestiging was opgehemeld, werden nog tijdens de belegering daarvan velen in Parijs wakker geschud; verdere Franse militaire interventie in Indo-China was volkomen zinloos geworden. De slechte afloop, het bewijs voor het falen van de door de Fransen gevoerde strategie, was de voornaamsteoorzaak van de val van de regering Laniel.

premier mendes france

Premier Pierre Mèndes France

Op 20 juni 1954 werd Pierre Mendès-France de nieuwe regeringsleider. Zijn regering startte met een urgentieprogramma waarvan vrede in Indo-China een van de voornaamste onderdelen was. Al van 26 april af werd in Genève een internationale conferentie gehouden om oplosssingen te vinden voor de vraagstukken in het Verre Oosten. Na 20 juni werkten de Franse afgevaardigden overeenkomstig de instructies van hun nieuwe premier naarstig mee om inderdaad die vrede te bewerkstelligen. Op 21 juli 1954 werd het Akkoord van Genève ondertekend. Aan de invloed van de Fransen in Indo-China, waar zij sinds 1884 de scepter hadden gezwaaid, was voorgoed een einde gekomen. Aangezien Vietnam in twee staten werd gesplitst werd Indo-China opgedeeld niet in drie maar in vier onafhankelijke staten, Cambodja, Laos, Noord-Vietnam en Zuid-Vietnam.

In de noordelijke hoofdstad Hanoi waren Ho Tsji-Minh en de zijnen de onbetwiste machthebbers. De afgelopen oorlog had de Fransen noch het verwachte profijt noch het gewenste militaire succes opgeleverd. Alleen de Franc,aise Geneviève Galard verwierf internationale bekendheid en bewondering: zij was tot en met 14 mei, de dag waarop de laatste gewonde werd afgevoerd, als verpleegsterin de hel van Dien Bien Phoe achtergebleven en bij haar terugkomst in Parijs op l juni wachtte haar een grootse ontvangst. Ook zij verdween echter snel uit het nieuws, want Frankrijk kampte alweer met andere zorgen: vrijwel permanent verzet en opstand in Marokko en Tunesië, en ook in Algerije was het zeer onrustig. Toen dan ook kort daarna Algerije eveneens in opstand kwam, stond de gehele Maghreb in brand.

De Maghreb

maghreb

De Franse belangstelling voor dit gebied dateert al van oudsher. In de tweede helft van de 16e eeuw trachtten de Fransen door het aanknopen van betrekkingen hun handelsbelangen veilig te stellen. Deze pogingen werden met succes bekroond, want zij kregen vergunning tot het vestigen van consulaten in Algiers en in Tunis in respectievelijk 1564 en 1577. Het aanknopen van betrekkingen met het Marokkaanse sultanaat kostte aanzienlijk meer moeite. Na eerst in de periode van 1619 tot 1630 vier maritieme expedities te hebben aangevoerd, voornamelijk gericht op het afdwingen van de vrijlating van Franse slaven, was het Isaac de Razilly, die voor de betrekkingen met Marokko baanbrekend werk verrichtte. Deze De Razilly sloot in 1631 met de sultan het verdrag van Salé, waarbij de Fransen toestemming kregen tot het openen van een beperkt aantal consulaten, die in feite een zekere waarborg betekenden voor de Franse handelsbelangen; verder werd overeengekomen dat een aanzienlijk aantal Franse gevangenen in vrijheid zou worden gesteld.

Men denke niet dat de Fransen als enigen hun tijd ver vooruit waren, want de Spanjaarden, wie men een historisch inzicht zeker niet kan ontzeggen, waren zelfs veel eerder al in staat geweest op de Noordafrikaanse kust twee belangrijke steunpunten te veroveren: Melilla al in 1497 en Ceuta enkele jaren later. Door het bezit van deze vuistpanden meenden de Spanjaarden te beschikken over de mogelijkheid een eventuele hernieuwde Moorse agressie tegen het Iberische Schiereiland in de kiem te smoren. Overigens zijn Ceuta en Melilla nog steeds in Spaans bezit, en het Spaanse karakter van beide enclaves wordt zelfs door de machthebbers in Rabat erkend.

Zoals alle betrekkingen met de landen van de Maghreb gaven ook de Franse door de jaren heen vele ups en downs te zien. En het waren niet alleen de Britten en de Hollanders, die de noodzaak inzagen van tijd tot tijd het zeeroversnest Algiers afdoende te tuchtigen. De verhouding van Frankrijk met Algerije, Tunesië en Marokko zou evenwel in de periode van 1830 tot 1912 op een geheel andere basis worden geplaatst. De Franse verovering van Algerije begon in 1830; eerst na vele en uiterst bloedige botsingen was de pacificatie van het land omstreeks 1847 geheel voltooid.

Op 14 november 1848 werd in Parijs Algerije tot een integrerend deel van Frankrijk verklaard. Ruim een eeuw later zou deze verklaring een van de hoofdoorzaken zijn voor het ontstaan van de langdurige Frans-Algerijnse Oorlog. Wat de Franse invloed in Tunesië betreft, deze was al voor 1870 tamelijk groot. Door Franse financiële manipulaties kwam daarna het land in een zodanige positie dat het zijn aangegane internationale verplichtingen niet meer kon nakomen. Noodgedwongen bekrachtigde de Bey op 12 mei 1881 het Franse protectoraatsverdrag met zijn handtekening. Tunesië legde echter het hoofd niet zomaar in de schoot. Ook hier waren bloedige opstanden aan de orde van de dag en ook hier werden deze met harde hand neergeslagen. Van werkelijke pacificatie kon pas tegen het einde van 1882 worden gesproken.

Marokko was al geruime tijd, maar sinds 1880 in het bijzonder, een internationale twistappel geweest. Na het sluiten van het Frans-Duitse Verdrag van Berlijn, op 4 november 1911, kregen de Fransen — in ruil voor enkele economische concessies in Marokko en voorts het doen van gebiedsafstand ten gunste van Duitsland in Kameroen — eindelijk de vrije hand in Marokko. Op zijn beurt ondertekende sultan Moelei Hafid op 30 maart 1912 een protectoraatsverdrag met Frankrijk.

Door het verdrag van 27 november 1912, waarbij Frankrijk en Spanje de reeds in 1904 in het geheim afgesproken grenzen van hun zones nu precies afbakenden, werd tevens de havenplaats Tanger geïnternationaliseerd. Marokko gaf zich echter evenmin zo gewonnen. Afgezien van enkele perioden van bedrieglijke rust was er telkens sprake van opstanden die, zoals gewoonlijk, meedogenloos door de Fransen werden neergeslagen. De Spanjaarden waren in de Rif al van 1909 al in een slepende koloniale oorlog verwikkeld. Pas na de capitulatie van ,Abd-el- Krim voor de Fransen, op 26 mei 1926, kon ook Marokko als gepacificeerd gebied worden beschouwd.

Al in de 19e eeuw had Frankrijk de emigratie - eerst naar Algerije en later ook naar Tunesië - krachtig bevorderd. Na 1912 werd deze politiek ook op Marokko gericht. Vanzelfsprekend ondervond de Franse emigratie naar Marokko door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog aanzienlijke stagnatie, en als gevolg daarvan zouden later de meeste échte „colons" zich eerder in Algerije en Tunesië bevinden dan in Marokko. De slotfase van de strijd tussen de Franse troepen en de steeds beter bewapende fellagas zou in Algerije worden uitgevochten. Marokko verkreeg zijn onafhankelijkheid zeer kort voordat deze aan Tunesië toeviel, werd, en pas jaren daarna zou Algerije zijn vrijheid verwerven. Derhalve zal die ontwikkeling in deze volgorde hierna worden behandeld.

Marokko

frans marokko

Evenals overal elders in het uitgestrekte Franse imperium had ook in Marokko de verpletterende nederlaag van het moederland in juni 1940 voor grote opschudding gezorgd. Politiek gezien bleef in het tijdsbestek van 1940 tot in 1943 de toestand in Marokko stellig rustig. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de Fransen aldaar overde sterkste strijdkrachten van geheel Noord-Afrika beschikten. Inderdaad een factor, die bevorderlijk was voor de orde en rust. De Marokkanen wachtten kalm af en achtten in 1943 de tijd rijp om hun vrijheidsverlangen meer in de openbaarheid te brengen. Zij voelden zich daarbij geruggesteund door de Amerikanen op de achtergrond.

Washington had zowel de Franse als de Marokkaanse machthebbers duidelijk te kennen gegeven dat de Amerikaanse regering in de komende na-oorlogse periode het tot stand komen van een onafhankelijk en democratisch Marokko uiterst gewenst achtte.

Politieke partijen werden opgericht; de grootste was de Partij van de Onafhankelijkheid „Istiqlal"; de Democratische Partij van de Onafhankelijkheid ,,PDI" fungeerde als goede tweede. De fel monarchistische Istiqlal was aantrekkelijk voor de kleine man, aangezien het partijprogramma vele lotsverbeteringen voor de leden van de grootste bevolkingsgroep aankondigde. De gematigd monarchistische PDI voerde een typisch liberaal programma.

Ongetwijfeld was sultan Sidi Mohammed (Mohammed V), die zich uiteraard boven de partijen opstelde, de onbetwiste leider van het onafhankelijkheidsstreven. In 1928 was hij met Franse steun aan de macht gekomen. Hij was integer, intelligent, zelfs uiterst slim, en beslist niet anti-Frans; hij stelde zich bij het uitbreken van de TweedeWereldoorlog zonder enig voorbehoud pal achter Frankrijk en vermeed tijdens deze oorlog misbruik te maken van de netelige positie van het moederland. Na de oorlog kon hij rekenen op de steun van de absolute meerderheid van zijn onderdanen.

Slechts een minderheid van de bovenlaag kwam tegen hem in verzet; enkele pasja's, caïds en andere machthebbers klampten zich vast aan de Fransen aan wie zij hun macht dankten. Later zouden de Fransen nog leden van deze groepering trachten uit te spelen, een poging die jammerlijk zou mislukken.

Het was nauwelijks verbazingwekkend dat Parijs na de oorlog de macht in de overzeese gebiedsdelen dikwijls in handen legde van prominente militairen, die over een jarenlange koloniale ervaring beschikten. Zo werd in Marokko op 14 mei 1947 generaal Juin tot resident-generaal benoemd; in 1948 werd diens macht nog uitgebreid, toen hij tevens tot opperbevelhebber over alle Franse strijdkrachten in Noord-Afrika werd aangesteld. Behalve de fraaie maar holle frasen, die van Franse kant met de regelmaat van een klok ten aanzien van de Marokkaanse toekomst waren te beluisteren, maakte Parijs in 1947 toch een welwillend gebaar: de verbanning van Abd-el-Krim, de roemrijke aanvoerder van de Rifkabylen, werd na een verblijf van 21 jaar op Réunion beëindigd.

Ondanks alles was het evenmin voor Juin weggelegd alsnog het tij te doen keren. Hij werd vervangen door generaal Guillaume, die op 28 augustus 1951 aan zijn taak begon. Ook deze huldigde het devies verdeel-en-heers, en derhalve onderhield hij vooral uitstekende betrekkingen met de Fransgezinde groep van prominenten. Een van de invloedrijkste Franse pionnen was El Glaoui, pasja van Marrakesj, die over enorme rijkdommen maar bitter weinig karakter beschikte. Openlijk viel El Glaoui de sultan af en beschuldigde hem van modernisme, dat met de leer van de Islam in strijd zou zijn.

Een van de toegewijdste aanhangers van de sultan was Si Bekkaï, de militante pasja van Séfrou. Hij had als ritmeester onder de tricolore gediend en zich in mei en juni 1940 met zijn eskadron in de strijd tegen de Duitsers op roemvolle wijze onderscheiden. Vanwege zware verwondingen werd een van zijn benen geamputeerd. De veelvuldig gedecoreerde ex-Franse officier en oorlogsinvalide Si Bekkaï was in feite onaantastbaar, maar naar zijn goede raadgevingen zou voorlopig niet worden geluisterd.

De Franse voorkeur ging jammer genoeg uit naar El Glaoui en zijn aanhangers, al werden de door hen verstrekte adviezen die regelmatig in Parijs binnenkwamen meestal in de wind geslagen. Toen echter de pasja van Marrakesj de suggestie deed eventueel Sidi Mohammed af te zetten, gaf dat toch stof tot denken. Iedereen in Parijs wist heel goed dat nergens, en in Marokko in het bijzonder niet, de klok ooit nog kon worden teruggezet. Het zou inderdaad van grote kortzichtigheid getuigen, indien de regering zou proberen om dan maar de klok tot stilstand te brengen.

Maar Joseph Laniel, die na diens val René Mayer op 26 juni 1953 als premier was opgevolgd, drukte tijdens de kabinetszitting van 19 augustus ondanks vele waarschuwingen zijn wil door: Sidi Mohammed zou niet alleen worden afgezet, hij zou ook nog worden verbannen. De Fransen lieten er geen gras over groeien, want al op 20 augustus werd het regeringsbesluit uitgevoerd. De Franse marionet Moelei Arafa zou de nieuwe sultan worden, een sultan zonder karakter, zonder gezag en zelfs zonder enige invloed. Het duurde niet lang eer in Frankrijk velen beseften — Sidi Mohammed was nog onderweg naar zijn verbanningsoord Madagascar — dat de uitvoering van het besluit van de regering Laniel een van degrootste na-oorlogse politieke blunders was geweest.

Voor de Marokkanen werd 20 augustus 1953 niet alleen een dag van nationale rouw doch tevens een van verzet en opstand. Inderdaad vloeide er in Marokko veel bloed. Op de van hen bekende harde wijze wisten de Fransen met de opstanden wel raad; maar tegenover de talrijke aanslagen, die vele Franse burgers en militairen het leven kostten, stonden zij vrijwel machteloos. Langzamerhand won de idee veld, dat de terugkeer van sultan Sidi Mohammed wel eens dé oplossing zou kunnen zijn voor heel het Marokkoprobleem. Ook de Franse premier Edgar Faure — sinds februari 1955 de opvolger van Mendès-France — voelde veel voor de terugkeer van Sidi Mohammed. Uit Rabat ageerde de gematigde grootvizier Al-Mokri eveneens in deze richting, terwijl de ridder zonder vrees en blaam Si Bekkaï zowel in Marokko als in Frankrijk bij elke passende gelegenheid een lans brak voor zijn vorst.

Faure speelde met de gedachte aan een Frans-Marokkaanse topconferentie en als eerste geste verving hij de resident-generaal Gilbert Grandval — in Rabat had na Guillaume ook nog Francis Lacoste deze functie vervuld — door de met beide benen op de grond staande generaal Boyer de la Tour. Deze laatste aanvaardde zijn functie op 30 augustus 1955. De Marokkaanse aangelegenheid was inderdaad in een stroomversnelling terechtgekomen, aangezien de nationale rouwdag van 20 augustus 1953 zoveel geweld had ontketend dat de Fransen het hoofd verloren.

Begin september 1955 deed Faure een nog betere greep: hij zond generaal Catroux, de diplomaat bij uitstek, naar Madagascar om ter plaatse als zijn persoonlijke afgezant te proberen bij Sidi Mohammed opnieuw het ijs voor de Fransen te breken.

Als gewoonlijk zou Catroux het succes boeken waarop zijn opdrachtgevers speculeerden. De fase van het over en weer uitwisselen van hoffelijke brieven werd medio september al gevolgd door de fase van even hoffelijke persoonlijke contacten. Catroux kweet zich voorbeeldig van zijn taak en Sidi Mohammed wist zich verzekerd van de overwinning . . .

Inmiddels had in Marokko Boyer de la Tour zijn opdracht, de namaaksultan te doen verdwijnen, eveneens tot in de perfectie uitgevoerd. Het verkrijgen van de handtekening van Moelei Arafa onder het document van afstand kostte in het geheel geen moeite. Einde september verliet Arafa geruisloos zijn paleis om op l oktober met even stille trom een bescheiden villa in Tanger te betrekken.

Op 25 oktober verraste El Glaoui vriend en vijand met een verklaring, die een complete volte face betekende. Na zijn aankomst op 31 oktober 1955 op de luchthaven van Nice betrad Sidi Mohammed de Franse bodem met een groot gevoel van veiligheid. Tot nu toe was alles precies verlopen zoals hij het bij het begin van zijn ballingschap had voorspeld. Mohammed V hoefde zijn werk alleen nog maar af te ronden. Zijn verhuizing naar een klein doch fraai paleis in Saint-Germain was de volgendestap. Vele eenvoudige, in Frankrijk wonende en werkende, Marokkanen betuigden hem hun oprechte trouw en hun dankbaarheid; bij de aanhankelijkheidsbetuigingen van leden van de bovenlaag toonde de sultan wel een zekere terughoudendheid.

In de stoet van deze caïds en pasja's bevond zich ook El Glaoui om in het bijzijn van vele landgenoten en Fransen nogmaals van zijn misstappen te gewagen. Sidi Mohammed verloor zijn kalmte niet en kon het zelfs opbrengen deze onwaardige enkele bemoedigende woorden toe te voegen. Deze komedie bracht wel iets anders aan het licht: in Marokko zou niet alleen een einde worden gemaakt aan de Franse overheersing maar ook aan die van de eigen lokale machthebbers, die het volk meer hadden uitgebuit dan de Fransen ooit hadden gedaan. Kroonprins Hassan die steeds zijn vader terzijde had gestaan, formuleerde dat in een korte verklaring nog eens vlijmscherp: hij gaf te kennendat de Marokkanen niet alleen de vrijheid zouden verkrijgen, maar tevens een regering die de belangen van de kleine luiden oprecht zou behartigen en beschermen. Het feodale tijdperk was definitief voorbij.

Nadat de leden van de Nationale Vergaderingzich in grote meerderheid hadden geschaard achter de regeringsplannen ten aanzien van Marokko, was dat land op 8 oktober 1955 officieus onafhankelijk geworden. Op 16 november werd Sidi Mohammed in Rabat verwelkomd door een enorme mensenzee, die waanzinnig was van geestdrift. Alvorens een premier aan te wijzen, raadpleegde de sultan behalve de politici tevens de leiders van de vakbond en van de Joodse minderheidsgroep. Op 6 december was de regering gevormd, met Si Bekkaï — een betere keuze was onmogelijk — als regeringsleider; diens kabinet telde 21 ministers: negen leden van de Istiqlal, zes leden van de PDI en zes onafhankelijken, onder wie een Israëliet.

Sidi Mohammed en Si Bekkaï verzekerden zich uiterst diplomatiek van de medewerking van generaal Bourgund, de opperbevelhebber van de nog in Marokko aanwezige Franse strijdkrachten. Kroonprins Hassan zette zich in voor de bevrijding van alle politieke gevangenen. Aangezien in Frankrijk parlementsverkiezingen plaatsvonden, diende het begin van de slotonderhandelingen met Marokko even te worden opgeschort. Nadat de nieuwe Franse premier Guy Mollet zijn regering had gevormd, kon in aanwezigheid van president Coty en sultan Mohammed V op 16 februari 1956 met de conferentie worden begonnen. Het belangrijkste was, dat men elkaar zou kunnen vinden in formuleringen die voor beide partijen aanvaardbaar waren.

Na vele besprekingen was eindelijk de kogel door de kerk: het op 30 maart 1912 in Fez getekende protectoraatsverdrag bestond niet meer; met ingang van 3 maart 1956 werd Marokko officieel weer een onafhankelijke en soevereine mogendheid. Wel hadden de Marokkanen het Franse aanbod voor tijdelijke hulp bij de opbouw van hun strijdkrachten aanvaard.

Nu diende alleen nog een regeling met Spanje te worden getroffen. Op 4 april was Sidi Mohammed in Madrid, waar Si Bekkaï een en ander goed had doen voorbereiden. Spoedig legde het Spaanse staatshoofd generaal Franco zich bij de nieuwe situatie neer. Het Marokkaans-Spaanse akkoord werd op 7 april 1956 ondertekend. Nadat eerst op 10 april de zonegrens tussen de vroegere protectoraten symbolisch werd opgeheven, namen de Marokkanen op 13 juli het bewind officieel van de Spanjaarden over. Voortaan zou in Rabat uitsluitend de eigen weg worden bewandeld. De Marokkaanse regering maakte op 29 oktober een einde aan het internationale instituut van Tanger, een besluit dat nauwelijks oppositie ontmoette. Veel belangrijker was echter dat drie dagen tevoren, dus op 26 oktober 1956, door Rabat een solidariteitsverklaring ten gunste van de Algerijnse onafhankelijksbeweging werd afgegeven.

Tunesië

kaart tunesiè

In de Tunesische strijd voor de onafhankelijkheid was Habib Bourguiba verreweg de markantste persoonlijkheid. Al op de middelbare school gaf de intelligente Bourguiba blijk van zijn leergierigheid, die hem prikkelde daarna in Parijs rechten, politieke wetenschappen en filosofie te gaan studeren.

Als logisch gevolg van deze studies kwam hij na zijn terugkeer in Tunesië automatisch terecht in de advocatuur én in de politiek. Aanvankelijk voelde hij zich aangetrokken tot de, in 1920 opgerichte, liberale Destour- (Constitutionele) partij. De door deze partij gevoerde propaganda kwam volgens Bourguiba veel te tam over en derhalve richtte hij op 29-jarige leeftijd in 1932 een eigen blad op, de „Action Tunésienne". Daarin werd uit een geheel ander vaatje getapt, en dat zinde de Fransen bepaald niet: al in 1933 legde de resident-generaal Manceron het blad een verschijningsverbod op. Dat besluit had echter een totaal averechtse uitwerking, want in 1934 richtte Bourguiba de militante Neo-Destourpartij op die zich spoedig mocht verheugen in de sympathie van brede lagen van de bevolking. Ook deze gang van zaken bleek daarom voor de Fransen een steen des aanstoots, en zo werd Bourguiba op 5 april 1938 niet slechts gearresteerd maar bovendien naar Frankrijk overgebracht.

De kringloop sloot zich door de weerstand, die deze gebeurtenissen in Tunesië opwekten. Op 9 april werd in de hoofdstad zo massaal gedemonstreerd dat de Fransen zich genoodzaakt voelden militair in te grijpen. Hoe zij dat aanpakten, mag nu wel als bekend worden verondersteld. Er vloeide veel — uiteraard voornamelijk Tunesisch — bloed, maar de rust keerde terug. In Frankrijk werd Bourguiba als gevangene van hot naar haar gesleept en uiteindelijk op 12 december 1942 door de Duitsers bevrijd. Die wisten niet goed wat zij met hem moesten beginnen en stelden hem, na een kort verblijf in een van hun interneringskampen, op transport naar Italië. Daar werd hij geïnterneerd in een goed bewaakte, maar fraaie villa in de buurt van Rome.

De Italianen, die al lang voor de Tweede Wereldoorlog Tunesië op hun territoriale verlanglijst hadden staan, trachtten Bourguiba voor hun karretje te spannen, maar ondanks zijn behandeling door de Fransen, overwoog hij geen ogenblik in troebel water te gaan vissen. Het enige, waartoe hij bereid bleek, was het uitspreken van een radioboodschap aan het Tunesische volk op 6 april 1943. Daarin maakte hij duidelijk dat het verwerven van de onafhankelijkheid een aangelegenheid van geweldig belang was. Volgens hem was het in de huidige situatie, waarin de koloniale mogendheden elkaar op leven en dood bestreden, geen haalbare kaart. Bovendien wenste hij deze begeerde vrijheid uitsluitend te ontvangen uit handen van de Fransen, die in Tunesië ondanksalles nog steeds de wettige machthebbers waren.

Met Latijnse luchthartigheid hadden de Italianen nagelaten de tekstinhoud van Bourguiba's rede vooraf te bestuderen. Indien zij dat wel zouden hebben gedaan, zou de uitzending zeker zijn verhinderd, want voor hen zat er geen enkel lichtpunt in. Vreemd was echter dat zij ook achteraf niet reageerden. Het was een duidelijk teken aan de wand: de meeste Italianen hadden zich al erbij neergelegd dat de slepende oorlog voor hen een verloren zaak was.

Ondanks het langzame tempo van de geallieerde opmars in Italië zag Bourguiba kans omstreeks medio 1944 naar zijn land terug te keren. Maar al te graag zouden de Fransen hem van collaboratie hebben beschuldigd; een onmogelijke opgave, want Bourguiba was politiek zonder meer brandschoon.

Het Franse wantrouwen bleef echter smeulen. Onder aanvoering van generaal Mast, de resident-generaal, maakten zij hem het leven onmogelijk. Opnieuw draaide Bourguiba, op 26 maart 1945, zijn land de rug toe, nu als vluchteling. Hij vertoefde hoofdzakelijk in Egypte en zou later van Kaïro uit beginnen aan de reeks reizen naar vele Westerse landen. Alleen in de Verenigde Staten vond Bourguiba begrip voor zijn streven en acties.

Inmiddels werd in Tunesië zijn strijd voortgezet en wel onder leiding van Salah Ben-Joessef, die toen nog in het voetspoor van Bourguiba trad maar later zijn doodsvijand zou worden. Pas in september 1949 keerde Bourguiba terug. Tijdelijk lieten de Fransen hem ongemoeid, te meer omdat ten aanzien van Tunesië in Parijs even een frissere wind waaide.

Het was vooral aan het inzicht van de vooruitziende Franse minister van buitenlandse zaken Robert Schumann te danken, dat de gematigde Louis Périllier tot resident-generaal werd benoemd. Zelfs kwam een gemengde Frans-Tunesische protectoraatsregering tot stand: het kabinet Chenik met Salah Ben-Joessef als minister van justitie. Maar voorlopig trok Bourguiba zich terug in zijn ivoren toren. Behalve tot het afgeven van de simpele verklaring van de zogenaamde Frans- Tunesische eenheid op 15 december 1951, bleek Parijs niet tot verdere concessies bereid. De Tunesiërs, die het Franse spel doorzagen, toonden duidelijk hun teleurstelling. Inmiddels was het Parijse milde windvlaagje al overgewaaid, want op 18 januari 1952 werden het kabinet Chenik ontbonden, de Neo-Destourpartij verboden en Bourguiba geïnterneerd. Salah Ben-Joessef zag zijn kans schoon en week uit naar Kaïro.

Na het aan de macht komen van de regering Mendès- France koesterden Bourguiba en de zijnen weer hoop. Mendès-France besloot persoonlijk in Tunesië poolshoogte te gaan nemen. Alvorens te vertrekken liet hij echter Bourguiba naar Frankrijk overbrengen, waar deze in Amilly werd geïnterneerd.

Mendès-France en zijn raadgevers kwamen op 30 juli 1954 in Tunesië aan. Tot veler verwondering bevond zich onder hen ook generaal Juin. Voor de colons was dat een vingerwijzing: de premier maakte duidelijk wat hij voor Tunesië wenste. Inderdaad de vrijheid, maar dan wel een vrijheid die was gebaseerd op orde en rust. De Tunesiërs zouden alles kunnen krijgen en wel als gevolg van nieuwe onderhandelingen, waarbij dan wel de gebruikelijke emoties naar de achtergrond dienden te verdwijnen. Voor alles maakte Mendès-France de Tunesiërs duidelijk dat hij voor hen het zelfbeschikkingsrecht rechtvaardig en bovendien zelfs zeer wenselijk achtte. Het tot stand komen van de eerste Tunesische regering op 9 augustus 1954 stuitte niet meer op moeilijkheden. Het kabinet was uitsluitend samengesteld uit leden van de Neo-Destourpartij, met Tamar Ben-Ammar als premier. Met de door beide partijen gewenste onderhandelingen werd op 14 september in Parijs begonnen. Om ongewenst gekrakeel te voorkomen had men aan beide kanten het aantal afgevaardigden tot een minimum beperkt.

Uiteraard waren de Tunesische afgevaardigden trouwe aanhangers van Bourguiba; Mongi Slim, die later als minister van buienlandse zaken en als voorzitter van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties nog bekendheid zou krijgen, was de toonaangevende figuur.

De vrijlating van Bourguiba, die door het uitbreken van de opstand in Algerije werd vertraagd, vond pas in mei 1955 plaats. Na zijn terugkeer in Tunesië werd hij als een triomfator geëerd. Op 3 juni 1955 verkreeg Tunesië de volledige uitoefening van de interne soevereiniteit door de ondertekening van het verdrag van Parijs. Bourguiba, die onvrijwillig lang buitenspel had gestaan, toonde zijn (voorlopige) tevredenheid met het in Parijs bereikte resultaat. Hij bleef de voorkeur eraan geven stap voor stap te vorderen, een zienswijze die Salah Ben-Joessef niet wenste te onderschrijven.

Een en ander zou tot een totale breuk leiden. Na tegen het einde van 1955 uit de partij te zijn gestoten, bleek Salah Ben-Joessef in januari 1956 bij een aanslag op Bourguiba te zijn betrokken. Hij week weer naar Kaïro uit en zou in 1961 in Frankfurt gewelddadig aan zijn eind komen. Ondanks de gespannen internationale toestand en de oorlog in Algerije bleven de Fransen en de Tunesiërs vrijwel onafgebroken onderhandelen. Door het sluiten van het zoveelste Verdrag van Parijs verwierf Tunesië op 20 maart 1956 de onafhankelijkheid en de volledige soevereiniteit. Met het aangaan van deze overeenkomst had premier Guy Mollet de door zijn collega's Mendès-France en Faure begonnen historische taak afgerond.

april 1956 9 april Bourghiba president Nationale Assemble

Habib Bourguiba werd premier van de eerste, en nu geheel zelfstandige, Tunesische regering. Mohammed Pasja, de Bey van Tunis die door alle machthebbers en alle bezetters steeds als een marionet was beschouwd, zou nog een korte tijd staatshoofd blijven. Na verschillende strubbelingen schafte het Tunesische parlement op 25 juli 1957 de monarchie af en stelde de republikeinse staatsvorm in. Bourguiba werd president en kreeg daardoor nog meer de vrije hand bij de uitvoering van zijn hervormingsplannen op velerlei gebied.

Evenals Marokko voerde Tunesië een uitgesproken pro-Algerijnse buitenlandse politiek. Deze gedraglijn zou de Tunesiërs nog vele moeilijkheden bezorgen, te meer omdat zij de Franse economische steun nog niet konden ontberen.

Algerije (I)

De Amerikaanse aanwezigheid in Noord-Afrika was ook voor de Algerijnen aanleiding, uiting te geven aan hun drang naar onafhankelijkheid. Medio februari 1943 richtte Ferhat Abbas zich mede namens vele anderen met een manifest inzake deze begeerde vrijheid tot het Franse bestuur. Op generaal Giraud, die toen tevens aan het hoofd van het burgerlijke gezag in Algerije stond, maakte deze actie slechts weinig indruk. Ferhat Abbas werd gevangen gezet en nadat de eerste opwinding enigszins was geluwd weer in vrijheid gesteld.

De in december 1943 door generaal De Gaulle aangekondigde hervormingen werden prompt door Ferhat Abbas als totaal onvoldoende van de hand gewezen. Nog voor het einde van de oorlog kwam een voorloper van de echte onafhankelijkheidsbeweging van de grond: deze organisatie wilde de banden met Frankrijk stellig niet geheel verbreken. In korte tijd verwierf de nieuwe groepering zeer veel aanhang, zodat de colons de angst om het hart sloeg. Nadat de Algerijnen ook gewapenderhand verzet gingen bieden, grepen ook hier de Franse troepen met harde hand in. Aan de Algerijnse kant lag het aantal slachtoffers zeer hoog; de leiders, met inbegrip van Ferhat Abbas, werden gearresteerd. De militaire tribunalen spraken talrijke doodvonnissen uit, hoewel daarvan slechts een beperkt aantal werd voltrokken. Het Franse bewind durfde het beslist niet aan, de populaire Ferhat Abbas voor het vuurpeloton te zetten.

Ook in Frankrijk zelf groeide het onbehagen over het in Algerije gevoerde harde beleid. Dientengevolge was Parijs eensklaps bereid amnestie te verlenen. Tegelijk met talrijke anderen werd Ferhat Abbas op 16 maart 1946 vrijgelaten. Prompt kwam een andere voorloper van het FLN van de grond: de „beweging van de overwinning der democratische vrijheden", een groepering die evenmin de banden met Frankrijk geheel wilde slaken. Medio 1946 zou in Kaïro een samenwerking tussen Ferhat Abbas en Bourguiba tot stand komen. Een verbond tussen twee strijders voor de onafhankelijkheid van hun land, die beiden met democratische middelen dat doel trachtten te bereiken. En precies als in Marokko en Tunesië ontmoette Ferhat Abbas nu ook oppositie uit de eigen gelederen.

Van de groep Algerijnen, die alles ineens en ook nog heel snel wenste te bereiken, was Ahmed Ben- Bella de grote promotor. Op de gebeurtenissen was het verschil van opvatting nauwelijks van invloed. De betrekkingen tussen de Algerijnen en Fransen verslechterden toch wel. Tot ver in 1954 steeg vooral in de bevolkingscentra de spanning ten top, een spanning die bijna tastbaar zou worden. Van 10 oktober 1954 af waren echter voornamelijk door toedoen van Ferhat Abbas, alle Algerijnse onafhankelijkheidsgroeperingengebundeld in het krachtige Front de la Liberation Nationale (FLN). De Algerijnse leider — ondanks alles nog steeds een gematigd politicus — slaagde tevens in zijn poging Ahmed Ben- Bella en de zijnen in het gareel te krijgen.

Zo langzamerhand had Ferhat Abbas zich weten te omringen met een staf van kundige politieke adviseurs. Ook had de leiding van het verzet zelfs voor het uitbreken van de opstand ervoor gezorgd dat een aanzienlijk deel van het kader voor het toekomstige leger al was opgeleid. In de nacht van 31 oktober op l november 1954 brak de goed voorbereide opstand uit. De Fransen beschouwden deze aanvankelijk als een van de vele waartegen zij het recept goed kenden; maar voordat zij het goed en wel beseften, waren zij gewikkeld in een oorlog met gelijkwaardige tegenstanders.

Al tijdens de eerste gevechtshandelingen gaven de eenheden van „l'Armée de la Liberation Nationale" (ALN) blijk van hun taaiheid en van hun strategisch inzicht. De in 1865 door Napoléon III gegeven typering van Algerije als „cette nation guerrière et intelligente" werd volledig bewaarheid. Vooral in de eerste jaren van deze oorlog bleven de Fransen halsstarrig bij hun bewering, dat inzake Algerije geen parallel viel te trekken. Marokko en Tunesië waren slechts protectoraten geweest, maar sinds 1848 was Algerije immers een integraal deel van Frankrijk.

En op hun beurt bleven de, door de politici gesteunde, Franse militaire prominenten maar doorgaan met hun voorspellingen, dat zéér binnenkort de Algerijnse opstandelingen werkelijk op hun laatste benen zouden lopen. In Algerije beschikte omstreeks 1956 de Franse legerleiding over een goed bewapende en gedisciplineerde moderne strijdmacht van meer dan 350.000 man, hoewel een belangrijk gedeelte daarvan uit dienstplichtigen bestond. Maar in elk geval was het geen aantal als benodigd voor het terloops neerslaan van een „aflopende" opstand.

In oktober 1956 vond nog een opzienbarende gebeurtenis plaats. Geheel overeenkomstig de gebruiken in vrijwel iedere andere oorlog vonden ook tijdens de Algerijns-Franse oorlog tussen de belligerenten besprekingen plaats. Deze onderhandelingen waren echter geheel doodgelopen.

gevangenneming

De Algerijnen wilden dienaangaande nu hun licht gaan opsteken in Rabat en in Tunis. De Fransen stelden de Algerijnse afvaardiging — Ahmed Ben-Bella en vijf anderen — een vliegtuig met uiteraard een Franse bemanning ter beschikking; zij namen de Marokkanen en de Tunesiërs hun partijdigheid hoogst kwalijk, maar onderschatten hun invloed niet. Na de besprekingen in Rabat wilden de Algerijnen direct non-stop naar Tunis doorvliegen. Tijdens deze reis dwongen Franse gevechtsvliegtuigen het toestel te landen op de luchthaven van Algiers. Onmiddellijk na de landing werden de zes Algerijnen door de Franse militaire politie gearresteerd en ter internering naar Frankrijk overgebracht. Eerst dachten de Fransen een goede stunt te hebben uitgehaald, maar heel spoedig bleek het een volmaakte blunder te zijn geweest: de gehele Maghreb kolkte van woede, en de oorlog in Algerije kreeg een nog feller karakter.

Hoewel de internationale pers de Algerijnse opstandelingen bijna unaniem als rebellen had gedoodverfd, won daarna bij de publieke opinie de sympathie voor het FLN en het ALN steeds meer veld. Ook deze onverkwikkelijke zaak raakte echter snel in het vergeetboek, want al van eind juli 1956 afstond de toenemende spanning in het Nabije Oosten centraal in de aandacht van de gehele wereld.

Bij de escalatie van de spanning in deze contreien waren de nauwe banden van Frankrijk met Israël een factor van betekenis geweest. De samenwerking tussen beide landen dateerde al van kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog en dient derhalve nader te worden belicht.

De Frans-Israëlische betrekkingen

Zeker was het niet verbazingwekkend dat, zelfs voordat Israël onafhankelijk werd, Parijs en Tel- Aviv al uitstekende betrekkingen onderhielden. Het waandenkbeeld van de machthebbers in het Derde Rijk over de uitroeiing van de Joden had het Oude Volk ongeveer zes miljoen mensenlevens gekost. Maar ook de Fransen hadden aan de oorlog hun tol betaald en Franse verliezen waren evenmin tot de economische sector beperkt gebleven. En zo stelde Parijs in het begin van 1947 talrijke leden van de Joodse verzetsorganisatie Haganah — de kern van het latere Israëlische leger — in de gelegenheid zich in oefenkampen op Franse bodem militair te bekwamen.

Dat Israël op 15 mei 1948 onafhankelijk was geworden, werd ook in Frankrijk met grote vreugde begroet. De Franse bewapeningsindustrie zou de belangrijkste leverancier worden voor de strijdkrachten van de nieuwe staat. Spoedig zou de Franse technische know-how ook aan de Israëlische strijdkrachten ter beschikking worden gesteld. Van juli 1949 af werd zelfs een begin gemaakt met de Frans-Israëlische samenwerking in de nucleaire sector, waarvan de Franse professor Perrin de grote promotor is geweest. In 1954 werd een nieuwe geheime overeenkomst gesloten over de levering van oorlogsmaterieel, waarbij de levering van Franse oorlogsvliegtuigen aan Israël centraal stond. Voor het Israëlische veldleger leverden de Fransen onder meer antitank- en luchtafweergeschut, snelle AMX-pantservoertuigen en het modernste terugstootloze 75 en 105 mm veldgeschut.

De kwaliteit van de nieuwe Franse gevechtsvliegtuigen Ouragan en Mystère stond ervoor borg dat in het Nabije Oosten de Israëlische luchtmacht zo niet de grootste dan toch wél de sterkste zou worden. Percentsgewijs zou de Israëlische luchtmacht in korte tijd zelfs met meer Franse toestellen vliegen dan de Franse luchtstrijdkrachten. Sindsdien was de top van de Israëlische luchtmachtervan overtuigd dat Israël in geval van oorlog zou mogen rekenen op steun van de Franse luchtmacht.

Hoewel Israël in de jaren '50 de militaire suprematie nog niet had bereikt, speelden sommige politici in Tel-Aviv met de „Groot-Israël"-gedachte. Dat Israël zou een economisch sterke, en daardoor welvarende staat moeten zijn. Zelfs in westerse landen werd dat idee niet zo maar afgewezen; een sterke en dus geordende staat, die aan alle inwoners een redelijk bestaan zou kunnen verschaffen, zou in het zo roerige Nabije Oosten wel eens een factor van stabiliserende betekenis kunnen zijn.

In de jaren 1953/54 was in Parijs een uiterst invloedrijke Joodse lobby ontstaan. De door Israël gevoerde buitenlandse politiek werd door de regerin Laniel al welwillend bekeken: onder de regering van Mendès-France stond Tel-Aviv hoog aangeschreven en die lijn zou door premier Faure worden doorgetrokken; maar in Frankrijk zat Tel-Aviv zonder meer op rozen tijdens de regering van Guy Mollet: niet alleen de premier was een uitgesproken vriend van Israël, maar de minister van buitenlandse zaken Pineau en de voortvarende minister van nationale defensie Bourgès- Maunoury waren dat eveneens.

Verder werd in 1956 onder voorzitterschap van de conservatieve politicus Jacques Soustelle het „Comité pour l' Alliance France-Israël" opgericht. Dat comité ontpopte zich als een verzamelplaats voor vogels van uiteenlopende pluimage: op de ledenlijst kwamen geen namen van communisten voormaar wel van aanhangers van alle andere stromingen.

De doeleinden van het comité bleken bijvoorbeeld aantrekkelijk voor zowel Franc,ois Mitterand als voor de graaf van Parijs. In ieder geval was de grote massa in Frankrijk — met uitzondering van de communisten — niet gekant tegen de mogelijkheid dat aan Israël actieve steun kon worden verleend indien dat land in een oorlog verwikkeld zou raken.

De Egyptische dictator kolonel Nasser, die tegen het einde van 1955 zijn Duitse militaire adviseurs - veelal ex-SS — door Russische verving, meende op 26 juli 1956 een gedurfde stap te kunnen ondernemen: de nationalisatie van de Suezkanaal Maatschappij, weliswaar een Egyptische maatschappij, maar met 80% van de aandelen in Franse en Britse handen. Daarover ontstond grote opschudding, niet alleen in Londen en Parijs, maar ook in Washington. In de wetenschap dat bij Nasser het bakken van zoete broodjes zinloos zou zijn, besloten al in het begin van augustus de Britten en de Fransen tot gezamenlijke militaire interventie in Egypte.

Heel even hoopten Londen en Parijs op deelneming van de Verenigde Staten, maar in deze aangelegenheid kende Washington slechts één zorg, namelijk hoe de prille NAVO onbeschadigd door deze internationale crisis kon komen. Derhalve grepen de Amerikanen de eerste voor hen gunstige mogelijkheid aan om met grote beslistheid af te haken.

De bereidheid tot militaire interventie van de Franse politici was beslist niet alleen door toedoen van de Joodse lobby tot stand gekomen. Parijs wilde gebruik maken van de ontstane gelegenheid bij uitstek en Egypte zijn aan de Algerijnse opstandelingen verleende steun eens goed inpeperen.

Voor Londen lagen de zaken geheel anders. Evenals voor de andere westerse zeevarende mogendheden zou ongetwijfeld een eventuele blokkering van het Suezkanaal ook voor Engeland een hoogst hinderlijke aangelegenheid zijn. Aangezien in deze periode de Engelse invloed in het Nabije Oosten nog vrij groot was, gaf Londen de voorkeur aan een gematigder optreden. Vooral wilden de Britten rekening houden met de positie van het door hen gefinancierde Jordanië. En voor alles wilden zij vermijden voor bondgenoten van Israël te worden aangezien.

Die verschillen in de politieke uitgangspunten zouden evenwel niet verhinderen dat er een indrukwekkende planning voor het Brits-Franse militaire ingrijpen van de grond kwam. Een eventueel falen zou een enorm gezichtsverlies betekenen en dat wilden beide partners tot iedere prijs voorkomen. Spoedig viel de keuze op Cyprus als de ideale uitvalspoort. De afstanden van Gibraltar, Marseille, Algiers en zelfs Malta naar Cyprus waren vrij groot, en ook was de havencapaciteit van steden als bijvoorbeeld Famagusta en Limassol onvoldoende, maar de afstand van Cyprus naar Egypte was klein en daarom zeer aantrekkelijk.

De expeditie was uiteraard een gezamenlijke operatie van land-, lucht- en zeestrijdkrachten. Een belangrijk gedeelte van de invasiemacht zou bestaan uit keurtroepen: luchtlandingseenheden, commando's, parachutisten, legioensoldaten e.d. De Engelsen zouden deelnemen met 45.000 man, 300 vliegtuigen en aanzienlijke zeestrijdkrachten waaronder vier vliegkampschepen.

Het Franse contingent zou bestaan uit 30.000 man, 200 vliegtuigen en een voldoende aantal oorlogsbodems, waarbij onder meer een vliegkamp- en een vliegdekschip. Het opperbevel over deze Brits-Franse strijdmacht was in handen gelegd van de Britse generaal Sir Keightley, met de Franse admiraal Barjot als plaatsvervangend opperbevelhebber.

De uitvoering van de operaties was opgedragen aan de generaals Stockwell en Beaufre, beiden erkende vaklieden. In vijf jaar tijds was Stockwell van majoor tot generaal opgeklommen, terwijl Beaufre — die als kapitein in november 1942 generaal Giraud had vergezeld tijdens diens avontuurlijke vlucht uit Vichy-Frankrijk — gold als een van de beste Franse opperofficieren en bovendien een voortreffelijk organisator. Andere Franse bevelhebbers waren admiraal Lancelot, generaal Brohon voor de luchtstrijdkrachten en de militante generaal Massu voor de parachutisten. Dat de planning en voorbereiding van het geheel zo goed en geruisloos mogelijk verliep, was voor een belangrijk gedeelte te danken aan de kennis en de kunde van generaal Beaufre; ook de Engelsen waren daarvan doordrongen.

Als tegenwicht voor de Egyptische straaljagers van Russische makelij hadden de Fransen in augustus 1956 de Israëlische luchtmacht 24 gevechtstoestellen van het ultramoderne type Mystère IV geleverd. Dank zij de persoonlijke inzet van minister Bourgès-Maunoury ontving Israël medio oktober als extra versterking opnieuw 24 Mystère-IV's benevens aanvullend materieel voor het antitank- en luchtafweergeschut. Wat echter niemand wist, was dat Parijs voor alle zekerheid ook nog een voldoende aantal Franse piloten — uiteraard met de Mystère IV geheel vertrouwd — naar Israël had gezonden.

De jonge en energieke Bourgès-Maunoury was inderdaad een uitzonderlijk iemand. Als subaltern artillerieofficier gaf hij in 1940 de vijand goed partij; na zijn ontvluchting uit Frankrijk doorliep hij in Engeland met glans de commando-opleiding, waarna hij per parachute terugkeerde in bezet Frankrijk waar hij zich als een militair-verzetsleider van klasse manifesteerde. Zijn faam was dermate groot, dat nagenoeg niemand van de naoorlogse Franse premiers hem bij het samenstellen van zijn regering durfde passeren.

De Israëlische regeringsleider Ben Goerion, die door de Fransen goed was geïnformeerd — en wat hij niet mocht weten, wist hij dank zij de vrijwel feilloos werkende Israëlische inlichtingendienst toch — wilde gaarne nog eens alles met Guy Mollet onder vier ogen doornemen. Inderdaad vond op 22 oktober 1956 tussen beide staatslieden een geheim onderhoud plaats. Als trefpunt werd het vliegveld van het nabij Parijs gelegen Villacoubly uitgekozen. Aan beide kanten werd niet alleen met veiligheids- doch tevens met camouflagemaatregelen gewerkt. Zo werden onder meer de bekende nummerborden van de auto van de Franse premier door andere vervangen, terwijl het aantal van de begeleidende motorrijders tot een minimum werd teruggebracht; zelfs de typische wilde, witte haardos van Ben Goerion was onder een hoed met grote rand verborgen.

Het onderhoud leverde volledige eensgezindheid op. Ben Goerion stelde zijn Franse collega ervan op de hoogte dat in Israël medio oktober al was begonnen met de geheime mobilisatie, die op 25 oktober zou zijn voltooid. Ten overvloede verzekerde Guy Mollet, dat Israël bij de komende oorlogshandelingen inderdaad op Franse luchtsteun mocht rekenen. Overigens had de aanwezigheid in Israël van Franse luchtmachtofficieren al geruststellend gewerkt op de weinigen die daarvan op de hoogte waren. Later zou in de praktijk blijken, dat de Franse steun ook tot de maritieme sector wou worden uitgebreid. Het grote spel — eigenlijk het Franse spel, aangezien een belangrijk gedeelte van het draaiboek in Parijs was opgesteld — kon beginnen.

Korte maar felle oorlog

suez-oorlog 1956

Uit de Negevwoestijn rukten in de nacht van 28 op 29 oktober 1956 twee sterke Israëlische colonnes het Egyptische grondgebied binnen. De Israëlische opperbevelhebber, generaal Mosje Dayan, die slechts over een troepenmacht van 32.000 man beschikte, stelde al snel vast dat het verslaan van de 45.000 man sterke Egyptische strijdmacht geen moeilijke opgave zou zijn. Terwijl de regering van de Verenigde Staten in allerijl de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties deed bijeenroepen, hadden Israëlische parachutisten de Mitlapas al afgesloten. De Britten en Fransen stelden op 30 oktober aan zowel Egypte als Israël een ultimatum en eisten van beide partijen dat deze aan beide kanten van het Suezkanaal een gedemilitariseerde zone van 15 km breedte zouden instellen. Dat het ultimatum ook aan Israël was gesteld, was — met het oog op de te verwachten internationale reacties — politieke noodzaak. In feite was het echter een wassen neus: het hele spel was de regering in Tel-Aviv volkomen duidelijk en daarom aanvaardde zij de Brits-Franse voorwaarden met bekwame spoed.

Op 31 oktober om l uur v.m. liet Nasser zijn weigering bekendmaken. Daarmee herkregen de Israëli's de vrijheid van handelen en hun troepen boekten terreinwinst aan de lopende band. Op 31 oktober behaalden de Israëli's tevens hun eerste maritieme succes: de overmeestering van de Egyptische torpedobootjager Jbrahim El-Anwar die voor de rede van Haifa was verschenen. Enkele kleine Israëlische oorlogsschepen, gesteund door de eveneens kleine maar hypermoderne Franse Kersaint zagen zich beloond toen de Egyptische commandant na een vuurgevecht van ongeveer een half uur de witte vlag liet hijsen.

Om de Israëlische doorbreking tussen Gaza en El Arisj, bij Rafa, te vergemakkelijken en de consolidatie daarvan te steunen, verleende de Franse kruiser Georges Leygues op l november om 06.00 uur doeltreffende artilleriesteun. Precies een half uur later vernietigden escadrilles van de gecombineerde Brits-Franse luchtstrijdkrachten meer dan honderd op de grond staande Egyptische gevechtstoestellen.

Op 2 november waren de Israëlische troepen gevorderd tot op 13 km van het Suezkanaal, terwijl in een andere frontsector Gaza werd genomen. En op hetzelfde ogenblik waarop de Egyptische generaal Hakim Amer van achter een pompeus bureau zijn stafofficieren voorhield hoe deze oorlog zegevierend kon worden beëindigd, was ter andere zijde generaal Dayan allang ervan overtuigd dat hij het bij het rechte eind had: zelfbewuster dan ooit merkte hij op, met gepaste trots, dat „het eerder een raid dan een oorlog" was. . .

Na deze openingszetten mengde zich ook de Brits-Franse expeditiemacht in de strijd. De prestaties daarvan zouden beslist geen gezichtsverlies opleveren. Integendeel zelfs, want uit militair standpunt bezien verliep alles geheel in overeenstemming met de plannen. De leiding werkte doeltreffend en goed en ageerde zeer flexibel; de uitvoering van de operatie mocht dan ook perfect worden genoemd. Op 5 en 6 november landden de Britten en Fransen bij Port-Saïd en Port-Fouad, en die landingen waren een volledig succes. Onder commando van de fanatieke kolonel Chateau- Jobert bewezen Massu's parachutisten weer eens te meer dat hun ieder denkbaar huzarenstuk kon worden toevertrouwd.

Wel zouden de troepen van Massu nog tot El Kantara doorstoten, maar de internationale politiek was inmiddels (te vroeg) begonnen roet in het eten te werpen. Al op 5 november om 11 uur n.m. werden Londen, Parijs en Tel-Aviv uit Moskou bij monde van Boelganin met afschrikwekkende vergeldingsmaatregelen bedreigd.

In de diplomatieke wereld gonsde het van activiteit. Op 7 november bleek overal — zij het dan op verschillende tijdstippen — het staakt-het-vuren van kracht te zijn geworden. Ben Goerion verklaarde op 9 november dat Israël bereid was zijn troepen uit de Sinaï terug te trekken maar dat de eenheden die de Gazastrook bezet hielden daar zouden blijven.

Inmiddels was Nasser tot het inzicht gekomen dat de Franse militairen geen „geparfumeerde kereltjes" waren, zoals hij hen eerder smalend had genoemd. Bovendien was hij maar al te verheugd, en misschien ook nog wel verbaasd, dat zijn achterban hem niet afdankte. Daarom koos hij op 12 november eieren voor zijn geld door akkoord te gaan met een VN-troepenmacht als bezetting van de kanaalzone. Op 15 november landde het eerste detachement daarvan — een honderdtal Deense militairen als kwartiermakers — op het vliegveld van Ismaïlia.

Generaal Keightly kreeg op 23 november opdracht alle nog in Egypte aanwezige Britse en Franse troepen terug te trekken; de laatsten verlieten Port-Saïd op 22 december 1956. Gelukkig waren de Brits-Franse verliezen niet hoog geweest, namelijk in totaal nog geen 250 man aan gesneuvelden en gewonden. Daarentegen verloren de Egyptenaren tijdens de gevechten met de Engelsen en Fransen ongeveer 5.000 man aan gesneuvelden en gewonden.

Terecht stelde generaal Beaufre vast, dat alle door de militairen behaalde successen door de politici — zij het dan noodgedwongen — werden tenietgedaan. De enerverende Suezkwestie was tevens oorzaak dat de Britse premier Sir Anthony Eden instortte; reeds op 19 november trok hij zich met ziekteverlof terug. Korte tijd later werd hij na een briljante carrière als premier opgevolgd door Harold MacMillan. De goede Frans-Israëlische betrekkingen hadden de oorlogshandelingen echter ongeschonden overleefd.

Algerije (II)

Na de beëindiging van het Egyptische avontuur kreeg de Franse legerleiding weer extra troepen vrij, die merendeels prompt naar Algerije werden overgebracht. De voorlopige Algerijnse regering van Ferhat Abbas zetelde van 1956 af in Tunesië, welk land evenals Marokko veel vluchtelingen uit Algerije opnam. Op 22 november 1957 boden Mohammed V en Bourguiba zowel Frankrijk als de Algerijnse verzetsbeweging hun goede diensten aan; een zeer te waarderen poging om het einde van de meedogenloze oorlog naderbij te brengen.

Maar niemand kon en/of wilde met het aanbod iets zinnigs ondernemen. Vooral de Frans-Tunesische betrekkingen bereikten een dieptepunt; het zinloze Franse bombardement van 8 februari op het stadje Sakiet had bijna tot oorlog met Tunesië geleid. Het bombardement, dat overigens niet het eerste was, berokkende Frankrijk vooral in de kringen van de Verenigde Naties zeer veel schade. Inderdaad hadden de Fransen het in 1958 in Algerije moeilijker dan ooit, en dat was ook op de Franse binnenlandse politiek van grote invloed. Verder maakte generaal Salan, de opperbevelhebber van de Franse strijdkrachten in Algerije, met zijn overdreven eisen de politici in Parijs uiterst prikkelbaar. Het uur van De Gaulle kwam nader.. .

In 1946 mocht De Gaulle zich dan wel uit de politiek hebben teruggetrokken, hij was veel te ambitieus om in zijn woonplaats Colombey-les-deuxÉglises als een kluizenaar te gaan leven. Ook de positie van éminence grise beviel hem allerminst. Het verwonderde werkelijk niemand toen hij in april 1947 zijn eigen politieke partij oprichte; zijn „Rassemblement du peuple francais" zou zich spoedig in een groeiende aanhang mogen verheugen. Geleidelijk zou deze RPF uitgroeien tot een beweging, die de politieke hoofdrol in Frankrijk zou kunnen gaan opeisen. Vooral in de jaren '50 zagen talrijke Franse politici en hoogwaardigheidsbekleders het als een goede zaak eerst het advies van De Gaulle in te winnen, alvorens tot handelen over te gaan.

Na de regering van Mollet, die bijna anderhalf jaar — voor de Vierde Republiek behoorlijk lang — aan de macht was geweest, kwam die van Bourgès- Maunoury. Deze bleef slechts enkele maanden premier; zijn opvolger Gaillard hield het iets langer uit.

In de eerste helft van mei 1958 was Pflimlin aan de beurt om een nieuwe regering samen te stellen. Deze regering Pflimlin was welgeteld het 25e naoorlogse kabinet en zou tevens het laatste zijn van de Vierde Republiek, omdat daarna De Gaulle de heerschappij zou gaan voeren volgens zijn eigen opvattingen.

Zo kon de balans worden opgemaakt: tussen het einde van 1945 en het begin van juni 1958 waren er 25 kabinetten geweest, geleid door achttien verschillende ministerpresidenten — te weten zeventien politici en een generaal, De Gaulle — en in die periode waren in totaal acht ministers van buitenlandse zaken opgetreden, waarvan Pineau de enige was die nooit zelf premier was geweest. Nochtans kon van enige continuïteit nauwelijks worden gesproken. De Fransen hadden van dat politieke steekspel meer dan genoeg en de van nature toch zo tolerante president Coty, die met een bittere nasmaak aan zijn eigen verkiezing terugdacht, was het eveneens beu.

In mei 1958 trachtten in Algerije de colons, ofwel „les pieds-noirs", met steun van de Franse militaire top de zaak zelf in de hand te nemen. Een „Comité de Salut public" werd opgericht; generaal Salan en zijn naaste medewerkers met inbegrip van de houwdegen generaal Massu rebelleerden openlijk. Op 13 mei was het ook in Parijs, waar het van de geruchten zinderde, tamelijk onrustig geweest.

In Parijs riep men om De Gaulle, en in Algiers werd de macht namens hem opgeëist. De Gaulle maakte bekend, dat hij de macht slechts dan zou overnemen indien deze hem zou worden aangeboden.

Op uitnodiging van president Coty vond op 15 mei een langdurig gesprek met De Gaulle plaats. Inderdaad kon deze laatste met eisen komen. Zijn voorwaarden hielden onder meer in het toekennen van meer macht aan de premier nu, en aan de president later; de beoogde hervormingen van het staatsbestel zouden door een grondwetswijziging moeten worden bewerkstelligd. In grote lijnen kon de president dat wel onderschrijven en hij belastte daarom De Gaulle met het samenstellenvan een regering van nationale eenheid.

Inmiddels was de opstand van de Fransen in Algerije al naar Corsica overgewaaid, waardoor in politiek Parijs de gemoederen tot kookhitte opliepen. President Coty deed het enige wat toen mogelijk was, namelijk De Gaulle verzoeken zich te haasten met de samenstelling van zijn équipe. Het resultaat was dat de nieuwe regering met De Gaulle als premier en Couve de Murville als minister van buitenlandse zaken al op l juni functioneerde.

Persoonlijk begaf De Gaulle zich daarop naar Algiers om te trachten de storm tot bedaren te brengen. Ook daar trad hij, als gewoonlijk, autoritair en flegmatiek op. De ontvangst, die hem ten deel viel, was overweldigend. Zijn in het openbaar uitgesproken redevoering viel in goede aarde en vooral zijn befaamde korte slotzin „je vous ai compris..." bezorgde hem eindeloze toejuichingen.

De Fransen in Algerije verkeken zich echter op de belangrijkste aangelegenheid: De Gaulle mocht dan wel begrip hebben voor hun zienswijze, zij zelf begrepen De Gaulle beslist niét. Hij had immers ook voor hen een geheel andere, nieuwe politieke aanpak in zijn gedachten en daarover had hij wijselijk met geen woord gerept. Het gevolg was dat, toen enkele Fransen in Algiers nog eens goed gingen nadenken, de geestdrift spoedig door twijfel werd vervangen, en nog vóór het einde van juni kreeg ook De Gaulle te maken met de eerste Franse oppositie uit Algiers.

Op 25 augustus gebeurde echter wat men aan de Franse kant voor onmogelijk had gehouden. Als startsein van een bijna eindeloze reeks van terreurdaden gingen in Marseille de benzineopslagplaatsen in vlammen op: de Algerijnen hadden de guerrilla naar het moederland overgebracht.

Voortaan zouden de Fransen ook in eigen huis het FLN en het ALN moeten bestrijden. De zozeer gesmade „meions" — tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog werd die denigrerende benaming door de Fransen gebruikt als aanduiding van Arabieren in het algemeen en Algerijnen in het bijzonder — hadden in belangrijke mate ertoe bijgedragen het einde van de Vierde Republiek te versnellen.

De Gaulle naar het toppunt van macht

De grote meerderheid die de grondwetswijziging op 28 september 1958 verkreeg, was voor De Gaulle een enorm succes. Op 13 oktober vaardigde hij bevelen uit die het optreden van de Franse officieren in Algerije aan banden legden: zij waren nu verplicht zich geheel van de politiek los te maken en bij overtreding zouden zij uiterst streng worden aangepakt.

Bij de verkiezingen van 30 november haalden de Gaullisten de absolute meerderheid in het huis van afgevaardigden. Op 22 december werd De Gaulle tot president van Frankrijk gekozen. René Coty droeg op 8 januari 1959 zijn ambt aan de generaal over, waardoor ook officieel een einde kwam aan de Vierde Republiek.

De periode van de Vijfde Republiek, die in feite al sinds 28 september 1958 functioneerde, was begonnen. Onder het nieuwe bewind van president De Gaulle werd Michel Debré de eerste premier.

Literatuur

P. Decoux - A la barre de l'lndochine (1940-1945). Librairie Pion, Parijs (l949).

P. Corval — Le Maroc en révolution. Bibliothèque de l'Homme d'Action, Parijs (1956).

G. Grandval — Ma Mission au Maroc. Libr. Pion, Parijs (1956).

M. en S. Bromberger — Les secrets de l'expédition d'Égypte. Éd. des 4 Fils Aymon, Parijs (1957).

D. Pado — 13 mai. Hisloire secrète d'une révolution. Éd. de Paris, Parijs (1958).

R. Stéphane — La Tunisie de Bourguiba. Libr. Pion, Parijs (1958).

G. Catroux — Deux actes du drame Indochinois. Libr. Éd. de Minuit, Parijs (1964).

Pion, Parijs (1959). M. Bar-Zohar - Suez ultra-secret. Éd. Fayard, ParijsM. Déon — L'Armée de l'Algérie et la pacification. Libr. (1964).

Pion, Parijs (1959). Vo Nguyen Giap — Dien Bien Phu. Foreign LanguagesJ. R. Tournoux — L'Histoire secrète. Libr. Pion, Parijs Publ. House, Hanoi (1964). (1962). J. Lacoutre - Ho Chi Minh. Ëditions du Seuil, Parijs

Hocine Aït Ahmed — La Guerre et l'Après-Guerre. Les (1967).

oorspronkelijk verschenen in Militaire Spectator 1981 pagina 71 t/m 86

zie verder deel 4De Vijfde Republiek