We hebben 157 gasten online

Een geschiedenis van Denemarken Deel 2

Gepost in Noord-Europa

De lange vrede en de korte oorlog 1720-1840

1720-1807

De periode tussen de vrede van 1720 en de volgende oorlog in 1807, tegen de Britten, was de langste periode van vrede die Denemarken ooit heeft gekend. De eerste jaren werden bepaald door het terugbetalen van oorlogsschulden en een ernstige agrarische krisis. De bevolking groeide echter, van rond 700.000 in 1720 tot 978.000 in 1807 en uiteindelijk 1 miljoen in 1814. Terwijl de grote mogendheden oorlog voerden, bleef Denemarken neutraal en leverde voedsel en bood laadcapaciteit aan allerlei Europese landen. Maar de uitbuiting van Denemarken's neutrale positie bracht het land in openlijk konflikt met Engeland in 1801. Het economisch herstel beïnvloedde ook de mentaliteit en houding van het volk; er begon een besef van eigen identiteit en nationale trots te ontstaan onder de burgerij en de spanning tussen Denen en Duitsers raakte ingeburgerd. Begrippen als vrijheid en gelijkheid werden tijdens de Verlichting al besproken door de Denen, evenals de twijfel aan het goddelijke recht van koningen, al voor het nieuws van de Franse Revolutie Denemarken bereikte in 1789.
De ontwikkeling van een nationale identiteit in het midden van de 18e eeuw was tamelijk vroeg vergeleken met veel andere Europese landen. Meestal waren het alleen de machthebbers die zich vereenzelvigden met hun land, terwijl de gewone burger niet verder keek dan zijn stad, dorp of regio. Dat dit wel in Denemarken gebeurde, was ten dele een reaktie tegen de buitenlandse adel aan het hof en in de regering en tegen de Deense adel die de taal en kultuur van de buitenlanders overnam en Denemarken beschouwde als een achtergebleven land. De opstand tegen Struensee was gedeeltelijk begonnen om zijn Duitse spraak en zijn buitenlandse afkomst. De groep die hem in 1772 wegjoeg, probeerde haar eigen macht te stabiliseren door een Deense en conservatieve politiek. Dit nationalisme kulmineerde in 1776 met de Wet op Inheemse Rechten waardoor het verboden was voor buitenlanders om een regeringspost te bekleden.

1807-1814

Oorlog brak weer uit in 1807, toen Engeland Denemarken aanviel, Kopenhagen bombardeerde en de hele Deense vloot overmeesterde. Denemarken had Engeland al een aantal malen geprovoceerd, onder andere door Engelse oorlogsschepen Deense vaartuigen te laten beschermen die niet altijd even neutrale aktiviteiten verrichtten. De Britse aanval in 1807 was bedoeld om te voorkomen dat Napoleon kontrole zou krijgen over de Deense vloot waardoor hij de belangrijke handel tussen Engeland en de Baltische staten kon stilleggen. Denemarken koos na de aanval de zijde van Napoleon, maar slaagde er niet in de blokkade van de Deense zeestraten door sterke Engelse konvooien te doorbreken. In 1813 was de staatskas leeg en het land failliet. Bij de Vrede van Kiel in 1814 moest Frederik VI Noorwegen overdragen aan de koning van Zweden.

19e eeuw 1814-1901

1814 1848

Na de Vrede van Kiel bezat de Deense monarchie nog vier gebieden: Het koninkrijk Denemarken (inklusief de Faroes, IJsland en Groenland) en de hertogdommen Schleswig, Holstein en (later) Lauenburg. Denemarken was gereduceerd tot een kleine natie en moest wel meegaan in de wensen van de grootmachten. De kolonieën in India en Afrika werden in 1845 en 1850 verkocht.
Toen Christian VIII de troon besteeg in 1839 had het land veel verwachtingen van hem; als koning van Noorwegen had hij de constitutionele monarchie in 1814 ingevoerd, maar als koning van Denemarken weigerde hij elke beperking van zijn absolute macht. Hij had echter wel door dat het absolutisme niet zou kunnen overleven na een troonsopvolging en hij bracht daarom een aantal wijzigingen aan in de grondwet. De Nationale Constitutionele Vergadering werd gevormd op 5 oktober 1848. De debatten over een nieuwe grondwet duurden maanden, maar op 5 juni 1849 kon Frederik VII de eerste vrije grondwet van Denemarken tekenen, die algemeen bekend staat als de Juni Grondwet. In demokratische zin was de grondwet zijn tijd ver vooruit wat burgerrechten voor de bevolking betrof en de introduktie van een twee-kamer systeem (de Folketing en de Landsting). Er begon zich echter al een politieke scheiding af te tekenen tussen diegenen die de boeren steunden en de nationalistische liberalen en conservatieven aan de andere kant.

De juni grondwet 1849-1864

Vanaf de eerste vergaderingen van de Rigsdag (parlement) leken de afgevaardigden van de boeren een verenigde partij te vormen en de overigen niet. Een grote groep liberalen schaarden zich rond een groep van prominente figuren, zoals D.G. Monrad. De groep vormde absoluut geen eenheid maar bevatte wel een groot aantal academici. Meer rechts was een kleinere groep ambtenaren en landbezitters die tegen de grondwet waren.
De economie werd geliberaliseerd rond het midden van de 19e eeuw en door de industriële revolutie werd het land gemoderniseerd. Op 1 februari 1864 verklaarden Pruisen en Oostenrijk Denemarken de oorlog en wonnen deze nog hetzelfde jaar. Volgens de Vrede van Wenen in oktober moest Denemarken Schleswig, Holstein en Lauenburg opgeven.
Na 1864 probeerden de opeenvolgende Deense regeringen een strikte neutraliteit te behouden in het omgaan met het buitenland, vooral omdat het militair niet opgewassen was tegen grootmachten als Pruisen.

1864-1901

Een arbeidersbeweging ontstond en groeide snel onder invloed van de industriële revolutie. Een socialistische arbeidersbeweging, die diverse ambachten verenigde, werd opgericht in 1871 op initiatief van Louis Pio en een politieke partij die later de Sociaal Democratische Partij werd. De autoriteiten vezetten zich tegen de beweging en in een openlijke konfrontatie tussen arbeiders en de autoriteiten werden de leiders gearresteerd. In 1877 werden leiders door de politie betaald om naar de VS te emigreren. Maar in 1884 werden de eerste Sociaal Demokraten in de Folketing gestemd waar ze zich aansloten bij de linkse afgevaardigden. Vakbonden ontstonden en kregen veel steun in Kopenhagen en provinciale steden in de jaren 90 van de 19e eeuw. Na een langdurige strijd werd er in september 1899 een compromis bereikt tussen de werkgever- en werknemerorganisaties. De zogenaamde September Overeenkomst legde het recht vast dat vakbonden de werknemers mochten vertegenwoordigen.

Begin 20e eeuw 1901- 1945

1901-1913

De Linkse Hervormings Partij kwam in 1901 aan de macht en had een absolute meerderheid in de Folketing tot 1906. De Rechtse en Onafhankelijke Conservatieven behielden de meerderheid in de Landsting waardoor de regering gedwongen was wetten met de een of de andere partij te overleggen voordat ze goedgekeurd konden worden. In 1906 verloor de Linkse Hervormings Partij na een scheuring in 1905 binnen de partij, waarna de Det Radikale Venstre (de Sociaal Liberale Partij) werd opgericht, die al gauw een centrale positie in de Deense politiek veroverde. Deze vier grote partijen zouden De Deense politiek de komende jaren domineren. Geen van hen kreeg ooit een absolute meerderheid; opeenvolgende regeringen konden alleen hun politiek uitvoeren door samen te werken met één of meerdere andere partijen. Compromissen sluiten was een sleutelelement geworden in de Deense politiek.
Wat buitenlandse politiek betrof, verkeerde Denemarken in een lastige, dubbele postie. Aan de ene kant was het land economisch afhankelijk van de export naar Groot Britannië, aan de andere kant was het wat veiligheid betreft aangewezen op de relatie met het steeds machtiger wordende Duitse buurland. Dit laatste was echter ook lastig door de aanwezigheid van de pro-Deense bevolking in Schleswig. Zij werden soms genadeloos onderdrukt waardoor sterke anti-Duitse sentimenten oplaaiden. De regering trachtte zich zo afzijdig mogelijk te houden op het internationale toneel. Er was een algemene overeenstemming de politiek van neutraliteit door te zetten, zonder daarbij Duitsland te beledigen.

1914-1920

Hoewel Denemarken erin slaagde neutraal te blijven tijdens de eerste wereldoorlog, moest het toch grotendeels tegemoetkomen aan de wensen van Duitsland. De Denen bleven echter niet helemaal gespaard door de oorlog: 275 van de koopvaardijschepen werden tot zinken gebracht waardoor zo'n 700 zeelui stierven en bijna 6.000 mensen van Zuid Jutland werden gedood in dienst van het Duitse leger. Economisch schipperde Denemarken tussen de strijdende partijen door afzonderlijke handelsverdragen af te sluiten met exportverboden waardoor het niet mogelijk moest zijn goederen van de ene partij in Denemarken te importeren en die vervolgens naar de andere partij te exporteren. In de binnenlandse politiek gingen de politieke partijen een bestand aan dat duurde tot het einde van de oorlog, maar dat direkt daarna uiteen viel.

1920-1940

De buitenlandse politiek in de jaren 30 werd gedomineerd door de relatie met Duitsland. Hitler's machtsovername in 1933, Duitsland's terugtrekking uit de Volkerenbond in hetzelfde jaar en de openlijke herbewapening van het leger in 1935, betekenden dat de veiligheids- en neutraliteitspolitiek van Denemarken's sterk afhankelijk waren van een goede relatie met Duitsland. De Britse regering maakte duidelijk dat Denemarken niet hoefde te rekenen op militaire steun in geval van een konflikt met Duitsland. De Scandinavische landen probeerden nog hun neutraliteit gezamenlijk te coördineren, maar de verschillen in belangen waren te groot om tot een eenduidige politiek te komen. Denemarken was in geen geval in staat zichzelf te verdedigen tegen een aanval. In 1939 bood Duitsland de Scandinavische landen aan een non-agressie verdrag te sluiten. De andere landen wezen dit af, maar een paar maanden voor het uitbreken van de oorlog tekende Denemarken alsnog, hoewel men wel aanvoelde dat het verdrag nog minder waard was dan het papier waarop het geschreven stond.
Denemarken verklaarde zichzelf neutraal toen de oorlog uitbrak in september 1939. Maar de relatie van Denemarken met Duitsland en Groot Britannië werden steeds hachelijker terwijl het land politiek en economisch probeerde te balanseren tussen beide landen.

2e wereldoorlog 1940-1945

n.b. Iceland independent in 1944

Binnen een paar uur werd Denemarken door de Duitsers bezet op de ochtend van 9 april 1940. In ruil voor het staken van alle verzet zou Duitsland de politieke onafhankelijkheid van Denemarken respecteren. De koning en het parlement stemden in. Zo begon de periode van "vreedzame bezetting" waarin Denemarken de illusie van onafhankelijkheid in stand probeerde te houden.
Duitsland eiste dat de leiders van de Deense Communistische Partij zouden worden geïnterneerd toen de Sovjet Unie werd binnengevallen op 22 juni 1941. De Denen gingen echter nog veel verder, want ze verboden de partij (DKP) hoewel dit tegen de grondwet inging. De partij ging ondergronds en werd de eerste georganiseerde verzetsbeweging in Denemarken.
In Augustus 1943 waren stakingen georganiseerd door de communisten. Bedrijven, fabrieken en winkels gingen dicht en overal braken rellen uit. Vabonden en de politiek deden hun best de onrust te bedaren en het Duitse leger hield zich rustig. Wel wilden de Duitsers dat het Deense leger ontwapend zou worden.
Ook eiste Hitler dat de staat van beleg moest worden afgeroepen en dat de doodstraf werd ingevoerd voor sabotage. De Denen weigerden en op 29 augustus bood de regering haar ontslag aan de koning aan. De Duitsers begonnen direkt het leger en de vloot te ontwapenen en te interneren en het land werd onder oorlogsrecht geplaatst. De Gestapo ging over tot een terreur offensief en wraakacties. De Deense politie werd gevraagd mee te helpen, maar deed dit niet. De politie werd ontbonden en politiemensen naar concentratiekampen gestuurd. Uiteindelijk kostte de oorlog aan 7000 mensen het leven.
De laatste maanden van de bezetting waren er grote voedseltekorten, gevechten tussen verzetsleden en Denen die voor de Duitsers werkten en stijgende misdaadcijfers. Vanaf februari 1945 kwamen zo'n 200.000 Duitse vluchtelingen uit Oost-Pruisen Denemarken binnen. Alle Duitse troepen in Denemarken gaven zich aan de Engelsen over op 5 mei 1945, behalve die gelegerd waren op Bornholm dat in het Sovjet gebied lag. Het eiland werd pas op 8 mei 1945 bevrijd, en Rønne en Nexø werden voor de bevrijding nog door de Sovjets gebombardeerd.

Einde 20e eeuw 1945 tot nu

1945-1972

Ondanks de onduidelijke positie van Denemarken in de 2e wereldoorlog werd Denemarken toch geaccepteerd als een geallieerd land en werd lid van de de Verenigde Naties. Met het uitbreken van de Koude Oorlog werden Denemarken en Noorwegen lid van de NATO in April 1949. De eerste jaren was Denemarken een "geallieerde bondgenoot onder voorbehoud" vanwege de twijfels bij politici en het volk over stationering van kernwapens op Deens grondgebied en over de herbewapening van Duitsland en het lidmaatschap van Duitsland in de Nato.
Dankzij het Marshall Plan kon het land weer opgebouwd en gemoderniseerd worden. Denemarken deed niet mee aan de EEG tot Engeland in 1961 lidmaatschap aanvroeg. De Denen vroegen ook lidmaatschap aan, maar trokken zich terug toen Engeland werd geweigerd. Uiteindelijk werd het land in 1973 toegelaten tot de Europese Unie nadat een kleine meerderheid van de bevolking in een referendum voor aansluiting had gekozen.

Politiek

Denemarken is een constitutionele monarchie. Deze wordt volgens de grondwet van 1953 geregeerd. De wetgevende macht wordt uitgevoerd door de monarch (het staatshoofd) samen met het parlement, het Folketing, dat uit één kamer bestaat mer 179 direct gekozen leden. De samenstelling van het parlement is gebaseerd op een combinatie van een districtenstelsel en evenredige vertegenwoordiging. Sinds 1909 heeft geen enkele partij een absolute meerderheid behaald. Na de tweede oorlog in 1945 is de Sociale Democratische Partij de belangrijkste en grootste politieke partij van Denemarken geweest. De populariteit nam af in eind jaren 90. In die tijd was er de opkomst van de rechtse stromingen als het nationalisme/conservatisme en liberalisme.

De uitvoerende macht wordt  uitgeoefend door de monarch en door zijn of haar ministers, deze worden geleid door de eerste minister. De eerste minister is tevens het regeringshoofd. Het kabinet van ministers is verantwoording schuldig aan de Kamer en zal de steun van de meerderheid van dat orgaan hebben. Parlementsleden die tot minister worden benoemd, blijven lid van het parlement. De leidinggevende personen op dit moment zijn; Staatshoofd Margaretha II (sinds 1972), regeringsleider premier Helle Thorning-Schmidt (sinds 3 oktober 2011).
 
Economie
Na de periode van de 2e wereldoorlog is Denemarken snel ontwikkeld tot een uiterst gemoderniseerd land, met een moderne markteconomie. Bij een gemoderniseerd land horen goede sociale voorzieningen en een hoge levensstandaard. Denemarken is al een heel aantal jaren sterk afhankelijk van de handel met andere landen. Toch is er al jaren sprake van een handelsoverschot. De sector landbouw is een steeds verder groeiende factor. Het neemt steeds meer land in gebruik hoewel het belangrijkste bron van inkomsten voor het land industrie is.
 
Landbouw
Momenteel wordt twee derde van het land gebruikt voor de landbouw. Het grootste deel van de landbouw is gericht op de export naar de Europese Unie. De landbouwbedrijven zijn over het algemeen vrij klein met ongeveer 20 ha grond. Toch neemt het de arbeid in de sector terug vanwege de vele automatiseringen. Ook wordt er in de landbouwsector steeds meer aandacht besteed aan toeristische activiteiten. De teelt in het land bestaat vooral uit aardappelen, suikerbieten en koolzaad. Denemarken is op het gebied van biologische landbouw verder dan andere landen in Europa. Zo is een kwart van de melk die de Denen consumeren op biologische wijze geproduceerd. Naast de landbouw is er ook de nodige tuinbouw. Hier worden vooral fruit, groente en kruiden geteeld.
 
Visserij
Omdat Denemarken een kustlijn van7314 km hoort Denemarken tot de grootste visserijlanden van Europa, hoewel de opbrengsten hieruit lang niet zo groot zijn als uit de industrie en de landbouw is het wel een aantrekkelijke sector voor Denemarken. Op zee wordt vooral gevist op kabeljauw, platvis en haring. Deze worden daarna verwerkt tot visolie, vismeel en visconserven. De grote vissershavens zijn Esbjerg, Hirtshalsen en Skagen.Het buurland Duitsland neemt de meeste visproducten af.
 
Import
De belangrijkste importlanden uit de Europese Unie zijn Duitsland en Zweden de belangrijkste maar over de gehele Europese Unie gezien is dit 72% van de import. Daarnaast zijn Noorwegen met 4.2% en de VS met 4.5% de belangrijkste importlanden buiten de Europese Unie. De belangrijkste importproducten zijn onder andere; voertuigen en andere transportbenodigdheden, halffabricaten en kapitaalgoederen, chemicaliën, machines, consumentengoederen. Naast import is er ook sprake van de nodige export. Belangrijke export landen uit de Europese Unie  zijn Duitsland en Zweden (66) Daarnaast landen buiten de Europese Unie zijn Noorwegen (5.8%) en de VS (5.4%) de belangrijkste exportlanden. De meest geëxporteerde producten zijn; Halffabricaten, landbouwproducten, machines, vlees, vis en schepen.

1972 tot nu

De relatie met de EU blijft echter een moeilijke kwestie voor de Denen. Referenda over deelname kregen soms de meerderheid, soms de minderheid. Uiteindelijk koos een meerderheid van 56,8% voor deelname met de mogelijkheid om aan bepaalde zaken niet mee te doen. Dit "nationale compromis" is vastgelegd in de opt-out clausules van het Edinburgh Agreement.
Toen de Euro als wettig betaalmiddel werd ingevoerd, deed Denemarken niet mee.