We hebben 376 gasten online

Een geschiedenis van Brandenburg - Pruisen Deel 13

Gepost in Midden en Oost-Europa

Duitsland 1945-1949 Stunde Null

occupied germany and austria 1945-1948

 1945, hoe stond Duitsland er voor?

  • Na de capitulatie

Van het grote Duitsland was niets over; het had onvoorwaardelijk gecapituleerd en daarmee zijn soevereiniteit volledig verloren. De overheersing door de geallieerde overwinnaars was in meerdere opzichten pijnlijk; met name werd het Rode Leger gevreesd. In het dagelijks leven werden vrouwen, mannen en jongeren, elke groep op een eigen wijze, geconfronteerd met de directe gevolgen van oorlog en nederlaag: de puinhopen in de steden, andere vormen van grote materiële nood, ziekten en krijgsgevangenschap. De samenleving was volledig verstoord als gevolg van de vernielde infrastructuur, de grote stromen vluchtelingen, het gigantisch tekort aan huisvesting en het ontbreken van een geregeld bestuur op landelijk niveau.

Hoe dachten Duitsers over de ontstane situatie?

  • Verbijstering en apathie

De meeste Duitsers waren verbijsterd, hun door de nazi-propaganda opgevoerde verwachtingen waren in duigen gevallen. De confrontatie met wandaden, gepleegd in naam van het Duitse volk, versterkte bij veel Duitsers een apathische houding. Waar mogelijk trokken zij zich terug in de familiekring. Onder de miljoenen Duitsers die uit hun geboortestreek waren gevlucht of waren verdreven, was het gevoel ontworteld te zijn nog sterker aanwezig.

Welke houding namen Geallieerden ten opzichte van Duitsland en ten opzichte van elkaar aan?

  • De opvattingen van de 'Grote Drie'

De geallieerde leiders Roosevelt, Stalin en Churchill hadden vóór 1945 slechts vage ideeën over de toekomst van Duitsland na de Duitse nederlaag. De in 1943 gemaakte afspraken over de voorlopige opdeling van Duitsland in bezettingszones kwamen mede voort uit de angst dat 'de ander' het ontstane machtsvacuüm zou opvullen. Tijdens de Jalta-conferentie (februari 1945) besloten ze ook de hoofdstad Berlijn in vier zones in te delen.

jalta

Churchil, Roosevelt en Stalin

Nieuwe tegenstellingen tekenden zich af. Stalin forceerde gebiedsverschuivingen in het oosten; Duitsland raakte een kwart van zijn grondgebied kwijt. In een gespannen sfeer maakten Stalin, Truman en Attlee tijdens de conferentie in Potsdam afspraken over Duitsland: denazificatie, ontwapening, demilitarisering, democratisering en ontmanteling van de Duitse oorlogsindustrie. Een deel van de afspraken bood ruimte voor eigen interpretatie. Duitsland moest, ondanks de opdeling, een economische eenheid blijven. Een Geallieerde Controle Raad moest dit bevorderen. Een door de Sovjetunie (voortaan genoemd SU) gewenste definitieve regeling over de herstelbetalingen bleef uit.

Welke internationale en nationale ontwikkelingen verklaren de Duitse deling?

Eén van de afspraken tussen de geallieerden tijdens de oorlog betrof de tijdelijke zoneverdeling van Duitsland en Berlijn na de Duitse capitulatie. Berlijn zou, ondanks haar ligging midden in de Russische zone, door alle geallieerden worden bestuurd en werd daarom in vier zones verdeeld. Ook werd de zetel van het overlegorgaan van de geallieerde commandanten, de Allierte Kontrollrat, in Berlijn gevestigd.

In de verschillende zones was elke commandant eigen baas, maar het was de bedoeling gemeenschappelijke problemen en regelingen over de toekomst van Duitsland te bespreken in deze Kontrollrat. Op de conferentie van Jalta in februari 1945 werden wel deze afspraken over de zoneverdeling en de herstelbetalingen vastgelegd, maar duidelijke afspraken over de politieke toekomst van Duitsland werden niet gemaakt.

Tijdelijk?

Op 1 juli 1945 trokken de Amerikanen, die bij de verovering van Duitsland diep waren doorgedrongen in de Russische sector, zich terug in hun eigen sector. De Sovjet-Unie op haar beurt ontruimde nu het westelijk deel van Berlijn en gaf dit deel van de stad over aan de, intussen met Frankrijk uitgebreide, drie westelijke geallieerden.

De groeiende tegenstelling tussen de SU en de westelijke Geallieerden na 1945 was de belangrijkste oorzaak van de Duitse deling. Het toenemende, wederzijdse wantrouwen werd mede gevoed door ontwikkelingen in het bezette Duitsland.

Schijnverkiezingen en de invoering van het Stalinistisch systeem in Oost-Europese staten in de periode 1945-1947 voedden de vrees voor verdere communistische expansie; stemmenwinst van communisten bij parlementaire verkiezingen in andere Europese landen versterkte deze vrees. Het is onzeker of Stalin alleen uit was op veilige grenzen (een schild van Oost-Europese staten) of geheel West-Europa binnen zijn invloedssfeer wilde krijgen.

President Truman formuleerde in het voorjaar van 1947 de containment-politiek (Truman-doctrine) en vroeg in dat kader het Amerikaanse Congres de Marshall-hulp goed te keuren.

De staatsgreep in Praag in februari 1948 wekte in de Verenigde Staten (voortaan genoemd VS) en in West-Europa grote onrust. Het Amerikaanse Congres liet zijn bezwaren tegen de Marshall-hulp vallen.

West-Europese landen waren bereid samen tegenwicht te bieden aan de militaire overmacht van de SU in Europa. De blokkade van Berlijn (1948-1949) wees uit dat de grens tussen 'Oost en West' in Duitsland lag.

Deze ontwikkelingen werden voor een groot deel bepaald door de geallieerde bezetters. Tot 1947 voerde elke mogendheid in haar zone een eigen politiek.

Geen van de geallieerden leek er in Jalta en Potsdam op uit Duitsland definitief te verdelen. Konrad Adenauer, van 1949 tot en met 1963 bondskanselier, was veel pessimistischer over de toekomst van Duitsland. In oktober 1945 schreef hij in een brief: 'Rusland trekt zich steeds meer terug uit de samenwerking met de andere geallieerden en regeert in de bezette gebieden geheel naar eigen goeddunken. In de door Rusland bezette gebieden heersen nu al geheel andere economische en politieke toestanden dan in het overige deel van Europa. Daardoor is de scheiding van Oosteuropa, het Russische deel, en Westeuropa een feit.

Welke nationale ontwikkelingen tussen 1945 en 1949 bevorderden de Duitse deling?

Hitler's strategie om tot het laatste moment door te vechten resulteerde in een enorme verwoesting van Duitsland. In Berlijn werden tot enkele dagen vóór de capitulatie nog straatgevechten geleverd, de hoofdstad lag voor een groot deel in puin. De Duitse economie stagneerde volkomen, de fabrieken waren door geldgebrek aan grondstoffen praktisch stilgelegd, het aantal werklozen liep in de miljoenen, voedsel was schaars. De mark was waardeloos, sigaretten waren het voornaamste betaalmiddel. Deze problemen werden nog eens vergroot door de stroom vluchtelingen uit de voormalige Duitse gebieden in Polen en Rusland.

De communistische partij, de KPD, speelde een belangrijke rol in de Sovjetische Besatzungszone (SBZ). Onder het toeziend oog van de Sovjet-autoriteiten kregen de partijleden de sleutelfuncties in de wederopbouwen het bestuur van de SBZ in handen. Uit de wederopbouwmaatregelen bleek dat de economie en de politiek in de SBZ anders georganiseerd zou worden. Zo werd een aantal grondbezitters onteigend, de privésector in handel en industrie werd zo veel mogelijk beperkt en de enig toegelaten vakbond stond onder toezicht van de communistische partij. Deze maatregelen brachten een nieuwe stroom vluchtelingen op gang, ditmaal binnen Duitsland van de SBZ naar de westelijke zones.

Bizonië

Ook in het Westen was met de wederopbouw van de politiek en de economie begonnen. Vooral de Amerikanen waren ervan overtuigd dat zonder een goed functionerende Duitse economie het herstel van de Duitse democratie en de Europese economie onmogelijk konden lukken. Generaal Clay, bevelhebber van de Amerikaanse sector, nam het initiatief om de herstelpogingen van de Britten en de Amerikanen te bundelen. Bizonië was de naam van de, onder Russisch en Frans protest, in september 1946 samengevoegde sectoren.

Al eerder was het tot een Amerikaans-Russisch conflict gekomen. Clay had de Russische eis voor herstelbetalingen uit de Amerikaanse sector afgewezen. Volgens Clay leverden de Russen geen bijdrage aan de oplossing van de gezamenlijke economische problemen.

De verhoudingen tussen de westelijke geallieerden en de Sovjets waren eind 1946 aardig slecht geworden, door de economische maatregelen in de SBZ, de politieke monopoliepositie van de communistische SED, het stopzetten van herstelbetalingen en de oprichting van Bizonië. De jaren 1947 en 1948 zouden te zien geven dat de de verhoudingen verhoudingen werden voortdurend slechter in de jaern 1947 en 1948.

De economische scheiding

De Amerikaanse president Harry Truman kondigde op 12 maart 1947 in een redevoering tot het Amerikaanse congres een nieuw Amerikaans buitenlands beleid aan. Het uitgangspunt van dit beleid - ook wel Truman-doctrine genoemd - hield in dat er geen sprake zou zijn van een terugkeer naar het traditionele Amerikaanse isolationisme. Door de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog was volgens Truman het machtsevenwicht veranderd. Het was noodzakelijk geworden democratieën overal ter wereld ter zijde te staan en te steunen tegen het offensief van de Sovjet-Unie.

Historici beschouwen deze redevoering wel als het moment waarop de Koude Oorlog overging van kleine conflicten naar rechtstreekse confrontaties. Deze steun tegen het communisme kon volgens de Amerikanen alleen succes hebben als de levensomstandigheden in Europa zouden verbeteren.

Marshallplanhilfe

Generaal Marshall legde de basis voor een grootscheepse hulpcampagne voor alle Europese landen; in principe was deze hulp dus ook beschikbaar voor de Oosteuropese landen.Verzet Dit European Recovery Plan, beter bekend als Marshallhulp, stuitte op groot verzet van de Sovjet-Unie en de SED. Zij vonden het Amerikaanse aanbod een ongewenste inmenging in de binnenlandse ontwikkeling van hun landen en zagen het Marshallplan als een voorbeeld van agressief Amerikaans 'dollarimperialisme'. Eind juni 1974 vond in Moskou een conferentie plaats om het—Amerikaanse aanbod verder uit te werken in onderling overleg. De ministers van Buitenlandse Zaken van de vier geallieerden konden het op geen enkele wijze eens worden over de economische en politieke toekomst van Duitsland en Oost-Europa.

De Marshallhulp werd namelijk alleen gegeven op voorwaarde dat de ontvangende landen nauw zouden samenwerken. In de praktijk zou dit een zekere integratie van de SBZ en Bizonië betekenen. De Sovjet-Unie ging op het Amerikaanse aanbod niet in, en verliet uit protest de Allierte Kontrollrat. Dit was de eerste stap in de richting van de definitieve deling van Duitsland.Geldhervorming Om de Marshalhulp enige kans van slagen te geven, moest in Bizonië eerst een geldhervorming worden doorgevoerd. Door de economische chaos was het geld waardeloos geworden. Er werd veel ruilhandel gedreven.

Op 18 juni 1948 werd al het geld dat nog in omloop was ongeldig verklaard en per persoon kreeg men 40 nieuwe marken, de Deutsche Mark. De voorraden die speciaal voor dit moment waren achter gehouden, vulden plotseling de winkels. De mensen konden met hun nieuwe geld weer wat kopen tegen normale prijzen.De Sovjet-Unie reageerde met het verbod op het gebruik van het nieuwe geld in de SBZ en héél Berlijn, inclusief de westelijke sectoren. De volgende dag betrokken de Britten en de Amerikanen ook hun zones in Berlijn bij de geldhervorming. De geldhervorming betekende de economische scheiding van de Westelijke zones en de SBZ.

Omdat de toegangswegen over land naar Berlijn nooit in enige officiële afspraak waren geregeld, konden de Sovjets onder het excuus van 'technische moeilijkheden' de wegen over land en water afsluiten voor elk verkeer. Dit gebeurde op 24 juni, enkele dagen na de geldhervorming in Bizonië.

blokkade berlijn

Eén van de mogelijke reacties van de Amerikanen en de Engelsen was het recht van vrije doorgang af te dwingen door militaire voertuigen te laten oprukken naar Berlijn. Generaal Clay wees deze mogelijkheid als te gevaarlijk van de hand; gekozen werd voor een luchtbrug. Amerikaanse en Britse vliegtuigen bevoorraadden Berlijn; in totaal werden 'cnd de 200.000 vluchten uitgevoerdiel zo'n 150 per dag.

De vrije toegang tot West-Berlijn werd de inzet van een prestigestrijd tussen Oost en West. De Sovjet-Unie durfde geen oorlog te riskeren en liet de vliegtuigen ongemoeid naar Berlijn gaan.

Na de afkondiging van de blokkade verklaarde de SED de Berlijnse gemeenteraad voor afgezet. Zij richtte een eigen stadsbestuur op voor de Russische sector. Dit stadsbestuur werd door de Sovjets erkend. Berlijn was als eerste deel van Duitsland definitief gedeeld. West-Berlijn bleef onder bestuur van de drie geallieerden, Oost-Berlijn daarentegen werd met instemming van de Russen en onder Amerikaans protest een deel van de DDR. De regering van de DDR werd in de Oostberlijnse villawijk Pankow gevestigd, door Oostberlijners spottend wel eens Volvograd genoemd.

1949,'Stalin's misrekening'

12 Mei 1949, feest in West-Berlijn, na 11 maanden is de Sovjet-blokkade opgeheven. Stalin heeft geen van zijn doelen bereikt: in plaats van de door Stalin geëiste integratie van West-Berlijn in de Sovjet-zone bleef West-Berlijn een westerse voorpost. Evenmin kwam iets terecht van de eis 'alle bezettingstroepen uit Duitsland'.

De crisis rond Berlijn stimuleerde de oprichting van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (Navo) in april 1949; het westelijk deel van Duitsland behoorde tot het verdragsgebied. Op 8 mei gaven vertegenwoordigers van de westelijke Duitse deelstaten hun goedkeuring aan een grondwet voor een Westduitse staat, tegen de zin van Stalin die voorstander was van een Duitse eenheidsstaat met een 'anti-fascistische regering'.

Tijdens de blokkade waren in Oost en West voorbereidingen op gang gebracht om een grondwet aan te nemen. Op 23 mei 1949, enkele dagen na het beëindigen van de blokkade, werd de grondwet van de BRD aangenomen. De DDR, die de grondwet óók klaar had, kondigde enige tijd later ook een eigen constitutie af. Door de economische en politieke verschillen tussen de beide delen van Duitsland èn onder invloed van de Koude Oorlog was de deling definitief geworden.

Het ontstaan van de West-Duitse Bondsrepubliek

Van Berlijn naar Bonn

Het initiatief tot de vorming van een Duitse `Weststaat' was afkomstig van de westelijke mogendheden. Het werd genomen op het moment dat met het Amerikaanse Marshall-plan en de ‘containment'-politiek een duidelijke koers werd uitgezet in de richting van de economische en militaire aaneensluiting van West-Europa, op het tijdstip ook waarop het besef zich baanbrak dat de westelijke bezettingszones bij het westelijke blok moesten worden getrokken. De motieven achter dit initiatief zijn duidelijk. De wederopbouw van West-Europa hing niet in de laatste plaats af van de vraag in hoeverre het zou lukken de politieke en economische structuur van West-Duitsland te stabiliseren. En daarbij: het Duitse industriële potentieel, met name van het Ruhrgebied, moest onder controle worden gehouden om daarmee voor de toekomst elk agressiegevaar uit te bannen, terwijl het tevens in de West-Europese economie moest worden ingevoegd en productief gemaakt.

Op de Londense zesmogendhedenconferentie van voorjaar 1948 viel de beslissing. De Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en -de Beneluxlanden kwamen overeen een reeks eerste maatregelen te nemen die de economische integratie van West-Europa moest inluiden. Er zou een internationaal controleorgaan voor het Ruhrgebied worden gevormd en een geallieerd `Veiligheidsbureau' worden opgericht. In hun communiqué van 7 juni beloofden de conferentiepartners het Duitse volk de gelegenheid te geven een gemeenschappelijke basis te bereiken voor een vrije en democratische regeringsvorm, teneinde daardoor het herstel mogelijk te maken van de Duitse eenheid, die op dit ogenblik verbroken is'.

Met deze `Londense aanbevelingen' ging de geallieerde Duitsland-politiek een nieuwe fase in. De tot dusver toegepaste negatieve en beperkende controlemaatregelen werden geleidelijk opgeheven en maakten plaats voor een beleid van coöperatie en gedeeltelijke integratie. En bij de vorming van een afzonderlijke West-Duitse staat kon men uiteraard niet buiten Duitse politici. Het waren de elf ministers-presidenten van de Länder in de westelijke zones, die als hoogste Duitse vertegenwoordigers opgeroepen werden hun bijdrage te leveren aan de stichting van de nieuwe staat. Op 1 juli overhandigden de drie militaire gouverneurs te Frankfurt aan de regeringschefs van de deelstaten drie stukken, de zogenaamde documenten van Frankfurt' (Frankfurter Dokumente). Daarin werden de ministers-presidenten gemachtigd voor 1september een constituerende vergadering bijeen te roepen. Voorts werd hun gevraagd hun gedachten te laten gaan over eventueel wenselijke grenswijzigingen tussen de deelstaten en zo nodig zelf met voorstellen te komen. En tenslotte werden zij ervan in kennis gesteld dat de geallieerden een bezettingsstatuut in voorbereiding hadden dat de betrekkingen tussen de drie mogendheden en de toekomstige Duitse regering zou regelen.

`Voorlopige constructie'

De ministers-presidenten trokken zich in besloten vergadering terug om een gemeenschappelijke politiek uit te stippelen. Drie dagen lang, van 8 tot 10 juli, beraadslaagden zij in het slot Rittersturz bij Koblenz over de geallieerde richtlijnen. Het resultaat van de besprekingen was voor de bezettingsautoriteiten teleurstellend: de reacties van Duitse kant waren terughoudend, ja onverhuld afwijzend. Niemand wist enthousiasme op te brengen voor een afzonderlijke West-Duitse staat, met soevereiniteitsrechten die onduidelijk waren zolang het bezettingsstatuut nog in de pen zat. Maar de voornaamste bezwaren betroffen iets anders, namelijk de repercussies die een verzelfstandiging van West-Duitsland zou hebben ten aanzien van de rijkseenheid: men vreesde een verdieping van de kloof die Duitsland reeds in tweeën sneed. De ministers-presidenten zagen zich voor het dilemma geplaatst: óf versterking van de centrale West-Duitse overheidsorganen. óf consolidatie van de deling. Uit dit dilemma zochten zij een uitweg, en die uitweg vonden zij in de vorm van het 'provisorium', de voorlopige constructie 'Bundesrepublik’. Bij alles wat gedaan werd moest het provisorische karakter van deze nieuwe federatieve West-Duitse staat. gehandhaafd blijven, teneinde het uiteindelijke doel - de hereniging van Duitsland — niet onbereikbaar te maken. Om deze reden schrapten zij ook de begrippen nationale vergadering (Nationalversammlung), constitutie (Verfassung) en plebisciet (Volksentscheid) uit hun vocabulaire. Voor de volksvertegenwoordiging koos men de term 'parlementaire raad' (ParlamentarrischerRat);aan dit lichaam zou de taak toevallen de 'grondwet' (Grundgesetz ), de 'voorlopige' constitutie te ontwerpen.

Het geallieerde opperbevel was weinig ingenomen met de besluiten van Koblenz; met teleurstelling namen de generaals kennis van het 'provisorium'-concept. Van de aanbevelingen van Londen wensten zij echter onder geen beding af te wijken en aan de Duitse autoriteiten werd te verstaan gegeven wat de consequenties van hun afwijzende houding konden zijn. Het omineuze woord `Berlijn' viel; men zinspeelde op een eventuele geallieerde ontruiming van de door de Russen geblokkeerde stad. Nadat de regeringschefs van de deelstaten om bedenktijd hadden verzocht, werd op 21 en 22 juli te Rüdesheim een tweede conferentie belegd. De bereidheid om tot een compromis te komen begon zich thans af te tekenen. Tenslotte, na nieuwe onderhandelingen met de militaire gouverneurs, werd op 26 juli een akkoord bereikt. De parlementaire raad mocht de grondwet ontwerpen.

De ministers-presidenten gingen aan het werk. Zij stelden een commissie in, bestaande uit vooraanstaande staatsrechtdeskundigen en vertegenwoordigers van de diverse deelstaten; de taak die de commissie zich zag toebedeeld, was de formulering van de beginselen waarop de toekomstige grondwet moest zijn gebaseerd. Van 10 tot 23 augustus vergaderde de commissie op uitnodiging van de Beierse minister-president op het eilandje Herrenchiemsee, waar haar het praalslot van Lodewijk liter beschikking stond. Na zesenveertig zittingen had men een memorandum over een `bond van Duitse landen' gered. Dit ontwerp werd vervolgens door de ministers-presidenten, tezamen met andere adviezen die inmiddels ook van andere zijden waren binnengekomen, aan de parlementaire raad voorgelegd. Dit pakket aanbevelingen, gepresenteerd als basis voor de komende discussie, zou evenwel maar matige aandacht krijgen.

parlementaire raad 1 sept 1948

Binnen de door de geallieerden gestelde termijn trad de parlementaire raad in werking. In augustus waren de volksvertegenwoordigers door de landdagen gekozen en op 1 september kwam de raad, 65 man sterk, bijeen in het gebouw van de Pädagogische Akademie te Bonn. De zetelverdeling was als volgt: CDU/CSU 27, SPD 27, FDP 5, DI' (Deutsche Partei), katholieke Centrumpartij en communisten elk 2. Voorzitter van de raad was Konrad Adenauer, en dit nieuwe ambt verschafte de drieënzeventigjarige CDU-politicus de mogelijkheid op te treden als 'woordvoerder van de Bondsrepubliek in oprichting' en zijn eigenlijke, late carrière te beginnen. Onmiddellijk werd overgegaan tot de vorming van commissies en partijfracties.

Uitgangspunt: Weimar

Van het begin af aan stond de raad het lot van de republiek van Weimar duidelijk voor ogen. 'Weimar' was uitgangspunt en ‘mene tekel’ tegelijk. Men wilde lering trekken uit de fouten van het verleden en de noodzakelijke consequenties niet uit de weg gaan. Een groot deel van de parlementariërs had ten tijde van de onfortuinlijke republiek zelf actief aan het politieke bedrijf deelgenomen en hun ervaring was voor het stuk werk dat thans verricht moest worden, van grote waarde.

De Bondsrepubliek werd geconcipieerd als bondsstaat. Scherpe controversen riep de vraag naar de verhouding federatiedeelstaten en de daaraan verbonden competentiekwesties op. Met name was daarbij de soevereiniteit op financieel fiscaal gebied in het geding: hoe moesten de verantwoordelijkheden worden afgebakend ten aanzien van de heffing en inning van de belastingen en de besteding van de overheidsgelden? De CDU/CSU legde sterk de nadruk op de verantwoordelijkheid der deelstaten, terwijl de sociaaldemocraten een krachtiger centraal gezag bepleitten. Maar ook was het evident dat de partijpolitici hadden geleerd van het verleden en bereid waren tot compromissen om hun 'historische taak', het gezamenlijk werken aan de nieuwe grondwet en het opbouwen van een nieuwe democratische staat, niet in gevaar te brengen. Kritieke momenten bleven echter niet uit: heel wat harde partijpolitieke debatten werden gevoerd en beschuldigingen vlogen over en weer, met name tussen de twee grote kemphanen Adenauer en Schumacher; hete hangijzers waren bijvoorbeeld het bijzonder onderwijs en de nationalisatie van de basisindustrieën. En niet in de laatste plaats dreigden tijdelijk ook nog spanningen met de militaire gouverneurs alle verdere activiteit van de parlementaire raad stop te zetten.

Herhaaldelijk hadden de geallieerden zich met de werkzaamheden bemoeid en meermalen was van hun kant afwijzend gereageerd op de ingediende ontwerpen. Maar ook zij waren bereid tot zekere concessies, teneinde het begeerde doel — vorming van een West-Duitse staat op zo kort mogelijke termijn — spoedig te bereiken. Zelf hadden zij daarvoor de weg geëffend en de nodige beveiliging - en ondersteuningsmaatregelen getroffen. De drie bezettingszones werden samengevoegd en tot de zogenaamde 'trizone' verenigd. Het 'Ruhrstatuut' werd ondertekend, het toekomstige bezettingsstatuut bekendgemaakt en een nieuw industrieplan opgesteld. Vrijwel gelijktijdig met het afkomen van deze besluiten bracht de parlementaire raad de beraadslagingen, die acht maanden hadden geduurd, tot een einde.

Op 8 mei 1949, op de kop af vier jaar na Duitslands onvoorwaardelijke capitulatie, werd de grondwet in de raad in stemming gebracht. Met 53 tegen 12 stemmen werd de wet aangenomen.

'Bundesdorf' Bonn

Met het uitwerken en aannemen van de 'voorlopige' constitutie was het werk van de parlementaire raad nog niet af. Er waren nog enige kwesties die om een oplossing vroegen. De nieuwe staat had een nieuwe hoofdstad nodig. Want Berlijn, de oude rijkshoofdstad, kwam in mei 1949 niet meer in aanmerking; dit op grond van een geallieerd veto. Reeds eerder waren de bezettingsmogendheden niet bereid geweest hun rechten en verantwoordelijkheden inzake Berlijn op te geven en de drie westelijke sectoren van de verdeelde stad als twaalfde West-Duitse deelstaat in de Bondsrepubliek te laten opnemen. De speciale status van de stad, die in 1949 juist heelhuids door de Russische blokkade heen was gekomen, werd niet aangetast. De geallieerden achtten het dan ook van de grootste betekenis dat parlementariërs uit West-Berlijn uitsluitend als waarnemers tot de vergaderingen van de parlementaire raad werden toegelaten.

Niet Berlijn dus. Met de keuze van een hoofdstad werd een speciaal daartoe aangewezen commissie van de parlementaire raad belast. Kandidaten voor de eer waren Bonn, Kassel, Stuttgart en Frankfurt. Men wikte en woog. De CDU/CSU koos voor Bonn, de SPD voor Frankfurt am Main. Deze beide steden werden op 10 mei 1949 aan de voltallige vergadering in overweging gegeven; Bonn kreeg de meeste stemmen: 33 tegen 29. De 'voorlopige', 'provisorische' hoofdstad — het Bundesdorf — was gevonden.

Het volgende punt dat aan de orde kwam, was de nieuw aan te nemen kieswet, uiteraard nodig om Bondsdagverkiezingen te kunnen uitschrijven. Na lange debatten en onderhandelingen met de ministers-presidenten en de geallieerden werd de kieswet op 15 juni afgekondigd. Men had zich uitgesproken voor een kiesstelsel volgens evenredige vertegenwoordiging met voorkeurstemmen. Inmiddels woedde de verkiezingsstrijd zelf reeds in alle hevigheid. CDU en SPD wedijverden om de gunst van een kiezerskorps dat tot dusver van weinig actieve belangstelling had blijk gegeven. Voor hetgeen zoal in de parlementaire raad achtereenvolgens aan de orde was geweest, had de grote massa zich nauwelijks geïnteresseerd. Inzet van de verkiezingsstrijd waren dan ook de 'directe' behoeften, de economisch- en sociaal-politieke kwesties. Centraal stonden de woningbouw, het 'Vertriebenen'- en vluchtelingenprobleem, de beroepsopleiding en de belastingwetgeving.

Een fel omstreden punt vormde voorts de door de CDU gepropageerde bijzondere school, het zogeheten `recht van de ouders' ('Elternrecht).

Een geliefd thema was ook de Duitse positie ten opzichte van de geallieerden, met als kernstuk de ontmantelingspolitiek en de controle van het Ruhrgebied. Nog op de achtergrond stond de propagering van een Europa-ideologie, een ideologie die evenwel was voorbestemd snel vaste voet te krijgen, het wereldbeschouwelijke vacuüm te vullen en steeds meer als banier te gaan fungeren waaronder de ijveraars voor hereniging van Duitsland zich verzamelden.

CDU/CSU wint

CDU affiche 1949

Op 14 augustus 1949 was het dan zover: de West-Duitse bevolking ging naar de stembus. Het opkomstpercentage bedroeg 78,5 en de CDU/CSU kwam als de sterkste partij uit de verkiezingsstrijd te voorschijn. Niet minder dan 7,36 miljoen stemmen wist de Uniecombinatie op zich te verenigen. De kiezers waren niet doof gebleken voor de beloften van een 'sociale markteconomie', en zij zouden niet worden teleurgesteld. Erhards conceptie bracht hen weldra tot nieuwe, ongekende welstand. De SPD moest genoegen nemen met 6,93 miljoen stemmen. Planeconomie en socialisatie kwamen niet aan bod, evenmin als een maatschappelijke herstructurering. Het herstel schreed voort. In de zetelverdeling van de Bondsdag kwam de verkiezingsuitslag als volgt tot uitdrukking: van de in totaal 402 zetels bezette de CDU/CSU er 139, de SPD 132 en de FDP 52. DP en Bayernpartei kregen elk 17 zetels, de communisten sleepten er slechts 15 in de wacht; wat overbleef ging naar een aantal splinterpartijen.

Adenauer toonde zich tevreden. Snel nam hij het initiatief tot vorming van een regeringscoalitie. Een grosse Koalition met de sociaaldemocraten vond — zeer tot leedwezen en ergernis van enige van zijn politieke vrienden – geen genade in zijn ogen. Zonder de toestemming van de hoogste Unieleiding af te wachten 'besliste' hij ten gunste van een samengaan met de liberalen en de Deutsche Parlei. Reeds een week na de verkiezingen nodigde hij een aantal leidende CDU-politici bij zich thuis in Rhondorf uit, liet zich binnenskamers tot toekomstig bondskanselier benoemen en verdeelde ministersposten. Toen al kondigde zich zijn 'persoonlijke regeerstijl' aan. Op 7 september kwam de Bondsdag voor de eerste maal in zitting bijeen. Onmiddellijk daarna werd de plenaire bondsvergadering (Bundesvollversarnmlung) bijeengeroepen, bestaande uit de leden van de Bondsdag en de Landdagen. De taak van de vergadering: de verkiezing van de toekomstige bondspresident. De keuze viel op de FDP-politicus dr. Theodor Heuss, die vervolgens overeenkomstig de grondwet, aan de totstandkoming waarvan hij in belangrijke mate had bijgedragen, als kandidaat voor het bondskanselierschap de voorzitter van de grootste partij voordroeg: Konrad Adenauer.

Op 15 september vond de gedenkwaardige stemming plaats. Met slechts één stem meerderheid werd Heuss' kandidaat gekozen. Op de vraag of hij op zichzelf had gestemd, antwoordde Adenauer later: 'Inderdaad. Iets anders zou mij immers als pure huichelarij zijn voorgekomen.'

inauguratie Adenauer

Vijf dagen later gaf hij zijn regeringsverklaring uit, terwijl hij tevens zijn eerste kabinet voorstelde. Van de dertien ministers waren er vijf uit de CDU afkomstig, drie uit haar Beierse zusterpartij, drie uit de FDP en twee uit de DP. Op 21 september maakte de bondskanselier met enkele van zijn ministers in het hotel op de Petersberg zijn opwachting bij de voormalige militaire gouverneurs. De generaals hadden hun uniform uitgetrokken en presenteerden zich thans in hun functie van hoge burgerlijke commissaris. Het was met recht een 'historische dag'. De oorkonde van het bezettingsstatuut werd aan de nieuwe Duitse regering overhandigd. De geallieerde militaire regeringen bestonden niet meer. Een nieuwe fase, een nieuwe 'overgangstijd' was ingegaan.

Een aantal belangrijke soevereiniteitsrechten en controlerende bevoegdheden bleef vooralsnog in handen van de westelijke bezettingsmogendheden, onder andere de demilitarisering, de controle van het Ruhrgebied, de buitenlandse politiek, de deviezen- en buitenlandse handel, alsmede het recht tot grondwetswijziging. De 'voorlopige constructie Bondsrepubliek' (das Provisorium Bundesrepublik) ging haar proeftijd in. Stap voor stap zouden aan de jonge, democratische West-Duitse staat de hem vooralsnog onthouden soevereiniteitsrechten worden verleend. Op 5 mei 1955 werd het bezettingsstatuut opgeheven.

Het ontstaan van de Duitse Democratische Republiek

gdr 1949

De ontwikkelingen in de oost-zone tussen 1945 en 1949 vertoonden overeenkomsten met ontwikkelingen in Oost-Europese landen; om steun van groepen Duitsers te behouden of te verwerven vonden ze alleen meer geleidelijk plaats. Onder druk van de Sovjet-autoriteiten kwam de macht te liggen bij de SED waarin de communisten de hoofdrol speelden. De economie werd omgevormd naar sovjetmodel. Dit proces droeg bij aan de deling van Duitsland.

Duitsland bezet, 1945-1948: Sovjet-Zone

 In de laatste maanden van Wereldoorlog II, de oostelijke delen van Duitsland had zware gevechten laten zien en als het gevolg daarvan ernstige vernietiging. De stad van Dresden, leed in februari 1945, de meest ernstige schade en  levens  in een driedaags brandbommen bombardement . Soldaten van het rode leger, die de brutaliteit van de Duitse bezettingsmacht in Rusland hadden ervaren , betaalden de Duitsers op dezelfde wijze terug .

Amerikaanse troepen trokken zich terug uit de gebieden Mecklenburg, Saksen-Anhalt, Sachsen en Thüringen die ze tijdelijk bezet hadden gehouden. Met de stilzwijgende goedkeuring van de Sovjet-Unie bezetten Poolse troepen de stad Stettin, gesitueerd op de westelijke oever van de rivier de Oder. 
Het Sovjet-militair bestuur, was met korte uitzonderingen, gericht op de handhaving van de eenheid van Duitsland. Op regionaal niveau ontbonden ze de Pruisische staat, en crieerden "Länder" (Staten) van relatief gelijke grootte. De nieuwe regering moest veel problemen het hoofd zien, zoals een groot aantal ontheemden - vluchtelingen, degenen die waren gebombardeerd, ontslagen soldaten enz. Er was een ernstig tekort aan huisvesting, van voedsel, van steenkool. De economie moest van een oorlogstijd economie worden veranderen naar een vredeseconomie. 

Ondanks deze urgente problemen had het Sovjet-militair bestuur andere prioriteiten. Tijdens de oorlog, had de Sovjet-Unie enorme verliezen geleden zowel in termen van mensenlevens als in termen van structurele schade. Rusland, liepaltijd achter op technologischegebied. Nu bezette het Sovjet-leger deel van een technologisch geavanceerde land. Stalin ging van Duitse herstelbetalingen uit in  eventueel vredesverdrag geregeld moesten worden, en in de tussentijd,liet hij  hele fabrieken en spoorweg lijnen in Duitsland gedemonteren, om verzonden te worden naar de Sovjet-Unie en weeropgebouwd.  Met meer aandacht dan de besturen van de westelijke Zones,  werd de denazificatie uitgevoerd. De Sovjets hielden concentratiekampen (Ravensbrück, Sachsenhausen) open, waar nazi's en vermoedelijke tegenstanders van de Sovjet-regering gevangen werdn gehouden. Ze werden pas gesloten zodra de DDR in 1949 soevereiniteit werd toegekend.

De rantsoeneringseconomie  door middel van bonnen werd voortgezet; net als in het westen bloeide er een zwarte markt. De Sovjets begon het IJzeren Gordijn langs de westelijke grens van hun invloedssfeer te ontwikkelen, de voortdurende stroom van vluchtelingen, nu uit de Sovjet-Zone in de westelijke zones van Duitsland, was een belangrijke reden. Tot 1961 (bouw van de Berlijnse muur) zou het IJzeren Gordijn hebben een gat hebben , waardoor duizenden vluchtelingen naar  West-Duitsland konden vluchten.

Al vroeg keerde een groep van Duitse communisten, die in ballingschap waren gegaan onder leiding van Walter Ulbricht, terug  uit Moskou. In de Sovjet-zone, werden politieke partijen opgericht - de christen-democraten (CDU), liberalen (LDPD), de Boerenpartij (DBD, de Nationaal-Democraten (NDPD), de sociaal-democraten (SPD) en in een  vorgetrokken  positie de communisten (de KPD). Op staatsniveau, werden anti-fascistische coalitiebewegingen, bestaande uit vertegenwoordigers van alle partijen, gevormd. Deze werden gedomineerd door de KPD, die in April 1946 werd samengevoegd met de SPD, die nieuwe partij werd SED (Sozialistische Einheitspartei Deutschlands)genoemd; tot de  fusie werd de SPD gedwongen.

Eind 1945 werd een landhervorming uitgevoerd; grote landgoederen, meestal eigendom van de adellijke families werden in beslag genomen, en werd verdeeld onder steenhouwers en landloze knechten. Een hervorming van het onderwijs leidde tot een scheiding van kerk en staat op het niveau van basisscholen (1946). Banken waren al genationaliseerd in 1945; in 1946 werd tot confiscatie van eigendommen van nazi-oorlogsmisdadigers besloten; de zware industrie werd genationaliseerd.

In de Koude Oorlogspropaganda werd vanaf 1948 de samenleving in de oost-zone gepresenteerd ais het antifascistisch alternatief voor West-Duitsland.

Met toestemming van Stalin werd in de Oost-zone in het najaar van 1949 de Duitse Democratische Republiek (DDR) opgericht, een 'boeren- en arbeidersstaat' zoals de andere volksdemocratieën in het Oostblok. De politieke macht was in handen van de communisten, de economie was in handen van de staat

Zie voor deel 14 Een geschiedenis van Brandenburg - Pruisen Deel 14