We hebben 325 gasten online

De Vijfde Republiek

Gepost in Frankrijk

De gaulle versus de OAS

 

 

 

De Vijfde Republiek

 

Het hedendaagse Frankrijk: een welvarende, goed geleide technocratie

 

H. Tooren vliet

 

publicist

 

Als gevolg van de aanvaarding van de nieuwe grondwet op 28 september 1958, was de zeggenschap van het parlement sterk beknot en waren de bevoegdheden van de president aanzienlijk vergroot. Derhalve kon generaal De Gaulle als president beschikken over veel meer macht dan zijn voorgangers. Dat kwam zijn activiteiten ten goede. Toch ging zijn pad niet steeds over rozen. Vele malen zou ook hij stuiten op verzet en oppositie.

Aan doortastendheid ontbrak het hem allerminst. Voor de meeste problemen had hij zijn specifieke oplossing al pasklaar, en waar dat niet het geval mocht zijn werd er prompt een gemaakt. Bovendien ontpopte premier Debré zich als een voortreffelijk uitvoerder.

De forse devaluatie van de Franse franc, op 27 december 1958, werd een jaar later gevolgd door een volledige geldsanering. Op l januari 1960 was de invoering van de nieuwe, nu harde franc een feit.

In 1959 werd de sinds 1946 bestaande Franse Unie opgeheven en vervangen door de „Franse Gemeenschap op basis van vrijwilligheid". Vrijwel tegelijkertijd verleende Parijs aan Algerije het recht op zelfbeschikking. Desondanks zou de oorlog toch nog enkele jaren voortduren.

Beëindiging van de Frans-Algerijnse Oorlog

De terugroeping van generaal Massu, de gevierde parachutistencommandant, naar Frankrijk waar hij vervolgens zou worden weggepromoveerd als gouverneur van Metz, was een van de oorzaken van het uitbreken van de Barricadenopstand van januari 1960. Deze mislukte echter geheel. Veel gevaarlijker daarentegen was de militaire rebellie van 21 april 1961.

de gaulle als overwinnaar

Deze opstand werd aangevoerd door de generaals Salan en Jouhaud, terwijl tevens de generaals Challe en Zeiler een rol van belang vervulden. De talrijke parachutisteneenheden vormden de ruggegraat van de opstand. Het gros van de andere troepen, vooral die waarvan de hoofdmoot bestond uit Franse dienstplichtigen, bleef gezagsgetrouw; hun commandanten namen een afwachtende houding aan en vermeden aanvankelijk het ondernemen van tegenacties zoveel mogelijk.

Vanzelfsprekend zagen de Franse kolonisten de opstand als het laatste redmiddel voor het behoud van een Algerije als integraal deel van het moederland. Voor de militante leden van de voor Parijs zo gevaarlijke OAS (Organisation de l'Armée Secrète) betekende dat openlijke verzet slechts koren op de molen. Maar ook deze opstand zou uiteindelijk vastlopen, het raderwerk van de evolutie kon niet meer worden stopgezet.

En plotsklaps was er voor de Franse kolonisten nog maar één mogelijkheid: de weg terug. . . Vele topmilitairen werden berecht, ook Salan, de meest gedecoreerde officier van de Franse landmacht. De straffen waren verre van mals, al werden ook sommige vonnissen verzacht. Later zou blijken dat het merendeel van de opgelegde straffen slechts gedeeltelijk werd ondergaan.

De gaulle 's belofte aan algerije

Voor alles wilde De Gaulle een einde aan de oorlog maken. Hij maakte zich overigens weinig zorgen, overtuigd als hij was dat het onafhankelijke Algerije ondanks het bezit van olie en aardgas toch in de toekomst genoodzaakt zou zijn terug te grijpen op de Franse technische know-how.

Zowel in Frankrijk en Algerije als op neutraal terrein hadden al vele besprekingen en onderhandelingen plaatsgevonden die echter geen concrete resultaten opleverden. Op de Conferentie van Evian werden deze wel geboekt. In dit befaamde vakantieoord werd op 18 maart 1962 een veelomvattend Frans-Algerijns akkoord getekend.

Op l juli kwam aan de in vele opzichten zo afschuwelijke oorlog een einde. Op 3 juli werd de Algerijnse onafhankelijkheid door Parijs erkend. Alleeen Mers-el-Kébir zou voorlopig nog in Franse handen blijven; pas in 1968 zou ook deze oorlogshaven worden overgedragen.

Op 15 augustus 1962 sloot Algerije zich aan bij de Arabische Liga. Op 26 september benoemden de leden van de Algerijnse Nationale Vergadering Ahmed Ben-Bella tot premier. De Verenigde Naties lieten het land als lid toe op 4 oktober. Een volksreferendum op 8 september 1963 verschafte de nieuwe Algerijnse grondwet de vereiste meerderheid en een week later werd Ben-Bella tot president van de republiek gekozen.

Het vertrek van de meeste Fransen liet echter wel een leegte achter, die zich vooral in het bestuursapparaat openbaarde. Verder barstte de tot nu toe sluimerende strijd om de macht in alle hevigheid los. Op 19 juni 1965 deed kolonel Boumedienne een geslaagde greep naar de macht. Ben-Bella werd onder zware bewaking geïnterneerd; pas na de dood van Boumedienne verbeterden zijn levensomstandigheden en op 31 oktober 1980 werd hij in vrijheid gesteld.

Spoedig zou blijken, dat de op 14 februari 1963 in Rabat gestichte politieke unie van Marokko, Tunesië en Algerije veel te lichtzinnig was opgezet en derhalve geen enkele levensvatbaarheid bezat.

Oud systeem in nieuwe vorm

Intussen hadden vele andere Franse koloniën in Afrika omstreeks 1960 hun onafhankelijkheid weten te verwerven. Tot deze groep behoorden onder meer Dahomey, de Franse Kongo (Brazzaville), de Ivoorkust, Gabon, Kameroen, Mauretanië, Mali, Senegal, Togo, Tsjaad en Madagascar.

Parijs stelde veel in het werk om te bereiken, dat de verkregen onafhankelijkheid niet tevens het slaken van alle banden zou veroorzaken. Over het algemeen werd het Franse aanbod inzake technische, geldelijke en militaire adviezen en/of hulpverlening naar waarde geschat.

Het aantal afwijzingen, zoals bij voorbeeld door Frans-Guinea, bleef tot een minimum beperkt. De opvallende stijging van het aantal in het vroegere moederland studerende Afrikanen sprak boekdelen. Wel pasten de Fransen een zekere selectie toe, maar de uitverkorenen werden geheel in de watten gelegd. Niet alleen konden zij zich de nodige kennis verwerven, maar bovendien stelde een royaal zakgeld de studenten in staat zich het aangename Franse leefpatroon eigen te maken. Zo kweekte Parijs een nieuwe generatie van pro-Franse Afrikaanse regenten.

De jaren '70 bewezen, dat het gemoderniseerde systeem de daarvan verwachte resultaten ruimschoots had opgeleverd.

Frans-Duitse verzoening én vriendschap

Behalve het einde van de oorlog met Algerije bracht 1962 nog meer. Door middel van een referendum met positieve uitslag werd bepaald, dat de president van de Franse republiek direct door het volk zou worden gekozen. Het geheel, waarop het staatsbestel van de Vijfde Republiek berustte, was eindelijk afgerond. Het sein voor de oprichting van de Force de frappe stond al geruime tijd op groen. Georges Pompidou was de nieuwe premier. Aan de zowel door Parijs als Bonn gewenste normalisering en verbetering van de wederzijdse betrekkingen werd naarstig gewerkt.

Bijna zou men kunnen denken dat ook in de Bondsrepubliek talrijke Gaullisten rondliepen en van deze groep was zonder meer de bondskanselier Konrad Adenauer de grote promotor. Over en weer werden staatsbezoeken afgelegd; vooral het bezoek van De Gaulle aan de Bondsrepubliek wekte veel geestdrift op en was een enorm succes.

de gaulle en adenauer

Op 22 januari 1963 werd in Parijs het Frans-Duitse Samenwerkingsverdrag gesloten. Deze overeenkomst maakte een samenwerking in algemene zin mogelijk; beide partners hadden de militaire sector niet over het hoofd gezien. De Bondskanselier, die zich voor het bereiken van dit resultaat enorm had ingezet, zag in het verdrag de bekroning van de onder zijn leiding gevoerde buitenlandse politiek. Vrijwel onmiddellijk werd met de uitwisseling van leerkrachten bij het militaire onderwijs een begin gemaakt.

Nadat in 1966 de banden van Frankrijk met de NAVO losser waren geworden, bleef wel het uit drie pantserdivisies bestaande Franse Tweede Legerkorps — als resultaat van een bilaterale overeenkomst tussen Bonn en Parijs - in de Bondsrepubliek gelegerd.

Force de frappe

Vanzelfsprekend was het in de eerste plaats De Gaulle geweest, die een dergelijke afweerkracht voor Frankrijk absoluut noodzakelijk achtte. De technische en praktische uitvoering van het project was in handen gelegd van generaal Charles Ailleret. Deze wierp zich met de leden van zijn uitgelezen staf met veel elan op de realisering van de toch zo hoog gegrepen plannen. Het nieuwe krijgsmachtonderdeel naderde zijn voltooiing in de loop van 1967. Zestig gevechtstoestellen van het toen zo voortreffelijke type Mirage IV, die moeiteloos de A-bom konden vervoeren, maakten deel ervan uit. De met zorg uitgezochte en goed getrainde piloten waren paraat.

force de frappe francaise

Bij het project was ook de maritieme sector betrokken. De atoomonderzeeboten Redoutable en Terrible liepen in 1967 van stapel. Uiteraard werden zij uitgerust met afvuurinrichtingen voor lange-afstandsrakketten en zij werden in 1970 in dienst gesteld.

Door de opbouw van de nucleaire afweermiddelen beschikten zowel de Franse wapen- als de vliegtuigindustrie over een know-how van topniveau. Logischerwijze trok deze positie talrijke buitenlandse afnemers aan. En praktisch iedereen met een goedgevulde buidel was, en is nog, op de Franse markt welkom. Een systeem, dat wel veel in evenwicht kan houden doch tevens evenveel grote politieke risico's kan brengen.

Nochtans ondervond tijdens het bewind van De Gaulle de economie nauwelijks stagnatie; zienderogen nam de welvaart toe. Een gunstige situatie waarvan iedereen kon meeprofiteren.

Andere internationale facetten

Het nauw aanhalen van de banden met Bonn betekende niet dat Parijs geen andere ambities op het internationale vlak meer zou bezitten. Het tegendeel werd bewezen door de intensiteit waarmee het wereldgebeuren nauwgezet werd gevolgd. Elke mogelijkheid ter versterking van de internationale positie benevens de uitbreiding van de eigen export werden met twee handen aangegrepen en benut.

Zo erkende Parijs de Chinese Volksrepubliek op 27 januari 1964, en vooral de zakelijke betrekkingen met de landen van de Arabische Liga zouden zich in een hoog tempo gaan ontwikkelen. Natuurlijk was dat van invloed op de betrekkingen met anderen. Elke verbetering van de verhouding tot de Arabische landen hield een verslechtering in van die met Israël. Van tijd tot tijd had De Gaulle Israëlische prominenten persoonlijk gewaarschuwd; in de internationale politiek zijn immers goede betrekkingen vrijwel nooit van lange duur. Dat nam niet weg, dat de Frans-Israëlische banden in 1964 toch nog hecht waren. Een van de laatste der vele bezoeken, die over en weer plaatsvonden, was dat van de opperbevelhebber van de Israëlische luchtmacht generaal Ezer Weizman in januari 1964 aan zijn Franse collega generaal Martin. Gerustgesteld en wel aanvaardde Weizman de terugreis naar Tel-Aviv. De Israëlische regering was buitengewoon ingenomen met de Force de frappe in wording; zij koesterde nog steeds de hoop, dat de eventuele aanwezigheid van een aantal vliegtuigen van het geduchte type Mirage IV in Djiboeti te zijner tijd de Egyptenaren van militaire avonturen zou weerhouden.

Maar de indirect door De Gaulle al aangekondigde kentering kwam spoedig, voor Tel-Aviv zelfs veel te snel. Nog voor het uitbreken van de oorlog van juni 1967, waarin Israël zowel Egypte als Jordanië en Syrië verpletterend zou verslaan, was van de Frans-Israëlische economische en militaire samenwerking vrijwel niets meer over.

Wel werd bij het uitbreken van dat conflict op de valreep nog een Franse zending onontbeerlijke reserveonderdelen aan de Israëlische strijdkrachten toegespeeld; het materieel werd gehaald en gebracht door derden. Na het behalen van hun enorme zegepraal tilden de Israëli's niet al te zwaar aan deze gang van zaken. Wel ging in Tel- Aviv het wrange grapje van mond tot mond dat de Israëli's al blij mochten zijn dat De Gaulle hun niet zijn legendarische ,,je vous ai compris" had toegevoegd.

De stilte voor de storm

In 1965 beschikte De Gaulle nog over een comfortabele meerderheid in de volksvertegenwoordiging, maar toch ontstond er tegen zijn in veler ogen zo autoritaire optreden verzet, dat aanvankelijk nauwelijks het voetlicht haalde. De grote klap viel in mei 1968, toen ernstige arbeidsonlusten ontstonden die spoedig in massale stakingen uitliepen. Deze vielen samen met een ongewoon gevaarlijke studentenrevolte. Wel was premier Pompidou in staat op 27 mei een akkoord met de vakbeweging te sluiten, maar De Gaulle durfde pas risico's te nemen nadat hij in Baden-Baden een belangrijk en langdurig gesprek had gevoerd met generaal Massu, die toen in Duitsland het opperbevel voerde over het Tweede Legerkorps. Massu zegde De Gaulle zijn volledige steun toe; in geval van nood zou hij naar Parijs doen opmarcheren.

De president ontbond het parlement en liet nieuwe verkiezingen uitschrijven, die hem in juni de absolute meerderheid opleverden. Daarna benoemde hij Couve de Murville, die jarenlang eenmgoede minister van buitenlandse zaken was geweest, tot premier. Op 28 april 1969 werd wederom een referendum gehouden. Het ging om een grondwetswijziging, maar De Gaulle deelde van tevoren mee dat hij een eventuele afwijzing als een motie van wantrouwen zou beschouwen.

Aangezien de kiezers de grondwetsherziening toch afwezen, trad De Gaulle prompt af.

president geroge pompidou

Pompidou werd op 15 juni tot president van de republiek gekozen, waarna hij Chaban-Delmas tot premier benoemde. Op 8 augustus besloot de nieuwe regering te devalueren om zo de Franse concurrentiemogelijkheden in de exportsector te bevorderen.

Het Frankrijk van nu

Hij die bij het wel en wee van zijn land zo lang en zo intens was betrokken geweest, generaal De Gaulle, overleed op 9 november 1970. Zijn laatste teleurstelling had hij moeilijk kunnen verkroppen, hetgeen misschien zijn heengaan heeft versneld.

Pompidou zou echter zijn beleidslijnen voortzetten en dat ging de vroegere bankier van het huis Rothschild gemakkelijk af. In de internationale politiek bleef Parijs een grote rol spelen. Talrijke figuren van wereldformaat bezochten de Franse hoofdstad en met de aldaar gehanteerde zienswijze werd terdege rekening gehouden.

In 1971 waren in Parijs onder anderen te gast de regeringsleiders van EngelanH en de Sovjet- Unie; Heath in mei en Brezjnjev in oktober. In het algemeen werd Frankrijk als een goed geoliede technocratie beschouwd; voor het Franse systeem had men alom bewondering. Pompidou, die zichzelf nooit had gespaard, was tegen het einde van 1973 al door de doktoren opgegeven. Hij overleed op 2 april 1974. De voorzitter van de Nationale Vergadering, Alain Poher, trad daarna op als president ad interim.

president giscard destaing

Met ingang van 19 mei 1974 begon de ambtsperiode van president Valéry Giscard d'Estaing. Deze had als minister zijn bekwaamheden in de economische en monetaire sectoren ruimschoots bewezen. Hoewel hij als onafhankelijke republikein niet tot de Gaullisten behoort, kan hij wel worden beschouwd als hun directe geestverwant.

Op zijn eigen wijze deed en doet hij er alles aan de beleidslijnen van De Gaulle en van Pompidou verder door te trekken. Zijn zienswijze laat zich goed enten op het bestaande staatsbestel. Vooral in vergelijking tot Pompidou is Giscard d'Estaing beslist minder neutralistisch ingesteld.

De burgemeester van Parijs, Jacques Chirac, een Gaullist van het zuiverste water, werd de eerste premier onder de nieuwe president. Die bracht in april 1975 als eerste Franse president een bezoek aan het onafhankelijke Algerije en voldeed daar aan het verzoek van president Boumedienne, de Franse technische steun aan diens land aanzienlijk te vergroten. Daarmee werd tevens De Gaulle's destijdse overtuiging bevestigd.

Zonder dat het karakter van de Franse politiek geweld werd aangedaan, bleven, ondanks de vele verschillen van inzicht, de betrekkingen tussen Parijs en Washington toch op een redelijk niveau. De algemene verwachting is, dat de Franse betrekkingen met Amerika in de ambtsperiode van president Reagan nog aanzienlijk zullen verbeteren.

Evenmin werden de contacten met de Russen verwaarloosd, want elke mogelijkheid voor een gesprek met Moskou werd door de Fransen aangegrepen. Verder kostte het Parijs geen moeite, de goede en openhartige betrekkingen met Bonn te handhaven.

Op basis van vrijwilligheid

Tegen de algemene verwachtingen in blijken de banden van Parijs met de regeringen van het merendeel van de voormalige Franse koloniën in Afrika, die hun onafhankelijkheid al jaren geleden verwierven, zeer nauw te zijn. Reeds in de tweede helft van de jaren '60 hadden verscheidene van die nieuwe Afrikaanse staten de mogelijkheid desgewenst terug te vallen op enigerlei vorm van Franse steun. Dat gold tevens voor de militaire sector.

De Franse aanwezigheid in deze gebieden waar Franse militaire adviseurs en desnoods Franse militaire eenheden uitsluitend optreden op verzoek van het bevoegde gezag — kan zonder meer worden beschouwd als een belangrijk tegenwicht tegenover de aanwezigheid van de Cubanen in tal van andere Afrikaanse staten. Vooral de in Senegal (Dakar!) Madagascar en Djiboeti gestationeerde Franse eenheden zouden wel eens van essentieel belang kunnen zijn voor de bescherming van de Westerse strategische verbindingslijnen.

In Senegal, waarmee Frankrijk zelfs historische militaire banden heeft, zijn 1200 man Franse troepen gelegerd, en in Djiboeti onderhoudt Parijs een garnizoen van bijna 4200 man. De Franse generale staf weet inderdaad heel goed hóe de verbindingslijnen lopen en waar de knelpunten liggen!

Het samenspel van Frankrijk met de zo talrijke partners deed het nieuwe Franse Gemenebest op vrijwillige basis vrijwel geruisloos tot stand komen. Het moderne en eindeloze geredetwist over kleinigheden, waarbij het hoofdoel wordt vergeten, laat Parijs liever aan anderen over.

Na het uitbreken van de oorlog tussen Irak en Iran onderkenden de Fransen onmiddellijk de importantie van de vrije doorvaart in de Perzische Golf. In oktober en november 1980 concentreerden zij daar een twintigtal moderne oorlogsschepen. Aan westelijke zijde werd deze Franse maritieme inspanning slechts door de Amerikaanse overtroffen.

Vooral Washington had Parijs dikwijls van opportunisme beschuldigd. Dit Franse maritieme optreden kon evenwel nooit worden aangemerkt als een in de kaart van Moskou spelen. Integendeel, want voor het zo aarzelende ageren van het Amerika onder president Carter betekende het immers een broodnodige ruggesteun.

Toch houdt Parijs altijd rekening met twee niet te verwaarlozen factoren. Uit historische overwegingen - van oudsher noopte een mogelijke Duitse agressie Rusland en Frankrijk tot een bondgenootschappelijk optreden -- is de doorsnee- Fransman stellig niet anti-Russisch en bij verkiezingen voor de volksvertegenwoordiging stemt vrijwel steeds 15 a 20% van het Franse electoraat op de communistische partij.

Eigen strijdmacht en wapenexport

Giscard d'Estaing verklaarde in 1976 dat Parijs stringent zou vasthouden aan het bezit van een eigen atomair afschrikkingsapparaat. De Fransen gaven in 1979 duidelijk te kennen, dat zij hun nucleaire macht geheel zouden vernieuwen en tevens nog enigszins zouden uitbreiden. Daarbij zou worden nagestreefd kwalitatief het Amerikaanse en Russische niveau te evenaren.

Mede als gevolg van de zeer grote winsten van de Franse wapenindustrie en vliegtuigbouw uit buitenlandse opdrachten, waren Parijs' plannen te verwezenlijken; reeds in 1974 stelde de directie van Dassault met gepaste trots vast dat, behalve de Fransen, de militaire vliegers van negentien andere landen met Mirages vlogen. In september 1977 wisten de Fransen een enorme order in de wacht te slepen, een contract voor de levering van oorlogsmaterieel voor de landmacht en de luchtmacht van Saoedi-Arabië ter waarde van zes miljard gulden. Een klein gedeelte van deze gigantische opdracht was bestemd voor de strijdkrachten van Koeweit, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten. Deze order door velen „het contract van de eeuw" genoemd - werd in oktober 1980 overtroffen door een pakket opdrachten van Saoedi-Arabië ter waarde van zeven miljard gulden. Daarbij kwam nog een bestelling vanuit Qatar voor een bedrag van 750 miljoen gulden.

Het maritieme element speelde daarin een grote rol. Zo bestelde Saoedi-Arabië onder meer vier fregatten en twee grote bevoorradingsschepen, en aan Qatar zullen drie van geleide wapens voorziene patrouilleboten worden geleverd. Binnen afzienbare tijd zal Saoedi- Arabië kunnen beschikken over zee- en luchtdoelraketten met een bereik van 160 km. Bovendien zullen Franse technici voor alle bijbehorende hulp zorgen.

Intussen was de Saoedische hoofdstad Riad in november 1979 opgeschrikt door de actie van circa 1500 rebellen die zich wisten te verschansen in het Islamitische heiligdom, de Grote Moskee van Mekka. De adviezen van vijf Franse offcieren én het door Frankrijk geleverde speciale materieel stelden koning Khaleds troepen in staat de opstand succesvol te beëindigen. In Riad was nu het toch al zo grote Franse prestige nog aanzienlijk toegenomen. In Parijs was men bijna vergeten ooit de bondgenoot van Israël te zijn geweest.

Vermeldenswaard is nog, dat in 1979 in Franse regeringskringen plannen circuleerden voor een Frans-Duitse militaire integratie. Bij verwezenlijking zou echter de Bondsrepubliek als een nucleaire mogendheid kunnen worden beschouwd. In Bonn werd terdege begrepen dat een dergelijke situatie voor Moskou onaanvaardbaar zou zijn. De gesprekken over deze aangelegenheid verzandden en tot opluchting van velen werden daarna de plannen in de poltieke ijskast weggeborgen.

Onder het bewind van Giscard d'Estaing is de positie van Frankrijk als grote mogendheid niet alleen geconsolideerd doch tevens onaantastbaar geworden. Reeds in 1976 werd aangekondigd, dat Frankrijk wel eens de derde plaats op de commerciële wereldranglijst zou kunnen gaan innemen, en ondanks de economische crisis werd deze positie in 1980 met vlag en wimpel bereikt.

Ter afsluiting van dit in januari 1981 op schrift gestelde overzicht dienen enkele van de laatste gebeurtenissen in Afrika te worden vermeld. Hoewel de gevolgen nog niet zijn te overzien, was het militaire ingrijpen van Libië in Tsjaad de oorzaak van een aanzienlijk Frans gezichtsverlies. De Franse militaire afwezigheid in Tsjaad bezorgde ernstige bedenkingen ten opzichte van hun toekomst bij talrijke Afrikaanse machthebbers, die in volledig vertrouwen meenden de kaart van Parijs te kunnen spelen. Zelfs het zo zorgvuldig opgebouwde nieuwe Franse Gemenebest kwam daardoor op de tocht te staan.

Ongetwijfeld zullen de vasthoudende en intelligente Fransen alles ondernemen om het geschokte vertrouwen geheel te herstellen. Met het oog op de nabije presidentsverkiezingen zal Parijs niet aarzelen zelfs de handelsbelangen even naar het tweede plan te verwijzen.

Literatuur

G. Perruult — Les Parachutisles. Éditions du Seuil, Parijs (19610.

R. Aron - De üaulle, Israël et les Juifs, Librairie Pion,

P. Mendès-France — Pour preparer l'avenir. Ëditions Denoël, Parijs (1968).

A. Horne - A sa va ge war of peat-e (A/geria 1V54-1962).

MacMillan London Ltd. Londen (1977).

Militaire Spectator 1981 pagina 161 t/m 166

Zie verder deel 5 Frankrijk onder Mitterand