We hebben 295 gasten online

Een geschiedenis van Brandenburg - Pruisen Deel 9

Gepost in Midden en Oost-Europa

Pruisen 1871-1914 B

staatsinrichting 1871 1918

Tegen de democratie

De machtigste figuur in het keizerrijk was tot 1890 niet de keizer, maar rijkskanselier Bismarck. Als kanselier van Prui­sen was hij uit de drie oorlogen gekomen als grote overwin­naar en als schepper van de Duitse eenheid. Bismarck, die van 1871 tot 1890 rijkskanselier was, beheerste in die jaren de rijksregering. Hij gaf het keizerrijk een semi-parlementaire grondwet. Het kreeg een federaal parlement, de Rijksdag, dat gekozen werd met algemeen mannenkiesrecht. De Rijksdag kreeg twee belangrijke bevoegdheden: het recht van budget en het recht wetsvoorstellen goed of af te keu­ren. Maar Duitsland werd geen parlementaire democratie. De rechten van het parlement bleven beperkt. De belangrijk­ste beperking was dat de Rijksdag geen uiterste dwangmiddel kreeg om de regering zijn wil op te leggen. Het kon de minis­ters en de rijkskanselier namelijk niet naar huis sturen. De rijkskanselier, de eerste minister werd benoemd door de kei­zer, en kon alleen door de keizer ontslagen worden. De andere ministers werden aangewezen door de rijkskanselier en waren alleen aan hem verantwoording schuldig.

Bismarck had dit half-parlementaire systeem bedacht om de bestaande politieke en maatschappelijke orde, inclusief de overheersende positie van de adel, veilig te stellen tegenover de aanspraken van de liberale oppositie. Hij was een over­tuigd tegenstander van de democratie. Hij was lid van de Pruisische adel, die de regering. het leger en het ambtenaren­apparaat beheerste. Bismarck wilde dat zo houden. Maar hij vond enkele concessies aan de liberalen onvermijdelijk, omdat hij hun steun nodig had bij de politieke eenwording van Duitsland, bij de oprichting van het keizerrijk. Daarom gaf hij het parlement invloed, maar deed verder alles om de positie van de adel te behouden. Zelfs het algemeen mannen­kiesrecht voerde hij om die reden in. In de meeste Europese landen had slechts de bezittende burgerij kiesrecht. Die bur­gerij stemde over het algemeen liberaal. Bismarck hoopte de liberalen te verzwakken door ook arme bevolkingsgroepen op het platteland kiesrecht te geven. Die stonden vaak onder gezag van de adel. De stedelijke arbeiders zouden zich later juist verzetten tegen het keizerrijk, maar in 1871 waren er nog geen grote stedelijke arbeiders­massa's. Bismarck wist niet dat dat binnen dertig jaar volko­men zou veranderen. Toch is Bismarck in zijn opzet geslaagd. 

Industrialisatie

Duitsland liep met de ontwikkeling van de economie voor 1871 achter bij Engeland en Frankrijk. Vooral Engeland had al een sterke industrie opgebouwd. Duitsland was nog een hoofdzakelijk pre-industriële samenleving, met de land­bouw als belangrijkste middel van bestaan. Bijna twee derde van de bevolking woonde op het platteland, de helft werkte in de landbouw. Na de eenwording ontwikkelde de economie zich echter razendsnel. In 1914 was Duitsland veranderd in een hoofdzakelijk industriële samenleving, met de hoogste produktie van Europa.

De industriële ontwikkeling voltrok zich in twee fases. In de eerste fase, tot 1896, beperkte Duitsland zich voornamelijk tot het inlopen van zijn achterstand. De groei deed zich vooral voor in de mijnbouw en de metaalindustrie, terreinen waarop Engeland al sterk was. De produktie richtte zich op steenkool, bruggen, locomotieven en dergelijke. Deze produkten vorm­den een basis voor verdere industriële ontwikkeling, en waren nog nauwelijks voor particuliere consumptie geschikt. Voor het grootste deel van de bevolking was deze periode een moeilijke tijd. De opbouw verliep met horten en stoten. Perio­den van groei werden onderbroken door enkele serieuze cri­ses.

De periode 1896-1914 kende een bijna onafgebroken sterke groei. Deze hoogconjunctuur was mede het gevolg van de vele innovaties. De industrie ontwikkelde een groot aantal nieuwe technieken en produkten. Er ontstonden nieuwe indus­triële sectoren, zoals de elektrotechnische en de chemische industrie. Hun produkten, zoals de gloeilamp, de telefoon en de asperine, kwamen voor een groot deel direct aan de particuliere consumenten ten goede. De welvaart steeg nu dan ook aanzienlijk. Duitsland werd in de nieuwe sectoren de onbetwiste koploper in Europa. De chemische sector werd beheerst door bedrijven als Hoechst, Bayer en BASF, in de elektrotechnische industrie deelden AEG en Siemens de lakens uit. Deze concerns konden hun positie mede verstevi­gen doordat zij met systematisch wetenschappelijk onderzoek telkens nieuwe produkten ontwikkelden en oude produkten verbeterden. De Duitse successen stimuleerden het nationalis­me.

Mede hierdoor ging Duitsland meedoen aan de imperia­listische wedloop, de strijd van de Europese landen om gebied overzee aan hun rijk toe te voegen. Daarbij speelden ook eco­nomische belangen mee. De industrie wilde verzekerd zijn van afzetmarkten en grondstoffen — bijvoorbeeld de pas ont­dekte olievelden in Irak — en drong er daarom bij de regering op aan snel invloed in Afrika en Azië te veroveren, voor Engeland en Frankrijk de wereld verdeeld hadden.

Toch werd de industrie niet in heel Duitsland overheersend. De groei vond vooral plaats in het Ruhrgebied. Ook elders, zoals rond Berlijn en in Saksen, ontstonden industriegebie­den. Maar tegelijk bleven grote delen van Duitsland agrarisch.

Dat gold zeker voor het uitgestrekte gebied ten oosten van de Elbe, waar de Junkers, de Pruisische adellijke heren, de dienst uitmaakten. Kenmerkend voor dit gebied was het groot-grondbezit. De Junkers bezaten enorme landgoederen, waarop vooral graan verbouwd werd. Een deel van de boeren profiteerde mee van de economische groei. Door de stijgende welvaart en de groei van de steden konden zij meer voedsel verkopen. Bovendien konden zij dankzij nieuwe produkten als kunstmest en koelmachines efficiënter werken. Als gevolg van dit alles werd de produktie van graan, aardappelen, vlees en melk tussen 1871 en 1914 verdubbeld.

Maar niet alle boeren gingen erop vooruit. De meeste Duitse boeren, zo'n 60 procent, hadden slechts een klein stukje grond. Deze keuterboertjes bleven op traditionele wijze werken. Zij gebruikten zelfgemaakte werktuigen, werkten niet met kunstmest en produceerden. voornamelijk voor zich­zelf. Zij misten het geld en de kennis om de steeds efficiënter werkende grote boeren te kunnen beconcurreren. Vandaar dat velen op het platteland in diepe armoede bleven leven.

De agrarische sector als geheel werd tijdens het keizerrijk niet beheerst door optimisme. Veel plattelanders ervoeren de opkomst van de industriële samenleving als een bedreiging. Hun traditionele leefwijze begon langzaam te verdwijnen. Hechte familiebanden werden doorgesneden, vertrouwde dorpsgemeenschappen vielen uiteen en godsdienstige zeker­heden werden ondergraven, doordat velen van het platteland naar de steden trokken om werk te vinden in de industrie. Daar kwamen ze in een heel andere wereld, die ze vaak als een soort jungle ervoeren. In de stad konden ze niet bouwen op de steun van een hechte gemeenschap, maar moesten aan zichzelf overgeleverd vechten om het hoofd boven water te houden.

In de pre-industriële samenleving werd het leven in de ste­den beheerst door het ambachtelijk bedrijf en de detailhan­del. Net als de plattelanders voelden veel ambachtslieden zich bedreigd door de industrie. Door de industrialisatie ging een aantal traditionele ambachten verloren. Kleermakers bijvoorbeeld maakten plaats voor textielfabrieken, die het oude handwerk hadden vervangen door machines. Kleine winkeliers voelden de concurrentie van de eerste grote warenhuizen. Toch wist de sector van het ambachtelijk bedrijf en de detailhandel zich te handhaven. Voor winkels en ambachten die verdwenen, kwamen juist dankzij de industrie andere beroepen, zoals fotografen of gasfitters, in de plaats. Dankzij de stijgende welvaart konden ook veel kleine zelf­standigen meer verdienen dan voorheen.

Aan de algemene welvaartsstijging kwam een abrupt einde door de Eerste Wereldoorlog. Door de oorlog werd de industrialisatie nog wel verder versneld, maar dit kwam niet ten goede aan de bevolking. De economie werd vrijwel volle­dig gericht op de oorlogvoering. De regering ging het econo­misch leven tot in de details regelen. Er kwam een distributie­systeem voor grondstoffen, waarbij de bedrijven die voor het leger het belangrijkst waren het meest kregen. Verder werd veel energie gestoken in de ontwikkeling van nieuwe wapens, zoals onderzeeboten en vliegtuigen. Dit kwam de grote indus­trie ten goede. In de kleine ambachtelijke bedrijven nam de produktie af. Voor de sociale verhoudingen had dit ingrijpen­de gevolgen. 

Standen en klassen

Hoe waren de sociale verhoudingen? Welke sociale groepen waren er? We hebben gezien dat in de economie ultramodern en uiterst traditioneel naast elkaar bestonden. Er waren hoog­ovens en ambachtelijke smederijen, telefooncentrales en stadsomroepers. Deze vermenging van oud en nieuw ken­merkte ook de verhoudingen tussen de mensen.

De sociale verhoudingen waren gebaseerd op standen en klassen. De standen kwamen voort uit de pre-industriële maatschappij, de klassen uit de industriële maatschappij. In de pre-industriële samenleving werd de plaats van mensen op de sociale ladder bepaald door hun stand. Standen waren groepen waarvan de leden een vergelijkbare afkomst, status en levensstijl hadden. Tussen de standen bestonden scherpe scheidslijnen. Het was bijvoorbeeld ondenkbaar dat een jon­gen uit de burgerij met een adellijk meisje trouwde. Wie in een bepaalde stand geboren werd, kwam daar nooit meer uit. Zelfs het beroep was al bij de geboorte bijna vastgelegd. De zoon van een bakker werd gewoonlijk zelf ook bakker. De beroepsgroepen, verenigd in gilden, beschermden zichzelf met eigen wetten en regels tegen het binnendringen van bui­tenstaanders. Wie zich ergens wilde vestigen als slager, had toestemming van het plaatselijke slagersgilde nodig.

De doorbraak van de industriële samenleving verzwakte de invloed van de standen. De klassen werden belangrijker voor de sociale rangorde. Die kenmerkten zich niet door afkomst of levensstijl, maar door de economische positie van hun leden. De mensen hoorden bij een klasse op grond van hun bezit, hun beroep en hun inkomen. De plaats die mensen innamen in de samenleving lag niet bij voorbaat vast, maar werd bepaald door hun opleiding en prestaties.

De overgang van de standen- naar de klassenmaatschappij was in Duitsland zeer onvolledig. De industrialisatie verliep snel, maar de mensen en hun onderlinge verhoudingen veranderden slechts langzaam. Het standsbewustzijn bleef sterk. Afkomst en status bleven een grote rol spelen. Een arbeiderskind kon in theorie nu wel hoogleraar worden, maar er was nauwelijks een arbeider die zijn kinderen naar de uni­versiteit stuurde. Het sociale leven bleef zich vrijwel geheel binnen de eigen groep afspelen. Arbeiders bijvoorbeeld had­den een hele reeks van ontspannings- en culturele verenigin­gen. Ze hadden eigen voetbalclubs, eigen bibliotheken, eigen cafés, eigen zangverenigingen en eigen wandel- en natuur-vriendenclubs. Wat voor de arbeiders gold, gold ook voor de andere sociale lagen. En vaak gingen binnen die sociale lagen ook de leden van kleinere groepen bij voorkeur weer met elkaar om. Slagers bijvoorbeeld gingen liever een dagje uit met andere slagers dan alleen of met andere middenstanders.

Het keizerrijk erfde van de standenmaatschappij ook de strenge hiërarchische verhoudingen. De samenleving bleef met duidelijke en vaste scheidslijnen ingedeeld in hoog en laag. Net als in de standenmaatschappij stond de adel onbe­twist bovenaan. Daarna volgden de hogere burgerij, de mid­denstand, de arbeidersklasse en. helemaal onderaan, de werk­lozen en de armen op het platteland.

De adel en de hoge burgerij

De machtigste groep in het keizerrijk waren de Oostprui­sische Junkers. Zij leverden de meeste ministers, officieren en hoge ambtenaren. Onder de hoge ambtenaren kwamen ook wel burgers voor, maar de adel zag erop toe dat hun invloed niet te groot werd. De niet-Pruisische adel stond op het twee­de plan. De katholieke Beierse adel bijvoorbeeld had in Beieren wel de leiding, maar kwam er in de rijksregering, het leger en de rijksbureaucratie nauwelijks aan te pas. Op het platteland was de positie van de Pruisische adel ook vrijwel onaantastbaar. De boeren hoefden weliswaar geen onbetaalde arbeid meer voor de adel te verrichten, maar hadden vaak nog schulden aan hun vroegere heren. Ook moesten ze nog wel toestaan dat die heren bij de jacht over hun land reden.

Verder hadden de Junkers op grond van overerfde rechten vaak nog de zeggenschap over de lokale politie, de scholen en de kerken. De kleine boeren en landarbeiders werden veel­al neerbuigend behandeld. en hadden weinig mogelijkheden zich daartegen te verzetten. De Junkers keken overigens niet alleen neer op hun eigen landvolk. maar op alle bevolkings­groepen. Ze vonden dat ze het vanzelfsprekende recht hadden de natie te leiden.

In de standenmaatschappij stond onder de adel de burgerij. Zo was het ook in het keizerrijk. De burgerij, de groep van bezittende stedelingen, was aanvankelijk tamelijk hecht.

De middenstand

De adel en de hoge burgerij waren betrekkelijk kleine groe­pen. De hoge burgerij maakte in 1914 zo'n 4 procent van de bevolking uit, de adel minder dan 1 procent. Veel omvangrij­ker was de groep onder de hoge burgerij, de middenstand.

Ook binnen de middenstand onderscheiden we twee groe­pen: de oude en de nieuwe middenstand. De oude midden­stand kwam voort uit de pre-industriële burgerij. Het waren de kleine zelfstandigen: de ambachtslieden en de winkeliers. Deze groep omvatte ongeveer 8 procent van de beroepsbevol­king. Ook de kleine zelfstandige boeren, eveneens 8 procent van de bevolking, werden tot de oude middenstand gerekend.

Naast de oude middenstand ontstond na 1871 een bijna geheel nieuwe groep, de nieuwe middenstand. De nieuwe middenstand was niet zelfstandig, maar in loondienst. Deze groep onderscheidde zich van de arbeidersklasse, doordat haar leden geen `vuil', zwaar lichamelijk werk deden. De nieuwe middenstand groeide dankzij de modernisering van de industrie en de bureaucratisering van de samenleving. Er ont­stond een tussenlaag tussen de arbeiders en de werkgevers met hun hogere personeel. Het ging hier om boekhouders, bankbedienden, verzekeringsemployés, typistes en dergelijke. Deze groep van lager administratief personeel verviervoudig­de tussen 1880 en 1914. Behalve de employés in het bedrijfs­leven rekenen we ook de lagere ambtenaren tot de nieuwe middenstand. Door de forse uitbreiding van de staatstaken groeide ook deze groep aanzienlijk. In 1914 maakte de nieu­we middenstand al zo'n 12 procent van de Duitse beroepsbe­volking uit.

De nieuwe middenstand was in feite geen stand, maar een klasse. Deze middenklasse was een produkt van de industrië­le samenleving. Haar plaats in die samenleving werd bepaald door haar economische positie. Maar juist de leden van de nieuwe middenklasse hadden sterke standsgevoelens. Zij voelden zich verbonden met de oude middenstand en zetten zich af tegen de arbeiders.

Dat deden ook de oude middenstanders. In hun taalgebruik, in hun normen en waarden, bij de inrichting van hun huizen, ja, in het hele dagelijkse leven onderscheidden de midden­standers zich van de arbeiders. Voor een deel was deze hou­ding ingegeven door angst. Oude middenstanders voelden zich bedreigd door de groeiende industrie en de grote waren­huizen. Oude en nieuwe middenstanders voelden zich samen bedreigd door de opkomende arbeidersklasse. De oude waren bang voor het verlies van hun zelfstandigheid. De nieuwe, waarvan zeer velen uit de oude afkomstig waren, waren al niet economisch zelfstandig meer, en probeerden dat te com­penseren door zich boven de arbeiders te verheffen. Het onderscheid maakten zij al duidelijk door hun werkkleding: zij droegen geen vuile blauwe boorden, zoals de arbeiders, maar witte. Kantoorklerken zagen eruit als `heertjes', al ver­dienden ze soms minder dan geschoolde arbeiders.

De arbeidersklasse

De vrees voor de arbeidersklasse was wel begrijpelijk. De moderne arbeidersklasse van fabrieksarbeiders, mijnwerkers, havenarbeiders en dergelijke, groeide enorm. In 1880 telde zij 4,5 miljoen leden, in 1914 al 11 miljoen, ruim een derde van de beroepsbevolking. Voor de burgerij was dit vooral beangstigend doordat de moderne arbeidersklasse zo goed als `massa' zichtbaar was. In de pre-industriële samenleving woonden de arbeiders verspreid over het land, en werkten ze bij boeren en kleine zelfstandigen. Maar nu verrezen in de grote steden enorme arbeiderswijken en reusachtige fabrie­ken. De burgers kregen van de arbeidersmassa bepaald geen gunstig beeld. De arbeiders woonden vaak in abominabel slechte huizen, zagen er grauw uit, hadden grote gezinnen en gedroegen zich ruw. Vechtpartijen en openbare dronkenschap waren aan de orde van de dag. Dat gold lang niet voor alle arbeiders. Veel geschoolde arbeiders woonden in redelijke huizen, verzorgden zich goed, gedroegen zich serieus en pro­beerden een beter bestaan op te bouwen. Hun aantal nam in de loop der tijd — vooral na 1896 — ook behoorlijk toe. Maar toch bleven veel burgers bang voor `het proletariaat'.

Een andere oorzaak van de angst bij de burgers was de poli­tieke organisatie van de arbeiders. De arbeiders organiseer­den zich in Duitsland veel meer dan in andere landen in vak­bonden en in een socialistische partij. De Sozialdemokra­tische Partei Deutschlands (SPD) was een echte arbeiderspar­tij. Zij predikte een samenleving waarin de arbeidersklasse zou overheersen. De SPD ontkende dat de nieuwe midden­stand een aparte positie innam. Minachtend sprak zij van het `witte-boorden-proletariaat'. De nieuwe middenklasse be­stond uit werknemers, en hoorde, aldus de SPD, ondanks haar pretenties dus gewoon tot de arbeidersklasse. Dit soort opvat­tingen schrikte de middenstand natuurlijk alleen maar af.

Aan de andere kant was de houding van de SPD wel te be­grijpen. De arbeiders voelden zich, zeker in de eerste jaren van het keizerrijk, buiten de maatschappij geplaatst. Zij wer­den neerbuigend behandeld en moesten genoegen nemen met slechte werkomstandigheden en lage lonen. Dit bevorderde hun klassebewustzijn, hun politieke strijdbaarheid en hun verlangen naar een andere maatschappij.

De onderkant van de maatschappij

De laatste groep is de traditionele onderlaag van de maatschappij. Deze bestond uit landarbeiders, pachtboeren en werkloze paupers. Veel landarbeiders trokken in de loop van de jaren naar de stad, en de werkloosheid ver­dween grotendeels. Maar toch bleef de traditionele onderlaag omvangrijk. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog telde zij nog bijna 10 miljoen leden, net iets minder dan de moder­ne arbeidersklasse. Deze mensen werden nog neerbuigender behandeld dan de industriearbeiders. Zij hadden veel minder mogelijkheden zich daartegen te verzetten. Vooral de pach­ters, die vaak nog oude feodale verplichtingen aan de adel hadden, konden geen kant op. Zij konden zich niet aansluiten bij een vakbond of de SPD. omdat ze volledig onder controle van de adel stonden. In de dorpsgemeenschappen, waar ze een vaste plaats hadden. viel afwijkend gedrag meteen op, zodat het makkelijk onderdrukt kon worden.

De enorme sociale verschillen op het Pruisische platteland laten zien hoezeer het voortbestaan van de standenmaatschap­pij een ontwikkeling naar democratie blokkeerde. De demo­cratische idee van de gelijkwaardigheid van alle mensen was onverenigbaar met het standsdenken dat het accent legde op de aangeboren verschillen. Had dit standsdenken ook effect op de politieke partijen? 

De politieke stromingen

In de Rijksdag waren vier grote stromingen vertegenwoor­digd.

Allereerst het liberalisme, dat in de eerste helft van de negentiende eeuw ontstond uit het verzet van de burgerij tegen de adellijke overheersing. Het liberale ideaal was de bevrijding van het individu van alle politieke, economische en geestelijke dwang. Op politiek terrein eisten de liberalen een grondwet die de regering ondergeschikt zou maken aan het parlement en de burgerrechten zou garanderen. Op econo­misch gebied streefden ze naar opruiming van alle beperken­de regels die de ontplooiing van de ondernemende burgerij in de weg stonden. En op geestelijk gebied eisten ze vrijheid van meningsuiting en streden ze tegen de invloed van bijge­loof en al het andere dat de mensen afhield van zelfstandig denken.

De afkeer van dwang ging bij de Duitse liberalen gepaard met een sterk verlangen naar Duitse eenheid. Voor een deel wilden ze die eenheid om de macht van de vorsten en de adel te breken, voor een deel omdat zij nationale eenheid op zich belangrijk vonden. Om hun nationale aspiraties te bevredi­gen, sloten ze een bondgenootschap met Bismarck. Bismarckgaf hen, zoals we zagen, de Duitse eenheid, maar de prijs die ze daarvoor betaalden was hoog. In het Duitse rijk bleven de rechten van het parlement en de burgers beperkt, en bleef het staatsapparaat in handen van de adel. De liberalen namen hiermee genoegen, mede omdat zij dachten dat op den duur het politieke systeem toch wel hervormd zou worden. Zij geloofden dat zij de geschiedenis aan hun kant hadden. Deze overtuiging werd bevestigd doordat ze bij de eerste Rijksdagverkiezingen 46 procent van de stemmen kregen. Maar zij vergisten zich. Na 1871 slonk hun aanhang alleen maar. Bij de verkiezingen van 1912 kregen de liberalen nog een kwart van de stemmen.

Dat was niet de enige oorzaak dat er van het liberale ideaal weinig terecht kwam. Daarnaast speelde mee dat de liberalen zelf steeds minder liberaal werden. Het liberalisme viel in twee stromingen uiteen: een grote nationaal-liberale of rechts-liberale stroming, en een kleine links-liberale stro­ming. De linkse stroming hield vast aan het oorspronkelijke liberale ideaal, de nationale stroming legde zich niet alleen neer bij de autoritaire orde van het keizerrijk, maar ging de regering zelfs van harte steunen.

Deze steun aan de gevestigde orde was ten dele ingegeven door economisch eigenbelang. Dat gold zeer sterk voor de grote industriëlen. Zij gingen na 1871 importheffingen vra­gen om de industrie te beschermen tegen de concurrentie uit Engeland en Frankrijk. Daarvoor kregen ze de steun van de adellijke grootgrondbezitters, die importheffingen wilden op graan. Toen de heffingen in 1879 werden ingevoerd, was de nauwe samenwerking tussen industrie, grootgrondbezit en rijk een feit. De staat beschermde de ondernemers en schoof hun lucratieve orders toe. Dat was vooral het geval na 1900, toen het militaire apparaat aanzienlijk werd versterkt, onder meer met een reusachtige oorlogsvloot.

Het tweede motief voor het verraad van het oorspronkelijke liberale idee was de angst van de liberalen voor het socialis­me. In 1871 was het socialisme nog een stroming zonder veel betekenis. De socialisten kregen slechts 3 procent van de stemmen. Maar daarna begon hun aanhang snel te groeien. In 1878 begon Bismarck de socialisten te vervolgen. Hun verga­deringen werden verboden en honderden socialisten werden uit hun woonplaatsen verbannen of gevangen gezet. Op grond van hun beginselen hadden de liberalen hiertegen moeten protesteren, maar de meesten stemden er mee in. Degenen die dat niet deden, werden zelf slachtoffer van belastering en tegenwerking. Links-liberalen werden uit de staatsbureaucra­tie verwijderd en door willige onderdanen vervangen.

De tweede stroming in de Rijksdag was het conservatisme. De conservatieven waren aanvankelijk de grote tegenstanders van de liberalen. Zij waren erop uit democratische hervor­mingen en verruiming van parlementaire rechten tegen te gaan, en de bestaande machtsverhoudingen te handhaven. Zij waren de partij van de adel en beheersten dan ook het staats­apparaat. Toch hadden zij zich nooit kunnen handhaven, als zij niet ook van andere bevolkingsgroepen steun hadden gekregen.

Op het Pruisische platteland en in de kleine steden stemde een groot deel van de bevolking conservatief. Ook onder de arbeiders hadden de conservatieven aanhang. Het ging dan vooral om landarbeiders en knechten in kleine ambachtelijke bedrijven, die zich net als hun meesters bedreigd voelden door de grote industrie. Er waren zelfs conservatieve indus­triearbeiders. Vaak hadden die het platteland net verlaten, zodat hun bindingen daarmee nog sterk waren.

Hun aanhang op het platteland hadden de conservatieven ten dele te danken aan hun inzet voor agrarische belangen. Zo regelden zij importheffingen op goedkoop Amerikaans en Russisch graan. Het platteland stemde echter ook conserva­tief omdat de conservatieve opvattingen daar gemeengoed waren. Op het platteland bestonden grote verschillen tussen arm en rijk, maar de tegenstelling stad—platteland werd veel sterker gevoeld. De conservatieven speelden in op de angst voor de opkomende steden. Zij schilderden die af als poelen van verderf. Het gemeenschapsleven op het platteland stelden zij tegenover het individualisme en egoïsme in de stad, waar de traditionele normen en waarden in verval waren, en het rustige leven vol zekerheden vervangen was door een jachtig en wankel bestaan. Volgens de conservatieven was ook de democratie een produkt van de steden. In een democratie waren de mensen aan zichzelf overgelaten. Het was, zo betoogden zij, veel beter als de mensen geleid en beschermd werden door degenen die daarvoor door kennis, ervaring en traditie het best waren toegerust: de keizer en de adel.

De derde grote stroming in de Duitse politiek waren de rooms-katholieken. Bij de verkiezingen van 1871 kreeg de katholieke Zentrumpartei volkomen onverwacht 24 procent van de stemmen. Voor Bismarck was dit een akelige verras­sing omdat hij de `roomsen' als vijanden van het rijk beschouwde. Zij erkenden immers niet het rijk als hoogste gezag, maar de paus, een buitenlandse machthebber. Over het keizerrijk waren veel katholieken weinig enthousiast. Met lede ogen zagen zij aan dat het katholieke Oostenrijk er bui­ten gehouden werd. Bismarck begon daarom in 1872 een ver­bitterde strijd tegen hen, de zogenoemde Kulturkampf. Hij kreeg daarbij de steun van de liberalen, die het katholicisme zagen als een achterlijk geloof dat de mensen dom hield. Vele honderden geestelijken werden verjaagd of gevangen gezet. Roomse onderwijzers werden verdreven of onder toezicht gesteld van liberale opzichters. Dit alles had echter een aver­echts effect. In de verdrukking sloten de katholieken zich nog nauwer aaneen. In 1878 besloot Bismarck de strijd te staken.

De katholieken waren weliswaar nog steeds niet de beste vrienden van het zijn rijk, maar ze hadden zich er wel bij neergelegd. Bovendien kon Bismarck hun steun goed gebrui­ken tegen zijn nieuwe vijanden: de socialisten en de linkse liberalen. De katholieken gaven die steun graag, want zij zagen de goddeloze socialisten en liberalen als hun aartsvij­anden.

Toch werden de katholieken nooit zulke kritiekloze be­wonderaars van de keizer als de conservatieven en de natio­naal-liberalen. De Zentrumpartei werd, hoewel zij notoire anti-democraten in haar midden had, voorstander van de parlementaire democratie. Dat lijkt merkwaardig omdat het traditionele katholieke geloof met de democratie op gespan­nen voet stond. De kerk was hiërarchisch georganiseerd. Het woord van de paus was onfeilbaar en vrijheid van meningsui­ting gold als lastig bij de verkondiging van de geloofswaarhe­den. Dat de Zentrumpartei op den duur toch steeds democra­tischer werd, had te maken met haar brede aanhang. De partij had aanhang onder alle bevolkingsgroepen. Om de arbeiders­aanhang niet te verliezen, sloeg de Zentrumpartei de demo­cratische richting in. Om dezelfde reden pleitte zij steeds ster­ker voor sociale wetgeving. Dat maakte op den duur toenadering mogelijk tot de vierde stroming, de socialisten.

De vierde stroming. De socialisten, of sociaal-democraten, waren, als we op hun woorden afgaan, onverzoenlijke tegenstanders van het keizer­rijk. Zij verkondigden in navolging van hun leermeester Marx dat de bestaande samenleving onafwendbaar ten onder zou gaan. Er zou een revolutie komen, die de arbeiders aan de macht zou brengen: `de dictatuur van het proletariaat'. De revolutie zou zich niet tot Duitsland beperken, maar wereld­wijd zijn. De socialisten wezen de nationale staat af en geloofden in de internationale solidariteit van alle 'verworpe­nen der aarde'.

De socialistische SPD zag zichzelf als het instrument dat de bestaande orde ten val zou brengen. Daarom had de SPD een sterke organisatie, als een leger dat zich voorbereidde op de oorlog. De partij kon rekenen op de onvoorwaardelijke inzet van haar leden. Voor veel socialisten was het socialisme een geloof dat de totale inzet van de persoon vereiste.

Staat en burgerij voelden zich hierdoor bedreigd. Daarom lanceerde Bismarck in 1878 de socialis­tenwetten, die een hard optreden tegen de socialistische rijksvijanden en 'vaterlandslose Gesellen' mogelijk maak­ten. Daarnaast voerde Bismarck sociale wetten door, waaron­der een ongevallen- en een invaliditeitsverzekering. Zo wilde hij de arbeiders minder gevoelig maken voor de rode propa­ganda. Maar evenmin als hij het katholieke Zentrum had kun­nen vermorzelen, slaagde Bismarck erin de SPD te verslaan. De aanhang van de partij bleef groeien en in 1890 werden de socialistenwetten buiten werking gesteld.

In de jaren daarna bleef de relatie tussen de SPD en de staat gespannen, maar rond 1900 trad een zekere ontspanning in. Ook de arbeiders profiteerden na 1896 van de groei van de economie. De lonen stegen en troosteloze arbeiderswijken werden opgeknapt of afgebroken. Dit had ook op de SPD effect. In de partij gingen velen het gepraat over revolutie als onzin zien. Deze reformisten vonden dat de maatschappij niet omvergeworpen, maar verbeterd moest worden. Dat kon slechts in samenwerking met andere partijen. De SPD moest volgens hen dan ook niet streven naar revolutie, maar naar parlementaire democratie.

Deze opvattingen sloten aan bij de praktijk, waarin het revolutionaire elan van de SPD geleidelijk verdween. De SPD werd een pragmatische hervormingspartij. Toch hand­haafde zij in theorie haar revolutionaire opvattingen. Op partijcongressen werden de reformisten verslagen. Zo bleven de woorden van de partij revolutionair, al waren haar daden gematigd. Voor de meeste leden was dit geen probleem. Het ging hen niet om woorden. maar om daden. Op de liberalen en de katholieken had het echter een kwalijk effect. Zij ble­ven de socialisten wantrouwen.

Het wantrouwen tegen de SPD stond de vorming van een democratisch gezinde coalitie in de weg. De conservatieven bleven domineren, hoewel ze slechts een kwart van de kie­zers achter zich hadden. Maar in 1912 leek het tij te keren. De SPD haalde toen een grote verkiezingszege, en kreeg samen met de Zentrumpartei en de links-liberalen een ruime meerderheid. Voor het eerst was er een democratische meer­derheid. Tegelijk zochten de socialisten, links-liberalen en katholieken voorzichtig toenadering tot elkaar. Zou het auto­ritaire systeem dan toch afgebroken worden? De regering was er in ieder geval bang voor. Zij bestreed het gevaar door de angst voor een sociale revolutie aan te wakkeren en de aan­dacht van de binnenlandse problemen af te leiden. Dat gebeurde met een agressieve buitenlandse politiek, die de nationalistische gevoelens moest opwekken.

Militarisme en nationalisme

De conservatieve elites hadden in 1912 al een lange ervaring met het monddood maken van de oppositie. Zij hadden vanaf 1871 niet anders gedaan. Daarbij gebruikten ze drie midde­len: ze deden een beroep op de nationale gevoelens, ze onder­drukten de oppositie en ze speelden de democraten tegen elkaar uit. Op het eerste komen we nog terug, van de laatste twee methoden hebben we al verscheidene voorbeelden gezien.

Het gebruik dat de elite maakte van deze methoden, sugge­reert dat zij heerste tegen de wil van de bevolking. Maar was dat ook zo? Werd het politieke systeem afgewezen door de bevolking? Of werd het toch gesteund?

In ieder geval was er weinig actief verzet. De meeste Duit­sers zagen daar geen aanleiding toe. Ze waren beslist niet ontevreden met hun land. De stijgende welvaart maakte het leven aangenaam en ze waren trots op de nationale prestaties op economisch, technisch en wetenschappelijk gebied. Die gaven hun het gevoel een superieur volk te zijn. Deze onge­kende prestaties kwamen ook het prestige van de overheid ten goede. De regering hielp immers actief mee aan Duitslands opstuwing in de vaart der volkeren.

Van belang was verder dat veel Duitsers politiek onverschil­lig waren. Vooral de geleerde burgerij cultiveerde een onpoli­tieke houding. Velen keken minachtend neer op de dagelijkse politiek. De Rijksdag werd gezien als een `kletscollege'. Dit oordeel werd bevorderd door de geringe invloed van hetparlement. Bood de politiek de burgers weinig kansen, in het bedrijfsleven en de cultuur lagen die er volop. Wie zou zich dan nog druk maken om de politiek? De meeste geleerde bur­gers wijdden zich liever aan de `hogere' zaken van de geest, aan wetenschap en kunst, dan aan het `ordinaire' spel om de macht.

De keerzijde van deze houding was dat de hoge burgerij juist een enorme bewondering had voor de nationalistische machtspolitiek. Wat de `onpolitieke Duitsers' tegenstond, was niet de politiek als zodanig, maar de dagelijkse partijpo­litiek. Het waren de eeuwige compromissen, de eindeloze vergaderingen, het onderlinge gehakketak en de grauwe mid­delmatigheid van de politici. Voor `grote mannen' met 'zui­vere idealen', `helden' die niet spraken maar handelden, koesterde de burgerij een diepe bewondering. Het prototype van zo'n groot leider was Bismarck, die in elke Duitse stad met een standbeeld vereerd werd. Vandaar dat de staat en het leger hoog in aanzien stonden.

De adel kon zijn overheersende positie ook handhaven, doordat hij de samenleving wist te doordringen met zijn nor­men en waarden. Eergevoel en dienstbaarheid aan de staat stonden daarbij voorop. Vooral de hoge burgerij nam de waarden van de adel over. Aanvankelijk had zij zich ertegen afgezet, maar in de loop van de tijd gingen velen de adel nadoen. Zij kochten landgoederen en gingen jagen. Hun dochters trouwden met Junkers, hun zonen dienden in deftige regimenten en werden lid van exclusieve studentenclubs, cor­pora genaamd. Daarin werd een adellijke stijl gecultiveerd. Kenmerkend was het duel. Oorspronkelijk was dit een vuur-of zwaardgevecht waarmee edelen hun eer verdedigden. Als een edelman zich door een andere edelman beledigd voelde, daagde hij hem uit tot een duel. In de corpora namen de bur­gerlijke studenten het duel over. Een standsbewuste student hoorde de universiteit niet te verlaten zonder de littekens van het gevecht op zijn gezicht.

Als men niet vrijwillig de adellijke normen en waarden over­nam, gebeurde dat wel gedwongen. Wie carrière wilde maken, moest zich aanpassen. Wie dat niet deed, maakte zich verdacht. Bepalend waren autoriteitsdenken, militarisme en nationalisme. In overeenstemming hiermee stond het leger in hoog aanzien. Dit was een erfenis van het oude Pruisen, waar het leger ook al een enorm prestige had gehad. Het leger gold als `school der natie', als voorbeeld van goed gedrag. De algemene dienstplicht maakte dat iedere gezonde man deze school doorliep. De militaire waarden doordrongen de maat­schappij ook doordat veel officieren hoge politieke functies kregen, en veel onderofficieren lagere ambtenaar, politieman of onderwijzer werden. In het leger waren gehoorzaamheid, plichtsbesef, opofferingsgezindheid en eerbied voor hoger geplaatsten de grote deugden. Zelfstandig denken werd nega­tief beoordeeld. `Denken laten we aan de paarden over. Die hebben een groter hoofd en meer tijd', zo hield men de rekru­ten voor.

Ook de ambtenarij had een hoge status. De bureaucratie was als het ware een leger met pen en papier. Zij kende een stren­ge hiërarchie en de ambtelijke waarden leken op die van het leger: plichtsbesef, betrouwbaarheid, gezagsgetrouwheid, punctualiteit en boven alles gehoorzaamheid, strikte gehoor­zaamheid jegens meerderen. De ambtelijke normen en waar­den vonden net als de militaire een brede weerklank in de samenleving. Kenmerkend was dat niet-ambtelijke notabelen zich graag ambtelijk klinkende benamingen lieten verlenen. Voor ondernemers was er de eretitel 'Kommerzienrat', voor artsen de benaming `Sanit.tsrat' en voor advocaten de titel `Justizrat'. De uitgang `rat' werd oorspronkelijk alleen ge­bruikt voor ambtelijke titels.

Ook in het onderwijs en het gezin werden dienstbaarheid en gehoorzaamheid gerekend tot de hoogste deugden. In het gezin moest het kind zich plooien naar het vaderlijk gezag, dat vaak met harde hand gehandhaafd werd. Op school nam de onderwijzer, gewapend met riet en lineaal, de rol vanvader over. Het lager onderwijs leidde niet op tot zelfstandig denken, integendeel. Kinderen van bescheiden komaf moes­ten juist niet te veel denken. Dat zou de bestaande maatschap­pelijke orde maar ondermijnen. De leerlingen moesten vol­gens officiële richtlijnen afgehouden worden van het socialisme en opgevoed tot vaderlandsliefde. In het middel­baar en hoger onderwijs lag dat natuurlijk wel iets anders. Daar ging het ook om technische en wetenschappelijke vaar­digheden. Toch heerste juist op de universiteiten een anti­democratische, antisocialistische en nationalistische sfeer.

Vooral na 1890 kreeg een agressief nationalisme de over­hand.  Duitsland ging aan de imperialisti­sche wedloop meedoen. Afrika en Azië waren echter al grotendeels verdeeld door Frankrijk en Engeland. De Duitsers beschouwden dit als een groot onrecht. `Wij willen ook een plaatsje onder de zon', zo drukte rijkskanselier Bullow (1900-1909) dit gevoel uit. Om dit `plaatsje' te vero­veren, bouwde Duitsland een grote oorlogsvloot. Het joeg zo Engeland, de heerser op de wereldzeeën, tegen zich in het harnas. Eerder had het Rusland al van zich vervreemd, terwijl Frankrijk sinds 1870 Duitslands aartsvijand was. Doordat Duitsland zich op ontactische wijze bemoeide met veel con­flicten in de wereld, liep de spanning hoog op. Die spanning kwam tot uitbarsting in de Eerste Wereldoorlog. 

Zie verder deel 10 Een geschiedenis van Brandenburg - Pruisen Deel 10