We hebben 276 gasten online

Een geschiedenis van Brandenburg - Pruisen Deel 14

Gepost in Midden en Oost-Europa

 West- Duitsland BRD 1945 - 1990

 

De VS hadden andere redenen voor hun koers­wijziging, dan de Russen. De bezetting was te kostbaar. Maar belangrijker was dat ze niet langer Duitsland als belangrijkste bedreiging voor de vrede zagen, maar de Sovjetunie. In de verdediging tegen `het rode gevaar' was een straatarm Duitsland een zwakke schakel. Bovendien bemoeilijkte de Duitse malaise het economisch herstel van West-Europa, dat daardoor een makkelijke prooi voor de communisten zou kunnen worden. Daarom moest de vijand uit de Tweede Wereldoorlog een bondgenoot in de Koude Oorlog worden. Duitsland moest weer op eigen benen kunnen staan.

Van groot belang voor het herstel was de Marshall-hulp, het Amerikaanse hulpprogramma om West-Europa er weer bovenop te helpen. In Duitsland was deze hulp buitengewoon effectief. Dank zij miljarden geschonken en voordelig geleen­de dollars kon de industrie de goederen kopen die zij nodig had om weer op gang te komen. Vanaf de zomer van 1948 trad een flinke verbetering op in de voorziening van eerste

levensbehoeften. Toen de Marshall-hulp in 1952 na vier jaar afliep, was de Duitse export al hoger dan de import. Daarna groeide de Duitse economie op eigen kracht verder, al had in de eerste helft van de jaren vijftig lang niet iedereen deel aan de welvaart. Miljoenen Westduitsers waren aangewezen op een lage bijstandsuitkering. Maar ook daaraan kwam een eind. De economie groeide zo hard dat in 1961 de hele beroepsbevolking, inclusief 2,5 miljoen vluchtelingen uit de DDR, werk had. Tussen 1961 en 1973 trok Duitsland nog eens 2,5 miljoen gastarbeiders aan. De welvaart steeg sneller dan ooit. Het gemiddelde inkomen nam nog sterker toe dan in de laatste jaren van het keizerrijk. De Duitse economie werd weer de sterkste van Europa. Het symbool van de nieuwe welvaart werd in de jaren vijftig en zestig de Volkswagen Kever. Wat Hitler alleen maar had beloofd, werd nu werke­lijkheid: iedere Duitser kreeg een auto.

Het Wirtschaftswunder

Voor de bevolking kwam de permanente welvaarsstijging na de jaren van diepe armoede als een wonder, het Wirt­schaftswunder. Welke waren de oorzaken? Er zijn drie:

1 de verbondenheid van West-Duitsland met de wereldeco­nomie

2 het economische systeem van de Bondsrepubliek

3 de mentaliteit van de Duitse bevolking.

Dankzij de Marshall-hulp werd West-Duitsland weer opgeno­men in de wereldeconomie. Na 1950 groeide de wereldeco­nomie als geheel sterk, en West-Duitsland kon daarvan mee­profiteren. Het kreeg een typische exporteconomie. Dit was mede mogelijk door het systeem van de sociale marktecono­mie. Tussen 1933 en 1945 was het Duitse bedrijfsleven aan nauwgezette staatscontrole onderworpen en was het afhanke­lijk van staatsopdrachten. De Bondsrepubliek liet de econo­mie weer vrij, zonder terug te keren tot het ongebreidelde kapitalisme van voor 1933. De vrije concurrentie werd ge­koppeld aan een stelsel van sociale zekerheid. Werkgevers en vakbonden maakten afspraken over lonen en andere arbeids­voorwaarden en er kwam een uitgebreid vangnet van sociale voorzieningen. Het gevolg was dat arbeidsonrust uitbleef. De sociale markteconomie werd zo een belangrijke basis voor economische groei, politieke stabiliteit en opbouw van de democratie.

De ontwikkeling van de economie werd verder bevorderd door de wederopbouwmentaliteit van de Duitsers. Werk­nemers en werkgevers zetten in de jaren vijftig samen de schouders eronder. Zij zagen elkaar niet als tegenstanders, maar als `sociale partners', die samen hun land weer moesten opbouwen. Er werd hard gewerkt, er werden bescheiden looneisen gesteld en er werd weinig gestaakt. Dat hoefde ook niet, want de werkgevers kwamen in redelijke mate aan de wensen van de vakbonden tegemoet. De bonden zetten zich behalve voor de materiële belangen van hun leden ook in voor democratie in de bedrijven. Zij vonden dat de werkne­mers recht hadden op medezeggenschap. Ook de werknemers voelden zich immers voor hun bedrijf verantwoordelijk! In een aantal wetten werd de medezeggenschap geregeld.

Aan het eind van de jaren zestig maakte het bijzonder rusti­ge sociale klimaat plaats voor een wat hardere sfeer. De werknemers gingen de inkomensgroei als vanzelfsprekend beschouwen en waren daardoor minder snel tevreden. Boven­dien kwamen enkele verouderde sectoren, zoals de mijnbouw en de metaalindustrie, in de problemen. Vooral in deze secto­ren nam de arbeidsonrust toe. Maar de sociale en politieke stabiliteit kwam niet in gevaar. Het aantal stakingen haalde dat van Engeland en Frankrijk bij lange na niet, laat staan dat van de Weimar-republiek.

Democratisering

Hoe was het inmiddels afgelopen met het Amerikaanse stre­ven naar democratisering? Zoals we gezien hebben, wilden de VS vooral een stabiele democratie in West-Duitsland ves­tigen. In de Amerikaanse democratiseringspolitiek kunnen we drie aspecten onderscheiden:

1 de denazificatie

2 de democratische heropvoeding

3 de vestiging van een parlementair democratisch systeem.

De Britten en de Fransen voerden in hun zones een verge­lijkbare politiek met vergelijkbare resultaten. 

Als eerste wilden de VS een grondige denazificatie. Ze wil­den alle nazi's, hun helpers en hun sympathisanten verwij­deren uit het ambtelijk apparaat, het onderwijs en de hogere posities in het bedrijfsleven. Dat was een enorme opgave. De meeste Duitsers hadden, al dan niet onder dwang, een bijdra­ge aan het Hitler-regime geleverd. Om te beginnen zetten de Amerikanen 100 000 nazi's gevangen. Vervolgens lieten ze alle Duitsers in hun zone lange vragenformulieren invullen over hun gedrag en gezindheid. Daarna moest een derde van de bevolking voor de rechter verschijnen, die besliste of de verdachten vrijuit gingen. dan wel een beroepsverbod kregen of de gevangenis in moesten.

De denazificatie werd geen succes. Een rechtvaardige mas­sale zuivering bleek onmogelijk. Het aantal verdachten was te groot voor een zorgvuldige berechting. Veel onderwijzers en lagere ambtenaren werd ontslagen, terwijl hoger geplaatsten vaak met handige advocaten aan zuivering wisten te ontko­men. Toen de Amerikanen prioriteit gingen geven aan de wederopbouw, was het met de denazificatie gedaan. Een snelle wederopbouw was zonder medewerking van Duitsers met bestuurlijke en economische ervaring onmogelijk. Juist van hen hadden velen echter actief meegewerkt met het nazi­regime. In 1948 werd de denazificatie definitief beëindigd. Ook veel weggezuiverde personen keerden toen terug op hoge bestuurlijke en economische posten. Dat herinnerde aan de Weimar-republiek, toen de elites uit het keizerrijk zich hadden weten te handhaven. Maar er was een groot verschil. De vroegere antidemocratische elites waren nu uitgeschakeld. Het leger was verdwenen en de landgoederen in het oosten van Duitsland waren onteigend of lagen nu in de Sovjetunie of Polen. Daardoor waren de Junkers hun machtsbasis kwijt. Bovendien werden de hoogste nazi-leiders wel degelijk berecht. In 1946 veroordeelde een internationaal tribunaal in Neurenberg twaalf hooggeplaatste nazi's tot de galg.

De heropvoeding was evenmin een succes. De Amerikanen pakten deze veel te schools aan. Veel Duitsers vonden het schandalig dat de Amerikanen hen met hun vragenlijsten overhoorden, terwijl ze hen honger lieten lijden. Bovendien werd bij de heropvoeding iedereen over één kam geschoren. Verstokte nazi's kregen dezelfde lesjes als degenen die afzij­dig waren gebleven of zich zelf al aan het bezinnen waren. Zelfs verzetsmensen werden door de geallieerden niet voor vol aangezien. Aan het proces in Neurenberg mocht geen enkele Duitse rechter meedoen. Het hele Duitse volk werd als schuldig beschouwd. Bij degenen die zich niet schuldig voel­den, wekte dit verbittering.

Toen de Amerikanen tot de wederopbouw besloten, kregen ook de Duitse democraten meer speelruimte. In 1948 vroegen de westerse geallieerden de democratische leiders een grond­wet te maken voor een parlementair-democratische staat. Dezen voelden hier weinig voor. Niet omdat ze geen parle­mentaire democratie wensten, maar omdat een Westduitsestaat de scheiding met de Sovjetzone definitief zou maken. Maar ze hadden geen keus. De geallieerden maakten de dienst uit. Vanaf de zomer van 1948 werd onder geallieerd toezicht aan een nieuwe grondwet gewerkt. In september 1949 liep dit uit op de stichting van de Bondsrepubliek Duits­land. Dit laatste onderdeel van de Amerikaanse democratise­ringspolitiek zou wel een succes worden. De grondwet van 1949 is, in aangepaste vorm, nog steeds geldig.

De grondwet

In de grondwet zijn de lessen van het verleden verwerkt. De opstellers hebben geprobeerd de zwakheden van de grondwet van Weimar te vermijden.

De Bondsrepubliek is een federale staat. De macht is ver­deeld tussen de centrale regering in Bonn en de zestien deel­staten, de Lander. Zo wordt voorkomen dat in Duitsland opnieuw een sterke centralistische staat ontstaat. De Lander hebben elk een eigen parlement en een eigen regering. Ze mogen de helft van de inkomstenbelasting innen en zijn op veel terreinen, zoals het onderwijs, grotendeels zelfstandig. Verder hebben ze invloed op de centrale regering. Daartoe is het federale parlement verdeeld in twee kamers: de direct door alle kiezers gekozen Bondsdag, en de Bondsraad, die bestaat uit ministers van de Lander. Alle wetsvoorstellen worden eerst behandeld in de Bondsdag. Als de Bondsdag een wetsvoorstel goedkeurt, gaat het naar de Bondsraad. Die kan op een aantal terreinen een veto uitspreken, op andere terreinen kan een negatief oordeel van de Bondsraad later door de Bondsdag overstemd worden.

De lessen van Weimar werken vooral door in de bepalingen over de bondspresident en de bondskanselier. De president wordt niet direct gekozen door het volk, maar door een parle­mentair orgaan, de zogenoemde Bundesversammlung, die bestaat uit de leden van de Bondsdag en evenveel leden van de deelstaatparlementen. De president blijft vijf jaar aan en heeft geen werkelijke macht. Hij heeft net als onze koningin een representatieve functie als staatshoofd. De werkelijke macht ligt bij de bondskanselier. Deze wordt gekozen door de Bondsdag, en kan daarna moeilijk weer afgezet worden. Dat kan alleen via een constructieve motie van wantrouwen. De Bondsdag kan alleen het vertrouwen in de regeringsleider opzeggen door een opvolger aan te wijzen. Zo wordt de poli­tieke stabiliteit vergroot, en worden kabinetscrises, die in de Weimar-republiek schering en inslag waren, vermeden.

De politieke stabiliteit wordt verder bevorderd door een kiesdrempel van 5 procent. Het aantal zetels van een partij in de Bondsdag is evenredig aan haar verkiezingsresultaat. Maar een partij met minder dan 5 procent van de stemmen komt niet in de Bondsdag. Zo wordt de vorming van een parlemen­taire meerderheid vereenvoudigd. Een stabiele meerderheid zou moeilijk te vormen zijn als de zetels over een groot aantal partijen versnipperd waren.

 

Een republiek met republikeinen

De vijfprocentsdrempel heeft gewerkt. Het aantal partijen in de Bondsdag is gering gebleven. Lange tijd waren de zetels verdeeld tussen drie fracties: de CDU/CSU, de SPD en de kleinere FDP.

De geallieerden stonden al in 1945 politieke partijen toe, op voorwaarde dat die de democratische waarden onderschre­ven. De SPD en de KPD werden snel heropgericht. De mees­te katholieke politici sloten zich aan bij de Christlich­Democratische Union (CDU), die net als de vooroorlogse Zentrumpartei alle standen en klassen wilde verenigen. Het verschil was dat de CDU geen katholieke, maar een alge­meen-christelijke, christen-democratische partij was. In de verdrukking hadden katholieken en protestanten geleerd dat zij meer gemeenschappelijks hadden dan zij hadden gedacht en dat zij samen de christelijke waarden moesten verdedigen. Naast de CDU ontstond in Beieren de CSU, de Christlich­Soziale Union. De CSU was conservatiever dan de CDU, en legde sterk het accent op de Beierse belangen. Toch hebben beide partijen altijd nauw samengewerkt. In Beieren doet de CDU niet met de verkiezingen mee, elders stelt de CSU geen kandidaten. In de Bondsdag vormen ze één fractie.

De liberalen ten slotte kwamen wat aarzelender terug dan de socialisten en de christen-democraten. Ze opereerden aan­vankelijk per regio onder een andere naam. Ten slotte gingen ze samen in de Freie Demokratische Partij (FDP), die de nationaal- en de links-liberalen verenigde.

De grote partijen stonden in de jaren vijftig onder leiding van democratische politici uit de Weimar-republiek. Voor hen was de Bondsrepubliek een tweede kans. Zou het ditmaal beter gaan dan dertig jaar terug? Dat leek aanvankelijk hele­maal niet zeker. De Weimar-republiek was zonder buiten­lands ingrijpen tot stand gekomen. Een democratisch gekozen parlement had de grondwet goedgekeurd. De Bondsrepubliek daarentegen was gevormd op bevel van de geallieerden. Het nationale parlement was er niet aan te pas gekomen. De grondwet was van kracht geworden na goedkeuring door de Länder en de geallieerde bezetters. De Bondsrepubliek was dus veel meer dan de Republiek van Weimar een 'on-Duits' produkt.

Toch leverden de eerste nationale verkiezingen, in 1949, een ruime democratische meerderheid op. De CDU/CSU, de SPD en de FDP haalden bij elkaar 72 procent van de stemmen. Dat was echter niet helemaal geruststellend. Ook in de Weimar-republiek hadden de democraten bij de eerste verkiezingen een ruime meerderheid gehaald. Het verschil met toen werd pas goed zichtbaar bij de volgende verkiezingen, in 1953. Toen kregen de CDU/CSU, de SPD en de FDP samen 83,5 procent van de stemmen. Dat percentage bleef daarna stijgen, tot ze in 1972 een recordscore van 99,1 procent boekten. In tegenstelling tot de Weimar-republiek bleef de Bondsrepu­bliek een republiek met republikeinen.

Een conservatieve democratie

Hoe was dit mogelijk? Bestond het Duitse volk na 1945 ineens uit overtuigde democraten? Die conclusie zou te ver gaan. Het grote verschil met 1918 was niet dat de Duitsers bekeerd waren, maar dat Duitsland totaal verslagen was. Niemand kon nu nog de democraten de schuld geven. Het was volkomen duidelijk dat Hitler zelf Duitsland naar de ondergang geleid had. Dat betekende niet dat de Duitse bevolking naar democratie verlangde. De meeste Duitsers hielden zich verre van de politiek. Hun eerste zorg was het lenigen van de materiële nood. Het herstel van de democratie was het werk van een actieve minderheid.

In de jaren vijftig groeide de steun voor de democratie slechts langzaam. De opkomst bij de verkiezingen was hoog, maar dat kwam meer doordat velen het stemmen zagen als een plicht, dan doordat ze betrokken waren bij de politiek. Doordat het economisch goed ging, was er geen aanleiding tot verzet. Maar verder dan passieve aanvaarding van de democratie kwamen de meesten niet. Ze waren trots op het Wirtschaftswunder, niet op de democratie. Politiek werd gezien als een zaak die je beter kon overlaten aan `de hoge heren'.

Typerend voor deze houding was het succes van de eerste bondskanselier, Konrad Adenauer. Adenauer was voor 1933 een prominent lid van de Zentrumpartei. De nazi's hadden hem uit zijn functies ontheven, waarna hij een teruggetrokken bestaan geleid had. Na de oorlog werd hij de onbetwiste lei­der van de CDU. Toen hij in 1949 bondskanselier werd, was hij al 73. `Der Alle' bleek echter precies de leider waaraan het Duitse volk behoefte had. Hij was een overtuigd demo­craat, maar regeerde als een streng huisvader die geen tegen­spraak duldde. Zijn optreden was patriarchaal tot autoritair. Als de Duitsers op hem stemden, garandeerde hij groei en welvaart, en verwachtte hij verder niets van hen. Deze bood­schap werd in 1957 verwoord in de verkiezingsleus 'Keine Experimente', waarmee de CDU de absolute meerderheid haalde.

adenauer

Dankzij Adenauer groeide het vertrouwen in de democratie. De democratie bleek te functioneren. De bejaarde leider bewees dat democratie niet tot instabiliteit en onzekerheid hoefde te leiden. Hij bleef veertien jaar aan het bewind, langer dan Hitler en even lang als de Weimar-republiek had bestaan. Het was een periode van politieke stabiliteit, econo­mische bloei en groeiende sociale zekerheid. Ook dat kon dus in een democratie.

Het politieke klimaat in de jaren vijftig was enigszins con­servatief. Het was ook sterk anti-communistisch. Het anti­communisme was in Duitsland sterker dan in andere Westeuropese landen. De communisten hielden immers een derde deel van Duitsland bezet en dankzij de vluchtelingen uit de DDR waren de Duitsers meer dan andere volkeren op de hoogte van de communistische misstanden. Vanaf de oprichting presenteerde de Bondsrepubliek zich als anti-tota­litaire, strijdbare democratie.

De Westduitse leiders bena­drukten de breuk met het nationaal-socialisme en met de weerloosheid van de Weimar-republiek. De Bondsrepubliek zou de democratie met kracht beschermen tegen de aanvallen van extreem-links en extreem-rechts. Daarbij werd vooral het communisme als bedreiging ervaren. Tegen `het rode gevaar' werd een sterke verdediging opgebouwd: naar buiten toe doordat de Bondsrepubliek vanaf 1955 als lid van de NAVO een leger opbouwde; naar binnen toe door de bestrijding van de KPD. Communisten werden geweerd uit overheidsfuncties en de KPD werd verboden. Dat was eigenlijk overbodig, want de KPD stelde weinig meer voor. Toen ze in 1953 voor het laatst aan de verkiezingen meedeed, haalde ze nog maar 2 procent van de stemmen. Het anticommunisme werd dan ook van harte gesteund door het overgrote deel van de Duitse bevolking. Het was naast het Wirtschaftswunder de tweede pijler onder de jonge democratie. Waar de Duitsers de democratie gingen associëren met veiligheid en welvaart, gingen ze het communisme — en met het communisme ieder totalitarisme — zien als een bedreiging van die pas verworven welvaart en van alles wat goed en waardevol was.

Mentaliteitsveranderingen

Het groeiende vertrouwen in de democratie leidde vanaf het begin van de jaren zestig tot grondige mentaliteitsveranderin­gen. Steeds meer Duitsers gingen zich met de democratie identificeren. Ze wilden niet langer passief blijven, maar had­den een groeiende behoefte aan actief staatsburgerschap. Steeds minder wilden ze het bestuur uitsluitend aan de politi­ci overlaten, steeds vaker verlangden ze openheid en in­spraak.

Symbool voor deze versterking van het democratisch be­wustzijn werd de zogenoemde Spiegel-affaire. Het weekblad Der Spiegel, dat de autoritaire regeerstijl scherp bekritiseerde, publiceerde in 1962 een artikel over een NAVO-oefening. Volgens het artikel was tijdens de oefening gebleken dat het Westduitse leger slecht georganiseerd was. Adenauer en zijn defensieminister Franz Joseph Strauss, die tevens leider van de CSU was, vonden deze onthulling ontoelaatbaar. Zij lieten de gebouwen van Der Spiegel bezetten en 30 000 exemplaren van het bewuste nummer in beslag nemen. De schrijver en de hoofdredacteur verdwenen in de gevangenis wegens 'land­verraad'.

Al snel bleek dat de regering zich zo'n autoritair optreden niet meer veroorloven kon. De pers koos partij voor Der Spiegel en beschuldigde de regering van aantasting van de persvrijheid. Maandenlang werden er protestacties gehouden. Veel bekende en onbekende Duitsers — onder wie 600 hoog­leraren — ondertekenden verklaringen tegen de regering. In het parlement en de pers werden Adenauer en Strauss meer­malen op leugens betrapt. Zo ontkende Strauss aanvankelijk iets met de arrestaties te maken te hebben gehad. Later moest hij toegeven dat hij aanwezig was geweest bij de voorberei­dende besprekingen en ten slotte lekte uit dat hij persoonlijk voor de arrestatie van de schrijver van het artikel gezorgd had. Het hele optreden tegen Der Spiegel was kennelijk uit persoonlijke rancune, en zonder juridische grondslag, gebeurd. De kwestie liep uiteindelijk uit op het aftreden van Strauss en vrijspraak van de verdachten. Voor het eerst in de Duitse geschiedenis was de regering gezwicht voor een democratisch gezinde publieke opinie.

De veranderende stemming in het land werd in de daarop­volgende jaren overal voelbaar. Een voorbeeld daarvan was de verwerking van het verleden. Jarenlang was de nazi-tijd een taboe, waarover men slechts zweeg. Maar vanaf 1960 veranderde dat. In dat jaar begon een serie processen tegen SS'ers, die in Duitsland tot heftige reacties leidde. De pers schreef er uitgebreid over, prominente Duitsers bekenden zich persoonlijk schuldig te voelen aan de nazi-misdaden en jongeren begonnen de ouderen te ondervragen over hun hou­ding in de nazi-tijd. Er kwam een stroom artikelen, boeken en documentaires over nazi-Duitsland op gang, die tot de dag van vandaag aanhoudt.

De hervormingsdrang was het sterkst in het vroegere bol­werk van antidemocratisch denken: de universiteit. De studentenbeweging eiste grondige democratische hervormin­gen. Veel studenten vonden de parlementaire democratie lang niet democratisch genoeg. Het was volgens hen volstrekt onvoldoende als het volk alleen om de vier jaar vertegen­woordigers koos. De afstand tussen politici en bevolking moest worden verkleind, en het volk diende direct mee te regeren. Hoe deze basisdemocratie gestalte moest krijgen, was niet zo duidelijk, maar het kwam erop neer dat de bevol­king meer invloed moest krijgen op de politieke besluitvor­ming. Veel studenten vonden dat het hele leven gedemocratiseerd moest worden. In het gezin moesten de kinderen even­veel invloed krijgen als de ouders, op de scholen moesten de leerlingen net zo veel te zeggen krijgen als de leraren en in de bedrijven moesten de arbeiders de dienst gaan uitmaken.

`Mehr Demokratie wagen'

De sfeerverandering in Duitsland bleef ook op regeringsni­veau niet zonder gevolgen. Tot 1966 regeerde in Bonn een coalitie van CDU/CSU en FDP. De SPD zat in de oppositie. Aanvankelijk wees deze partij de regeringspolitiek fel van de hand. Zij verzette zich tegen de sociale markteconomie en keurde de herbewapening af. In de tweede helft van de jaren vijftig zag de SPD echter in dat zij zo nooit in de regering zou komen. Een nieuwe generatie politici, die de oude top uit de Weimar-tijd verving, gooide de koers drastisch om. In het `Godesberger programm' van 1959 werden deze veranderin­gen vastgelegd. De SPD wilde geen arbeiderspartij meer zijn, maar net als de CDU een partij voor alle lagen van de bevol­king, en accepteerde de sociale markteconomie en het leger. Als `verkiezingslocomotief' werd de Westberlijnse burge­meester Willy Brandt naar voren geschoven, een aantrekkelij­ke jonge man, die het eigentijdse imago van de SPD personi­ficeerde.

Halverwege de jaren zestig waren de verschillen tussen SPD en CDU geringer dan ooit. Zelfs in verkiezingsaffiches was dit zichtbaar. In 1965 hanteerden ze bijna dezelfde inhoudslo­ze leuze. Die van de SPD luidde `Sicherheit ja', die van de CDU 'unsere Sicherheit'. Ze appelleerden beide aan het verlangen naar meer welvaart. De SPD drukte op haar affiches het kenteken van een auto af, de CDU liet een kassa en een mand vol boodschappen zien. Een jaar later kwamen ze samen in de regering.

Toch bleven er belangrijke accentverschillen. Een van de belangrijkste betrof de houding tegenover de democratie. De CDU was geneigd het accent te leggen op de democratische plichten, de SPD had meer oog voor de democratische rech­ten. Daardoor stond de SPD positiever tegenover de democratiseringsbeweging. Bij de verkiezingen van 1969 trok zij hieruit de consequenties. Zij beloofde op veel terrei­nen democratische hervormingen. Dat zij de tijdgeest zo goed aanvoelde, bleek uit de verkiezingsuitslag. De SPD haalde met 42,7 procent van de stemmen haar tot dan toe beste resul­taat. Nog belangrijker was dat de liberalen voor het eerst bereid waren _een coalitie met de socialisten te vormen. De FDP, sinds 1966 in de oppositie, koos ook voor democratise­ring. Nadat de nationaal-liberalen lange tijd overheerst had­den, hadden nu de links-liberalen de overhand. Zij brachten Willy Brandt aan de macht. Met de slogan 'mehr Demokratie wagen' kondigde de nieuwe bondskanselier in 1969 een nieuw tijdperk aan.

Willy Brandt en de Ost-Politiek

Vooral in liberale en sociaaldemocratische kring begonnen politici en publicisten wegen te zoeken om van de ontspanningspolitiek gebruik te maken om de Duits-Duitse verhoudingen beter te regelen. De centrale rol hierbij speelde de SPD-leider Willy Brandt. Als burgemeester van (West-Berlijn had deze de bouw van de Muur in 1961 van nabij meegemaakt. Uit de passieve houding van de Amerikaanse bondgenoten tegenover de afgrendeling trok hij de conclusie dat de Duitsers zelf het initiatief dienden te nemen in de Duitse kwestie. Samen met zijn naaste medewerker Egon Bahr ontwikkelde Brandt in de vroege jaren zestig een alternatief concept voor de Duitsland- en OostEuropa-politiek van de Bondsrepubliek. Zij sloten daarmee aan bij Kennedy's vredesstrategie.

 Budestagwahl 1961

Tijdens een inmiddels klassiek geworden optreden in juli 1963 verklaarde Bahr dat deze nieuwe aanzet tot ontspanning tussen Oost en West de mogelijkheid bood om via een tijdelijke acceptatie van de status-quo (de Duitse deling) te komen tot een uiteindelijke doorbreking ervan (een verenigd Duitsland). Vertrouwend op de morele kracht van de westerse wereld, die uiteindelijk de doorslag zou geven, zou men kunnen afstappen van de mislukte confrontatiepolitiek en in plaats daarvan kunnen streven naar het aanknopen van zoveel mogelijk contacten met de DDR.

Aan volkenrechtelijke erkenning van de DDR dacht Bahr niet, omdat dit een ontkenning van de Duitse nationale eenheid zou inhouden. Door het vlechtwerk van contacten zouden de betrekkingen tussen de mensen in beide delen van Duitsland versterkt kunnen worden, waardoor op de lange duur de scheidsmuur tussen de twee Duitse staten zou wegvallen. Bahr doopte dit concept: 'Wandel durch Annaherung' (verandering door toenadering).

Obstakels

In eerste instantie kwam de nieuwe 'Ostpolitik' van Brandt en Bahr alleen tot uiting in een aantal ad hoc-regelingen. Al in 1961 had Brandt afspraken gemaakt met de Oost-Duitse regering om een aantal gezinnen te herenigen die door de Muur waren gescheiden. Deze eerste contacten kregen een vervolg in de passenregelingen, waarmee West-Berlijners eind 1963, alsmede in 1964 en 1965 rond Kerst en Pasen familieleden en vrienden in het oostelijk deel van de stad konden bezoeken. De DDR was daarmee akkoord gegaan, omdat zij de besprekingen met de West-Berlijnse Senaat beschouwde als een stap op weg naar erkenning door het Westen.

Na 1965 was zij echter niet meer tot dergelijke beperkte regelingen bereid en wilde directe onderhandelingen met Bonn. Zolang de CDU/CSU daar nog aan de regering was, bleek dit niet bespreekbaar. Wel bracht de komst van de 'Grote Coalitie' van CDU/CSU en SPD eind 1966 eerste, kleine veranderingen. Zo was CDU-bondskanselier Kurt Georg Kiesinger (1966-1969) in 1967 voor het eerst bereid tot directe correspondentie met zijn collega in de DDR, minister-president Willi Stoph. Daarnaast werd de Duits-Duitse handel en de handel met Oost-Europa krachtig gestimuleerd.

Brandt, die minister van Buitenlandse Zaken was geworden, kreeg voor zijn nieuwe Duitsland-politiek echter nog onvoldoende ruimte.

De DDR reageerde argwanend op Brandts nieuwe concept voor de Duitsland-politiek. Zij vreesde dat Bonn en Moskou het buiten haar om op een akkoord zouden gooien. Bovendien beschouwde de SED toenadering van West-Duitsland als een groot risico voor haar bewind vanwege de Duist-nationale gevoelens die erdoor opgewekt zouden kunnen worden. Om dit gevaar te bezweren stuurde de DDR aan op een zo groot mogelijke ideologische 'Abgrenzung' jegens de Bondsrepubliek.

Ter legitimatie van die afscherming ontwikkelde de SED vanaf 1966 de theorie dat zich op het Duits grondgebied sinds 1945 twee verschillende culturen hadden ontwikkeld: enerzijds de West-Duitse, kapitalistische traditie die geheel in de lijn van het agressieve Pruisisch -Duitse imperialisme stond en anderzijds de Oost-Duitse cultuur, de incorporatie van alle progressieve, humanistische tradities in de Duitse geschiedenis.

De DDR beschouwde zichzelf vanuit deze gedachte als de 'sozialistische Staat Deutscher Nation', zoals het in de nieuwe grondwet van 1968 werd geformuleerd. Een jaar eerder was ook een apart staatsburgerschap van de DDR ingevoerd, waarmee haar inwoners niet meer formeel als 'Duitsers' maar als 'DDR-burgers' werden aangeduid.

Onderhandelingen

Na de Bondsdagverkiezingen van 1969 kregen Brandt en Bahr de kans om hun nieuwe concept voor de Duitsland-politiek in de praktijk te brengen. Op grond van de uitslag kon met een zeer kleine meerderheid een coalitieregering van SPD en FDP worden gevormd, onder leiding van Brandt. De liberalen, die eerder dan de SPD voor een beperkte erkenning van de DDR hadden gepleit, waren bereid de nieuwe Duitsland-politiek mede te dragen; hun leider Walter Scheel werd minister van Buitenlandse Zaken.

In zijn regeringsverklaring op 28 oktober 1969 sprak de nieuwe bondskanselier voor het eerst van twee staten in Duitsland, die hun onderlinge betrekkingen per verdrag zouden moeten regelen. Een volkenrechtelijke erkenning was echter niet aan de orde, omdat de beide Duitse staten voor elkaar nooit buitenland zouden kunnen zijn.

Beter dan voorgaande kabinetten begreep de regering van SPD en FDP dat zij bij haar toenadering tot de DDR rekening moest houden met Moskou. Zij zag de Sovjet-Unie ook niet meer als een agressieve, expansionistische staat, maar als een voorzichtig opererende mogendheid die voornamelijk uit was op de handhaving van de eigen veiligheidsbelangen.

 Spotprent Ost-Politiek

Dat de 'neue Ostpolitik' niet betekende dat de Bondsrepubliek de banden met het Westen losser wilde maken, bleek uit de voortdurende consultatie van de westerse Grote Drie en de overige NAVO-partners. Die inbedding van de Oost-Europa-politiek in het bondgenootschappelijke overleg was ten dele bedoeld om de angst bij sommige bondgenoten weg te nemen voor een Duitse 'Alleingang' of een Duits-Russisch akkoord naar het model van Rapallo (1922). Zij was echter van meer dan alleen tactische aard: voor Brandt was de 'neue Ostpolitik' een aanvulling op Adenauers 'Westbindungspolitik' en geen vervanging daarvan.

Na aftastend overleg in december 1969, begon Bahr, als onderhandelaar van de Bondsregering, eind januari 1970 in Moskou besprekingen met de Russische minister van Buitenlandse Zaken Andrej Gromyko over de West-Duitse verhouding tot Oost-Europa. De uitkomst was het Verdrag van Moskou dat op 19 augustus 1970 werd ondertekend. De belangrijkste concessie van West-Duitsland was de erkenning van de Europese status-quo. De bestaande grenzen, inclusief de Duits-Duitse en de Duits-Poolse grens, werden onschendbaar genoemd, hetgeen wilde zeggen dat zij niet met geweld mochten worden verlegd; een vreedzame grenswijziging werd echter niet verboden.

Het Verdrag van Moskou was bedoeld als raamwerk voor de normalisering van de West-Duitse verhoudingen met de DDR, Polen en Tsjecho-Slowakije. De Bondsrepubliek verklaarde in het verdrag de DDR voortaan op een gelijkwaardige manier te zullen behandelen. Al wees zij volkenrechtelijke erkenning van de DDR nog steeds af, eventuele verdragen van beide Duitse staten zouden wel een volkenrechtelijk karakter hebben.

Het eerste Oost-Europese land waarmee de Bondsrepubliek na de ondertekening van het Verdrag van Moskou een akkoord wist te bereiken was Polen. Op 9 december 1970 bracht Brandt een bezoek aan de Poolse hoofdstad, waar hij het Verdrag van Warschau ondertekende.

Brandt's knieval in 1970 Warschau

De Bondsrepubliek erkende daarbij de facto de Oder-Neisse-grens (formeel geschiedde dat pas in 1990). Brandts bezoek aan Warschau werd beeldbepalend voor de 'Ostpolitik' door zijn knieval voor het monument bij het voormalige joodse getto in Warschau. Dit gebaar van de bondskanselier, zelf slachtoffer van de nazi's, was symbolisch voor de door de 'Ostpolitik' belichaamde afrekening met het verleden en voor de achterliggende morele kracht.

Erfurt en Kassel

Tegen de achtergrond van de besprekingen in Moskou vonden de eerste ontmoetingen plaats tussen de regeringsleiders van beide Duitse staten. In maart 1970 werd Brandt door Stoph ontvangen in Erfurt in de DDR en in mei bracht Stoph een tegenbezoek aan Brandt in het West-Duitse Kassel.

Brandts reis naar Erfurt maakte duidelijk dat de vrees van het DDR-bewind voor de mogelijke reacties onder de Oost-Duitsers op de 'Ostpolitik' niet ongegrond was geweest. Het traject, dat de speciale trein die Brandt naar Erfurt bracht, aflegde, was vanaf de grens omzoomd door wuivende mensen. Na zijn aankomst verzamelde zich een menigte Oost-Duitsers op het plein voor hotel Erfurter Hof, die in spreekkoren 'Willy Brandt ans Fenster!' riepen. Na enige tijd kwam deze dan ook te voorschijn en gebaarde met zijn handen dat reserves geboden waren. Hij was diep bewogen door de intensiteit van het hier geuite saamhorigheidsgevoel en vreesde voor de consequenties als teveel hoop opgewekt zou worden.

Twee maanden later in Kassel was de stemming veel grimmiger. Rechts-extremistische demonstranten verbrandden de DDR-vlag en raakten slaags met communistische tegenhangers.

Bij de officiële besprekingen ging het natuurlijk vreedzamer toe, maar concrete verbeteringen van de Duits-Duitse relaties brachten zij niet; de ontmoetingen waren door beide partijen dan ook vooral bedoeld om tegenover de Sovjet-Unie van goede wil te getuigen.

Pas enkele maanden na de ondertekening van het Verdrag van Moskou startten beide Duitse regeringen een serie vertrouwelijke gesprekken. Deze sleepten zich slechts moeizaam voort. De Oost-Duitse partij- en staatsleider Walter Ulbricht bekeek de toenaderingspogingen van Bonn met argusogen. Net als Bahr constateerde hij een internationale tendens in de richting van erkenning van de DDR. Hij was ervan overtuigd dat zijn staat ook zonder concessies te doen aan Bonn binnen enkele jaren in de internationale statengemeenschap opgenomen zou worden. De nieuwe 'Ostpolitik' dreigde nu een streep door deze rekening te halen.

Om dit te voorkomen trachtte Ulbricht de toenadering tussen Bonn en Moskou zoveel mogelijk te blokkeren. Maar zijn waarschuwingen voor de 'imperialisten' in Bonn waren tot dovemansoren gericht. De Sovjet-leiders ergerden zich in de loop van 1970 steeds meer aan de oude DDR-leider, die ook op economisch en zelfs ideologisch gebied steeds eigengereider werd.

In het Oost-Duitse Politburo wierp Erich Honecker zich steeds meer op als de ware vertegenwoordiger van de Sovjetbelangen in Oost-Berlijn. Nadat de Russische partijleider Leonid Brezjnev hem te verstaan had gegeven dat zijn tijd gekomen was, maakte Ulbricht in mei 1971 plaats voor de jongere Honecker.

Toen de Grote Vier (de bezettende mogendheden) in september 1971 vervolgens een Akkoord over Berlijn bereikten, waarmee de positie van West-Berlijn was veiliggesteld, was vooruitgang in de Duits-Duitse onderhandelingen mogelijk.

De eerste doorbraak vormde een overeenkomst over de post- en telegraafverbindingen tussen beide staten (inclusief Berlijn), waartoe de Bondsrepubliek en de DDR op 30 september 1971 besloten. Op 17 december volgde het 'Berlin-Transit-Abkommen', over het doorgaande verkeer tussen West-Duitsland en West-Berlijn. Deze akkoorden vormden de eerste bilaterale stappen in de richting van erkenning.

Met de steun van de Verdragen van Moskou en Warschau en het Viermogendhedenakkoord over Berlijn was het Bonn daarbij gelukt twee belangrijke Oost-Duitse desiderata te omzeilen: de akkoorden bleven onder het niveau van een volkenrechtelijke erkenning en de DDR had moeten accepteren dat de Bondsregering namens West-Berlijn onderhandelde.

Het 'Grundlagenvertrag'

Dat beide Duitse staten hierna niet meteen doorstoomden naar onderhandelingen over een raamverdrag voor de wederzijdse betrekkingen, was vooral te wijten aan de grote politieke strijd in de Bondsrepubliek die aan de ratificatie van de Verdragen van Moskou en Warschau door de Bondsdag voorafging. De afspraken over de DDR en de grenzen stuitten in de Bondsrepubliek op felle oppositie van de CDU/CSU. Om de oppositionele krachten haar vasthoudendheid inzake de nationale eenheid te tonen, had de Bondsregering aan het Verdrag van Moskou nog een 'brief over de Duitse eenheid' toegevoegd, die door de Sovjets gelaten werd geaccepteerd. Voor de oppositie was dit echter onvoldoende. Uiteindelijk wist Brandt de beide verdragen, na maar net aan een motie van wantrouwen te zijn ontsnapt, op 17 mei 1972 door het parlement te loodsen.

Medio juni begonnen Bahr en Kohl vervolgens de geplande onderhandelingen over het aanknopen van officiële betrekkingen en op 8 november 1972 was een ontwerpverdrag gereed. Na de Bondsdagverkiezingen van 19 november 1972 waarin de regeringspartijen een grote zege boekten, volgde op 21 december 1972 de ondertekening van het zogeheten 'Grundlagenvertrag' (Basisverdrag) voor de Duits-Duitse betrekkingen. Hiermee verwierf de DDR weliswaar niet de gewenste volkenrechtelijke erkenning, maar de Bondsrepubliek kende haar wel een gelijkgerechtigde positie in de internationale politiek toe.

Met deze staatsrechtelijke erkenning (zoals Bonn het noemde) gaf de West-Duitse regering de aanspraak op alleenvertegenwoordiging van het Duitse volk tegenover het buitenland op. Ook ging Bonn akkoord met een Oost-Duits lidmaatschap van de Verenigde Naties.

Op haar beurt beloofde de DDR de onafhankelijke positie van West-Berlijn ten opzichte van Oost-Duitsland en de banden van de stad met West-Duitsland te respecteren. Daarnaast liet de DDR de eis vallen dat Bonn het Oost-Duits staatsburgerschap officieel zou erkennen. Voorts nam zij genoegen met de uitwisseling van permanente vertegenwoordigingen in plaats van ambassades. Beide laatste punten waren uitdrukking van de West-Duitse opvatting dat de twee Duitse staten geen buitenland voor elkaar konden zijn. Ook ging zij akkoord met een regeling voor het 'kleine grensverkeer', waardoor in de regio's langs de Duits-Duitse grens familie- en vriendschapsbanden opnieuw konden worden aangehaald. Ten slotte stond zij toe dat Oost-Duitsers in de toekomst in dringende familieaangelegenheden naar het Westen mochten reizen.

Het 'Grundlagenvertrag' maakte een einde aan een periode van meer dan twintig jaar waarin beide Duitse staten grotendeels langs elkaar heen hadden geleefd. De Bondsrepubliek en de DDR leken nu hun relaties te hebben genormaliseerd, al klonk in het commentaar van Egon Bahr op de nieuwe situatie een grote dosis scepsis door:

'Tot nu toe hadden we geen betrekkingen, nu zullen we slechte hebben, en dat is de vooruitgang'.

Besluit

Deze opmerking van Bahr voert naar de vraag wat Brandts 'neue Ostpolitik' voor Duitsland en voor de saamhorigheid van Oost- en West-Duitsers heeft betekend.

 Verkiezingsaffiche 1983

Voor Duitslands internationale positie was deze ontspanningspolitiek van grote waarde. De 'Ostpolitik' bracht een normalisatie van de relatie met Moskou en de andere Oost-Europese staten. Daardoor nam het wantrouwen jegens de Duitsers en jegens de Bondsrepubliek in de Oost-Europese hoofdsteden af. Bondskanselier Helmut Kohl en minister van Buitenlandse Zaken Hans-Dietrich Genscher, die de 'Ostpolitik' overigens ook na de machtswisseling in Bonn van 1982 grotendeels op de oude voet hadden voortgezet, konden daarvan in de crisismomenten de vruchten plukken in de nazomer en herfst van 1989 en tijdens het onderhandelingsproces over het herstel van de Duitse eenheid in 1990.

Voor de Duits-Duitse betrekkingen heeft de 'neue Ostpolitik' zowel positieve als negatieve effecten gehad. Aan de ene kant bleek de wederzijdse erkenning tussen beide Duitse staten een enorme stimulans voor de onderlinge betrekkingen, vooral op het vlak van de persoonlijke contacten. De speciale relatie van beide Duitse staten onderstreepte ook enigszins het gezamenlijke, nationale verband. Aan de andere kant verkreeg de Duitse deling in de jaren zeventig, door de westerse acceptatie van het SED-bewind en de relatieve stabiliteit en welvaart van de DDR, meer en meer de schijn van normaliteit. In West-Duitsland hechtte men minder aan het ideaal van nationale eenheid. Zowel ter linker- als ter rechterzijde richtte men zich meer op de Bondsrepubliek.

De zeer verregaande samenwerking van Oost- en West-Duitse politici in de tweede helft van de jaren tachtig versterkte dit nog. Daardoor raakte in het Westen het einddoel van de 'neue Ostpolitik' uit de jaren zestig wel eens uit het zicht.

In de DDR bleef de gehechtheid aan de eenheid echter groot, mede door de intensieve Duits -Duitse relatie. De Oost-Duitsers voelden zich daardoor minder vergeten. Mede door de 'Ostpolitik' durfden zij nog te hopen op een betere toekomst dan de alledaagse utopie van het 'arbeidersparadijs', waarin zij leefden.

Links en rechts gevaar

De slogan van Brandt 'mehr Demokratie wagen'  getuigde van democratisch zelfvertrou­wen. Maar was daar wel zoveel reden toe? Nog maar drie jaar tevoren waren de Duitse democraten heel wat minder zeker van hun zaak. Zij beseften toen maar al te goed dat de demo­cratie vooral gebouwd was op de groeiende welvaart. Toen de economie in 1966 voor het eerst stagneerde, brak in Bonn paniek uit. En direct had extreem-rechts succes. De National­demokatische Partei Deutschlands (NPD), die was ontstaan uit zo'n tachtig neo-nazistische groepjes, haalde bij deelstaat­verkiezingen in Beieren 7,4 procent van de stemmen. Een jaar later kwam de NPD in andere deelstaten bijna op 10 pro­cent. De economische crisis was echter slechts conjunctureel, niet structureel. Het bleek niet meer dan een korte oprisping in een lange groeiperiode. Toen de economie weer aantrok, verdween de NPD even snel als ze gekomen was. Bij de Bondsdagverkiezingen van 1969 haalde ze de kiesdrempel net niet. Daarna werd er niets meer van vernomen.

Langer werd de democratie belast met het gevaar van ex­treem-links. Een deel van de studentenbeweging ging in haar kritiek op het gebrek aan democratie zo ver, dat zij de Bonds­republiek als volledig ondemocratisch beschouwde. Deze links-radicalen wilden de bestaande orde omverwerpen en vervangen door een totaal nieuwe orde. In feite waren ze een machteloze minderheid, maar door veel politici werden ze overschat. De CDU/CSU hamerde op het gevaar dat de radi­calen onopvallend op belangrijke posten zouden komen, om zo de democratie te ondermijnen. Ze beschuldigde de SPD en FDP ervan te weinig hiertegen te doen en drong aan op harde maatregelen. Om de indruk van slapheid weg te nemen, eiste de regering in 1972 van alle ambtenaren en leraren de garan­tie dat ze te allen tijde de democratische orde zouden steunen. Het lidmaatschap van een 'verfassungsfeindliche' organisatie kon al voldoende zijn om door een beroepsverbod getroffen te worden.

De angst voor de links-radicalen groeide in de jaren zeventig uit tot een ware psychose. Dat was het gevolg van het optre­den van een kleine terreurbrigade, de Rote Armee Fraktion (RAF), die vanaf 1974 met een zekere regelmaat bekende politici, werkgevers en rechters vermoordde. De aanslagen maakten definitief een eind aan het hervormingsgezinde kli­maat en versterkten de roep om hard politie-optreden. De liberale vrijheden en de tolerantie kwamen onder druk te staan. Wie niet meewerkte aan uitbreiding van de politiebe­voegdheden werd voor sympathisant van de RAF uitgemaakt. Aan de RAF-psychose kwam nog voor de jaren tachtig een eind. Nadat de RAF in 1977 zo goed als uitgeschakeld was, kwamen de politici tot bezinning. Critici voerden aan dat het middel van de speciale politiebevoegdheden erger was dan de kwaal van het links-radicalisme. Het vage begrip 'Verfas­sungsfeindlichkeit' had geleid tot gesnuffel in het privé-leven van tal van onschuldige burgers. Aan het eind van de jaren zeventig werden de maatregelen tegen het `linkse gevaar' grotendeels teruggedraaid.

Een `ganz normale' democratie?

Na 1973 was het afgelopen met de permanente economische groei. In 1975 liep de produktie zelfs 3,4 procent terug. Daarna was er een zeker herstel, maar in 1979 kwam een nieuwe terugval. Pas in de tweede helft van de jaren tachtig werden de groeicijfers van de jaren zestig weer benaderd, maar de euforie van die jaren keerde niet terug. Er bleven vrijwel onoplosbare problemen, zoals een hoge werkloosheid de staat en haar hoogste dienaren veroorzaakten een hysterie bij de publieke opinie en leidden tot strenge anti-terreur wetten en een ernstige aantasting van het milieu.

Toch was het grootste deel van de Westduitsers niet ontevreden. Ook tussen 1973 en 1990 bleef de Westduitse economie de sterkste van Europa en nam de welvaart fors toe. De jaren tachtig werden dan ook gekenmerkt door grote poli­tieke stabiliteit. In 1982 brak de FDP met de SPD en vormde weer een regering met de CDU/CSU. Dat leidde echter nau­welijks tot een ander beleid. In 1974 was Brandt als bonds­kanselier al vervangen door zijn partijgenoot Helmut Schmidt, een alom gerespecteerd econoom, die zich vooral ten doel stelde de economie weer op gang te helpen. De christen-democraat Helmut Kohl, die hem in 1982 opvolgde, had niet alleen zijn voornaam met Schmidt gemeen. Hij zette ook diens politiek in grote lijnen voort.

In 1983 werd voor het eerst sinds de jaren vijftig een vierde partij in de Bondsdag gekozen: de Groenen. De Groenen kwamen voort uit de nieuwe sociale bewegingen, zoals de vredes-, de milieu- en de vrouwenbeweging. Deze bewegin­gen, die veelal aan het eind van de jaren zestig waren ont­staan, waren in de jaren zeventig sterk gegroeid. Het `nieuwe' eraan was dat ze zich niet, zoals de vakbeweging, richtten op de materiële belangen van hun leden, maar op immateriële kwesties. Ze onderscheidden zich bovendien van de traditio­nele organisaties door de grote betrokkenheid van de leden. Hun organisatie hielden ze bewust zwak omdat ze geen dui­delijk onderscheid wilden maken tussen de leiders en de ach­terban. Zo probeerden ze de basisdemocratie in praktijk te brengen.

Deze kenmerken waren ook bij de Groenen terug te vinden. Zij onderscheidden zich van de andere partijen, doordat ze de bescherming van het milieu belangrijker vonden dan de economische groei. Bovendien streefden ze naar basisdemo­cratie. Volgens hen stonden de gevestigde partijen te ver af van de bevolking.

Aan het eind van de jaren tachtig ontstond ook weer een grote extreem-rechtse partij: de Republikaner. De Republi­kaner speelden in op het ongenoegen over de aanwezigheid van enkele miljoenen allochtonen. Net als de NPD in de jaren zestig haalden ze bij deelstaatverkiezingen tot tien procent van de stemmen. Evenmin als de NPD vormden ze echter een gevaar voor de democratie. Ze kregen geen steun van de eli­tes en veroverden geen zetels in de Bondsdag. Het betrekke­lijke succes van extreem-rechts was bovendien niet alleen een Duits probleem meer. Overal in West-Europa manifesteerden zich partijen die het op `de buitenlanders' gemunt hadden. De Bondsrepubliek was sinds de jaren zestig steeds meer een normale Westeuropese democratie geworden, met dezelfde problemen als andere rijke democratische landen.

Hereniging

In een belangrijk opzicht bleef West-Duitsland echter anders: het beschouwde zichzelf als een on-af land. De Westduitse staat omvatte niet de hele Duitse natie. De rest woonde in `het andere Duitsland', de DDR. De grondwet riep `het hele Duitse volk' op `de eenheid en vrijheid van Duitsland te vol­tooien'.

De regering in Bonn legde zich nooit helemaal bij het bestaan van de DDR neer. Pas in 1972 erkenden de Bondsrepubliek en de DDR elkaars grenzen en elkaars bestaansrecht. De erkenning was echter ook toen niet volledig. De oproep om te streven naar hereniging bleef in de grondwet staan. De Bondsrepubliek bleef ontkennen dat in de DDR een apart volk woonde.

Toch nam in West-Duitsland het verlangen naar hereniging in de loop van de jaren af. De bevolking raakte gewend aan het bestaan van twee Duitse staten. Een hele generatie had nooit anders gekend. Voor veel jongeren was de DDR min of meer een gewoon land. Een onbekend land ook nog, waar de meesten van hen nog nooit geweest waren.

De Duitse deling heeft dan ook nooit geleid tot nationalisme of politieke instabiliteit. De meeste Westduitsers wilden de hereniging wel, maar niet ten koste van de democratie. Zij zagen niet Duitsland als vaderland, maar beschouwden de democratische Bondsrepubliek als `politiek vaderland'. De Oostduitsers mochten zich daarbij aansluiten, maar de Westduitsers wensten niet met hen een geheel nieuwe staat te stichten. Steeds minder geloofden ze overigens dat hereni­ging op afzienbare termijn mogelijk was. Helmut Schmidt bijvoorbeeld schreef in 1987 dat de hereniging op zijn best in het midden van de 21e eeuw gerealiseerd kon worden. Het bleef een loffelijk streven, maar men moest zich geen enkele illusie maken, aldus Schmidt.

DDR 1949-1990

De dictatuur van het proletariaat

Wie de eerste grondwet van de DDR leest, zou kunnen den­ken dat de DDR een parlementaire democratie was. De grondwet van 1949 legde de burgerlijke vrijheden vast en wees het democratisch gekozen parlement als hoogste macht aan. Het was echter de facade van een totalitaire dictatuur. `Es muss demokratisch aussehen, aber wir mussen alles in der Hand haben', zou Ulbricht hebben gezegd. En inderdaad stond de hele samenleving onder leiding van de SED. Pas in 1968 werd dit ook vastgelegd in de grondwet. In artikel 1 werd de DDR toen omschreven als een dictatuur van het proletariaat. De DDR was `de politieke organisatie van de werkenden in stad en land, die samen onder leiding van de arbeidersklasse en haar marxistisch-leninistische partij het socialisme verwezenlijken'. Dit betekende dat de SED alle macht had, want de SED gold als de vertegenwoordiger van de arbeidersklasse. De SED werd op haar beurt strak geleid door haar centraal comité, en het centraal comité werd beheerst door zijn eerste secretaris, tot 1971 Ulbricht, daarna Erich Honecker.

SED DDR

De burgerlijke vrijheden hadden in de DDR geen betekenis. Er waren geen vrije verkiezingen, er was geen persvrijheid en er was geen vrijheid van meningsuiting. Voor zelfstandige organisaties was geen plaats. De massaorganisaties werden omschreven als de `hulptroepen' en `transmissieriemen' van de partij. Zij gaven de bevelen van de SED door en voedden hun leden op tot trouw aan het regime. De belangrijkste mas­saorganisatie was de Freie Deutsche Gewerkschaftsbund (FDGB), waarvan alle werkenden lid waren. Doel van deze `vakbond' was `het opvoeden van de werkenden tot patriot­tisme, vaderlandsliefde, waakzaamheid tegenover agenten en saboteurs en vervulling van hun plicht om de socialistische verworvenheden van hun arbeiders- en boerenstaat te verde­digen'. De tweede massaorganisatie was de Freie Deutsche Jugend (FDJ), die de opwindende taak had `alle jongeren voor de studie van het marxisme-leninisme en de besluiten van de SED te winnen'. Het hoogtepunt van deze opvoeding was de `jeugdwijding'. Dat was een feest waarbij de jongerende gelofte aflegden `al hun kracht voor de grote en edele zaak van het socialisme in te zetten'. De hele staatsopvoeding was sterk militaristisch. Met als argument dat het vreedzame socialistische vaderland tegen het agressieve `imperialisme' van de Bondsrepubliek en de VS verdedigd moest worden, werd de kinderen de liefde voor het leger met de paplepel ingegoten. 'So wie du wollen wir einst sein, wenn wir alter Bind, denn du schutzt den Sonnenschein', zo werd dit ver­woord in een kinderliedje over een Oostduitse soldaat.

DDR economie 

De oprichting van een socialistische economie en integratie in de Sovjet-blok: In Oost-Duitsland ging het ondertussen minder goed dan de BRD. De Russen hadden hun beleid van Demontage al geruime tijd voortgezet (het  demonteren van gehele fabrieken, verzenden  naar de Sovjet-Unie en daar weer monteren). De politiek van nationalisatie van industriën, collectivisering vande  landbouwgrond, en centrale planning van de economie door de staat, en door de oprichting in  1956 van  de COMECON, was er het directe resultaat van. De DDR-economie was door de staat gecontroleerde economie, de munt, de (Oost-) Mark, was niet inwisselbaar , de omrekeningskoers met de Deutsche Mark  door de staat op 1:1 vastgestweld maar op de de zwarte markt wisselkoers was 3-4 tot 1, maar dat was illegaal en gevaarlijk). Vele ingenieurs, gefrustreerd door het systeem die hun creativiteit en hun lonen aan banden had gelegd, migreerden naar het westen.

1952-1963: in eerste instantie moest  een goed functionerende civiele economie  worden hersteld, de vraag overtrof het aanbod, en de DDR-economie groeide.

De rantsoenering van voedsel werd in 1958 opgehevem. Maar de staats Planning Commission was samengesteld uit beheerders met communistische partij scholing als achtergond; in de late 1950 - jaren daalde de economische groei en in de vroege 1960 -jaren stagneerde het. Factoren die daarbij een rol speelden waren : de politieke status van de DDR als een voorlopige regeling en de uittocht van ingenieurs, artsen en geschoolde werknemers via lvan Berlijn naar het westen trokken (stemmen met de voeten) waardoor de economische ontwikkeling van de DDR werd geschaad. Gebeurtenissen die in 1952, 1955 en 1961 plaatsvonden  maakten dat de eenmaking van Duitsland niet meer realistisch bleek. Daardoor was de DDR een politieke werkelijkheid en door de bouw van de Berlijnse muur eindigde de massale uittocht van opgeleide specialisten. 

  Uitgave SED 1952

Het was niet  te wijten aan de economische ontwikkeling in DDR  tijden, maar eerder als gevolg van het herstel van de van pre-DDR  industrieën dat het economische DDR-model  het model  werd onder de socialistische landen van Oost-Centraal Europa. Een grote scheepsbouwindustrie ontstond  in Rostock en Wismar, die  hoofdzakelijk voor de Sovjet-Unie produceerde. Er waren twee auto fabrieken, die de Wartburg en de Trabant produceerden, de laatste een auto met een 2 cilinder motor en een plastic carrosserie; het werd het symbool van de industriële productie van de DDR. De auto wijst op de problemen van de DDR-industrie: hetplastic carroserie was slechts een geïmproviseerde oplossing. De oorspronkelijk geplande  carroserie moest worden geïmporteerd uit West-Duitsland - en dat werd door de West-Duitse regering niet toegestaan

Het nieuwe economische systeem, 1963-1968: In 1963 werd door de DDR het nieuwe economische systeem ingevoerd, gebaseerd op de theorie van de Sovjet-econoom Evsei Liberman. Wetenschappers werden opgenomen in de staat Planning Commissie, en wetenschappelijke methoden werden toegepast bij het vaststellen van vijf jaar plannen; de individuele ondernemingen kregen meer vrijheid om zelf  beslissen te nemen en om winst te maken krijgen. Dit werd toegepast tot 1967-1968, en werd in stilte beëindigd. 

Een eigen beleid van de DDR in 1968: In 1968 werd door de DDR officeel verkondigd, dat het een eigen economsich beleid  zou gaan volgen, dat wil zeggen onafhankelijk van de Sovjet-Unie model. In Moskou en elders, kreeg  het liberale economisch beleid van de 1960er jaren  gedeeltelijk de schuld van de Praagse lente . Het nationale economische DDR beleid was bedoeld ter versterking van centrale controle over de economie, en werd door Moskou niet als vreemd ervaren.

Algemene economische ontwikkelingen: De DDR was een arbeiders en boeren paradijs - huisvesting was goedkoop (10 Mark per maand, een louter administratieve vergoeding), en een  auto was betaalbaar. Het probleem: voor beide was er een echter wachtlijst. Men moest  tot 12 jaar wachten om er een te kunnen aanschaffen. Daarnaast werd  het  model  1961 van de Trabant  niet gewijzigd tot het 1989, het jaar van de eenwording. Gehuurde appartementen waren nietonderhouden, tenzij door degenen die er woonden, en dan wel op eigen kosten. In 1989 waren veel gebouwen daardoor in een zeer slechte staat.

 Propaganda DDR in de vijftiger jaren.

Binnen de DDR-economie, hadden gezinnen economische zekerheid - banen werden gegarandeerd, voor zowel mannen als vrouwen, kleuterschool plaatsen werden gegarendeerd  en men leefde in gematigde welvaart, veel gezinnen konden  op vakantie in het eigen  land of in het buitenland ( dat wil zeggen naar andere socialistische landen, dus  niet in het westen). Sommigen konden zich een een Datscha veroorloven, een klein stuk grond met een hut, waar men het weekend kon vertoeven. Inspanningen werden echter ontmoedigd, terwijl de staat  verzoeken om allerlei voordelen aanvaardde , daarmee  een mentaliteit van inactiviteit en vertrouwen op de staat cultiveerde , een afhankelijke maatschappij (Anspruchsgesellschaft). Velen van hen die niet volgens deze mentaliteit leefden migreerden naar het westen, een migratie die werd tegengehouden door de bouw van de Berlijnse muur in 1961.

De DDR had een socialistische  consumptiemaatschappij ontwikkeld. DDR-burgers, net  zoals burgers in de BRD, wilden koelkasten, elektrische ovens, tv, een auto hebben. DDR  vrouwen genoten ervan om via postorder catalogues deze te bestellen,  net  als hun westerse collega's. 
De DDR was  uiterst succesvol in sport waardoor de mensen iets van een eigen identiteit voelden.  Op economisch vlak was de DDR  matig succesvol geworden (dat  in vergelijking met zijn buren in het oosten) en in 1970 beweerde de DDR  het niveau van de Britse economie te hebben bereikt.  Een bedrijfstak waarin de DDR succesvol was was de industriële spionage, favoriete doelwit was West-Duitsland. 

Door de totalitaire organisatie van de samenleving leek de DDR op nazi-Duitsland. Belangrijke verschillen waren dat het DDR-regime niet op grote schaal mensen vermoordde, niet de rassenhaat predikte en geen veroveringsoorlog voor­bereidde. Maar de totalitaire dictatuur was in de DDR in zekere zin nog verder doorgevoerd dan in nazi-Duitsland. De DDR had namelijk een geleide staatseconomie. De meeste bedrijven waren niet, zoals in nazi-Duitsland wel het geval was geweest, van particulieren, maar van de staat. De staat bepaalde bovendien gedetailleerd wat geproduceerd moest worden. Toch beschouwde de DDR zich als veel democrati­scher dan de Bondsrepubliek. Zij noemde zichzelf een volks­democratie.

In deze democratie-opvatting speelde de organisatie van de economie een centrale rol. Volgens de DDR was in het Westen de feitelijke macht in handen van de grote onderne­mers. Het volk had geen enkele zeggenschap over de produk­tie. Er heerste, aldus de DDR, groot sociaal onrecht en de arbeiders werden uitgebuit. De DDR pretendeerde een eind te hebben gemaakt aan deze schrijnende situatie. Zij vond zich­zelf een echte democratie, omdat zij de produktiemiddelen tot staatsbezit en dus tot `volkseigendom' had gemaakt. Welis­waar was de DDR ook een dictatuur, maar dat was volgens de communistische heersers onvermijdelijk. Zij zeiden dat alleen onder hun leiding het onrecht in de wereld overwonnen kon worden. Zij meenden het superieure wetenschappelijke inzicht te hebben om de wereld te kunnen leiden naar het socialisme, de toestand waarin aan alle onderdrukking een eind zou zijn gekomen. Bovendien vertegenwoordigde de SED het proletariaat, en dat was een heel wat grotere groep mensen dan de kliek die het in het Westen voor het zeggen had, zo redeneerden de communisten.

De Berlijns Muur

In feite was juist in de DDR een kleine kliek aan de macht. Dat de SED het proletariaat vertegenwoordigde, was een illu­sie. Zij kon slechts de schijn ophouden, doordat ze alle andersdenkenden via de geheime dienst en de gevangenissen — in de jaren vijftig ook via concentratiekampen — de mond snoerde. In tegenstelling tot de Bondsrepubliek kreeg de DDR nooit het vertrouwen van de bevolking. De DDR bouw­de goede sociale voorzieningen op, hield de prijzen voor eer­ste levensbehoeften laag en voerde onafgebroken propaganda met deze en andere `socialistische verworvenheden'. Maar veel baatte het niet. De meerderheid van het volk bleef onte­vreden. De SED kon alleen de macht houden met onderdruk­king en militaire steun van de Sovjetunie.

De belangrijkste reden hiervan was de gebrekkig functionerende economie. De leiders van de DDR geloofden aanvanke­lijk dat zij een superieur economisch systeem hadden. Zij verwachtten het welvaartsniveau van de Bondsrepubliek snel te zullen overtreffen en stelden ambitieuze plannen op om de produktie op te voeren. Maar juist die plannen leidden tot verzet.

 

In 1953 gingen Oostberlijnse bouwvakkers in staking uit protest tegen een verhoging van het werktempo. De pro­duktie in de hele DDR moest met 10 procent omhoog zonder dat daar loonsverhoging tegenover stond. De bouwstaking sloeg bliksemsnel over naar fabrieken in Oost-Berlijn en andere steden, en liep binnen een dag uit op een complete volksopstand, waarbij vrije verkiezingen werden geëist. Het regime reageerde als verlamd, maar het Sovjetleger sloeg de opstand met harde hand neer.

Veel communisten waren verbijsterd dat juist de arbeiders in opstand waren gekomen. Sommigen drongen aan op her- vormingen, maar Ulbricht wilde daar niets van weten. Hij gooide de critici uit de partij en bleef streven naar opvoering van de produktie binnen een volledig geleide economie. Diverse economische sectoren hadden nog kapitalistische kenmerken. Verreweg de meeste winkels, ambachtelijke bedrijven en boerderijen waren nog privé-eigendom. Ulbricht wilde daar snel een eind aan maken en dwong de kleine ondernemers hun bedrijven deels aan de staat over te dragen. De boeren moesten hun bezit afstaan aan collectieve boerderijen.

Deze maatregelen, de onderdrukking en de groeiende economische achterstand op de Bondsrepubliek, hadden tot gevolg dat honderdduizenden mensen de DDR ontvluchtten. Ulbricht had de grens met de Bondsrepubliek laten afsluiten met een breed mijnenveld, prikkeldraadversperringen en wachttorens, maar in Berlijn konden de burgers zonder moei­te naar het Westen komen. Tussen 1949 en 1961 trokken zo meer dan 2,5 van de 18 miljoen Oostduitsers naar de Bondsrepubliek. Voor de economie van de DDR was dit rampzalig, omdat juist veel beter opgeleide en energieke mensen het land verlieten. Ulbricht zag maar één oplossing. In 1961 liet hij de grens tussen Oost en West-Berlijn herme­tisch afsluiten met een zwaar bewaakte, 2,20 meter hoge betonnen muur.

Stille onvrede

Na de bouw van de Muur begon ook in de DDR een periode van geleidelijke welvaartsgroei. Voor de burgers van de DDR kwamen een koelkast, een televisietoestel en een auto binnen bereik. Sommigen spraken zelfs van een tweede Wirtschafts­wunder. Maar de welvaart bleef ver achter bij die in de Bondsrepubliek. De kwaliteit van de begeerde artikelen was vaak inferieur, de prijzen waren hoog en de levering liet lang op zich wachten. Het puffende en onwelriekende Trabantje waar DDR-burgers een dubbel jaarsalaris voor moesten neer­tellen en tien jaar op moesten wachten, viel in het niet bij de VW, laat staan de Mercedes, die Westduitsers konden kopen. Een ander probleem was het beperkte assortiment. Aard­appelen waren in ruime mate voorhanden, maar voor aardbei­en moest men in de rij staan en ananassen waren helemaal niet te krijgen. Althans, voor gewone burgers niet. De partij­top kon álles krijgen, en baadde — in strijd met de propaganda — in een voor DDR-begrippen ongekende luxe. De gewone mensen wisten daar genoeg van af om een flinke rancune tegen `die da oben' op te bouwen.

Misschien waren de DDR-burgers redelijk tevreden geweest met hun bescheiden welvaart, als zij hun eigen situatie niet hadden kunnen vergelijken met die in het Westen. Maar dat konden ze wel. Doordat de meeste Oostduitsers dagelijks naar de Westduitse televisie keken, wisten ze dat ze het lang niet zo goed hadden als hun Westduitse buren. Eenzelfde effect hadden de geleidelijk groeiende contacten tussen Oost en West. Nadat de twee Duitse staten elkaar in 1972 hadden erkend, konden Westduitsers in beperkte mate de DDR bezoeken en mochten Oostduitse bejaarden naar de Bonds­republiek vertrekken.

 Vlaggen van beide Duitslanden

Tegelijk nam de Duits-Duitse handel toe, waardoor Oostduiters zich aan voor hen peperdure Westduitse produkten konden vergapen. Dit alles drukte hen met de neus op het feit dat zij de arme tak van de Duitse familie waren. De onvrede werd nog verergerd door de reis­beperkingen. Voor het overgrote deel van de bevolking bleef het onmogelijk naar het Westen te reizen. De Muur bleef bestaan, de `gevangenis' DDR had alleen een wat humanere bezoekregeling gekregen.

Om de onvrede de kop in te drukken, ging de DDR vanaf 1972 in toenemende mate steunen op de Stasi, de Staats­sicherheitsdienst. De activiteiten van deze geheime politie werden enorm uitgebreid. In de tweede helft van de jaren tachtig waren 20 000 agenten beroepsmatig bezig met het bespionneren van hun landgenoten. De Stasi had bovendien talloze helpers. `Wij waken niet alleen. Met ons waken hon­derdduizenden paren ogen', zo verklaarde de hoogste Stasi­chef in 1988, en hij overdreef niet.

 Stasi Archief

Van iedere werknemer werden de gedragingen, uitlatingen en contacten opgetekend. Wie bekend werd als `andersdenkende' kon zijn carrière en die van zijn kinderen wel vergeten of belandde in een Stasi­cel. De activiteiten van de Stasi hadden voor de DDR een twijfelachtig effect. Ze maakten openlijk verzet onmogelijk, maar versterkten de haat tegen het regime en het verlangen naar politieke vrijheid en democratie. Lang voor de onder­gang van de DDR zagen veel Oostduitsers de Bondsrepubliek als hun politieke vaderland.

Ondergang

In de tweede helft van de jaren tachtig vonden in het Oostblok grondige veranderingen plaats. Sovjet-leider Gor­batsjov begon een politiek van glasnost en perestrojka. Met glasnost, letterlijk betekent dat `openheid', duidde hij aan dat men in de politiek de waarheid moest spreken. Er moest een einde komen aan de leugens van de propaganda en er moest meer vrijheid van meningsuiting komen. Met perestrojka duidde hij aan dat het politieke en economische systeem dras­tisch hervormd moesten worden.

De leiders van de DDR voelden zich door Gorbatsjovs poli­tiek bedreigd. Ze waren niet van plan het voorbeeld van de grote broer te volgen: `Als mijn buurman een nieuw behange­tje neemt, hoef ik het toch niet ook meteen te doen?' Maar de burgers dachten daar heel anders over. Geïnspireerd door Gorbatsjov groeide de oppositie. Daar kon ook de Stasi niets tegen doen. De critici van het regime troffen elkaar vooral in de kerken. De evangelische kerk, de protestantse kerk van de DDR, was de enige organisatie die zich altijd enigszins aan de greep van de staat had onttrokken. De staat had dat aan­vaard, op voorwaarde dat de kerk zich niet tegen het regime verzette. Dat deed de kerk ook niet, maar zij bood wel onder­dak aan de oppositie. Die bestond uit milieu-activisten, vre­desgroepen en mensen die intens verlangden naar vrijheid, vooral reisvrijheid, en democratie. Zij streefden naar verande­ring van de DDR, niet naar samenvoeging met West-Duitsland. Volgens hen zou de rijkdom van het Westen de mensen niet beter en gelukkiger maken. Zij wilden wel de democratie, maar niet het economische systeem van het Westen. Er waren talloze groepjes die zo dachten, maar pas in de herfst van 1989 stichtten ze politieke bewegingen, zoals Neues Forum en Demokratie Jetzt, en organiseerden zij mas­sale demonstraties.

Op dat moment was het regime al in een zware crisis. Hon­garije had die zomer de grens met Oostenrijk geopend. Door dit `gat in het IJzeren Gordijn' trok een snel groeiende stroom Oostduitsers naar de Bondsrepubliek. Door zo te `stemmen met de voeten', gaven tienduizenden te kennen geen hoop op politieke en economische hervormingen te hebben. Hun vlucht dreigde de DDR te ontwrichten: scholen kwamen zon­der leraren te zitten, ziekenhuizen zonder artsen en verple­gers, bedrijven zonder arbeiders.

De leiders van de DDR zagen zich nu voor de keus gesteld: of zij sloegen de demonstraties hardhandig neer en sloten de grens met de andere Oostbloklanden, of zij sloten een compromis met de oppositie en openden de Muur. In eerste instantie werd voor de eerste oplossing gekozen. Besloten werd het leger met scherp te laten schieten op de wekelijkse massale demonstratie voor de grote kerk in Leipzig, tot dan toe het centrum van verzet. Dat moest gebeuren na de veer­tigste verjaardag van de DDR. op 7 oktober. Voor die gele­genheid kwamen leiders uit de hele wereld naar Oost-Berlijn. Het feestje werd echter verstoord door betogers die voor de feestzaal in Oost-Berlijn om vrijheid en democratie riepen en de aanwezige Gorbatsjov toejuichten. Toen hij dat hoorde, verliet Gorbatsjov demonstratief de zaal en waarschuwde Honecker dat `wie te laat komt door het leven wordt gestraft'. Honecker begreep dat hij niet op steun van Moskou kon reke­nen bij het neerslaan van de volksopstand. Twee dagen later eisten in Leipzig met de leus 'Wir sind das Volk' meer men­sen dan ooit een echte democratie. Politie en leger waren dreigend aanwezig, maar deden niets.

Iedereen wist dat op 9 oktober een bloedbad gedreigd had. Nu dit was uitgebleven, werden de demonstraties steeds mas­saler en breidden ze zich uit naar alle grote steden. De SED reageerde door de oude leiders. inclusief Honecker, af te zet­ten, en alsnog hervormingen aan te kondigen. Maar het was te laat. De uittocht naar het Westen nam alleen maar toe en op 4 november eiste in Oost-Berlijn een menigte van 1 mil­joen mensen vrijheid en democratie. Enkele dagen later besloot het regime de Muur te openen. De partij hoopte zo de druk van de ketel te nemen. Als de mensen naar het Westen mochten reizen, zouden ze misschien niet meer willen emi­greren.

In werkelijkheid leidde de reisvrijheid echter het einde van de DDR in. Het kijkje in de Bondsrepubliek ging gepaard met vreugde-uitbarstingen en emotionele omhelzin­gen met Westduiters. Maar het leidde ook tot verbittering. Nu zagen de DDR-burgers pas goed hoe zij jarenlang bedrogen waren. Nu aanschouwden zij met eigen ogen hoe armoedig en vervallen de DDR was in vergelijking met de Bondsrepu­bliek.

De initiatiefnemers van de eerste demonstraties raakten door deze massale ontgoocheling hun greep op de gebeurtenissen kwijt. Zij hadden samen met de vluchtelingen de `Wende' voorbereid. Maar nu de ommekeer gekomen was, was hun rol uitgespeeld. De grote massa van het volk wilde niet zoals zij interne veranderingen, maar aansluiting bij de Bondsre-publiek. Tijdens de demonstraties werd vanaf nu hereniging éëist. De leus `Wir sind das Volk' maakte plaats voor de kreet `Wir sind ein Volk'. De Westduitse regering kwam hieraan maar al te graag tegemoet en de voormalige geallieer­den, inclusief de Sovjetunie, stemden met de hereniging in. Dat was het einde van de DDR. De duidelijke wens van het volk kou niet meer genegeerd worden.

 Kohl in Weimar 1990

Op 7 december werd besloten tot het houden van de eerste vrije verkiezingen in de DDR. Die leverden-op 18 maart 1990 een grote zege op voor de CDU, de partij van de Westduitse bondskanselier Kohl, die 48,2 procent van de stemmen kreeg. De PDS, die de voortzetting is van de SED, kreeg 16,3 procent. Het nieuwe Oostduitse parlement besloot de DDR toe te laten treden tot de Bondsrepubliek. Op 3 oktober 1990 werd de DDR offi­cieel opgeheven. De Duitse eenheid was een feit.

Zie voor deel 15 Een geschiedenis van Brandenburg - Pruisen Deel 15