We hebben 223 gasten online

Deel 4a De geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie

Gepost in Rusland

kaart rusland

Deel 4a en 4b Rusland en revolutie 1917/1927

Deel 4a De geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie

Enthousiasme en ontnuchtering

triple alliantie triple entente

Het begin van de Eerste Wereldoorlog wordt door veel mensen in Europa geestdriftig be -groet. Men heeft het gevoel aan een rechtvaardige strijd te beginnen, die niet lang zal uren. De oorlogsroes heeft ook Rusland in zijn greep. De diepe kloof tussen het tsaristische bewind en het overgrote deel van de bevolking wordt aanvankelijk door een golf van patriottisme gedicht. Maar de stemming slaat om, wanneer het Russische leger in de eerste confrontaties met Duitsland in de pan wordt gehakt.

Het strijdplan van St. Petersburg voorziet in een aanval op Oostenrijk. Door de snelle opmars van Duitsland in België en Frankrijk, besluit men echter eerst de Duitsers aan te pakken, om de druk op de bondgenoten in het Westen te verminderen. België en Frankrijk worden inderdaad van de ondergang gered, maar de prijs is hoog. In Pruisen, bij Tannenberg (eind augustus 1914) en de Mazurische Meren (begin september), worden de Russen verpletterend alexander samsonovverslagen. Zeker 300.000 soldaten sneuvelen of worden krijgsgevangen gemaakt. De bevelhebber van de troepen Alexander Samsonov pleegt zelfmoord(zie afbeelding links). Slechts in Galicië boekt men enig succes. Hier worden de steden Lvov en Przemysl ingenomen

Verrassend zijn de slechte resultaten in de eerste campagnes niet. Het Russische leger is bijzonder slecht uitgerust. Een kwart van de soldaten vertrekt zonder geweer naar het front. Door een slechte infrastructuur (in vergelijking met Duitsland is het spoorweg- en telefoonnet bijvoorbeeld nog slecht ontwikkeld) is Rusland niet in staat een slagvaardige oorlogsmachine op gang te krijgen.

In mei 1915 begint een gezamenlijke Duits-Oostenrijkse opmars. De Russen moeten zich terugtrekken uit Polen. In augustus 1915 marcheren de Duitsers Warschau binnen. Ook rukken zij op langs de Baltische kust, waar ze tot in de buurt van Riga komen. In juni van het daaropvolgende jaar slaat Rusland terug. Generaal Alexej Broesilov lanceert een onverwacht offensief tegen de Oostenrijkers, die zich moeten terugtrekken. Maar de Duitsers schieten hun bondgenoten te hulp en het offensief wordt tot staan gebracht. De operaties van Broesilov hebben weinig opgeleverd, tegen opnieuw een hoge prijs: de Russen verliezen een miljoen soldaten. Tegen het einde van 1916 bevinden de troepen zich in een desolate toestand. De bevoorrading met wapens, munitie en voedsel stagneert en het moreel is tot ver onder het nulpunt gedaald. Tot vechten is men nauwelijks meer in staat

Chaos aan het thuisfront

Aan het thuisfront neemt de chaos na de eerste oorlogsmaanden toe. De Doema en de regering zijn verlamd en stuurloos door raspoetininterne tegenstellingen en een besluiteloze tsaar. Onder invloed van Nicolaas' vrouw Alexandra en de monnik Raspoetin ( zie afbeelding rechts) wisselen ministers elkaar in snel tempo af. Tijdens de eerste twee oorlogsjaren heeft het land drie eerste ministers (Ivan Goremykin, Boris Stürmer en Alexander Trepov, allen conservatief en niet erg bekwaam), drie ministers van buitenlandse zaken, drie van defensie en zes van binnenlandse zaken.

In de hoop het moreel van de troepen en van de bevolking op te vijzelen, besluit Nicolaas II in het najaar van 1915 naar het front te gaan om het opperbevel op zich te nemen. Verstandig is dat niet, omdat hij daarmee de verantwoordelijkheid voor de resultaten van de Russische veldtochten op zich neemt. Bij zijn vertrek uit Petrograd (de naam van de hoofdstad is gewijzigd omdat St. Petersburg te Duits klonk) geeft hij de teugels en de politieke verantwoordelijkheid niet in handen van het parlement, maar aan zijn vrouw. In feite regeert zij nu met haar vertrouweling Raspoetin het land. Zo worden door haar toedoen de zittingen van de Doema enige tijd verdaagd, wanneer premier Goremykin wordt geconfronteerd met een progressieve meerderheid, die (tevergeefs) aandringt op de benoeming van nieuwe krachtdadige ministers.

De oorlog zorgt voor een ontwrichting van de economie. Er ontstaan nieuwe sociale spanningen, die worden gevoed door de nadrukkelijke aanwezigheid aan het hof van de alom verachte Raspoetin en natuurlijk door de nederlagen aan het front. Stakingen in de industrie en opstanden op het platteland vergroten de chaos. Eind 1916 besluiten enkele edelen, die de autocratie een warm hart toedragen, althans één van de ondermijnende factoren uit de weg te ruimen. Ze nodigen Raspoetin uit voor een maaltijd en brengen hem om het leven.

Het socialisme

In 1917 komt het in Rusland tot een revolutie. Om het verloop van de gebeurtenissen in dat jaar duidelijk te maken, is het nodig enig licht te werpen op de ontwikkeling van het internationale socialisme. Deze ideologie is in de negentiende eeuw tot wasdom gekomen, onder invloed van de Duitse publicisten Karl Marx en Friedrich Engels.

Marx en zijn aanhangers construeren een theorie over de dialectische ontwikkeling van de maatschappij, oftewel een ontwikkeling die zich in tegenstellingen voltrekt. De geschiedenis verloopt volgens deze theorie als een voortdurende strijd tussen de sociale klassen. Tegenover een bezittende klasse staat steeds een niet-bezittende, uitgebuite klasse. Deze niet-bezittende klasse slaagt er na verloop van tijd altijd in de bezittende klasse te overwinnen en wordt dan op haar beurt bezittende klasse, waar tegenover een nieuwe niet-bezittende klasse komt te staan. De overgang naar een volgende fase vindt doorgaans, maar niet noodzakelijkerwijs, plaats door een gewelddadige revolutie, die tientallen jaren kan duren.

marxisme

In de kapitalistische fase van de geschiedenis, die volgens de marxisten met de Franse Revolutie van 1789 is begonnen, strijdt het industriële proletariaat dat steeds omvangrijker en armer wordt, met de bourgeoisie of burgerij die steeds kleiner en rijker wordt. Tenslotte zullen de spanningen in de maatschappij zo groot worden, dat het proletariaat de macht van de bourgeoisie door middel van een socialistische revolutie kan overnemen. Na de overwinning van de proletariërs treedt de dictatuur van het proletariaat in, de overgangsfase naar de klassenloze maatschappij, waarin de laatste resten van het kapitalisme worden opgeruimd. Na deze overgangsfase begint het tijdperk van het socialisme, het einddoel van de geschiedenis. Nu er geen klassen meer zijn en dus ook geen klassentegenstellingen, vindt er geen verdere ontwikkeling plaats. Deze marxistische kijk op de ontwikkeling van de maatschappij wordt de dialectische fasenleer genoemd.

Het internationale socialisme en de oorlog

Naast de dialectische fasenleer is een tweede element van het marxisme hier van belang. Omdat de strijd tussen de klassen de motor is van de maatschappelijke ontwikkelingen, speelt volgens de marxisten het nationalisme in de geschiedenis een ondergeschikte rol. Met andere woorden: proletariërs hebben geen vaderland. Marx roept zijn volgelingen uit alle landen dan ook op zich te verenigen in een Internationale Arbeiders-Associatie. Deze Eerste Internationale, die actief is tussen 1864-76 en waarbij zich ook socialisten aansluiten die geen marxisten zijn, is in hoofdzaak een club ruziënde intellectuelen, die vrij snel weer uiteenvalt. Bij de Tweede Internationale (1889-1914) sluiten zich arbeiderspartijen aan die zich inmiddels in verschillende Europese landen hebben gevormd. Binnen de Tweede Internationale zijn verschillende stromingen te onderscheiden. Twee daarvan zijn voor het verloop van de gebeurtenissen in Rusland van belang: het bolsjewisme en het mensjewisme. De beide stromingen zijn hiervoor al genoemd.

De verschillende standpunten kunnen we nu in de termen van de marxistische fasenleer als volgt omschrijven. Gezien de geringe omvang van het proletariaat in Rusland, menen de mensjewieken dat het kapitalisme in hun land nog onvoldoende is ontwikkeld om al te denken aan de overgang naar een volgende fase. Eerst dient de burgerlijke revolutie te zijn voltooid, oftewel de volledige verwijdering van het tsarisme ten gunste van een democratisch-parlementair bewind. Een verdere ontwikkeling van het kapitalisme, met name een toenemende industrialisering, zal de voorwaarden creëren voor een socialistische revolutie. Hun standpunt komt sterk overeen met dat van de West Europese socialistische partijen zoals de Nederlandse SDAP en de Belgische BWP.

De bolsjewieken willen zo lang niet wachten. Onder leiding van de uiterst energieke en vastberaden Lenin willen zij de arbeidersklasse rechtstreeks naar het socialisme loodsen. Een kleine, hecht georganiseerde partij van toegewijde revolutionairen (de voorhoede van het proletariaat) moet daarbij fungeren als stuwende en leidende kracht.

De marxistische bolsjewieken en mensjewieken vormen maar het kleinste deel van de socialistische oppositie. Het grootst aantal aanhangers telt de niet-marxistische partij van de socialisten-revolutionairen. De socialisten-revolutionairen vertegenwoordigen vooral de boeren. Ze leggen sterk de nadruk op landhervormingen en een federale staat. Ze vinden dat de arbeiders de boeren moeten volgen en niet omgekeerd. Bekende leiders zijn onder meer Alexander Kerenski en Viktor Tsjernov. De socialisten-revolutionairen schuwen de individuele terreur niet en ze hebben in het verleden familieleden en ministers van de tsaar vermoord.

In geval van oorlog, zo had men in de Tweede Internationale afgesproken, zouden de socialisten geen medewerking verlenen aan de oorlogsinspanningen van hun regeringen. Maar na het begin van de oorlog blijkt de internationale solidariteit der socialisten al snel minder sterk te zijn dan het nationale patriottisme. De arbeiders en hun intellectuele voormannen scharen zich vrijwel overal vierkant achter hun eigen overheid.

Rusland vormt een uitzondering. De socialisten (bolsjewieken, mensjewieken, socialisten-revolutionairen) verafschuwen het autocratisch bewind te zeer om er zich solidair mee te kunnen verklaren. De mensjewieken en de socialisten-revolutionairen pleiten voor een strikte neutraliteit. In overeenstemming met de strategie van de Tweede Internationale eisen zij een algemene vrede, zonder overwinnaars of verliezers en zonder annexaties of herstelbetalingen.

Een groep bolsjewieken onder aanvoering van Lenin, (die zich in deze periode overigens in Zürich in ballingschap bevindt), gaat nog een stap verder. Zij beschouwen het imperialisme, dat volgens hen de oorzaak is van de oorlog, als het 'hoogste' (en dus laatste) stadium van het kapitalisme. Het gewapende conflict tussen de grootmachten zien zij dan ook als een belangrijke stap op weg naar de socialistische wereldrevolutie. De chaos en ellende die de oorlog alom veroorzaakt, heeft in hun ogen dan ook een duidelijk positief effect: de grond wordt rijp gemaakt voor de gewenste omwentelingen. Wat Lenin betreft, is er niets op tegen om het vuur van de wereldrevolutie in Rusland aan te steken, ondanks de bescheiden omvang van het proletariaat. De fakkel zal daarna immers snel worden overgenomen door de proletarische kameraden in de hoog geïndustrialiseerde, eveneens door de oorlog ontwrichte, landen waarna het revolutionaire proces niet meer te stoppen zal zijn.

De Februari-revolutie

Na de moord op Raspoetin in december 1916 gonst het in Petrograd van de geruchten over een op handen zijnde staatsgreep. Maar er gebeurt niets en de stemming in de hoofdstad lijkt te kalmeren. In januari komt een geallieerde commissie voor oorlogsoverleg naar Rusland. Ze worden vorstelijk onthaald en concluderen dat de situatie stabiel is. In Zürich zegt Lenin tijdens een lezing mismoedig: "Onze generatie zal de revolutie niet meer meemaken".

In februari legt zeer slecht winterweer het toch al gebrekkige vervoer naar de hoofdstad nagenoeg stil. De chronische voedselschaarste wordt plotseling acuut. De prijs van brood schiet omhoog. In de fabrieken leggen de arbeiders het werk stil om een forse loonsverhoging af te dwingen. Een aantal van hen wordt ontslagen, waarna nog meer arbeiders in staking gaan. Het conflict escaleert. Begin maart slaat de onrust van de arbeiderswijken op de rechteroever van de Neva, de rivier die de stad in tweeën deelt, over naar de linkeroever. Tevergeefs probeert de politie het centrum van de stad af te sluiten. Radicale leiders komen uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en gaan zich met de spontaan uitgebroken woelingen bemoeien. Demonstranten leggen beslag op vrachtwagens en werpen barricaden op. Kozakken, bij vorige gelegenheden nog ingezet als gewillige en hard optredende ordebewaarders, kijken nu passief toe.

De onzekerheid bij de politie en de soldaten neemt toe. Enkele regimenten sluiten zich aan bij de massa of delen wapens en munitie uit. In Kronstadt, een marinebasis nabij Petrograd, slaan matrozen aan het muiten. Steeds meer soldaten negeren de bevelen van hun officieren. Op 12 maart komen verschillende garderegimenten in opstand. Ze weigeren op betogers te schieten en keren zich in plaats daarvan tegen hun meerderen. Nicolaas, die enkele dagen eerder aan een uitgebreid bezoek aan het front is begonnen, probeert van op afstand de situatie meester te blijven. Wanneer hij het bericht krijgt dat de opstand uit de hand loop, stuurt hij troepen naar Petrograd en geeft hij het bevel de Doema te verdagen. Maar de treinen met de soldaten worden onderweg tegengehouden. Het tsarenbewind staat op instorten.

De periode van de dubbele macht

Op 12 maart, de dag waarop de garderegimenten in opstand komen, houdt de regering op te functioneren en vormt de Doema een Voorlopig Comité, dat de orde in de hoofdstad moet herstellen. Omdat de middelen hiertoe ontbreken, is dit een loze opdracht. Op diezelfde datum spoeden linkse leiders zich naar het Taurische Paleis, waar de Doema zetelt. In een aparte zaal vormen zij naar het voorbeeld van de revolutie van 1905 een sovjet van arbeiders- en soldatenafgevaardigden. De afgevaardigden zullen via verkiezingen in fabrieken en regimenten worden gekozen. Inderhaast wordt een Uitvoerend Comité samengesteld met de Georgiër Nikolaj Tsjcheidze (de leider van de mensjewistische fractie in de Doema) als voorzitter.

Zo bevinden zich in het Taurische Paleis twee concurrerende groepen: het Voorlopig Comité van de Doema en het Uitvoerend Comité van de Sovjet. Beide zijn op dit moment evenzeer in opstand tegen de tsaar, maar toch is het wederzijds wantrouwen groot. De leden van de Sovjet vrezen dat het Doema-Comité zich alsnog achter de tsaar zal opstellen en het land zal dwingen de oorlog voort te zetten. Van zijn kant vreest het Voorlopig Comité dat de Sovjet te sterk zal worden en de arbeiders en soldaten zal aanmoedigen alle discipline te laten varen. Die laatste vrees blijkt al snel gerechtvaardigd. Op 15 maart vaardigt de Sovjet het Bevel nummer I uit : de soldaten mogen slechts dan de bevelen van het Doema-Comité opvolgen als die niet in strijd zijn met de bevelen van de Sovjet. Op dezelfde dag vormt het Voorlopig Comité van de Doema een Voorlopige Regering, in een poging het initiatief naar zich toe te trekken en de opstand in de hoofdstad in goede banen te leiden. De gematigde liberaal Prins Georgi Lvov wordt premier, de Kadet Pavel Miljoekov minister van buitenlandse zaken en socialist-revolutionair Alexander Kerenski (de enige socialist op het ministerlijstje) komt op justitie.

De periode die nu een aanvang neemt, wordt ook wel de periode van de dubbele macht genoemd. In het Taurische Paleis bevinden zich twee machtscentra: de Sovjet en de Voorlopige Regering. Minister van justitie Kerenski maakt enige tijd van beide deel uit. De Voorlopige Regering begint direct met de democratisering. Zij staat de bekende vrijheden toe: vrijheid van godsdienst, vergadering en mening, gelijkheid voor de wet, democratische verkiezingen in stad en district. Ze schenkt ook het door de Duitsers bezette Polen de onafhankelijkheid.

Het einde der Romanovs

Het Uitvoerend Comité van de Sovjet wenst niet alleen de abdicatie van Nicolaas, maar ook de afschaffing van de monarchie. Met de eerste eis kunnen de concurrenten in het Taurische Paleis zich verenigen, maar de tweede eis gaat de meeste van hen te ver. Miljoekov stelt een document op, dat de opvolging van Nicolalas door zijn 12-jarige zoon Alexej vastlegt. Nicolaas' broer, groothertog Michael, moet regent worden. Een delegatie reist naar Pskov, waar de tsaar in een poging de hoofdstad te bereiken, is blijven steken. Nicolaas ziet de feiten onder ogen en doet afstand van de troon. In het document van Miljoekov laat hij één wijziging aanbrengen. Vanwege de bloederziekte van zijn zoon laat hij de troon rechtstreeks overgaan in handen van zijn broer Michael. In zijn dagboek noteert Nicolaas : "Op deze dag getuigt alles rondom mij van lafheid, bedrog en verraad". Enige dagen later voegt hij zich bij zijn familie in Tsarskoje Selo nabij Petrograd, waar de keizerlijke familie tijdelijk wordt geïnterneerd.

Nadat onder andere Kerenski, die weinig heil verwacht van de voortzetting van de monarchie, op groothertog Michael heeft ingepraat, weigert deze de troon te aanvaarden. Het bewind van de Romanovs, die sinds de Tijd der Troebelen in het begin van de zeventiende eeuw de Russische troon in handen hebben, is ten einde.

Een wankel evenwicht

De positie van de Voorlopige Regering is niet sterk. Naast de concurrenten in het Taurische Paleis is er ook nog de gehele keizerlijke bureaucratie, die weinig enthousiasme kan opbrengen voor het nieuwe bewind zonder tsaar. Dat laatste geldt evenzeer voor de hoge adellijke officieren. Om deze beide groepen niet nog meer van zich te vervreemden en de verplichtingen tegenover de bondgenoten Engeland en Frankrijk na te komen, besluit men de oorlog voort te zetten.

Het vraagstuk van de toekomstige staatsvorm besluit men over te laten aan het oordeel van een Grondwetgevende Vergadering, die via verkiezingen zal worden samengesteld. Tal van zaken die dringend een oplossing behoeven, worden aldus op de lange baan geschoven. Wat gebeurt er met de grond van de adel? Wordt Rusland wèl een republiek of keert de monarchie alsnog in een of andere vorm terug?

In de tweede helft van maart lijken de twee machtscentra in evenwicht te zijn. Maar het evenwicht is uiterst wankel. In een snel tempo hebben zich in verschillende centra in het land arbeiders- en soldatensovjets gevormd. Deze sovjets vormen een soort alternatief machtscircuit, dat soms met de regering meewerkt en soms op eigen houtje besluiten doorvoert, maar dat in elk geval beter luistert naar de Sovjet in Petrograd dan naar de Voorlopige Regering. De meerderheid in de sovjets wordt gevormd door mensjewieken en andere gematigde socialisten. De stemming wordt echter radicaler, naarmate een krachtdadig beleid van de Voorlopige Regering langer uitblijft.

Een belangrijk twistpunt binnen de Sovjet (ook hier hebben de gematigden de overhand) is het al dan niet voortzetten van de oorlog. Eind maart wordt in een manifest opgeroepen tot vrede: "Arbeiders aller landen! Broederlijk strekken wij de hand naar u uit over de bergen van lijken van onze broeders, over stromen van onschuldig bloed en tranen, over de rokende puinhopen van steden en dorpen, over verwoeste kunstschatten, en roepen u op tot herstel en versterking van de internationale eenheid". Daarnaast gaan er stemmen op om de strijd voort te zetten. Het nu democratische Rusland moet immers de 'verworvenheden van de revolutie' verdedigen tegen het keizerlijke Duitsland, zo wordt gesteld. Het Uitvoerend Comité spreekt zich echter uit voor een algemene vrede, te bereiken door overleg, zonder annexaties of herstelbetalingen.

De April-thesen van Lenin

Een nieuwe situatie ontstaat, wanneer in april Lenin in Petrograd arriveert. De Duitsers hebben hem doortocht verleend in een speciale trein vanuit Zwitserland via Zweden. Zij hopen, niet tevergeefs, dat zijn agitatie de chaos in Rusland zal vergroten. Direct na aankomst lanceert Lenin zijn April-thesen, met als centrale leus: "Alle macht aan de sovjets!" Elke vorm van samenwerking met de Voorlopige Regering is volgens Lenin uit den boze. Al het land moet worden toegewezen aan de boeren en de oorlogsinspanningen moeten onmiddellijk worden gestaakt. Gewapende arbeiders moeten het beheer van de fabrieken overnemen. De sociaaldemocraten moeten opgaan in een communistische partij. Het kapitalisme, aldus Lenin, moet in één klap worden weggevaagd.

De bolsjewieken vormen in de Sovjet op dat moment nog maar een kleine minderheid. Bovendien kunnen zij het niet eens worden over de te volgen koers. Aanvankelijk weigeren zij de April-thesen als politiek programma te aanvaarden. Lenin weet echter van geen wijken. Tegenover de aarzelingen van zijn verdeelde partijgenoten plaatst hij zijn eigen simpele en onbuigzame visie, vervat in de genoemde thesen. Tegen het einde van de maand heeft hij de meeste bolsjewieken omgepraat. Alle macht aan de sovjets, luidt nu ook hun parool. In de centrale Sovjet in Petrograd wordt de positie van de bolsjewieken kort daarop plotseling veel sterker, dankzij een crisis bij de opponenten: de gematigde socialisten en de Voorlopige Regering.

In mei begaat Miljoekov, minister van buitenlandse zaken in de Voorlopige Regering, een blunder. Miljoekov is bang om de bondgenoten voor het hoofd te stoten. Bovendien is hij een overtuigd nationalist, die de beheersing van de Bosporus en de Dardanellen als mogelijke (en zijns inziens rechtvaardige) oorlogsbuit niet zomaar wil opgeven. Hij stuurt de geallieerden een nota, waarin hij toezegt dat Rusland zijn verplichtingen zal nakomen en tot het einde toe zal blijven vechten. De reactie in Petrograd is fel. Het Uitvoerend Comité van de Sovjet eist opheldering.

Op straat worden anti-regeringsbetogingen gehouden. Een regiment opstandige soldaten omsingelt het Mariinski Paleis (het nieuwe onderkomen van de Voorlopige Regering) en krijgt spoedig steun van een enorme mensenmassa. Regeringsgetrouwen houden tegendemonstraties. Een burgeroorlog lijkt nabij.

Maar de storm waait over. Toch is het iedereen duidelijk dat de Voorlopige Regering niet meer over voldoende steun onder de bevolking beschikt om wat voor beleid dan ook te kunnen voeren. Een nieuwe regering, waarin een belangrijke rol zal worden toegekend aan de socialisten, lijkt de enige oplossing. Na een week verwoed onderhandelen, treden met instemming van het Uitvoerend Comité, zes socialisten toe tot het nieuwe kabinet. Lvov blijft eerste minister, Kerenski verhuist naar defensie en Miljoekov verdwijnt van het toneel.

Tijdens de onderhandelingen is men overeengekomen dat de oorlog zal worden voortgezet, zij het met een belangrijke beperking: zodra een 'democratische vrede' zonder annexaties en herstelbetalingen mogelijk is, zal de strijd worden gestaakt. Verder heeft men afgesproken dat de voorbereidingen voor de verkiezingen van een Grondwetgevende Vergadering zullen worden bespoedigd. Op de beslissingen die dat lichaam zal nemen, mag door de nieuwe coalitie niet vooruit worden gelopen. De slagvaardigheid van de nieuwe Voorlopige Regering blijft daardoor beperkt.

De nieuwe situatie levert belangrijke winst op voor de bolsjewieken. Het Uitvoerend Comité van de Sovjet heeft zich in de ogen van velen gecompromitteerd door mee te werken aan de vorming van een nieuw kabinet. De bolsjewieken worden daardoor bijna vanzelfsprekend het centrum van de oppositie. Hun simpele programma, door kundige propagandisten luidruchtig verspreid, sluit bovendien uitstekend aan bij de wensen van de arbeiders en de boeren. Hoezeer dit laatste het geval is, blijkt uit de gebeurtenissen op het platteland: op eigen initiatief en op grote schaal zijn de boeren begonnen met de inbeslagneming van de adellijke landerijen.

Een staatsgreep, gesmoord in regen

De bolsjewieken winnen met hun demagogische belofte (brood en vrede) snel aan aanhang. In mei en juni vinden in Petrograd tal van landelijke congressen plaats van boeren, spoorwegpersoneel en andere vakverenigingen. Ook wordt het Eerste Al-Russische Congres van de sovjets gehouden. Tijdens deze politieke bijeenkomsten wordt duidelijk dat het Uitvoerend Comité van de Sovjet zijn greep op de gebeurtenissen begint te verliezen. De bolsjewieken zijn echter nog niet bij machte om de situatie nu al naar hun hand te zetten. Eind juni kondigen zij een grote demonstratie aan met als leuzen "Alle macht aan de sovjets", "Brood, vrede en vrijheid" en "Weg met de tien kapitalisten-ministers". Hun voornemen stuit echter op verzet bij het Congres van de sovjets. Lenin en zijn volgelingen, die temidden van de socialisten nog steeds een minderheid vormen, durven nog niet in te gaan tegen de wensen van de meerderheid en gelasten de betoging op het allerlaatste moment af.

In dezelfde periode verschiet Rusland aan het front zijn laatste kruit. Vooral op initiatief van Kerenski begint het leger eind juni 1917 met een offensief in Galicië. De beslissing wordt genomen in de hoop dat succes in de strijd zal leiden tot een betere positie bij toekomstige vredesbesprekingen en tot rust aan het thuisfront. Ook wordt van Engelse zijde aangedrongen op hernieuwde Russische oorlogsinspanningen. Kerenski gaat zelf naar het front om de troepen een hart onder de riem te steken. Maar het is tevergeefs. Na twee weken beginnen de Duitsers een tegenoffensief en eind juli zijn de Russen volledig verslagen.

Ondertussen neemt de onrust in Petrograd toe. Daartoe aangezet door bolsjewistische agitatoren gaan massa's stakende arbeiders de straat op. Ook wordt het garnizoen van Kronstadt overgehaald om naar de stad te komen. De situatie lijkt rijp voor een bolsjewistische staatsgreep. De leiders aarzelen, maar besluiten toch de opstand volledig te steunen. Er breken schermutselingen uit tussen regeringsgetrouwen en opstandelingen, waarbij talrijke slachtoffers vallen. De chaos heeft een dreigende omvang aangenomen, als op 17 juli een fikse regenbui de gemoederen plotseling snel tot bedaren brengt. De arbeiders verlaten de straten en de rust keert weer.

Spoedig wordt duidelijk dat de bevolking van de stad niet uitsluitend bestaat uit klassenbewuste arbeiders. De woede van de meerderheid keert zich tegen de bolsjewieken, die als aanstichters van alle onrust worden gezien. De Voorlopige Regering geeft voeding aan die stemming door het bericht te verspreiden dat Lenin en de zijnen op instructies van Duitsland de opstand hebben uitgelokt. Het kantoor van het partijblad Pravda wordt door trouw gebleven soldaten verwoest. Trotski wordt gearresteerd. Lenin weet vermomd als stoker per trein naar Finland te ontkomen.

De Kornilov-affaire

alexander kerenski

De man in het wit is Alexander Kerenski

De tegenstrevers van de bolsjewieken profiteren van de omgeslagen stemming. Er wordt een nieuwe Voorlopige Regering gevormd van een duidelijk rechts signatuur. Alexander Kerenski neemt naast het ministerie van defensie nu ook het premierschap op zich. Er komen restricties voor de pers en voor openbare samenkomsten en Lenin wordt formeel aangeklaagd wegens verraad. Had Kerenski dit rechtse beleid consequent voortgezet, dan had hij de bolsjewieken misschien voorgoed kunnen elimineren. Maar Kerenski, vaak ten prooi aan twijfel, mist daartoe de kracht. Bovendien blijkt de anti-bolsjewistische stemming van tijdelijke aard. De leegte die hun 'vertrek' heeft achtergelaten wordt door niemand opgevuld. Daarnaast blijft de economische chaos groot en versterken de mislukkingen aan het front de roep om vrede. De bolsjewieken vatten moed en beramen al spoedig plannen voor een nieuwe staatsgreep. Ze vormen een centraal comité, waarin onder anderen Lenin (nog in Finland), Trotski (nog gevangen), en Stalin worden benoemd. Opnieuw speelt een blunder van rechts hen in de kaart.

Begin september besluit de opperbevelhebber van het leger, generaal Kornilov, (zie generaal kornilovafbeelding) op te trekken naar Petrograd. De naïeve generaal wil in de hoofdstad orde op zaken stellen en de bolsjewieken voor altijd de mond snoeren. Maar zijn troepen laten hem in de steek nog voordat de buitenwijken van Petrograd in zicht zijn. De bolsjewieken slaan uit deze staatsgreep van rechts, bekend als de Kornilov-affaire, bekwaam propagandistische munt en in de Sovjet van Petrograd en Moskou veroveren zij kort daarop de meerderheid.

Toch boekt ook de Voorlopige Regering enig succes. Er vinden verkiezingen plaats voor gemeenteraden en op dit niveau lijkt een vorm van democratisch bestuur tot stand te komen. Ook wordt een datum vastgesteld voor de verkiezingen van de Grondwetgevende Vergadering. Natuurlijk zijn er nog veel gebeurtenissen die zorgen baren, zoals de groeiende chaos in het leger. Steeds meer soldaten deserteren. Ze keren terug naar hun dorp om een graantje mee te pikken bij de inbeslagname van de adellijke landerijen.

De groeiende kracht van de bolsjewieken enerzijds en de opdoemende contouren van een democratisch stelsel anderzijds, maken Lenin ongeduldig. Vooral van de Grondwetgevende Vergadering, waarin de bolsjewieken waarschijnlijk geen meerderheid zullen krijgen, verwacht hij weinig goeds. Vanuit zijn Finse schuilplaats dringt hij bij de bolsjewieken aan op een gewapende opstand. "Wanneer wij de macht nu niet in handen nemen, zal de geschiedenis ons dat niet vergeven", schrijft hij. De bolsjewieken aarzelen. Lenin keert terug naar Petrograd en weet zijn partijgenoten eind oktober te overtuigen. In het centraal comité blijven alleen Lev Kamenev en Grigori Zinovjev tegen. Het comité, met de weer vrijgelaten Trotski nu daadwerkelijk in de gelederen, besluit tot een opstand. De Petrogradse Sovjet met Trotski als voorzitter, (de bolsjewieken hebben hier de meerderheid), vormt een Militair-Revolutionair Comité, officieel om de hoofdstad te verdedigen, in werkelijkheid om de staatsgreep voor te bereiden en uit te voeren. Als datum wordt gekozen 6-7 november (24-25 oktober volgens de oude kalender), een dag voordat het tweede Al-Russische Congres van de sovjets begint.(zie afbeelding van het eerste AI congres juni 1917 in Petrograd))

russisch congres 1917

Zie verder Deel 4b De geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie