We hebben 190 gasten online

Een geschiedenis van Denemarken Deel 1

Gepost in Noord-Europa

De eerste jagers bewoonden het land vanaf ongeveer 12.500 BC. Rond 3900 BC werd overgegaan op landbouw en veeteelt. De verstedelijking begint tussen 400-700.

De Denen die zich voor een deel in Zuid-Zweden hadden gevestigd zwermden over West-Europa uit. De Denen die ongeveer een generatie na de Noren zuidwaarts trokken, begonnen hun activiteiten in 834, met een aanval op Dorestad. Omstreeks het midden van de 9e eeuw vielen Deense bendes per schip of te paard grote delen van Engeland en het Frankische Rijk binnen  om daar kerken en steden te overvallen.

De vikingen bouwden vier grote ronde bolwerken in Denemarken. Twee ervan, die te Aggersborg en te Frykat, liggen op het schiereiland Jutland. De andere twee liggen in Trelleborg op het eiland Sjaeland en te Nonnebakken op het eiland Fyn. Uit dendrochronologisch onderzoek is gebleken dat de vestigen omstreeks 980 werden gebouwd.

Koning Harald Blauwtand bouwde ze om zijn koninkrijk één te maken en zijn gezag te versterken. De vier vestingen waren slecht één van koning Harold Blauwtands enorme projecten, waardoor hij het Deense landschap ingrijpend veranderde, tot op de dag van vandaag. Een bouwwerk van hem was onder andere de eerste brug van Scandinavië gebouwd omstreeks het jaar 979, een enorme houten constructie bij Ravning Enge op Jutland. Hij versterkte ook de Danevirke, een massieve muur die Denemarken beschermde tegen invallen uit het zuiden.

In 1013 viel de Deense koning Sven Gaffelbaard Engeland binnen en verjoeg de Angelsaksische heerser Aethelred II. Toen Sven in 1014 stierf, bezette Aetelred de troon opnieuw maar stierf terwijl Knut, Svens zoon, met een leger naar Londen optrok. Edmond Ironside, de zoon van Aetelred, claimde de troon en na enkele onbesliste ontmoetingen troffen beide elkaar bij Ashingdon. De slag bleef in evenwicht tot Edmunds Merciërs op de vlucht sloegen, mogelijk een daad van verraad. De Engelse gevechtslinie brak en werd verpletterd door Knuts troepen. Edmund overleefde de slag maar stierf zes weken later, waarna Knut (995-1035) koning van heel Engeland was.

  

De Deense vloot begroette hem in 1014 als koning van Engeland, maar hij moest vechten om de troon veilig te stellen, eerst tegen Aetelred, daarna tegen Edmund. In 1019 volgde Knut zijn oudere broer op als koning van Denemarken en in 1028 veroverde hij Noorwegen. Hij versterkte zijn greep op de Engelse troon door met Aetelreds weduwe, Emma van Normandië, te trouwen, al had hij ook een Deense vrouw. Knut werd alom gerespecteerd als een wijs en machtig heerser.

Denemarken was het eerste Scandinavische koninkrijk  dat zich tot een staat in de christelijke West Europese gangbare zin ontwikkelde. Dat was vooral het werk van drie koningen, namelijk Harold Blauwtand (950-986), Sven Gaffelbaard (986-1014) en Knut de Grote (1014-1035). Bij de bekering van de Denen tot het christendom speelde Harold een dooslaggevende rol; hij wist  een van het Duitse rijk uitgaande dreiging af te wendenen bracht Noorwegen onder de Deens ekroon. Sven hield zich in het bijzonder bezig met militaite expedities naar Engeland, dat hij schatting afdwong (het Danegeld). Zijn zoon Knut d eGrote maakte zich meester van de Engelse troon(zie hierboven) en heerste over een rijk dat zich in theorie, van de Noordkaap tot de Scilly eilanden uitstrekte. Het rijk van Knut stortte bij diens dood ineen en tot 1046 maakte Denemarken deel uit van het rijk van Magnus, de koning van Noorwegen. Onder Sven Estridsson kreeg Denemarken de vorm die het eeuwenlang zou behouden. Tot het toenmalige Denemarken  behoorden ook de huidige Zweedse provincies Skäne, Blekinge en Halland. In de 10e en begin 11e eeuw werden de eerste Deense steden en bisdommen gesticht.

1100-1157 De moord in 1086 op Canute de Heilige (Canute IV) door Deense edelen bracht een tijdelijke beknotting van de expansie van de macht van het Deense koningshuis met zich mee. De koningen moesten accepteren dat ze rekening moesten houden met de belangen van edelen en de geestelijkheid. De macht van de kerk was sterk gegroeid na het stichten van een onafhankelijk Deens aartsbisdom in Lund in 1103. Ook vebrokkelde de macht van het koningshuis door twisten tussen de opvolgers van Svend Estridsen. Meerdere familiemoorden werden gepleegd, tot in 1157 Knud Lavard's zoon, Valdemar de Grote (Valdemar I), zijn tegenstanders versloeg en de troon besteeg

1157-1241 Deense geschiedschrijvers noemden deze periode de grote periode van de Valdemars (1157-1241). De macht van de troon nam weer toe, Wendische stammen die het land plunderden werden verslagen en het territorium breidde zich uit. In 1169 namen de Denen Arkona over op het eiland Rügen en tijdens de kruistochten veroverden ze Estland in 1219. Holstein werd ingelijfd en Lübeck moest schatting aan de Deense koning betalen. Na 1200 verbrokkelde het rijk echter snel. Valdemar en zijn zoon werden gevangen gezet op het eiland Lyø, en er moest een grote borg worden betaald voor de vrijlating van de koning. Saxo Grammaticus' officiele geschiedenis, Gesta Danorum, geschreven aan het begin van de 13e eeuw, gaf het land een helderder beeld van zijn nationale identiteit. Voor het eerst waren de Denen in staat over de geschiedenis van hun heldhaftige voorvaderen te lezen.

De bevolking van Denemarken groeide tot meer dan 750.000 zielen en bossen werden gekapt om ruimte voor nederzettingen te maken. Marktplaatsen ontstonden waardoor de economie groeide. Ook ontstonden de eerste grote verschillen tussen het stadsleven en de gebieden op het platteland.

1241-1340 Na de dood van Valdemar II viel het land uiteen en ontstonden er bloedige konflikten binnen de koninklijke familie. 

De kerk werd weldra een machtsfactor naast de koning. Aan het einde van de 13e eeuw was de koning in een zwakke positie. Koning Erik V werd door de adel gedwongen tot ondertekening van de zogeheten håndfæstning (handvest)(1281), die kan worden gezien als de eerste grondwet van Denemarken. 

Tegen 1300 leek het alsof Erik Menved (Erik VI) het land weer enigszins onder kontrole had, maar in laats daarvan stevende het af op een totale ondergang. De Kroon was blut en de edelen verzetten zich tegen nieuwe belastingen. De enige manier om geld te verkrijgen was door het uitlenen van land. De strijd tussen koning en adel werd in de 14e eeuw voortgezet, waarbij Christoffer II in 1320 opnieuw grote concessies aan adel en geestelijkheid moest doen. De verzwakking van het koningschap leidde uiteindelijk tot een diepe politiek-militaire crisis, waarbij de Duitse graaf Gerard III van Holstein erin slaagde het Deense hertogdom Sleeswijk onder zijn gezag te brengen. Tegen 1325 was het halve land verpacht en tussen 1332 en 1340 was het gehele land onder kontrole van Holstein of Zweden. De Kroon bezat geen enkele macht meer. Alleen de belangrijkste edelen en de kerkleiders haden iets te zeggen over het bestuur van het land. Beslissingen werden genomen door nationale vergaderingen die bekend werden als hof (danehof). Hierin werden belastingen vastgesteld en nieuwe koningen waren verplicht een handvest te ondertekenen waarin de bevoorrechte positie van de adelstand en de kerk werden gegarandeerd.

1340-1397 "De Zwarte Dood", oftewel de pest, bereikte Denemarken in 1350 en roeide een groot deel van de bevolking uit. De pest kwam nog eens terug in 1360 en 1368-69 en leidde tot een crisis en een aantal sociale veranderingen; Op hetzelfde moment probeerde Valdemar Atterdag zijn koninkrijk weer bij elkaar te krijgen. In 1360 werd de aard van de relatie tussen de koning en zijn volk vastgelegd in de Koning's Vrede, een nationaal kontrakt tussen beide partijen die de bestaande verdeling van het land in landgoederen bevestigde. In 1361 werd het koninkrijk vergroot door de verovering van Gothland, wat echter resulteerde in een oorlog met de Noord-Duitse Hanzesteden. De Hanzesteden wonnen, maar hadden er een geducht tegenstander bij. Valdemar Atterdag's grootste politieke triomf was echter het huwelijk tussen zijn dochter Margaret en King Håkon VI van Noorwegen. Na Valdemar's dood in 1375 werd Oluf, de zoon van Margaret, koning van Denemarken en zij regeerde in zijn naam. Na de dood van Håkon en Oluf werd zij in 1387 uitgeroepen tot koningin van Denemarken; het jaar erop werd ze koningin van Noorwegen en niet lang daarna werd ze door de Zweedse edelen tot koningin van Zweden gekroond.

De Kalmar Unie 1397-1536

Met de Kalmar Unie werd de unie van de drie landen grondwettelijk vastgelegd in 1397, toen Erik van Pomerania (Erik VII) tot koning van heel Scandinavië werd uitgeroepen. Noorwegen bleef onder Deense heerschappij tot 1814, maar de Zweden probeerden herhaaldelijk onder de Deense macht uit te komen. De eerste onafhankelijkheids-onlusten braken in 1434-36 uit; gedurende de rest van de 15e eeuw slingerde de Zweedse rådsstyre tussen onafhankelijkheid en onderdanigheid aan de Deense Kroon. Christian II probeerde in 1520 op brute wijze het Zweedse verzet te breken (moordpartij van Stockholm waar meer dan 80 tegenstanders werden geëxecuteerd) maar dit had het tegengestelde effekt. Onder leiding van Gustav Vasa (Gustav I) leidde een nieuwe opstand uiteindelijk tot het verbreken van de unie en Zweden werd een zelfstandig koninkrijk.

Terwijl de lagere adel steeds minder inkomsten van de boeren verkreeg, bouwde het rijkste gedeelte van de adel haar landgoederen uit. De geestelijkheid en de grootgrondbezitters zaten in de Rigsråd (nationale vergadering) en runden het land met de koning. De overige adel, burgers en boeren hadden weinig in te brengen. Een aantal opstanden die uiteindlijk leidden tot de burgeroorlog in 1534 - 36, die bekend staat als Grevens Fejde (De Vete van de Graaf), zorgde er alleen maar voor dat de heersende klasse nog meer voor zichzelf ging zorgen.

Reformatie en Absolutisme 1536-1720

1536-1661 Het huidige Denemarken is slechts een klein gedeelte van het grote koninkrijk dat Christian III in zijn bezit kreeg na de overwinning in de burgeroorlog in 1536. Op dat moment omvatte Denemarken eveneens Scania, Halland, Blekinge, Gothland en Oesel. De reformatie werd in 1536 in Denemarken ingevoerd; het land werd luthers. 

Verder vormde Noorwegen met zijn uitgebreide bezittingen in de Noord Atlantische Oceaan (de Faroes, IIsland en Groenland) een personele unie met Denemarken sinds de oprichting van de Kalmar Unie in 1397. Het handvest bij de troonbestijging van Christian III benadrukte dat Noorwegen net zozeer deel uitmaakte van Denemarken als Jutland. Verder moest de monarch van Oldenburg (hertog van Holstein en Schleswig) trouw zweren aan de Deense troon.
Het bestuursstelsel zoals dat vorm kreeg tussen 1536-1660 staat bekend als een aristocratische regering. Het was een grondwettelijke vorm van bestuur waarin de koning officileel werd gekozen door de gewesten van het rijk, maar in de praktijk door de edelen in de Rigsråd, die echter altijd de zoon van de koning koos. In ruil daarvoor moest de koning een grondwettelijk statuut tekenen waarin de verdeling van de macht tussen de Kroon en de Rigsråd was vastgelegd.
Rond 1560 kregen zowel Denemarken als Zweden een andere heerser en er kwam een einde aan de periode van vreedzaam naast elkaar leven. Zweden, onder leiding van Erik XIV, was erop gebrand de macht van de Denen te breken, terwijl Frederik van Denemarken droomde van het herstel van de Kalmar Unie onder Deense heerschappij. Dit leidde tot Den Nordiske Syvårskrig (de Scandinavische 7-jaars oorlog, 1563-70), die uiteindelijk beide partijen uitputte zonder dat er maar één grens was verschoven. In 1611 begonnen de Denen de Kalmar War (1611-13), de laatste poging om de oude unie te herstellen, maar ook die faalde. De machtsbalans in het noorden was nu in het voordeel van een dynamisch Zweden onder leiding van Gustav II Adolf.

Denemarken nam ook deel aan de Dertig-jarige Oorlog, maar verloor en het vernederende vredesakkoord betekende dat Denemarken verslagen en geïsoleerd was, terwijl Zweden tot de leidende macht in het Baltische gebied was opgeklommen.

In de 17e eeuw hebben Denemarken en Zweden herhaaldelijk oorlog met elkaar gevoerd over de suprematie in Noord-Europa. In de oorlog van 1655-1658 verloor Denemarken de landstreek Skåne, een gebied dat eeuwenlang bij Denemarken had gehoord en waar de bevolking een Deens dialect sprak. Pogingen van Deense zijde om dit gebied te heroveren, liepen echter op niets uit. 

Economisch, was in Denemarken-Noorwegen sprake van een dominante agrarische samenleving. De stad Kopenhagen, veruit de grootste binnen het domein, had ongeveer 30.000 inwoners in 1650. Denemarken produceerde vooral graan en vee, het overschot werd verkocht aan Nederland. Noorwegen exporteerde gedroogde of gezouten vis en soms ijzer, en natuurlijk hout. De belangrijkste bron van inkomsten voor de Deense staat, was echter, de belasting welke geheven werd aan elk schip dat van de Noordzee in de Baltische zee voer en vice versa.

1661-1720 In oktober 1660 werd een erfelijke monarchie ingesteld. De koning was dus niet langer afhankelijk van de Rigsråd, en hij gebruikte deze nieuwe macht onmiddelijk door het absolutisme in te voeren. Dit werd tijdelijk vastgelegd op 10 januari 1661 in the Erfelijke Monarchie Wet en definitief in Kongeloven (de Koning's Wet) in 1665.

De laatste twee Deens-Zweedse oorlogen, de Skånske Krig (Scania Oorlog) tussen 1675-79, en de Store Nordiske Krig (Grote Noorse Oorlog) tussen 1709-20, werden allebei gestart door de Denen in een poging Scania terug te winnen van de wankelende Zweedse mogendheid. Hoewel de Denen beide oorlogen min of meer wonnen, kregen ze Scania niet terug aangezien de grote Europese mogendheden ertegen waren. Hierom en omdat Zweden ondertussen qua macht niet veel meer voorstelde dan Denemarken, werd het Deens-Zweedse vraagstuk door de regering van de buitenlandse politieke agenda gehaald. De grenzen bleven gehandhaafd zoals ze waren. De langdurige rivaliteit tussen beide landen werd al gauw vervangen door een nieuw partnerschap om tegenwicht te bieden aan het opkomende Russische Rijk. De vrede van 1720 was het begin van een lange periode van vreedzame coëxistentie tussen de beide noordelijke koninkrijken.

Zie verder deel 2: Deel 2 Een geschiedenis van Denemarken