We hebben 157 gasten online

Frankrijk onder Mitterand

Gepost in Frankrijk

Staatshoofden Frankrijk

Het hedendaagse Frankrijk (1981)

H. Toorenvliet

publicist

president fransois mitterand

President Franacois Mitterand 1916-1996

Op 10 mei 1981 kozen de Franse kiezers Franc, ois Mitterrand tot president van de republiek. Zijn plechtige inhuldiging vond elf dagen later plaats. In vroeger dagen hadden Mitterrand en zijn geestverwanten het instituut van de Vijfde Republiek vele malen aangevochten. De Grondwet van 28 september 1958 had immers de zeggenschap van het parlement sterk beknot, terwijl de bevoegdheden van de president aanzienlijk waren vergroot. Maar juist dank zij het bestaande stelsel kwam ook Mitterrand aan de macht. Daarna besefte hij terdege, dat het zo dikwijls bekritiseerde bestel ook hem op het lijf was geschreven. Bovendien leverden de door de nieuwe president uitgeschreven parlementsverkiezingen zijn socialistische partij de absolute meerderheid op.

Op 14 juni werd in de eerste ronde bijna 38% en op 21 juni in de tweede ronde 49% van het totale stemmenaantal behaald. Vertaald door het kiesstelsel van de Vijfde Republiek was de uitslag: de verwerving van 285 van de in totaal 491 te verdelen zetels. Met de van 86 op 44 teruggevallen zetels van de communisten benevens de 3 door onafhankelijke socialisten bezette zetel was de linkse meerderheid in de volksvertegenwoordiging tot 333 zetels gegroeid.

Het was bijzonder opvallend dat zowel Pierre Mauroy, de premier van het overgangskabinet en opvolger van Raymond Barre, als de andere socialistische ministers van dat kabinet allen een zetel in het parlement hadden verworven. Derhalve konden Mitterrand en Mauroy de uitslag van de parlementsverkiezingen beschouwen als een hen door het volk verleende dubbele motie van vertrouwen. Vrijwel niets zou de verwezenlijking van het presidentiële verkiezingsprogramma meer in de weg kunnen staan.

Ten overvloede gaven beide leiders nogmaals blijk van hun oprechte voornemens zich precies aan hun verkiezingsbeloften te houden; hun rustige en zelfverzekerde houding maakte een gunstige indruk. En spoedig bleek inderdaad, dat gedegenheid, kalmte en realiteitszin de voorkeur genoten; voor doordrammers en stokpaardjesberijders werd geen plaats ingeruimd.

Verder was voor het nieuwe regime typerend dat vele beslissingen door een onmiskenbare symboliek werden gekenmerkt. Deze neiging kwam vooral tot uiting bij de benoeming van de vijf ministers van staat in het tweede kabinet Mauroy; uit de vastgestelde volgorde kon hun belangrijkheid precies worden afgelezen. Tot eerste minister van staat werd de minister van binnenlandse zaken en decentralisatie Gaston Defferre benoemd. De uitgesproken gematigde socialist Defferre had zijn goede bestuurstalenten ruimschoots aangetoond tijdens zijn twintigjarige burgemeesterschap in Marseille, de stad die als een van de woeligste van Frankrijk bekend staat. Verder werden benoemd de ministers van buitenlandse handel Jobert (democraat), van transport Fiterman (communist), van planzaken Michel Rocard (socialist) en van technologie Jean-Pierre Chevènement (marxistisch socialist) tot respectievelijk tweede, derde, vierde en vijfde minister van staat.

Mitterrands toestemming aan Mauroy, vier communisten in zijn équipe op te nemen, kwam in de eerste plaats voort uit dankbaarheid voor de tijdens de verkiezingen door de communisten verleende steun. Overigens werd deze beslissing zeer genuanceerd beoordeeld. Voor velen was het een onverteerbare zaak, terwijl vele anderen het als een wijs besluit beschouwden. In werkelijkheid werden echter de door de verkiezingsuitslagen toch al zo gedeprimeerde communisten vrijwel monddood gemaakt, terwijl de grootste en communistisch georiënteerde vakbond zich verplichtte zoveel mogelijk in het gareel te lopen. Aan de drie overige communisten werden ministeries van minder belang toebedeeld:Anicet Le Pors verkreeg overheidsdiensten en ambtelijke hervorming. Rigout beroepsopleidingen en Ralite gezondheidszorg. Deze ministers zullen nooit worden betrokken bij defensieaangelegenheden. aangezien die uitsluitend door de zeer geheime defensieraad worden behandeld. In dit verband dient toch een vraagteken te worden geplaatst en wel bij Fitermans beheer over het ministerie van transport. Transport en militaire zaken hebben immers raakvlakken te over.

De binnenlandse politiek

De eerste besluiten die door het nieuwe regime werden afgekondigd, betroffen de sociale sector. Eerst werd het minimumloon opgetrokken en prompt daarna kwamen de bijstelling van de kinderbijslag en de verhoging van de ouderdomspensioenen aan de beurt. Deze besluiten vonden uiteraard weerklank in brede lagen van de bevolking.

De hoogste prioriteit geeft de regering Mauroy aan de bestrijding van de werkloosheid. De beteugeling van de inflatie raakte daardoor op het tweede plan; al in juli legde de regering zich neer bij de voor het lopende jaar voorspelde inflatie van 141. Het vraagstuk van de werkloosheid dacht de regering te kunnen aanpakken door middel van een werktijdverkorting, die gepaard moet gaan met opvoering van de produktiviteit.

Via de 39-urige en de 38-urige werkweek hoopt men te zijner tijd voor alle werknemers de 35-urige werkweek te bereiken. In verband met de gewenste produktiviteitsverhoging zal eventueel met schema's worden gewerkt, die desgewenst arbeid tijdens de weekeinden omvatten.

In tegenstelling tot eerdere berichten, die het teruglopen van de werkloosheid met 1% per maand aangaven, bleek in het begin van november het aantal werklozen tot het recordaantal van ruim twee miljoen te zijn gestegen; van de beroepsbevolking was derhalve 8,8% zonder werk. De socialistische minister van sociale zaken Jean Auroux slaakte de verzuchting, dat die toeneming niet aan de regering kon worden verweten. Reeds enkele dagen later werd in Parijs bekendgemaakt, dat de regering noodgedwongen de sociale lasten op korte termijn zou moeten optrekken.

Verder maakte Parijs op 19 november bekend dat de regering niet zal aarzelen een aantal sociale maatregelen per decreet door te drukken. Het regeren per decreet — dus zonder de goedkeuring van het parlement te hebben verkregen - is mogelijk door toepassing van artikel 38 van de Grondwet. De huidige noodsituatie werd veroorzaakt door het opnieuw (doch voor de eerste keer tijdens het nieuwe bewind) ontstaan van een miljardentekort bij de „sécurité nationale".

Mitterrands vroegere verklaring, dat zijn regering zich nooit aan machtsmisbruik schuldig zou maken, kwam daardoor toch enigszins op de tocht te staan. De nationaliseringsplannen van de regering waren al in het begin van juli openbaar gemaakt. Daarbij waren onder meer betrokken het banken kredietwezen, de wapen-, vliegtuig- en autoindustrieën, de bouwsector, de chemische giganten, enz.

Toch was dat streven niets nieuws, aangezien zelfs in 1945 al met enkele nationalisaties was begonnen. Maar ook voor het nieuwe bewind blijft het gevoeligste onderwerp de regelingen die zullen moeten worden getroffen met de ondernemingen waarin buitenlands kapitaal is geïnvesteerd. Hoewel het nodige al was verricht en geregeld, wordt algemeen aangenomen dat ook nu de soep niet direct na het opdienen zal worden verorberd. Grote haast zal zeker niet worden betracht en meestal wordt geopereerd met de fluwelen handschoenen aan, redenen waarom de regering hoopt te kunnen rekenen op de medewerking van de betrokkenen.

Aan kleine bedrijven werd verlichting van sociale lasten toegezegd, een belofte waaraan men zich angstvallig houdt. Met harde hand werden door de minister van financiën en economische zaken Jacques Delors de vier beruchte broers Willot aangepakt. De Willots werden vroeger als oppermachtig en onaantastbaar beschouwd. Delors' actie werd door de openbare mening terecht als een daad van moed beschouwd.

Verder werd het Franse belastingstelsel sterk gewijzigd en gemoderniseerd; zo werd in september de invoering van de vermogensbelasting een feit. Van het begin van oktober af vallen alle goudtransacties onder de controle van de staat. De door de regering beoogde belastingen op de kunsthandel werden door persoonlijk ingrijpen van Mitterrand aanzienlijk verzacht.

Onder leiding van Defferre werd begonnen aan de decentralisatie van het regeringsapparaat. De macht van de ministeries zal gedeeltelijk worden overgeheveld naar regionale (door het volk te kiezen departementale en gemeente-) raden. Het eens zo machtige prefecteninstituut zal worden opgeheven. In de toekomst zal de staat de financiële controle achteraf in plaats van vooraf uitoefenen.

Voor Corsica zal een speciale regeling worden getroffen: een statuut, dat het eiland lokale autonomie verschaft. Het socialistische Frankrijk zal tevens in een vrijwel federale republiek veanderen.

Een derde deel van de landbouwgebieden van de bij de EG aangesloten landen bevindt zich op Frans grondgebied, maar op grond van de gesloten overeenkomsten mogen de Fransen slechts een kwart van de totale produktie der EG-landen op de markt brengen. Dat wordt door Parijs nog steeds als een onrechtvaardigheid beschouwd. Mauroy en de zijnen zullen niets nalaten om in deze aangelegenheid een voor Frankrijk gunstige wijziging te verkrijgen.

De Franse defensiepolitiek blijft zonder meer ongewijzigd. De eigen „Force de frappe" zal worden aangehouden; aan de lopende vernieuwingen en uitbreidingen zal geen strobreed in de weg worden gelegd. Van defaitisme is in Frankrijk nauwelijks sprake; de in dit land zo sterk aanwezige nostalgie naar de militaire roem vanvroeger krijgt ook nu nog het volle pond. Derhalve werd de beslissing van de minister van defensie Hernu, met ingang van 14 j u l i jl. bij het graf van de Onbekende Soldaat een permanente erewacht te plaatsen, met algemene instemming begroet.

De buitenlandse politiek

Vóór de zege van Mitterrand hadden Washington en Moskou laten doorschemeren aan een herverkiezing van Giscard d'Estaing de voorkeur te geven; na de presidentswisseling stelden zowel Brezjnjev als Reagan zich argwanend op. Maar Mitterrand liet er geen gras over groeien en gaf nu ook als president van zijn gezindheid blijk ; zijn inzichten waren ongewijzigd want hij beklemtoonde zijn anti-neutralisme en stak niet onder stoelen of banken dat hij een veel positievere opstelling ten aanzien van de NAVO heeft dan zijn voorgangers.

Verder gaf Mitterran blijk van zijn voornemen te willen optreden als bemiddelaar tussen de twee supermogendheden; een positieve gedachte, die door de president nog divere keren werd herhaald.

Het wereldkundig maken van de opname van vier communisten in het kabinet Mauroy verleidde Washington tot een onbesuisde reactie. Parijs toonde grote irritatie en zowel Mitterrand als Mauroy en de minister van buitenlandse zaken Claude Cheysson wezen de Amerikaanse kritiek hooghartig van de hand. Maar spoedig toonden de Fransen hun sportiviteit en nadat de Amerikanen enkele stappen terug hadden gedaan, werd het incident met de mantel der liefde bedekt.

Vooral voor Europa was van belang hoe in de nieuwe situatie de Duits-Franse betrekkingen zich zouden ontwikkelen. Nadat Cheysson het ijs al had gebroken, bracht Mitterrand met groot gevolg nog voor medio juli een bezoek aan Bonn. Het werd een compleet succes. Zelden werd tijdens een Frans-Duits contact op hoog niveau zoveel afgelachen. En waar gelachen wordt, daar moet de sfeer wel ontspannen zijn. Alleen in een dergelijke situatie kunnen de problemen serieus worden doorgenomen en aangepakt.

Het tweedaagse bezoek van Helmut Schmidt aan Mitterrand, dat begin oktober plaatsvond, accentueerde wederom de goede wil van beide regeringen elkaar zoveel mogelijk in de kaart te spelen.

Maar ondanks alles was toch aan de periode, dat de dienst in Europa uitsluitend door Bonn en Parijs werd uitgemaakt, een einde gekomen. Opnieuw in tegenstelling tot de ideeën van zijn voorgangers bleek Mitterrand bereid de zo koele betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk te verbeteren. Ondanks de grote verschillen in hun politieke visie konden de Britse premier Margaret Thatcher en de Franse president het goed met elkaar vinden. Na lange jaren waren begin september de Brits-Franse betrekkingen eindelijk weer op het vriendschappelijke vlak beland.

Tijdens een van zijn vele reizen bezocht Cheysson in het laatst van augustus ook de Jordaanse hoofdstad Amman. Daar verklaarde hij dat, ondanks hun onvolledigheid, de akkoorden van Camp David toch een goede aanzet tot de vrede in het Nabije Oosten waren geweest.

Vrijwel tegelijkertijd maakten Frankrijk en Mexico bekend dat zij de linkse oppositie in El Salvador officieel als een representatieve politieke macht erkenden. Dat gebaar werd hen door Washington niet in dank afgenomen.

Tijdens zijn befaamde persconferentie van eind september verklaarde Mitterrand dat de akkoorden van Camp David nieuwe impulsen behoefden: bij een verder falen zou naarstig naar andere wegen moeten worden gezocht, en daarbij werd tevens vermeld dat de voorstellen van Saoedi-Arabië — de acht punten van Fahd - stellig positieve elementen bevatten.

Op 13 oktober deden Frankrijk en Nigeria de Verenigde Staten een waarschuwing toekomen waarbij zij een eventueel gewapend optreden in samenwerking met Egypte en Soedan tegen Libië a priori veroordeelden.

Nog voor het einde van oktober bleek dat Parijs was begonnen de wettige regering van Tsjaad van wapens te voorzien. Deze Franse interventie nieuwe stijl — dus zonder werkelijk ingrijpen van Franse troepen — was de voornaamste oorzaak dat Khadafi in Tripoli besloot de ongeveer 10.000 man sterke Libische bezettingstroepen uit het buurland Tsjaad terug te trekken. Al in het begin van november ontruimden de Libische troepen de Tsjaadse hoofdstad Ndjamena.

Zowel de activiteiten van Mitterrand persoonlijk als die van de alerte minister Cheysson hadden tot gevolg dat de betrokkenheid van Parijs bij de gebeurtenissen in Afrika en Azië permanent gehandhaafd bleef. De voorlopige Franse toezegging met militaire eenheden te willen deelnemen aan de voor de Sinaï bestemde internationale vredesmacht, valt vrijwel overal in goede aarde, maar nu dringt zich prompt een. vooralsnog onbeantwoordbare. kardinale vraag op: zullen de in een geïsoleerde politieke positie verkerende Israëli's in april 1982 het laatste door hen bezette gedeelte van de Sinaï alsnog willen ontruimen?

In talrijke hoofdsteden wordt de realistische Franse buitenlandse politiek goed' beoordeeld. Moskou blijft nog enigszins sceptisch, terwijl Madrid moeilijk kan verkroppen dat Frankrijk weigert de Baskische rebellen uit te leveren. Het meest ontevreden zijn de Israëli's, die het de hun welgezinde Mitterrand hoogst kwalijk nemen dat zijn eerste bezoek aan het Nabije Oosten niet hen gold, maar Riad.

Aan de Quai d'Orsay. de vestiging van het ministerie van buitenlandse zaken welks naam is veranderd in ministerie van buitenlandse betrekkingen, deelt nu de links georiënteerde Francis Gutman als secretaris-generaal de lakens uit. Zijn benoeming bracht onder de Franse diplomatieke vertegenwoordigers nogal wat opschudding teweeg. Medio oktober werd de vervanging van onder meer enkele tientallen ambassadeurs bekendgemaakt; vooral de beroepsdiplomaten moesten het ontgelden. Gutmans harde hand werd niet alleen bekritiseerd maar ook bewonderd. Vooral de benoeming van de voormalige president-directeur van het Renaultconcern Bernard Vernier-Palliez tot ambassadeur in Washington verwierf veler instemming.

De reeds lang genationaliseerde Renaultfabrieken waren onder zijn leiding uitgegroeid tot een goed lopend en bovendien lucratief staatsbedrijf. Vernier-Palliez' voornaamste taak in Washington zal bestaan uit het op hoog niveau verstrekken van economische voorlichting. Beter dan wie ook is hij geschikt, de Amerikanen ervan te overtuigen dat zijn land in staat is naar de Verenigde Staten goede en tevens goedkope auto's te exporteren, die bovendien in kwaliteit zeker gelijkwaardig zijn aan de produkten van de Japanse markt.

Het voortbestaan van de Vijfde Republiek

Zoals zich nu — bij het schrijven van dit artikel, in het laatst van november 1981 — laat aanzien, staat de Grondwet van de Vijfde Republiek slechts één wijziging te wachten, en wel een die de ambtstermijn van de president betreft. Voorlopig wordt aan twee mogelijkheden gedacht: indien de periode van zeven jaar blijft gehandhaafd, wordt de mogelijkheid van een volgende ambtsperiode definitief uitgesloten; het alternatief luidt dat de presidentiële ambtsperiode tot vijfjaar wordt teruggebracht maar dat daarna nog een tweede en laatste ambtstermijn kan volgen. Wanneer ons tijdsbestek minder rumoerig zou zijn, zou met enige zekerheid kunnen worden voorspeld dat de Franse Vijfde Republiek nog een heel lang leven zal zijn beschoren.

Militaire Spectator 1981 pagina 67 t/m 72