We hebben 300 gasten online

Een geschiedenis van Noorwegen Deel 1

Gepost in Noord-Europa

De eerste bewoning van Noorwegen wordt gedateerd rond het jaar 10.500 voor Christus. Het land dat ze bevolken is eeuwenlang bedolven geweest onder zware ijskappen. Rond deze tijd is het westen van Noorwegen reeds ijsvrij, en dus geschikt voor bewoning. Stenen werktuigen, die bij een opgraving in de omgeving van Rennesøy worden gevonden en worden rond 10.000 gedateerd. De oudste gebruiksvoorwerpen stammen uit 10.500 voor Christus en werden gevonden in de omgeving van Øygarden. Vijf- tot zesduizend jaar geleden schakelt men over op de landbouw. Deze evolutie doet zich vooral voor in het zuiden, in het noorden blijft men jagen. Grafvondsten uit de Romeinse tijd tonen aan dat er banden geweest zijn met culturen in het zuiden van Europa. In deze periode wordt ook het schrift, in de vorm van runentekens, bekend in Scandinavië. De volksverhuizingen (400 tot 550) betekenen een onrustige periode in de Europese en Noorse geschiedenis. De aanwezigheid van boerderijen in de randgebieden wijst erop dat het land het verzadigingspunt heeft bereikt.

De Vikingtijd markeert het einde van de prehistorie in Noorwegen. De plundering van het klooster van Lindisfarne, voor de noordoostkust van Engeland, wordt beschouwd als het begin van de Vikingtijd. Het beeld van de woeste, wrede en plunderende Vikingen klopt gedeeltelijk. De Vikingen maken ook vreedzame tochten met het oog op handel en kolonisatie. Noorse Vikingen vestigen zich o.a. op de Shetlandeilanden en het Isle of Man en stichten Dublin. Ook in IJsland en Groenland vindt men onbewoond land. De huidige IJslanders stammen af van de kolonisators. Op Groenland sterven de Noorse gemeenschappen na een paar eeuwen uit. De Vikingtijd bereikt zijn hoogtepunt in 1066. Dan wordt de Noorse koning Harald Hardråda verslagen bij de Slag van Stamford Bridge in Engeland. De oudste geschreven geschiedschrijving van Noorwegen gaat terug tot rond de 8e eeuw n.Chr.; in die tijd bestaat wat nu Noorwegen is uit zo'n 29 minikoninkrijkjes. In de negende eeuw vormen de gebieden nog geen eenheid. Er zijn twee gemeenschapsvormen: de kleine vorstendommen en de volksvergaderingen of tings.

De eenmaking van Noorwegen heeft verscheidene redenen. Allereerst willen de boeren vrede en stabiliteit, vooral in de rijke kustgebieden dan. Ook worden sommige koningen, door huwelijken, steeds machtiger. De kleine vorsten in Viken, het gebied rond de Oslofjord, spelen een belangrijke rol in dit proces. District na district brengen ze onder hun heerschappij. Met de Slag van Hafrsfjord (ca. 872) kan koning Harald Schoonhaar zich meester maken van grote delen van het land. Het eenwordingsproces gaat echter nog enkele decennia door. Dat is het gevolg van de strijd tussen de vijandige Noorse stamhoofden onderling en tussen Noren en andere volkeren. In 1060 lijkt de eenmaking voltooid.

 Overzicht van de Noorse Expansie

Nadat Harald Schoonhaar het rijk heeft verenigd zullen zijn nazaten – met enkele korte onderbrekingen – regeren tot 1319. Het jaar 1130 is een keerpunt is de Noorse geschiedenis. Allereerst is het de overgang van een periode van vrede naar een periode van conflicten en burgeroorlog die duurt tot 1227. Maar 1130 wordt ook beschouwd als het begin van de hoge middeleeuwen; het begin van een bevolkingsgroei, consolidatie binnen de kerk en de opkomst van de steden. De macht van de monarchie neemt in de twaalfde en dertiende eeuw toe: een overwinning op de kerk en de leenheren. Boeren worden pachter in plaats van eigenaar en aan de slavernij komt een einde.

Rond 1200 heerst de Noorse koning over land van het eiland Man in de Ierse Zee tot het Kola schiereiland in het oosten. Groenland en IJsland worden in 1261 en 1263 afhankelijke gebieden, terwijl Noorwegen in 1266 de heerschappij over Man en de Hebriden verliest bij het Verdrag van Perth, waarmee de Schots-Noorse Oorlog tot een einde komt.

De komst van het christendom neemt een lange periode in beslag, mogelijk zelfs twee eeuwen. Het is het gevolg van handelscontacten in het christelijke Europa en de Vikingtochten. Zendelingen van de Engelse, Duitse en Deense kerken slagen erin het traditionele geloof in de goden te verzwakken. Uit de wetgeving blijkt dat rond 1100 het christendom al stevig verankerd is in Noorwegen. Een centrale rol hierbij speeltkoning Olav Haraldsson (‘de Heilige’) die sterft in de Slag bij Stiklestad op 29 juli 1030. Hij wordt Noorwegens beschermheilige, Sint Olav, en zijn graf in de Nidaros kathedraal in Trondheim groeit uit tot de belangrijkste bedevaartplaats van Noord-Europa. Het aartsbisdom van Nidaros komt er in 1153. De Noorse aartsbisschop gaat ook een belangrijke politieke rol spelen. In 1537 wordt door middel van een koninklijk besluit de reformatie afgedwongen. Vanaf de vroege zeventiende eeuw is het Lutherse geloof de enige geloofsovertuiging in het land.

De desintegratie van Noorwegen 1340-1490

Noorwegen is een land dat zeer afhankelijk is van weersomstandigheden. Hert ligt ver naar het noorden, Oslo ligt op dezelfde geografische breedte als het Russische schiereiland Kamtsjatka en de centrale Hudson Bay. De Golfstroom heeft leven in Noorwegen mogelijk gemaakt. Door het het bergachtig karakter van van het land weas het zeer afhankelijk van de zee (vissen en zeilen).
In de Middeleeuwen was er een daling van de jaarlijkse gemiddelde temperatuur, waarvan de "kleine ijstijd", een term is die bewaard is gebleven. De noordelijke boomgrens verhuisde aanzielijk meer zuidwaarts, en de klimaatverandering had  impact op de landbouw van het land.

Bovendien, konden Noorse zeilers rond 1050 geen gebruik konden maken van de optie, die de Vikingen toepasten door andere volkeren te overvallen, en rond 1250 bleek de Hanze, door het gebruik van het scheepsptype van de Kogge,  een machtige concurrent in de handel, waardoor veel van Noorwegens handelaren geruïneerd werden.

De economie van Noorwegens werd afhankelijk van de Hanze. Tot overmaat van ramp, werd Noorwegen door de pest getroffen meer dan enig ander land in Europa, met een buitengewone hoge sterfte. Hele dorpen vervielen en veel gebieden die werden gebruikt voor de landbouw, of als grasland werd heroverd door het bos. Het land ging door een ernstige crisis.

 Met de Kalmar Unie werd de unie van de drie landen grondwettelijk vastgelegd in 1397, toen Erik van Pomerania (Erik VII) tot koning van heel Scandinavië werd uitgeroepen. Noorwegen bleef onder Deense heerschappij tot 1814.

 

Noorwegen vormde met zijn uitgebreide bezittingen in de Noord Atlantische Oceaan (de Faroes, IIsland en Groenland) een personele unie met Denemarken sinds de oprichting van de Kalmar Unie in 1397. Het handvest bij de troonbestijging van Christian III benadrukte dat Noorwegen net zozeer deel uitmaakte van Denemarken als Jutland. 

 

Economisch, was in Denemarken-Noorwegen sprake van een dominante agrarische samenleving. Noorwegen exporteerde gedroogde of gezouten vis en soms ijzer, en natuurlijk hout. De late middeleeuwen zijn een periode van economisch verval.

In 1536 houdt Noorwegen als onafhankelijk koninkrijk op te bestaan. Deense edellieden gaan nu het land besturen. Noorwegen en zijn bezittingen zinken snel weg tot provinciestatus in de periode van het koningschap van Koninkrijk van Denemarken en Noorwegen. De Deense periode kan in vier subperiodes verdeeld worden:

  • De hervorming in Noorwegen (1536–1596). De macht van Noorwegen wordt verder verzwakt door de ontbinding van de onafhankelijke Noorse kerk in 1537.
  • De Noordse Oorlogen (1596–1720). De band met Denemarken sleurt Noorwegen ook mee in de oorlogen tegen Zweden en de Baltische staten. Deze periode is er één van vrijwel voortdurende oorlog en voorbereiding tot oorlog, inclusief deKalmaroorlog (1611–1613), de Dertigjarige Oorlog (1618–1648), de Noordse Oorlog (1655–1658), de Schoonse Oorlog (1675–1679) en uitlopend op de Grote Noordse Oorlog (1700–1721).
  • De periode van vrede en voorspoed (1721–1770). Gedurende de 18e eeuw geniet Noorwegen een periode van voorspoed en werd een steeds belangrijker deel van de verenigde koninkrijken.
  • Nationaal ontwaken en voorbereiden voor onafhankelijkheid (1770–1814). Met Frederik III, koning vanaf 1660, wordt de absolute monarchie ingevoerd. Noorwegen wordt officieel vanuit Kopenhagen bestuurd, maar de echte macht is in handen van rijksfunctionarissen. Die beginnen stilaan begrip te krijgen voor de Noorse standpunten. Gedurende deze periode wordt een beleid opgesteld om de twee landen als een economische eenheid te behandelen. De Denen krijgen het alleenrecht op de verkoop van graan in Zuidoost-Noorwegen, terwijl de Noren een vergelijkbaar monopolie krijgen voor ijzer in Denemarken. De middenklasse, ontstaan door de economische ontwikkeling, vormt de aanzet tot een ontluikend nationaal bewustzijn. Ook het verzet tegen de pogingen om Kopenhagen tot economisch middelpunt van beide landen te maken is daarin van belang geweest. 

Prins Christiaan August, de vijandelijke bevelhebber die was gepromoveerd tot onderkoning van Noorwegen in 1809, werd gekozen tot kroonprins van Zweden, omdat hij grote populariteit had verworven, onder de Noren, hetgeen de weg vrij kon maken voor een Unie met Noorwegen, ter compensatie van het verlies van Finland.  Christiaan August werd tot kroonprins van Zweden gekozen op 29 December 1809, en verliet Noorwegen op 7 januari 1810. Na zijn plotselinge dood in mei 1810, koos Zweden als zijn opvolger, een andere vijandelijke generaal, de Franse maarschalk Jean Baptiste Bernadotte, en had bewezen een goede legercommandant te zijn. 

Frans door geboorte, maakte Bernadotte een lange carrière in het Franse leger. Hij werd benoemd tot Maarschalk van Frankrijk door Napoleon I, hoewel de twee een turbulente relatie onderhielden. Zijn dienst aan Frankrijk eindigde in 1810, toen hij werd gekozen tot kroonprins  van de Zweedse troon, omdat de Zweedse Koninklijke familie met koning Charles XIII was uitgestorven. 

Zweden zoekt compensatie voor het verlies van Finland

De hoofddoelstelling van Bernadotte's buitenlands beleid, als kroonprins Karel John van Zweden, was de overname van Noorwegen, en daardoor zag hij af van Zwedens claims in Finland, en sloot zich aan bij de vijanden van Napoleon. In 1812 tekende hij het geheim Verdrag van Sint-Petersburg met Rusland tegen Frankrijk en Denemarken-Noorwegen. Zijn buitenlands beleid leidde tot kritiek onder Zweedse politici, die het vond het immoreel om  Zweden te vrijwaren, ten koste van een zwakkere vriendelijke buurman. Bovendien hadden het Verenigd Koninkrijk en Rusland erop aangedrongen dat Karel John's eerste taak het ondersteunen van de coalitie tegen Napoleon was. 

Groot-Brittannië maakte bezwaar tegen de uitgaven van haar subsidies aan het snode Noorse avontuur, voordat de gemeenschappelijke vijand was verpletterd. Het Verenigd Koninkrijk accepteerde de Unie van Noorwegen en Zweden, door het Verdrag van Stockholm, 3 maart 1813. Enkele weken later, deed Rusland  hetzelfde, en in April ging  Pruisen ook accoord,  met Noorwegen als prijs voor toetreding tot de strijd tegen Napoleon. Tijdens zijn campagnes op het Continent, leidde Karel  John met succes het noordelijke leger bij de slag bij Leipzig, en trok vervolgens op tegen Denemarken en dwong de Deense koning, Frederik IV,  tot de overgave van Noorwegen, om een bezetting van Jutland te voorkomen. 

Bij de Vrede van Kiel in 1814 moest Frederik VI Noorwegen overdragen aan de koning van Zweden. Christian VIII had als koning van Noorwegen de constitutionele monarchie in 1814 ingevoerd.

Zie voor deel 2: Deel 2 Een geschiedenis van Noorwegen