We hebben 288 gasten online

De brief van Warschau en de invasie van Tsjecho-Slowakije op 21 augustus 1968

Gepost in Midden en Oost-Europa

De brief van Warschau en de invasie van Tsjechoslowakije op 21 augustus 1968

 

praag 1968

drs.J.W.Swaen Historicus

Toen het einde van Hitlers duizendjarig rijk in aantocht was kwamen de geallieerden te Jalta bijeen om tot afspraken te komen betreffende de status-quo in Europa na de capitulatie.

De afspraken te Jalta deelden Europa qua invloedssfeer in tweeën. De Koude Oorlog, die de resultante vormde van het ontstaan van twee nieuwe machtsblokken, accentueerde een en ander.

Na het heengaan van Stalin en de opkomst van het destalinisatieproces, in gang gezet door Chroesjtjew op het 20 partijcongres in 1956, ontstond er in Oost-Europa een duidelijke oppositie tegen het Stalinisme. In Polen kon men de zaken nog juist redden door Gomoulka een leidende rol te geven en deze voor zich te winnen.

In Hongarije daarentegen leidde de indirect door Chroesjtjew zelf ontketende ontevredenheid, tot een bloedige onderdrukking van de Hongaarse Opstand.Tsjecho-Slowakije vormde echter in de kritieke herfst van 1956 een wig tussen het woelige Polen en het opstandige Hongarije. Antony Novotny zat als stalinist stevig in het zadel totdat in 1967 ook voor hem de crisis zich aankondigde, waarbij drie factoren de crisis deden uitmonden in de vervanging van Novotny als partijsecretaris. Deze factoren waren economische malaise en de ontevredenheid van de economen, de culturele crises en het gebruik van brute macht tegen de demonstrerende studenten.

Door de bestuurswisseling in Tsjecho-Slowakije ontstond er een sterke destalinisatiegolf die er toe leidde dat de Sovjet-Unie en een aantal leden van het Warschauw-pact bevreesd werden voor de eventuele gevolgen ervan.

Het socialisme met het “menselijk gezicht” was voor ‘socialistische broederstaten” aanleiding tot het opstellen van de Brief van Warschau, welke in feite een ultimatum inhield. Toen Tsjecho -Slowakije dit niet aanvaarde leidde dit tot de invasie van 21 augustus 1968.

Waarom de Sovjet-Unie en een aantal leden van het Warschau-pact, meenden in te moeten grijpen in de binnenlandse ontwikkelingen van het socialisme in Tsjecho-Slowakije zal ik aan de hand van de Brief van Warschau aan een nadere analyse onderwerpen.

Voordat de “socialistische broederstaten” overgingen tot de militaire bezetting van Tsjecho-Slowakije waren er 8 maanden van “Praagse lente”aan vooraf gegaan.In deze “Praagse lente”kwam de reactie op het regime Novotny als een niet meer te stuiten beweging naar voren. Een zaak stond daarbij zo vast als een huis: een regime Novotny, met haar stalinistische methoden, diende voorgoed tot het verleden te behoren.

Het kabinet onder leiding van ir. O.Cernik kwam met een regeringsprogramma, gebaseerd op een actieprogramma, dat door het centrale Comité van de C.P. op 5 april was aanvaard. Men streefde naar het activeren van alle democratische elementen in het land, rechtszekerheid voor alle burgers, rehabilitatie van alle politieke slachtoffers uit het verleden, gelijkheid van Tsjechen en Slowaken, herstel van enkele oude vrijheden zoals die van het verenigingsleven en vergaderingen, van meningsuiting en verplaatsing ( de vrije reizen naar het buitenland). Censuur werd als een der grootste hinderpalen afgeschaft door een wet, die nog voor de vakante door de nationale vergadering werd aanvaard (1).

Het liberaliseringsproces leidde tot grote onrust in een aantal Oostblokstaten. Naast de Sovjet-Unie was het ook de DDR, in de persoon van Ulbricht, die de ontwikkeling met zorg volgde.

Bhram (2) is de mening toegedaan dat:

“Ulbricht wusste, dass das Beispiel des democratischen Socialismus auch in der DDR Schule mache könte”.

Maar dit was niet de enige reden welke volgens Bhram tot de onrust bijdroeg.

“Da 1968 nich nur die CSSR, den Sowjetischen Politikern und vor allem der geredlinig -unkompliziert denkenden Generalität Kopfschmerzen bereitete, sondern auch Polen als labil galt und schliesslich Ungarn nach wie vor als unsicherer Kantonist angesehen wurde, kann man sich bei einiger Phantasie vorstellen, dass die Entwicklung in Prag für die Sowjets Höchst alermierend war”(3).

Het is dan ook geen wonder dat vanuit de Sovjet-Unie en de DDR, Bulgarije, Hongarije en Polen veelvuldig reacties kwamen van diepe bezorgdheid met betrekking tot de ontwikkelingen in Tsjecho-Slowakije.Steeds opnieuw werd er door de leiders van Tsjecho-Slowakije op gewezen dat men:

a) de verworvenheden van het socialisme zal blijven aanhangen,

b) lid zal blijven van zowel de Comecon als het Warschau-pact en dat men als partij de situatie in het land onder controle heeft,

c) dat men attent zal blijven tegen offensieve rechtse en antisocialistische krachten.

Ondanks alle verklaringen van de communistische leiders van Tsjecho-Slowakije naderde de ongerustheid tot een ongekende hoogte. Een en ander werd nog aangewakkerd door bezoeken en verklaringen van communistische leiders uit Joegoslavië en Roemenië en uit berichten in de Westerse pers.

De druppel welke de emmer deed overlopen en die uiteindelijk zou leidden tot het opstellen van de Brief van Warschau, was het verschijnen van Vaculik’s “2000 woorden”. Men kon er volgens Remington (4) niet omheen:

“Not only had Veculin ’s statement opened the Pandora ’s box of questions surrounding a proper interpretation of the leading role of the communist party, but the sensitive issue of en “independent ’Czechoslovak military doctrine cropped up almost simultaneously”.

De leiding van de Tsjechoslowaakse communistische partij was er al spoedig zelf van overtuigd dat het verschijnen van de “2000 woorden”, voor de Sovjet-Unie wel eens de laatste druppel zou kunnen zijn die de emmer kon doen overlopen en zeer snel ging zowel het Politbureau, de regering en de Volksvertegenwoordiging tot afwijzing van de “2000 woorden” over.

Wat de Tsjechoslowaakse communistische partij verwachtte gebeurde dan ook. Op een bijeenkomst te Warschau, op 10 juli 1968, kwamen de centrale commitees van de communistische partijen van de Sovjet-Unie, Bulgarije, Hongarije, Polen en de DDR bijeen en stelden de brief van Warschau op.

In deze brief aan de communistische partij van Tsjecho-Slowakije verklaren ze dat ze niet de intentie hebben om te interveniëren in zaken van binnenlandse aard. Maar men kan niet lijdzaam toezien hoe Tsjecho-Slowakije van het pad van het socialisme afbuigd en een andere richting uitgaat, dan in andere socialistische landen.

De ondertekenaars verklaren dat dit geen aangelegenheid is van Tsjecho-Slowakije maar een zaak is van alle landen welke verenigd zijn in het Warschau-pact.Maar juist hier klopt de formulering niet, want het is duidelijk dat Roemenië buiten de beraadslagingen is gehouden, met betrekking tot de te volgen strategie(6).

Er was binen het Warschau-pact een duidelijk meningsverschil aanwezig over de te volgen lijn, hetgeen ook duidelijk bleek nadat de invasie in Tsjecho-Slwakije had plaatsgevonden en wie er aan mee deden(7).

Ondanks de interne verdeeldheid meenden de vijf ondertekenaars te kunen spreken van:

”Wij, die verenigd zijn in het Pact van Warschau, hebben de plicht om de historische verworvenheden van het socialisme te verdedigen”.

Omdat deze historische verworvenheden, volgens hen, door de ontwikkelingen in Tsjecho-Slowakije werden aangetast behoorde het tot hun recht de onafhankelijkheid, vrede en veiligheid in Europa te waarborgen en er voor in te staan.

De vijf ondertekenaars formuleren dan hun voorwaarden waaraan Tsjecho-Slowakije zo spoedig mogelijk zou moeten voldoen.

1) De verdediging van het Leninistisch Democratisch Centralisme als ‘Oogappel”, als leidraad bij al het handelen, solidariteit in de rangorde der partij.

2) Een offensief tegen rechtse en anti-sociale krachten en een mobilisatie van alle defesieve krachten gecreerd door de socialistische staat.

3) Een verbod van alle politieke activiteiten van organisaties welke het socialisme aanvallen. De partij mag geen discussieclub worden. De “2000 woorden” is in beginsel een verklaring van een georganiseerd politiek platform van de contrarevolutie. Scherp optreden van de partij hiertegen is geeist.

4) Het aanvaarden van de controle van de partij over de massa-media en het gebruik ervan ten dienste van de werkende klasse en het socialisme.

5) Het voeren van een gemeenschappelijk socialistisch beleid met betrekking tot de te volgen binnenlandse politiek en verdediging tegen de imperialistische krachten zoals de Bondsrepubliek Duitsland.

In het antwoord van de Tsjechoslowaakse communistische partij wijst de partij erop dat de verbondenheid met de Sovjet-Unie en de overige socialistische landen diepgeworteld is en zal blijven. De partij ziet echter geen rieële gronden de situatie als contrarevolutionair te zien.

De aantasting van de grondrechten van het democratische centralisme komt door de handelswijze van opzichzelf staande communisten, wat een duidelijk teken is, dat de partijleiding jarenlang een bureaucratisch centralisme tot gelding heeft gebracht en daardoor de democratie binnen de partij schade heeft berokkend.

De partij blijft pal staan voor het historisch socialisme en de verdediging ervan en blijft het imperialisme bestrijden. De partij wil haar verplichtingen in het Warschau-pact nakomen en ook op buitenlands politiek gebied de gezamenlijke politieke lijn volgen, ook ten aanzien van de Bondsrepubliek.

De partij steunt op de vrijwillige steun van het volk. Ze leidt het volk niet door erover te heersen maar door het volk door daden voor zich te winnen.De partij weigert de fouten te maken die het regime Novotny heeft gemaakt. Terugkeer naar de toen heersende methoden zou op weerstand stuiten. Zou de partij dit toch doen, dan zou het tot een werkelijk machtsconflict komen. De partij heeft een leidende rol in het Politieke Front en ze zal niet overgaan tot het weer doen instellen van de censuur omdat de meerderheid van de bevolking erachter staat.

Dat de vijf ondertekenaars van de Brief van Warschau het antwoord niet voldoende hebben gevonden is op 21 augustus 1968 duidelijk gebleken. De redenen waarom zij meenden tot de overval over te moeten gaan kan in de volgende punten worden samengevat:

1) Een van de fundamentele motieven was het conflict tussen twee concepties van socialistische ontwikkeling, nl. de bureau-statisch-centralistische enerzijds, en de op democratisch zelfbestuur berustende conceptie anderzijds.

2) Men had angst voor een snelle verwezenlijking en bevestiging van een democratisch en zelfbesturend socialisme in Tsjecho-Slowakije en voor de repercussies daarvan op de eigen binnenlandse ontwikkeling.

3) Een blik op de landkaart van Europa is voldoende om te beseffen dat Tsjecho-Slowakije de voornaamste verdedigingslinie is van de lidstaten van het Warschau pact. Een snelle politieke ombuiging in Praag, zo moete men in Moskou gevreesd hebben, kon het gezamenlijk verdedigingssysteem van het Warschau pact, diep aantasten. Enigerlei doorbrekeing van de status-quo, in de eigen invloedssfeer en in de naoorlogse Europese constellatie moest met alle middelen worden voorkomen.

4) Zowel in het Pact van Warchau als bij de leiders van de Sovjet-Unie was er sprake van interne meningsverschillen getuige de diverse consultaties die tijdens de 8 maanden van de “Praagse lente” hebben plaatsgevonden. Labiel leiderschap heeft zeker mede een rol gespeeld bij de beslissing om Tsjecho-Slowakije met troepen te bezetten.

5) Er wordt vaak een parallel getrokken tussenTsjecho-Slowakije en Roemenië met betrekking tot de liberaliseringsgolf en de reactie van de `socialistische broedervolken´ daarop. In Roemenië werd niet ingegrepen in Tsjecho-Slowakije wel. Daar zijn een aantal redenen voor op te noemen:

a) Van liberalisatie op binnenlands gebied was in Roemenië geen sprake, in Tsjecho-Slowakije duidelijk wel.

b) In Roemenië vonden de veranderingen plaats in een tijdsspanne van enkele jaren, in Tsjecho-Slowakije in 8 maanden.

c) De leidende rol van de communistische partij in Roemenië was een duidelijke zaak, in Tsjecho-Slowakije gaf dit juist reden tot diepe bezorgdheid.

6) De invasie markeert een duidelijke breuk in de tot dan toe geldende regels van het spel met betrekking tot de interne zaken van het Warschau-pact. Het Warschau pact werd nu als instrument gebruikt om kwesties betreffende de lidstaten zelf te regelen en niet als een instrument tegen het imperialisme en het West-Duits-revanchisme.

drs.J.W.Swaen

 

Bronnen:

· Bezemer, J.W. de Tshechoslowaakse crises. de voorgeschiedenis van een invasie in Inetrnationale Spectator, Jaargang 23 nr. 18 22 okt. 1968; p. 1548-1598.

· Billington, J.H. Force and Counterforce in Eastern Europe. Foreign Affairs Vol.47 nr. 1 October 1968.

· Brahm, H.; Der Kreml und die CSSR. 1968-1969 Stuttgart 1970.

· Constandse, A.L.;Tsjecho-Slowakije en de theorie van de vreedzame contrarevolutie. In Oost-West 7e jaargang, nummer 12, december 1968.

· Couwenberg, S.J.; Westerse politiek na de Sovjet interventie. In Oost-West 7e jaargang, nummer 12, december 1968

· Gadourek, I.; Enkele achtergronden van de Tsjecho-Slowaakse crises in Oost-West nummer 12, december 1968.

· Goudoever, van A: De Praagse Lente: een verantwoording van de intelligentia. Uit de Gids 136e jaargang nummer 4/5 1973.· Lebeds, L.: Czechoslovakia and after. In Survey nummer 69, October 1968 p. 7-21.

· Mihailovic, S.; Economische aspecten van de tsjecho-slowaakse crises. in Oost-West 7e jaargang nummer 12 december 1968.

· Remington, R.A.; The Warschau Pact. Massachusetts 1971.

· Shub, A. lessons of Czechoslovakia,. In Foreign Affairs. Vol 47 nr. 2 Jan 1969.

· Czechoslovakia. Documents: before the Invasion, After the Invasion. In Survey. nr.69 October 1968 p. 22-38.

· Letter of Warschau, Uit: The current digest of the Soviet Press. Vol XX no 2.

· Die Antwort der KPC, uit Ost-Probleme, 20e Jaargang nummer 20 van 4 oktober 1968.

 

Notenapparaat:

1) Gadourek, I: p. 414

2) Brahm, H.: p. 16

3) Brahm,H.: p.67

4) remington, R.A.: p.101

5) Brham,H.: p.35/ Bezemer wijst er in zijn verhandeling over de Tsjecho-Slowaakse crises op, dat het manifest van Vaculik bedoeld was als ondersteuning van de hervormers in de communistische partij op een ogenblik dat de verkiezing van afgevaardgden naar het veertiende partijcongres begon.

6) Er was in het Warschau pact verdeeldheid over hoe men de ontwikkelingen in Tsjecho -Slowakijetegemoet zou moeten treden. Na de bijeenkomst in Bratislava protesteerde Roemenië, zoals het ook al deed na de bijeenkomst in Dresden, omdat problemen betreffende het Warschau pact, niet zouden mogen worden bestudeerd op bijeenkomsten waar sommige leden niet voor waren uitgenodigd. Tijdens de bijeenkomst van Bratislava werd er een verklaring opgesteld over het Warschau pact welke volgens Remington aldus was geformuleerd: ‘ It serves as an invinceble barrier to all who would like to revise results of the second world war. It reliably defends the gains of socialism and the sovereignty and independence of the fraternal states” p. 104. Bezemer wijst er in zijn verhandeling over de Tsjecho-Slowaakse crises op dat er in de verklaring van Brateslava één zinnetje is opgenomen dat aansluit bij de argumentatie van de brief van Warschau. Een zinnetje waarin gezegd wordt dat de verdediging van de verworvenheden van het socialisme “een gemeenschappelijke plicht is van alle socialistische landen”. Bezemer is van mening dat de Tsjechoslowaakse delegatie, door toe te staan dat dit zinnetje in de verklaring werd opgenomen, in beginsel erkende dat de Vijf een recht op inmenging hadden.

7) In zijn artikel: Consequenties voor het communisme, schrijft A.L. Constandse dat nog op 22 augustus onmiddellijk na de bezetting van de Tsjechoslowakije de Roemeense partijleider Caucescu elke aanspraak op voogdij van Russische zijde afwees. Hij zei dat toen in een speciale zitting van het parlement: “We beschouwen de Russische interventie als een flagrante schending van de nationale onafhankelijkheid en soevereiniteit van de Tsjechoslowaakse republiek; als een gewelddadige inmenging in de zaken va een broedervolk; als een daad die volkomen in strijd is met de fundamentele normen der relaties, die moeten bestaan tussen socialistische landen en communistische partijen, en natuurlijk met de algemeen erkende beginselen van het internationaal recht (p.425).