We hebben 307 gasten online

Een geschiedenis van Brandenburg - Pruisen Deel 11

Gepost in Midden en Oost-Europa

De Republiek van Weimar 1918-1933

Op 2 oktober 1918 had de Duitse legerleiding de aanvoer­ders van de politieke partijen meegedeeld dat de oorlog verloren was. De partijleiders waren verbijsterd over deze mededeling. Het bericht dat de militaire situatie hopeloos was, kwam voor hen volkomen onverwacht. De vijand had nog geen voet op Duitse bodem gezet. De communiqués van het leger hadden de laatste maanden juist een spoedige overwinning voorspeld. Hoe was dit nu dan mogelijk' Inderdaad leek het er op het eerste gezicht nog helemaal niet op dat Duitsland de oorlog ging verliezen. Integendeel, in het Oosten was Rusland verslagen_ en in het Westen waren de Duitsers een groot offensief begonnen. In het voorjaar van  1918 drongen ze de Fransen en Engelsen verder terug dan ooit. In Duitsland leefde de hoop op een overwinning op, maar in werkelijkheid was het een wanhoopsaanval. De legertop begreep dat het nu of nooit was. De eerste Amerikaanse troepen waren inmiddels in Europa en hun kracht zou alleen nog maar toenemen. Daarentegen was het Duitse leger bijna door zijn reserves heen. Het voorjaars­offensief moest de eindzege brengen. anders was alles verlo­ren. De terreinwinst viel echter tegen. De Duitse aanvallen lokten tegenaanvallen uit, waarbij de Duitsers voor het eerst in de oorlog terrein moesten prijsgeven. Doordat de geallieer­den tanks inzetten, een nieuw wapen, brak bij een deel van het Duitse leger paniek uit. Hongerig en uitgeput gaven dui­zenden militairen de strijd op. Dat was voor de legerleiding aanleiding de politici bij zich roepen.

De vlucht van de keizer

De leiderleiding had de politici niet alleen bij zich laten roe­pen om te vertellen dat de oorlog verloren was, maar ook om de macht over te dragen. Veldmaarschalk Hindenburg en generaal Ludendorff, samen de 'Oberste Heeresleitung', had­den in de oorlog de feitelijke macht in Duitsland in handen gekregen. Nu vroegen ze de politici een democratische rege­ring te vormen. Ze deden dat niet omdat ze van de ene op de andere dag overtuigde democraten geworden waren, maar om aan een totale nederlaag te ontkomen. De VS eisten dat Duitsland een democratie werd. Alleen met een democratie wilden de Amerikanen een wapenstilstand sluiten. De militairen hadden nog een reden de macht over te dragen: ze hoop­ten zo de verantwoordelijkheid voor de nederlaag op de democraten af te schuiven. 

De vaderlandslievende politici deden wat van hen verwacht werd, ook de socialist Ebert. Ebert steunde de nieuwe rege­ring met de linkse liberalen en de katholieken en zou een maand later zelf rijkskanselier worden. Dat gebeurde echter tegen de zin van veel van zijn partijgenoten. De oorlog had de SPD in twee kampen gesplitst; een meerderheid die de oorlog steunde en een minderheid die elke medewerking aan de oorlog afwees. Ebert, een vertegenwoordiger van de meer­derheid, was met de invoering van de parlementaire democra­tie heel tevreden. Maar de revolutionaire minderheid wees de democratie af. De revolutionairen wilden meteen een socia­listische republiek invoeren. Zij leken het tij mee te hebben. Toen de Duitse bevolking begreep dat de oorlog verloren was, kwamen duizenden soldaten en arbeiders in opstand. Overal in het land gingen ze de straat op. Toen op 9 novem­ber ook in Berlijn massale betogingen uitbraken, riepen revo­lutionaire leiders de socialistische republiek uit. Gematigde socialisten hadden daar echter al enkele uren tevoren lucht van gekregen. Zij waren daarop naar het balkon van de Rijksdag gesneld en hadden de democratische republiek uit­geroepen. In alle deelstaten traden nu de vorsten af, zonder zich nog te verzetten. De keizer vluchtte de volgende dag, op 10 november, in alle vroegte met de trein naar Nederland. Een dag later sloten de geallieerden met de nieuwe democra­tische regering een wapenstilstand.

De democratie en artikel 48

Zo werd Duitsland een republiek. Nog niet duidelijk was ech­ter wat voor republiek: een socialistische of een democratische. Ook over die vraag werd snel beslist. Binnenskamers, doordat het grootste deel van de SPD zich achter Ebert stelde. Op straat, doordat het leger in Berlijn een machtsgreep van revolutionaire arbeiders in bloed smoorde. Op 19 januari 1919 vonden de eerste echte democratische verkiezingen in Duitsland plaats. Een maand later koos het nieuwe parlement Ebert tot president. Regering en parlement zetelden voortaan in Weimar, op veilige afstand van het roerige Berlijn. De Republiek van Weimar was geboren.

Nog hetzelfde jaar nam het parlement een nieuwe grondwet aan, die gebaseerd was op liberaal-democratische ideeën. Alle burgerrechten maakten er deel van uit. Duitsland bleef een bondsstaat en volgens de grondwet kreeg elke deelstaat een parlementair-democratisch bestuurssysteem. De Rijksdag werd voortaan gekozen met algemeen kiesrecht. Ook de vrouwen kregen kiesrecht. De macht van het parlement werd aanzienlijk versterkt. Voortaan moesten de ministers zich tegenover het parlement verantwoorden. Als het parlement een motie van wantrouwen aannam, moest de regering aftre­den.

Toch bleven de parlementaire bevoegdheden beperkt. Zo koos het parlement volgens de grondwet niet, zoals in 1919 nog wel gebeurd was, de rijkspresident. De president werd voortaan om de zeven jaar rechtstreeks door het volk geko­zen. Het staatshoofd kreeg bovendien grote bevoegdheden die deels overeenkwamen met die van de vroegere keizer. Zo had de president (1) het opperbevel over het leger, en (2) benoemde en ontsloeg hij het kabinet. Hij moest voor de benoeming en het ontslag van kabinetten wel het parlement raadplegen en hij had geen andere keus dan de parlementai­re meerderheid te volgen. Maar als de fracties het niet eens werden, dan gaf de voorkeur van de president de doorslag. Hij kon dan een regering benoemen die niet de steun had van de meerderheid in de Rijksdag. Zo'n regering kon blijven zit­ten, zolang het parlement geen motie van wantrouwen aan­nam. Het parlement kon dat altijd doen, maar schoot er wei­nig mee op als het niet in staat was een meerderheid voor een andere regering te vormen. De Rijksdag kon dan bovendien zelf naar huis gestuurd worden. De president had namelijk (3) te allen tijde het recht het parlement te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven. In de tussentijd konden de pre­sident en het kabinet dan maandenlang regeren zonder dat er een parlement was. Daarnaast had de president (4) nog een aantal buitengewone bevoegdheden op grond van artikel 48 uit de grondwet. Volgens dit grondwetsartikel mocht de pre­sident de burgerrechten beperken en buiten het parlement om regeren. Hij kon dan samen met de regering noodverordenin­gen uitvaardigen. Ook kon hij op eigen gezag het leger inzet­ten om de orde te herstellen. De president had dus dictatoriale bevoegdheden. Weliswaar mocht hij die alleen gebruiken in geval van nood, maar hij kon, als een parlementaire meerder­heid hem tenminste niet tegenhield, zelf bepalen of er een noodtoestand was aangebroken. Daarmee was in de grondwet een gevaar voor de democratie ingebouwd. Zolang een demo­craat president was, kon artikel 48 de democratie versterken.

Ebert drukte er tussen 1920 en 1925 op grond van artikel 48 tientallen maatregelen door omdat er geen stabiele parlemen­taire meerderheid was. Bovendien liet hij het leger tweemaal ingrijpen in een deelstaat waar de communisten de macht hadden gegrepen. Als Ebert artikel 48 niet gebruikt had, was Duitsland mogelijk uiteengevallen en in een onbestuurbare chaos veranderd. Maar in handen van een antidemocraat was artikel 48 een gevaarlijk wapen tegen de democratie. Die situatie deed zich, zoals we nog zullen zien, na 1925 voor. Maar eerst bekijken we hoe de sociaal-economische toestand zich ontwikkelde.

Economische malaise

In de Weimar-tijd werd de economie opnieuw gekenmerkt door schaalvergroting. Door fusies en faillissementen nam de gemiddelde bedrijfsomvang toe. De schaalvergroting werd mede in de hand gewerkt door de rationalisering van de pro­duktie. Machines namen de plaats in van mensen; ingewik­keld werk werd vervangen door eenvoudige deelhandelingen. Kenmerkend was de opkomst van de lopende band. Zulke vernieuwingen konden alleen doorgevoerd worden in grote bedrijven, die er voldoende kapitaal voor hadden. Zij gingen hierdoor veel efficiënter en goedkoper werken dan hun kleine concurrenten.

Deze industriële ontwikkeling was ook al kenmerkend geweest voor de keizertijd. Het verschil was dat ze nu niet meer gepaard ging met stijgende welvaart. Vooral in de land­bouw kwamen velen in de problemen. De boeren leden onder een permanente, wereldwijde landbouwcrisis. De landbouw kampte met overproduktie. De boeren produceerden meer dan de bevolking consumeerde. Dat leidde tot prijsdalingen en tot grote malaise op het platteland. Daardoor trokken opnieuw veel boeren en landarbeiders met hun families naar de steden om daar hun geluk te beproeven.

In de eerste vijf jaren na de oorlog verkeerde niet alleen de landbouw, maar de hele economie in een crisis. Ten dele had dat te maken met het wegvallen van de oorlogsproduktie. Duitsland moest in korte tijd overschakelen van een oorlogs­naar een vredeseconomie en de arbeidsmarkt werd over­stroomd door miljoenen gedemobiliseerden. Daarnaast werd Duitsland belast met enorme herstelbetalingen aan Frankrijk en Engeland. En ten slotte werd het herstel bemoeilijkt door de inflatie. De geldontwaarding nam absurde proporties aan. Aan het eind van 1922 was de Duitse mark al 2000 maal zo weinig waard als in 1919. en in 1923 werd hij zelfs volstrekt waardeloos. Huisvrouwen deden boodschappen met kruiwa­gens vol bankbiljetten. Halverwege het jaar kostte een pak boter al 15.000 mark en een pak koffie 30.000 mark. Later werd het zelfs onmogelijk nog iets met geld te kopen. De mark was op het dieptepunt 420 miljard keer minder waard dan vier jaar daarvoor.

Deze rampzalige inflatie was ten dele een erfenis van het keizerrijk. Om de oorlog te kunnen financieren, had het rijk enorme leningen afgesloten, die de Weimar-republiek moest terugbetalen. De staat pompte zo enorme hoeveelheden mar­ken in de economie. Doordat tegelijk de produktie stagneer­de, schoot de waarde van het geld ten opzichte van de goede­ren omlaag. In 1923 werd de inflatie nog verder aangewak­kerd toen Franse troepen het Ruhrgebied bezetten. Uit protest tegen de bezetting gingen de arbeiders daar in staking en betaalde de Duitse regering hun loon uit. Hierdoor kwam een groot deel van de Duitse produktie stil te liggen, terwijl de bankbiljettenpersen op volle toeren draaiden om de stakers te kunnen betalen.

Nadat de Duitse economie bijna tot stilstand gekomen was, trokken de Fransen zich terug. Er werd toen een internationa­le regeling getroffen om Duitsland er bovenop te helpen. Daarbij werden de herstelbetalingen verlaagd en kreeg Duitsland omvangrijke leningen uit de VS (Dawesleningen). De leningen over­troffen de betalingen aanzienlijk. Na 1924 kregen de Duitsers dubbel zoveel van de Amerikanen als ze aan de Fransen en Engelsen betaalden. Met de geleende dollars leefde de Duitse industrie weer op. De bedrijven investeerden flink en de pro­duktie werd gemoderniseerd. Dat leverde nieuwe werkgele­genheid op, vooral voor vrouwen en kantoorpersoneel. Zo ontstond in de jaren 1925-1929 weer een zekere welvaart en werd de Duitse industriële produktie opnieuw groter dan de Engelse en de Franse.

Maar de opleving was van korte duur. In 1929 brak in de VS een economische crisis uit die zich razendsnel over de wereld verspreidde. Door de afhankelijkheid van Amerikaans kapi­taal waren vooral voor Duitsland de gevolgen rampzalig. De geldstroom uit de VS viel stil en de Amerikaanse geldschie­ters eisten hun dollars terug. Tussen 1929 en 1932 daalde de Duitse industriële produktie bijna met de helft. In dezelfde periode steeg de werkloosheid van 8 naar bijna 30 procent van de beroepsbevolking. Precies als in de eerste vijf naoor­logse jaren werden de kleine bedrijven en de landbouw het zwaarst getroffen.

Welke gevolgen hadden de economische crises voor de sociale verhoudingen?  De middenstan­ders onder het keizerrijk vreesden dat zij aan de concurrentie met de grote industrie ten onder zouden gaan. In feite profi­teerden ze echter van de algemene welvaartsstijging. Maar onder de Weimar-republiek werd hun nachtmerrie werkelijk­heid. Talloze bedrijfjes gingen ten onder en velen werden beroofd van hun inkomen, hun beroepstrots en hun status. De nieuwe middenstand werd geconfronteerd met ontslagen en loonsverlagingen. De middenklasse had bovendien het zwaarst van alle groepen te lijden van de inflatie. Veel mid­denstanders hadden in de voorgaande jaren moeizaam geld bijeengespaard, dat nu in korte tijd volstrekt waardeloos werd. Zij werden hierdoor net zo bezitloos als de arbeiders. Dit alles bracht paniek en verbittering. Het vertrouwen in de prille democratie werd ernstig ondermijnd.

Een republiek zonder republikeinen

Aanvankelijk gaf de Duitse bevolking de democraten nog het voordeel van de twijfel. De eerste verkiezingen, in januari 1919, liepen uit op een democratische overwinning. De socia­listen, de links-liberalen en de katholieken kregen samen maar liefst 76 procent van de stemmen. Deze zogenoemde Weimar-coalitie vormde de regering en stelde de democrati­sche grondwet op, die in augustus 1919 van kracht werd.

De Duitse democratie leek dus een goede start te hebben. Maar dat was schijn. Reeds een jaar later raakten de democra­tische partijen hun meerderheid kwijt en de Weimar-coalitie zou deze klap nooit meer te boven komen. De vijanden van de democratie bleven de hele verdere periode van de Weimar-republiek in de meerderheid. Daarom is deze repu­bliek `een republiek zonder republikeinen' genoemd. Onder meer dank zij de steun van de nationaal-liberalen kon de democratie het toch nog een tijd volhouden. In het nationaal-liberale partijprogramma stond dat Duitsland weer een kei­zerrijk moest worden. Maar veel nationaal-liberalen waren op den duur bereid de Weimar-republiek te aanvaarden. Zij wer­den verstands-republikeinen genoemd. Hun hart lag bij de keizer, maar hun verstand gaf hen geen andere keus dan aan de republiek mee te werken. Toch zou dit uiteindelijk niet voldoende blijken.

Waarom heeft de Weimar-democratie na 1919 nooit meer voldoende steun kunnen verwerven?  Vier oorzaken:

1 de economische crisis en de sociale gevolgen daarvan

2 de verloren oorlog en de Vrede van Versailles

3 het gebrek aan democratische traditie

4 de vijandschap van de oude machtselites.

De last van de crisis

Onder invloed van de economische malaise keerde de mid­denstand zich al snel van de republiek af. Tallozen gaven de regering de schuld van hun problemen. Onder het keizerrijk hadden zij het goed gehad. Door het krachtige bestuur hadden zij zich beschermd gevoeld. Onder de democratie voelden zij zich aan hun lot overgelaten. Hoe snel de middenklasse zich van de democratie afkeerde, is te zien aan de verkiezingsre­sultaten van de liberalen, die het van de middenklasse moes­ten hebben. De links-liberalen haalden in 1919 18,5 procent van de stemmen, in 1932 minder dan 1 procent. De nationaal-liberalen haalden in 1919 4,5 en in 1920 14 procent, maar in 1932 nog maar ruim 1 procent. Bijna de hele middenklasse was overgelopen naar de onverzoenlijke vijanden van de Weimar-republiek.

Onder de arbeiders was de republiek evenmin erg populair. Zij hadden gehoopt het na het vertrek van de keizer beter te krijgen. Direct na de oorlog leek het daar ook wel op. De democratische regering voerde snel nieuwe sociale wetten in, zoals de achturige werkdag. Bovendien waren de grote indus­triëlen, uit angst voor een revolutie, bereid serieus met de vakbonden te praten. Als gevolg daarvan kwamen collectieve arbeidsovereenkomsten (cao's) tot stand, waarin lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor grote groepen arbeiders werden vastgelegd. Dat gaf die arbeiders enige sociale zeker­heid. Toch waren veel arbeiders ontevreden, omdat zij meer hadden verwacht. Zij hoopten dat de arbeidersklasse door een socialistische revolutie aan de macht zou komen. En dit doel probeerden ze in de eerste naoorlogse jaren te bereiken met talloze stakingen en soms zelfs met de wapens. Maar er kwam geen revolutie. Sterker nog, na 1920 verslechterde de positie van de arbeiders weer en dat leidde tot nieuwe onrust. De revolutionaire acties kwamen het vertrouwen van de middenstand in de regering niet ten goede.

De communisten profiteerden van de woede en teleurstel­ling van veel arbeiders. Zij waren nieuwelingen op het poli­tieke toneel. De Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) was een jonge partij, opgericht door revolutionaire socialisten die zich aan het eind van de oorlog van de SPD hadden afge­splitst. De KPD was een fanatiek tegenstander van de Weimar-democratie. Zij zag de Sovjetunie als grote voor­beeld en liet haar politiek volledig door Moskou bepalen. Bij de KPD zat vooral de haat tegen de SPD diep. Volgens haar had de SPD in 1918 de revolutie verraden. De KPD werd een geduchte concurrent voor de SPD. In 1919 haalde de SPD nog 38 procent van de stemmen, een jaar later daalde dit al naar 21,5 procent. De revolutionairen stegen toen van 7,5 naar 20 procent. Daarna liep hun aanhang terug, maar door de economische crisis groeide de KPD in de jaren dertig als kool. Onder werklozen kreeg zij massale steun. In 1932 haal­de zij 17 procent van de stemmen, slechts 3 procent minder dan de SPD.

Results of the elections in the Weimar Republic 1919-1933

  1919 1920/22 1924(1) 1924(2) 1928 1930 1932(1) 1932(2) 1933
Voters in % 83,02 79,18 77,42 78,76 75,60 81,95 84,06 80,58 88,74
NSDAP . . 6,55 3,00 2,63 18,33 37,36 33,09 43,91
DVFP . . 0,87 . . . .
Landvolk . . . . 1,89 3,17 0,25 0,30 .
WP . . 1,71 2,29 4,54 3,95 0,40 0,31 .
BBB 0,91 0,78 0,64 1,03 1,56 0,97 0,37 0,42 0,29
DNVP 10,27 15,07 19,45 20,49 14,25 7,03 5,93 8,66 7,97
CSVd . . . . 0,20 2,49 1,10 1,48 0,98
DVP 4,43 13,90 9,20 10,07 8,71 4,75 1,18 1,86 1,10
DDP 18,56 8,28 5,65 6,34 4,90 3,78 1,01 0,95 0,85
BVP 19,67 4,39 3,23 3,74 3,07 3,03 3,26 3,09 2,73
Zentrum 13,64 13,37 13,60 12,07 11,81 12,44 11,93 11,25
SPD 37,86 21,92 20,52 26,02 29,76 24,53 21,58 20,44 18,25
USPD 7,62 17,63 0,80 0,33 0,07 0,03 . . .
KPD . 2,09 12,61 8,94 10,62 13,13 14,56 16,86 12,32
Other 0,68 2,30 6,25 4,15 4,86 3,02 0,56 0,61 0,35
 
Seats 423 459 472 493 491 577 608 584 [647]
NSDAP . . 32 14 12 107 230 196 288
DVFP . . - . . . .
Landvolk . . . . 9 19 1 - .
WP . . 7 12 23 23 2 1 .
BBB 4 4 3 5 8 6 2 3 2
DNVP 44 71 95 103 73 41 37 52 52
CSVd . . . . - 14 3 5 4
DVP 19 65 45 51 45 30 7 11 2
DDP 75 39 28 32 25 20 4 2 5
BVP 91 20 16 19 17 19 22 19 19
Zentrum 64 65 69 61 68 75 71 73
SPD 165 103 100 131 153 143 133 121 120
USPD 22 83 - - - - . . .
KPD . 4 62 45 54 77 89 100 [81]
Other 3 6 19 12 11 10 3 3 1
bron Historia Pro

De dolkstootlegende

Naast de gevolgen van de economische rampspoed droeg de democratie ook nog de loodzware last van de verloren oorlog. De democraten kregen namelijk de schuld van die nederlaag. Het keizerrijk had de oorlog verloren, de legerleiding had gefaald.  Maar zo zagen veel Duitsers het niet. Twee oorzaken zijn daarvoor aan te wijzen: de dolkstootle­gende en de Vrede van Versailles.

De legerleiding had in 1918 de macht mede aan de demo­craten overgedragen om te voorkomen dat zij de schuld kreeg van de nederlaag. Zij wilde de indruk wekken dat Duitsland militair ongebroken was en dat de democraten het land node­loos aan de vijand hadden overgeleverd. Duitsland was als het ware geveld door een dolkstoot in de rug, toegebracht door zijn eigen mensen. Veldmaarschalk Hindenburg verde­digde deze dolkstootlegende toen hij in 1919 werd onder­vraagd door een parlementaire commissie. Hij las toen een document voor, waarin stond dat het leger door de slappe en verdeeldheid zaaiende democraten `van achteren neergesto­ken' was.

Deze leugen werd door nationalisten en conservatieven voor waar aangenomen. De haat tegen de democraten kreeg nieuw voedsel door het vredesverdrag van Versailles, waaraan Duitsland in 1919 onderwerpen werd.

Gevolgen van de Eerste Wereldoorlog

europa 1919

De landen in Europa na de vredesconferentie van Versailles in 1919

The winner takes it all

De Amerikaanse president Woodrow Wilson had in een veertienpuntenplan zijn vredesprogramma vastgelegd. Daarin waren het zelfbeschikkingsrecht en democratie het belangrijkste. 'To make the world safe for democracy'. De Europese landen moesten onderling verdragen afsluiten en er zou een Volkenbond worden gesticht, die op kon treden als scheidsrechter tussen landen. Bij de Vrede van Versailles (28 juni 1919) speelde de VS voor het eerst in de geschiedenis een belangrijke rol bij het regelen van Europese zaken.

Georges Clemenceau, de Franse minster-president vond Wilsons plannen te idealistisch. Hij eiste wraak. Premier David Loyd George zag het realistischer in, maar zijn land lag dan ook niet direct aan Duitsland. Hij waarschuwde: 'Als het land zich door de vrede van 1919 onrechtvaardig behandeld voelt, zal het middelen vinden om wraak te nemen op zijn overwinnaars'.

Rusland deed niet mee omdat het in maart 1918 een vrede met Duitsland had gesloten en nu als een gevaar werd gezien. Oostenrijk-Hongarije en Turkije verloren en dankzij het nationalisme vielen beide rijken uit elkaar. Alle overeenkomsten samen zorgden voor een nieuwe kaart van Europa. Maar de minderhedenproblematiek werd door het verdrag van Versailles niet opgelost en de conferentie bleek een overleg van alleen overwinnaars. De Verliezers zoals Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, mochten niet meepraten en mochten alleen hun handtekening zetten. De nieuwe Duitse Weimar-republiek moest wel: Duitsland had zich overgegeven en stond alleen in de internationale politiek.

Door het verdrag van Versailles werden de voordien grootmachten: Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Rusland en het Turkse Rijk ontmanteld of omringd met en aantal nieuw ontstane staten.

Opgelegde maatregelen door het verdrag van Versailles:

Oostenrijk Hongarije:

  • Einde keizerrijk, republieken Oostenrijk, Hongarije, Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië

Turkse Rijk:

  • Ingekrompen tot klein Azië en het stukje Europa waar Istanbul ligt.

Rusland:

  • Afspraken Brest-Litowsk overgenomen;
  • Estland, Letland en Litouwen zelfstandige staten;
  • Afstand gebied aan Polen.

Duitsland:

vredesverdrag van versailles

  • Verlies van Elzas-Lotharingen en het militair-strategisch belangrijke gedeelte van de Ardennen tussen Eupen en Malmedy;
  • Rijnland, een gedeelte van Duitsland dat grensde aan Frankrijk, gedemilitariseerd;
  • Deel Pruisen aan nieuwe staat Polen;
  • Poolse corridor (van Polen naar de Oostzee, dwars door Pruisen);
  • Danzig werd zelfstandige stadstaat onder bestuur Volkenbond.
  • Verlies van alle koloniën;
  • Het betalen van herstelbetalingen;
  • Het leger mocht niet groter zijn dan 100.000 man, de marine 20.000 man;
  • Duitsland mocht niet samengaan met Oostenrijk;
  • Duitsland kreeg de schuld van de oorlog.

De Vrede van Versailles werd in Duitsland algemeen als een vernedering ervaren, ook door de democraten. De regering zag echter geen andere keus dan het verdrag te teke­nen: in de ogen van de nationalisten een nieuwe daad van landverraad. De Vrede van Versailles bleef in de daaropvol­gende jaren het nationale en internationale politieke klimaat vergiftigen. De opeenvolgende Duitse regeringen probeerden onder de herstelbetalingen uit te komen. Maar hoewel ze ver­licht werden, werden ze nooit helemaal kwijtgescholden.

Polarisatie

De Weimar-republiek werd in de derde plaats bedreigd door een gebrek aan democratische politieke cultuur. De Duitsers waren niet gewend met de democratie om te gaan. In een democratie is het sluiten van compromissen onvermijdelijk. Onder het keizerrijk hadden de partijen deze democratische deugd echter niet geleerd. Omdat zij niet regeerden, konden zij volop van hun eigen gelijk getuigen: zij hoefden het toch niet eens te worden. Maar tijdens de Weimar-republiek moest dat opeens wel. Van de democratische partijen had vooral de SDP het daar moeilijk mee. De SPD weigerde wegens meningsverschillen met de liberalen en de katholieken diver­se malen in de regering plaats te nemen. Door deze houding werd de toch al beperkte steun voor de democratische rege­ringen verder ondergraven. Tussen 1919 en 1933 traden maar liefst 21 kabinetten op. De meeste vielen binnen een jaar omdat de regeringspartijen het onderling niet eens werden.

Bij de niet-democratische stromingen was de bereidheid tot het sluiten van compromissen nog veel minder. Bij hun ontbraken ook andere parlementair-democratische waarden, zoals respect voor de rechten van het individu en van minder­heden. De Weimar-republiek werd gekenmerkt door een ont­stellend gebrek aan eenstemmigheid. Links en rechts bestre­den elkaar met buitengewone felheid. Zo noemden de anti-democraten de republikeinen `novembermisdadigers' - in november 1918 hadden die immers hun `landverraad' gepleegd. Het bleef niet bij woorden, er kwamen ook daden. Tienduizenden oud-frontmilitairen sloten zich aan bij 'vrij­korpsen', gewapende bendes, die op straat tegen de commu­nisten vochten en politieke moorden pleegden. Bij straatge­vechten vielen tijdens de Weimar-republiek vele honderden doden — vooral aan communistische kant. Verscheidene lei­dende democratische politici werden vermoord en zowel extreem-links als extreem-rechts deed tussen 1919 en 1924 een aantal pogingen tot een staatsgreep.

De politiek was zo gepolariseerd dat de keizertijd achteraf een oase van rust leek. Velen kregen het gevoel dat de ver­trouwde ideeën van het keizerrijk nog zo slecht niet waren. Met de verdeeldheid van de democratie was, zo leek het, niet te leven. Het leek alsof de democratie alleen maar politiek geweld en zwakke regeringen op kon leveren. Steeds meer mensen verwierpen de democratische waarden en koesterden een verlangen naar een krachtige leider, die de eenheid en gemeenschapszin van vroeger zou herstellen.

De keizer ging, de generaals bleven

Een vierde bron van zwakte voor de Weimar-republiek was de vijandschap van de maatschappelijke elites. De elites van het keizerrijk werden na 1918 niet ontslagen: `de keizer ging, de generaals bleven'. De ondemocratische officieren, rech­ters, industriëlen, ambtenaren en professoren bleven op hun plaats. De meesten hadden niets van de oorlog geleerd. Ze steunden de conservatieven, die weer een autoritair systeem wilden invoeren. Alleen de industriëlen stonden in het begin nog betrekkelijk welwillend tegenover de republiek. Zij slo­ten compromissen met de vakbonden en steunden de regering om erger te voorkomen. Toen echter bleek dat de democratie geen rust en orde bracht, zochten zij steun bij de oude steun­pilaren van het keizerrijk.

Deze steunpilaren werkten alle in meer of mindere mate aan de ondergang van de democratie. De ambtenaren nog het minst. Zij moesten van de democratie weinig hebben, maar voerden over het algemeen loyaal uit wat van hen verwacht werd. Op de rechters kon de democratische regering minder staat maken. Zij traden keihard op tegen communistische rebellen, maar tegen geweld van rechts deden ze bijna niets. Tussen 1918 en 1922 kregen de 354 extreem-rechtse moorde­naars die voor de rechter moesten verschijnen gemiddeld vier maanden gevangenisstraf. Van de 22 communistische moor­denaars kregen er tien de doodstraf, de rest kreeg gemiddeld 15 jaar cel. Ook in het onderwijs, vooral op de universiteiten, heerste een fanatiek anti-democratische sfeer. Professoren leerden dat de democratie 'on-Duits' was en de studenten rie­pen het na. Het leger ten slotte, gedroeg zich zoals de rechterlijke macht. Het steunde de regering tegen de communisten, maar zag passief toe bij nationalistisch geweld. Toen presi­dent Ebert bij een nationalistische opstand de opperbevelheb­ber vroeg waar het leger stond, antwoordde deze: `het leger staat achter mij'.

De opkomst van Hitler

Ondanks alles ging het in de tweede helft van de jaren twintig iets beter met de democratie. Daar leek het aanvankelijk hele­maal niet op. In 1925 werd namelijk Hindenburg tot president gekozen. Tegen alle verwachtingen in luidde dat echter een korte periode van stabiliteit in. Doordat Hindenburg president werd en de SPD uit de regering verdween, kwamen de con­servatieven minder negatief tegenover de republiek te staan. Verder profiteerde de republiek van de economische groei, die de ontevredenheid deed afnemen.

De stabiliteit was echter van korte duur. In 1928 boekte de SPD bij de verkiezingen een grote overwinning en kwam zij terug in de regering. De conservatieven begonnen nu serieus de ondergang van de democratie voor te bereiden. Vooral de legertop probeerde Hindenburg te gebruiken om een autori­tair systeem in te voeren. Nadat de SPD in 1930 na een con­flict over de crisisbestrijding uit de regering gestapt was benoemde Hindenburg op advies van de legertop de katholie­ke politicus Brüning tot rijkskanselier. In het geniep hadden de militairen met Bruning plannen besproken om de demo­cratie de nek om te draaien. Bruning zou moeten zorgen voor een grondwetswijziging, waardoor de rijkskanselier niet meer het vertrouwen van de Rijksdag nodig zou hebben, maar alleen nog dat van de president, die dan een soort plaatsver­vanger van de keizer zou zijn. Om dit te bereiken, moest Bruning de Rijksdag uitputten. Zolang deze niet met de grondwetswijziging instemde, moest Bruning er conflicten mee uitlokken, waarna Hindenburg het parlement zou ontbin­den en nieuwe verkiezingen zou uitschrijven. Dat moest net zo lang doorgaan tot de Rijksdag inzag dat er geen andere keus was dan terugkeer tot een soort keizerlijk systeem.

Bruning deed echter niet wat de conservatieve samenzweer­ders van hem verwacht hadden. In 1930 kreeg hij nog wel een conflict met de Rijksdag, waarna Hindenburg verkiezin­gen uitschreef. Maar daarna ging het in de ogen van de mili­tairen mis. Bruning lokte geen nieuw conflict met de Rijksdag uit. Hij kon rustig blijven zitten omdat de SPD hem tolereerde. Na twee jaar was het geduld van de militairen met Bruning op en haalden zij Hindenburg over een ander, Von Papen, tot rijkskanselier te benoemen. Die liet wel de Rijksdag ontbinden en verkiezingen uitschrijven.

Een tweede onverwachte ontwikkeling voor de samen­zweerders was de verrassende opkomst van een nieuwe beweging, het nationaal-socialisme. De nationaal-socialisten, de nazi's, haalden bij de verkiezingen van 1930 een volstrekt onverwachte overwinning. In 1928 had hun Nationalsozialis­tische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) met 2,6 procent van de stemmen nog geen rol gespeeld. In 1930 werd zij met 18,3 procent van de stemmen ineens op de SPD na de grootste par­tij.

De nazi's overtroffen in hun haat tegen de democratie alle anderen. Volgens hen was de democratie aan Duitsland opgedrongen om de weerstand van het Duitse volk te breken. De nazi's waren extreem-nationalistisch. Ze eisten grote gebieden van de Sovjetunie en Polen op als `Lebensraum' voor het Duitse volk. Om dat te bereiken, wilden ze alle Duitsers verenigen achter een krachtige leider, de Fuhrer, die volledige gehoorzaamheid van zijn onderdanen mocht verlan­gen.

De NSDAP was ondanks haar naam geen arbeiderspartij. Met de term `socialisme' duidden de nazi's aan dat zij streefden naar een `volksgemeenschap', waarin iedereen kreeg wat hem toekwam. De kern van de beweging bestond uit verarm­de kleinburgers en verbitterde frontsoldaten, die hun draai in de maatschappij niet konden vinden. Een typisch voorbeeld daarvan was hun leider, Adolf Hitler. Hitler was de zoon van een douanebeamte. Hij had, voor hij in de politiek ging, nooit de status van zijn vader bereikt. Voor de Eerste Wereldoorlog had hij wat rondgehangen en was zelfs tot de bedelstaf ver­vallen. Pas de oorlog had hem een doel in het leven gegeven. Als frontsoldaat had hij tot het einde toe met verbeten fanatis­me gevochten. Hij was na zijn ervaringen aan het front hele­maal niet meer in staat tot een geregeld leven en had zich met volledige overgave op de politiek gestort. De politiek was voor hem een voortzetting van de oorlog.

Zoals Hitler waren er velen. De NSDAP had een partijleger, de Sturmabteilung (SA), dat was voortgekomen uit de vrijkorpsen. In 1933 had de in bruine uniformen gestoken SA een half miljoen leden, vijf keer zoveel als de Reichswehr. Steeds meer Duitsers gingen Hitler als hun verlosser zien, de redder in nood, de enige die Duitsland weer kon verheffen. De NSDAP was, naast de KPD, de enige partij die een oplos­sing voor de economische crisis beloofde. In tegenstelling tot de KPD beloofde zij daarbij de middenstand in zijn recht te laten. Vandaar dat miljoenen radeloze middenstanders op de nazi's stemden. Bij de verkiezingen van 1932 haalde de NSDAP 37 procent van de stemmen. Later dat jaar, bij nieu­we verkiezingen, viel de partij terug naar 33 procent. Maar zij vormde, met haar enorme partijleger, een kracht die moeilijk genegeerd kon worden. De conservatieve elite voelde er aan­vankelijk weinig voor met Hitler samen te werken, maar de conservatieve samenzweerders gingen op den duur denken dat zij hem misschien wel voor hun plannen konden gebrui­ken. De adellijke heren keken neer op deze onbeschaafde man van lage afkomst. Zij waren niet bang voor hem. Hitler riep wel dat hij de absolute macht wilde, maar ze dachten dat hij zou inbinden als hij met de hoge heren aan tafel mocht zit­ten. Uiteindelijk werd dan ook besloten Hitler het kanselier­schap aan te bieden. Zo werd hij op 31 januari 1933 kanselier van een coalitiekabinet met de conservatieven. De conserva­tieven (lees Von Papen) dachten dat zij Hitler nu onder controle hadden. Toen een journalist een van hen verweet Hitler aan de macht gebracht te hebben, antwoordde deze: `U vergist zich, wij hebben hem in dienst genomen.' Maar al snel zou blijken dat het niet de journalist was die zich vergist had.

Zie voor deel 12 Een geschiedenis van Brandenburg - Pruisen Deel 12