We hebben 211 gasten online

Deel 4b De geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie

Gepost in Rusland

kaart rusland

Deel 4a en 4b Rusland en revolutie 1917/1927

Deel 4b De geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie

De Oktober-revolutie

De Februari-revolutie ontstond spontaan. De Oktober-revolutie was het resultaat van een bewust voorbereide samenzwering. De plannen voor de opstand blijven niet geheim. De Voorlopige Regering ziet echter geen aanleiding om maatregelen te nemen. Geruchten over een bolsjewistische staatsgreep hebben immers al vaker de ronde gedaan. Bovendien worden de kansen van de bolsjewieken om de macht vast te houden door niemand hoog aangeslagen.

bestroming van het winterpaleis

Bestorming van het winterpaleis

In de nacht van 6 op 7 november bezetten groepen soldaten en gewapende arbeiders op last van het Militair-Revolutionair Comité strategische punten in de stad. Zonder tegenstand nemen zij bruggen, stations, het postkantoor, de telefooncentrale en de staatsbank in. De kruiser Aurora, met een pro-bolsjewistische bemanning, vaart de Neva op en gaat niet ver van het Winterpaleis voor anker. Kerenski probeert troepen samen te trekken voor het Winterpaleis, maar de meeste regimenten verkiezen passief de gebeurtenissen af te wachten. Alleen een vrouwenbataljon en een afdeling officieren in opleiding, zogeheten junkers, geven aan zijn wanhopige oproep gehoor. Kerenski vlucht in een auto van de Amerikaanse ambassade en gaat op zoek naar regeringsgetrouwe troepen. Het Winterpaleis, waar een deel van het kabinet is achtergebleven, wordt in de vroege ochtend van 8 november zonder bloedvergieten ingenomen. De aanwezige ministers worden gearresteerd.

Het Congres van de sovjets, bijeen in het Smolni-instituut (nabij het Taurische Paleis, dat in gereedheid wordt gebracht voor de toekomstige Wetgevende Vergadering), reageert verdeeld op de staatsgreep. De mensjewieken en het grootste deel van de socialisten -revolutionairen verlaten uit protest de zaal. Maar de bolsjewieken en enige linkse socialisten-revolutionairen hebben met ongeveer 380 van de 650 zetels een duidelijke meerderheid. Zonder aarzelen verkondigen de bolsjewieken de val van de Voorlopige Regering. Er wordt een nieuw kabinet gevormd met bekende bolsjewistische volkscommissarissen, zoals de ministers voortaan heten. Voorzitter van de raad van volkscommissarissen wordt Lenin. Trotski krijgt buitenlandse zaken toegewezen en Stalin wordt volkscommissaris voor nationaliteitenkwesties.

Diezelfde dag vaardigt de nieuwe regering het Decreet over de Vrede en het Decreet over het Land uit. Het eerste decreet roept alle 'oorlogvoerende volken' op de strijd te staken en besprekingen te beginnen over een 'democratische' vrede. Geheime diplomatie wordt afgeschaft en een wapenstilstand van drie maanden wordt voorgesteld. De arbeiders in Engeland, Frankrijk en Duitsland wordt gevraagd de vredespolitiek van de bolsjewieken te steunen, wat in feite neerkomt op een oproep om tegen de eigen regering in opstand te komen. Volgens Lenin zal de wereldrevolutie niet lang meer op zich laten wachten.

Het tweede decreet nationaliseert alle adellijke grond, die door lokale comités en boerensovjets verdeeld moet worden. Deze maatregel formaliseert in feite de situatie die door het eigenmachtig optreden van de boeren al in talrijke streken was ontstaan.

politbureau bolsjewisten 1917

Politbureau Bolsjewisten in 1917

De Wetgevende Vergadering uiteengejaagd

De greep naar de macht is geslaagd, maar de positie van de bolsjewistische regering is uiterst kwetsbaar. In Moskou stuit de machtsovername op krachtig verzet. Regeringstroepen hebben het Kremlin in handen. Kerenski rukt met enkele trouwe regimenten op naar Petrograd. De gematigde socialisten vormen een Comité tot Redding van Land en Revolutie. Verschillende ministeries weigeren werk te verrichten voor de nieuwe machthebbers, banken geven de bolsjewieken geen geld en spoorwegpersoneel en postbeambten gaan in staking. Maar de nieuwe regering overleeft de eerste crisis, vooral dankzij de mislukking van Kerenski's mars op de hoofdstad. Zijn troepen, net zoals iedereen in Rusland het vechten moe, blijken gevoelig voor de bolsjewistische agitatie en verbroederen zich met de verdedigers van de stad. Kort daarop geven de troepen in het Moskouse Kremlin zich over.

Tegen het einde van de maand beheersen de bolsjewieken de belangrijkste steden van Europees Rusland. De situatie in de rest van het land is minder gunstig. In de Oekraïne is een nieuwe, vijandige regering gevormd. Finland en de Baltische staten eisen hun onafhankelijkheid en langs de Transsiberische spoorlijn gedragen krijgsgevangenen uit de strijd tegen Duitsland en Oostenrijk zich meer als bezetters dan als overwonnen vijanden. In het zuiden rond de Don verzamelt zich een leger van vrijwilligers onder generaal Kaledin, dat zich gereed maakt voor een actie tegen de nieuwe machthebbers.

In de hoofdstad probeert de nieuwe regering ondertussen zijn greep op de gebeurtenissen te verstevigen. Alle bourgeois-bladen worden 'tijdelijk' verboden. De banken en enkele belangrijke industrieën worden genationaliseerd. Er wordt een geheime politie gevormd onder leiding van Felix Dzerzjinski, die 'contra-revolutionaire organisaties' in de gaten moet houden. De geheime politie, de Tsjeka genaamd, bindt ook de strijd aan met plunderaars en speculanten, die profiteren van de groeiende economische chaos. In de hoofdstad wordt het brood gerantsoeneerd en er zijn problemen met de energievoorziening. De bolsjewieken hebben de bevolking nog niet voor zich gewonnen.

Een zeer onzekere factor vormen de verkiezingen voor de Grondwetgevende Vergadering op 25 november. Lenin laat de verkiezingen doorgaan, omdat hij de roep om die Vergadering zelf als leuze had gebruikt in de strijd tegen de Voorlopige Regering. Het zijn de laatste vrije verkiezingen in de geschiedenis van Rusland. Het resultaat is voor de bolsjewieken verpletterend. Zij behalen nog geen kwart van de stemmen (175 zetels). De gematigde socialisten-revolutionairen hebben met 58% (370 zetels) het meeste succes. Verschillende niet-Russische groeperingen uit de uithoeken van het rijk, waarvan de meeste anti-bolsjewistisch, behalen 80 zetels.

De raad van volkscommissarissen voelt er niets voor de pas verworven macht te delen. Tijdens de eerste zitting op 18 januari 1918 in het Taurische Paleis wordt de Wetgevende Vergadering door pro-bolsjewistische troepen zonder bloedvergieten uiteengejaagd. Een dag later neemt het dagelijks bestuur van het Congres der sovjets een resolutie aan, waarin de Wetgevende Vergadering wordt ontbonden. Trotski, die niets moet hebben van een 'burgerlijke' democratie, schrijft hierover later triomfantelijk: "De eenvoudige, openlijke, brutale opheffing (van de Wetgevende Vergadering) bracht de formele democratie een laatste slag toe, waarvan zij nimmer is hersteld".

De Vrede van Brest-Litovsk

De Oktober-revolutie in Rusland heeft drie maanden later nog niet geleid tot de door Lenin zo gewenste wereldrevolutie. De arbeiders in Duitsland, Engeland en Frankrijk zijn niet in opstand gekomen en de Eerste Wereldoorlog duurt voort. De bondgenoten van Rusland reageren niet op de oproep van de bolsjewieken om te komen tot een democratische vrede. Duitsland doet dat wel en in Brest-Litovsk komen onderhandelingen op gang. De Duitsers stellen echter zware voorwaarden. Onder meer eisen ze Litouwen op en de Oekraïne met zijn belangrijke agrarische streken en industriële centra. De Russische delegatieleider, volkscommissaris van buitenlandse zaken Trotski, deelt daarop laconiek mee dat zijn land zich terugtrekt uit de oorlog, maar weigert een vredesverdrag te tekenen. Een week later geven de Duitse generaals Ludendorff en Hoffmann het bevel tot een algehele opmars. Kort daarop verplaatsen de Russen voor de zekerheid hun hoofdstad van Petrograd naar Moskou in maart 1918.

Onder de Russische leiders heerst grote verdeeldheid. Alleen door met aftreden te dreigen weet Lenin, die vreest dat het jonge regime een voortzetting van de oorlog niet zal overleven, zijn partijgenoten over te halen om de (inmiddels opgeschroefde) Duitse eisen te accepteren. Begin maart 1918 wordt de Vrede van Brest Litovsk getekend. Petrograd raakt de Baltische landen en Polen kwijt en moet toestaan dat de Oekraïne, Finland en Georgië zelfstandig worden. In een klap verliest Rusland een derde van zijn bevolking, een derde van zijn landbouwgrond, de helft van zijn industrie en vier vijfde van zijn kolenmijnen. Uit protest tegen het verdrag verlaten de linkse socialisten-revolutionairen de regering. Lenin verdedigt de vernederende vrede met de woorden: "...ons volk zal nu de gelegenheid krijgen om op adem te komen..". Die voorspelling blijkt al snel te optimistisch.

In juli 1918 komen de socialisten-revolutionairen in Moskou in opstand tegen de steeds sterker wordende dictatuur van de bolsjewieken. De opstand mislukt waarna de socialisten-revolutionairen hun toevlucht nemen tot hun tactiek in de tsarentijd : individuele terreur. Ze vermoorden de Duitse ambassadeur om een diplomatieke crisis uit te lokken en in augustus 1918 plegen ze een aanslag op Lenin die gewond raakt, maar herstelt. Veel succes hebben ze niet want de bolsjewieken beheersen het hart van Rusland en de Tsjeka, de geheime politie van de bolsjewieken, speurt iedere tegenstander op om hem of haar te liquideren. De burgeroorlog staat voor de deur.

Burgeroorlog en interventie

Doordat de wereldrevolutie uitblijft, krijgt het nieuwe bewind vanuit het buitenland geen steun. In het binnenland maken tegenstanders zich na een aanvankelijke aarzeling op voor een gewapende confrontatie. Vooral in het zuiden en het oosten vormen zich belangrijke verzetshaarden. Om zich te kunnen verdedigen nemen de bolsjewieken met kracht de wederopbouw van het leger ter hand. Die taak wordt grotendeels verricht door Trotski, die het commissariaat van buitenlandse zaken inwisselt voor dat van defensie. Het is in belangrijke mate aan zijn organisatorisch talent te danken, dat het bewind de uiterst zware beproevingen in de twee volgende jaren overleeft.

De bolsjewieken hebben de macht gegrepen door onder meer de discipline in het oude leger te ondermijnen. Hun leger zou een soort volksmilitie worden van revolutionaire boeren en arbeiders. Maar eenmaal aan de macht zetten zij die idealen snel overboord. Trotski begint aan de opbouw van een strijdmacht (voortaan het Rode Leger geheten) met een straf gedisciplineerd beroepskader en dienstplichtigen. Duizenden officieren uit de tsarentijd doet men met beloften en dreigementen (onder meer gijzelt men familieleden) dienst nemen. Omdat zij in politiek opzicht verdacht zijn, wordt aan elk onderdeel een politieke commissaris toegevoegd, die moet waken over het politiek bewustzijn van de troepen. Hij is gelijk in rang aan de bevelhebber, maar heeft het recht deze te executeren in geval van 'verraad'. De 'trouw' van de soldaten wordt versterkt met extra voedselleveranties. Gaandeweg vormt zich een redelijk gedisciplineerd leger, al blijven desertie en inefficiëntie het bewind parten spelen.

kaart burgeroorlog

Tegen de zomer van 1918 ontbrandt op verschillende fronten een zeer chaotische strijd tussen, simpel gezegd, de Roden en de Witten. De Roden zijn de nieuwe in het defensief gedwongen machthebbers. De Witten zijn de 'contra-revolutionairen' : talrijke kleine en grote groepen (Kozakken, separatisten, oud-officieren) met uiteenlopende grieven en politieke aspiraties. Op verschillende plaatsen mengen Japan en de geallieerden zich in de strijd. De burgeroorlog, die in het hele land onnoemelijk veel leed en schade veroorzaakt, speelt zich hoofdzakelijk af in drie gebieden: in het zuiden in de Oekraïne en rond de benedenloop van de Don, langs de Transsiberische spoorlijn, en in het noorden rond de Witte Zee.

In de Oekraïne en Zuid-Rusland mengen zich behalve het Witte leger van generaal Denikin ook Franse troepen, aan land gezet in Odessa, in de strijd, evenals Oekraïnse nationalisten (gesteund door Duitsland) en Polen, die van de gelegenheid gebruik willen maken om een groot Pools rijk te stichten. De Roden staan meermalen met hun rug tegen de muur (Denikin komt in de buurt van Moskou), maar beslechten het pleit uiteindelijk in hun voordeel, dankzij een grotere discipline en de verdeeldheid van hun tegenstanders. In juni 1920 brengt het Rode Leger Kiev, dat verschillende keren in andere handen is overgegaan, definitief onder zijn gezag.

De bedreiging uit het oosten is nog gevaarlijker. In grote delen van Siberië heerst de semi-dictator admiraal Koltsjak. Tsjechische krijgsgevangenen, voormalige soldaten van het Oostenrijkse leger, beheersen grote delen van de Transsiberische Spoorlijn. In de zomer van 1918 rukken zij op in de richting van Moskou, daartoe aangezet door de geallieerden. In Vladivostok zetten de Japanners en de Amerikanen troepen aan wal. Maar ook hier gaan de tegenstanders van het Rode Leger aan hun onderlinge verdeeldheid ten onder. Bovendien jaagt admiraal Koltsjak door woest optreden de plaatselijke bevolking tegen zich in het harnas. De Tsjechen verlaten uiteindelijk via Vladivostok het land.

De Tsjechische opmars richting Moskou bezegelt overigens het lot van Nicolaas II en zijn familie. Wanneer de Tsjechen in de Oeral Jekaterinaburg (het huidige Sverdlovsk) naderen, waarheen de keizerlijke familie is overgebracht, worden de Romanovs op 16 juli 1918 door hun Rode bewakers vermoord om te voorkomen dat zij door de oprukkende troepen worden bevrijd.

Rondom Archangelsk zetten de Engelsen en de Amerikanen in de loop van 1918 troepen aan land. Zij proberen die krachten te steunen, die de strijd tegen Duitsland zullen voortzetten. (Japan mengt zich in de strijd met het oog op mogelijke territoriale winst in Siberië.) Die pogingen blijken al snel zinloos. Tot een serieuze opmars naar het zuiden komt het niet. De ingezette eenheden zijn daarvoor te klein en bovendien is de interventie aan het thuisfront impopulair. In verschillende westerse havens breken bijvoorbeeld stakingen uit om het vervoer van troepen en materieel te verhinderen. In het najaar van 1919 verlaten de laatste geallieerde soldaten het land en in februari 1920 maakt het Rode Leger een einde aan het Witte verzet in deze streek. De omvang en de betekenis van de Westerse interventie wordt door de geschiedschrijving in de Sovjetunie doorgaans overdreven. In de woorden van de Nederlandse historicus A. Dittrich: "Ze heeft (daardoor) op jongere generaties meer indruk gemaakt dan ze in werkelijkheid verdient".

Het einde van de burgeroorlog

Tegen het einde van 1920 hebben de bolsjewieken vrijwel volledig met hun tegenstanders afgerekend (in sommige delen van Centraal-Azië duurt het verzet voort tot aan het einde van de jaren twintig). Zij leggen zich neer bij de onafhankelijkheid van Polen, Finland en de Baltische landen. Ten zuiden van de Kaukasus ziet men echter nog mogelijkheden voor een gebiedsuitbreiding. Georgïe, Armenïe en Azerbajdzjan hebben zich na de Oktober-revolutie uitgeroepen tot zelfstandige staatjes. Niet lang nadat de bolsjewieken die zelfstandigheid hebben erkend, sturen zij het Rode Leger over de Kaukasus om deze gebieden weer in te lijven.

situatie in 1920

legenda situatie 1920

Op 30 december 1922 wordt de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken, oftewel de USSR gevormd. De unie omvat op dat moment vier republieken: de Russische, de Oekraïnse, de Wit-Russische (het woordje Wit heeft hier een geografische en geen politieke betekenis) en de Transkaukasische republiek. De laatste wordt gevormd door Georgië, Azerbajdzjan en Armenië.

Het jonge regime heeft de strijd om de overleving doorstaan. Maar na de vrijwel geweldloze Oktober-revolutie eist de burgeroorlog, die gepaard gaat met een totale economische ineenstorting en hongersnoden, miljoenen levens. Meer dan een miljoen Russen zijn naar het buitenland gevlucht; niet alleen officieren of edellieden, maar ook zeer veel intellectuelen en kunstenaars.

De nieuwe machthebbers staan voor een gigantische taak: een volledig ontwrichte en uitgeputte samenleving opbouwen tot een socialistische maatschappij.

De communistische dictatuur

De bolsjewieken, (die zichzelf kort na de Vrede van Brest-Litovsk overigens hebben omgedoopt tot de Communistische Partij) hebben hun Oktober-revolutie uitgevoerd met de leuze "Alle macht aan de sovjets !". Maar in feite beheersen niet de sovjets, maar de bolsjewieken het land. De sovjetstructuur, met aan de top een presidium en als officiële regering van het land de raad van volkscommissarissen, blijft gehandhaafd, maar verliest aan politieke betekenis. De sovjets worden overschaduwd door de bolsjewieken en hun partij, die alle macht naar zich toetrekken.

Al sinds de Vrede van Brest- Litovsk in 1918 hebben alleen communisten zitting in de regering (de socialisten-revolutionairen stapten op uit protest tegen het verdrag met Duitsland). Sedert de zomer van dat jaar verdrijven zij hun rivalen stelselmatig uit de verschillende sovjets. Niet-communistische bladen zijn dan al verboden. Een voor een worden niet-communistische partijen door de regering (oftewel door de communisten) buiten de wet gesteld. De conservatieven en liberalen zijn als eersten aan de beurt, maar tijdens de burgeroorlog komen ook de mensjewieken en de socialisten-revolutionairen onder druk te staan. Hun politieke dood wordt bespoedigd door enkele stakingen en een omvangrijke muiterij in de marinebasis Kronstadt.

In februari 1921 gaan in Moskou en Petrograd arbeiders de straat op. Na drie jaar honger en onderdrukking is hun geduld op. Hun eisen zijn aanvankelijk economisch van aard (loonsverhoging en de opheffing van broodrantsoen), maar krijgen al snel een politiek karakter. Men dringt aan op persvrijheid en zelfs op een nieuwe bijeenkomst van de uiteengedreven Wetgevende Vergadering. In Petrograd slaat de onrust over naar de marinebasis Kronstadt, in 1917 nog een bolsjewistisch bolwerk. De matrozen voelen zich verraden door de revolutionairen met hun beloften over zelfbestuur door middel van legersovjets. Ze maken de communisten uit voor nieuwe tsaren. De regering bestempelt de muiterij als een 'contra-revolutionaire samenzwering'. Het leger bestormt de basis en maakt een einde aan de opstand. Honderden 'schuldigen' worden door Tsjeka, de geheime politie, geëxecuteerd.

De communisten besluiten geen risico meer te nemen. In 1922 plaatsen zij alle andere partijen buiten de wet. Tegen een aantal leiders van de concurrenten worden showprocessen gevoerd. Ze worden gegijzeld. Met hun leven moeten zij borg staan voor een goed politiek gedrag van hun partijgenoten.

Ook binnen de partij zelf wordt de oppositie de mond gesnoerd. Er zijn verschillende groeperingen met kritiek op het gevoerde beleid. Steeds meer worden zij gezien als een gevaar voor de eenheid en daarmee voor de dictatuur van de partij. Eén groep is de zogeheten Arbeidersoppositie, die zich zorgen maakt over de 'groeiende kloof tussen de arbeiders en de communistische leiders. De kritiek richt zich op de toenemende privileges voor partijleden en op de ondergeschiktheid van de vakbonden aan de partij. Op het tiende partijcongres, kort na de muiterij in Kronstadt, wordt op aandringen van Lenin een resolutie aangenomen, waarin het principe van het democratisch centralisme wordt aanvaard. Dit principe houdt in dat ieder partijlid zich dient neer te leggen bij de beslissingen die hij 'van bovenaf krijgt meegedeeld. Ook besluit het congres om de macht te centraliseren in het politieke bureau, kortweg: politbureau, het dagelijks bestuur van het centraal comité. Voorts mogen er geen fracties meer worden gevormd voor het propageren van een bepaald standpunt. Als verlengstuk van de dictatuur van de partij in het land, wordt hiermee binnen de partij de dictatuur gevestigd van het politbureau. Daarmee wordt de voorspelling van Trotski vervuld die hij al in 1904 deed over de Leninistische variant van het Marxisme: "In het hoofd van Lenin neemt de partij de plaats in van de arbeidersklasse; de partij-ambtenaren nemen de plaats in van de partij; het centraal comité vervangt de partij-ambtenaren en tenslotte vervangt de dictator het centraal comité".

Voorlopig handelt het politbureau nog als een collectief orgaan. Wel heeft Lenin als informeel partijleider en als voorzitter van de raad van volkscommissarissen een doorslaggevende stem. Voor de controle en de bestrijding van (mogelijke) opponenten beschikt de partij over een machtig wapen: de Tsjeka onder leiding van Felix Dzeljinski. De geheime politie wordt in 1922 omgedoopt in GPOe (het jaar daarop in OGPOe, de Russische afkorting staat voor Verenigde Staatspolitieke Administratie) en valt voortaan officieel onder het ministerie van binnenlandse zaken.

Het oorlogscommunisme

Vóór de Oktober-revolutie was alle aandacht van de bolsjewieken gericht op het veroveren van de macht. Hoe men daarna die macht zou uitoefenen, daar had men nauwelijks bij stilgestaan. Het kapitalisme zou worden afgedankt, de dictatuur van het proletariaat zou worden gevestigd en er zou een wereldrevolutie volgen. Veel verder gingen de gedachten niet. Maar nu zij eenmaal de macht hebben, blijken er vooral op economisch terrein grote problemen te zijn, die om een oplossing schreeuwen. De bolsjewieken, onervaren en onvoorbereid als ze zijn, missen daarvoor de kennis.

Aanvankelijk beperkt het bewind zich tot de nationalisering van enkele belangrijke sectoren, zoals de banken, de graanhandel en de wapenindustrie. Verdere ingrepen worden vermeden, om de chaos niet nog groter te maken. Wel worden de buitenlandse schulden opgezegd. Veel buitenlandse beleggers, die hun spaargeld hadden belegd in Russische obligaties, raken hierdoor in problemen. De populariteit van het communistische bewind wordt hierdoor in het Westen niet verhoogd en het zal in de toekomst moeilijk blijken nieuw buitenlands kapitaal aan te trekken.

Begin 1918 worden de nationaliseringen langzaam uitgebreid. De staat ontfermt zich onder meer over de suiker- en de olie-industrie. Maar de bolsjewieken zijn verwikkeld in een burgeroorlog en de noodzaak om naar eigen goeddunken over de economische middelen te kunnen beschikken, groeit. In de zomer van 1918 wordt dan ook het oorlogscommunisme ingevoerd, waarbij het bewind alle sectoren van de economie onder zijn controle brengt. Alle privé-industrie verdwijnt en zelfs de privé-handel wordt verboden. De staat krijgt het recht arbeidskrachten in te zetten waar dat nodig wordt geacht. Loon wordt niet meer uitbetaald in geld, maar in natura. Alle grond wordt genationaliseerd en de boeren moeten hun oogst inleveren.

Omdat dit laatste niet vrijwillig gebeurt, zendt de overheid troepen naar de dorpen om het graan in beslag te nemen. Soms ontvangen de boeren hiervoor nog wat waardeloos geworden geld, vaak helemaal niets. Met deze rekwisities slagen de leiders erin althans een deel van de stedelijke bevolking en vooral het leger te voeden. Op het platteland maken zij zich echter gehaat. De boeren reageren door minder te zaaien en niet meer voor de markt te produceren.

De effecten van het oorlogscommunisme (en natuurlijk van de Eerste Wereldoorlog en de burgeroorlog) zijn desastreus. In 1921 is de graanoogst in vergelijking met 1913 gehalveerd. In dezelfde periode is het aantal koeien met een derde gedaald, het aantal schapen en varkens met ongeveer de helft, het aantal paarden met driekwart. In de industrie is de productie met vier vijfde teruggelopen. De staalindustrie zit zelfs op maar vijf procent van het vooroorlogse niveau, de kolenmijnen in het Donets-bekken op tien procent. In 1920 en 1921 wordt het gebied rond de benedenloop van de Wolga tot overmaat van ramp geteisterd door droogte. Er volgt een hongersnood die miljoenen slachtoffers eist.

De Nieuwe Economische Politiek

Het politieke en economische beleid van het bewind leidt overal in het land tot onvrede. Op sommige plaatsen komt het tot gewapende opstanden van boeren en gedeserteerde soldaten. De muiterij in Kronstadt is al genoemd. Ook is al beschreven hoe de politieke onvrede zonder aarzelen wordt onderdrukt. De economische problemen vragen echter om een 'echte' oplossing. Het tiende partijcongres stemt in, opnieuw op aandringen van Lenin, met een aantal maatregelen dat bekend staat als de Nieuwe Economische Politiek, de NEP. De boeren hoeven geen graan meer in te leveren, maar moeten belasting gaan betalen in natura. Na de betaling hiervan mogen zij hun overschotten verkopen op de vrije markt. De binnenlandse handel komt weer in privé-handen en er mogen weer privé-bedrijven worden opgericht met een maximum van twintig werknemers. De grote bedrijven, evenals de banken en de buitenlandse handel, blijven in handen van de staat. Deze mengeling van staatsmonopolies en privé-initiatief wordt ook wel staatskapitalisme genoemd.

De koersverandering heeft al snel enig succes. De boeren zaaien weer meer graan en in 1923 is al weer negentig procent van de voor de oorlog bebouwde grond in gebruik. Er vormt zich een groep van zogeheten NEP mannen, privé-handelaren die al snel driekwart van de binnenlandse handel in handen hebben. Zij vormen de schakel in het handelsverkeer tussen het platteland en de steden. De industrie herstelt minder snel, maar in 1923 ligt de productie toch al op vijfendertig procent van het vooroorlogse peil.

Voor- veel partijen is de invoering van de NEP een bittere pil. Zij hebben een socialistische revolutie uitgevoerd en verdedigd en nog geen drie jaar later wordt het marktmechanisme in ere hersteld! Met achterdocht bezien zij de groeiende rijkdom van de NEP mannen. Zij vrezen dat hun economische macht, evenals de langzaam groeiende rijkdom van een aantal boeren, zal leiden tot een herstel van het kapitalisme. De NEP groeit in de loop van de jaren twintig uit tot het grootste ideologische twistpunt binnen de partij. Uit die felle twisten zal uiteindelijk Jozef Stalin als overwinnaar naar voren komen.

De kerk en de revolutie

Al na de troonsafstand van Nicolaas II heeft de Voorlopige Regering de Heilige Synode, ingesteld door Peter de Grote, opgeheven. Het patriarchaat wordt hersteld, met Tichon als eerste patriarch. Voor de bolsjewieken is de kerk, de oude bondgenoot van de tsaren, een politieke tegenstander. Bovendien is de religie volgens het marxisme 'opium voor het volk'; de troost die de kerk kan bieden, staat volgens die leer de politieke bewustwording van de onderdrukte massa in de weg.

Nadat zij aan de macht zijn gekomen, ontnemen de bolsjewieken de Russisch Orthodoxe Kerk al haar privileges. De kerk verliest haar grondbezit en de priesterseminaries worden gesloten. Patriarch Tichon verzet zich aanvankelijk fel tegen de maatregelen van de overheid. Hij veroordeelt het nieuwe bewind en wordt gearresteerd. De kerk kiest openlijk de kant van de Witten en het geweld tegen kloosters en monniken neemt toe. Binnen de Russisch-Orthodoxe Kerk ontstaat een groepering, die meent dat de vestiging van een nieuw bewind ook voor de kerk (gecompromitteerd door de eeuwenlange slaafse houding tegenover de tsaren) een nieuw begin kan zijn. Deze groepering, die zich de Levende Kerk noemt, dringt aan op een positievere houding tegenover de bolsjewieken. Tichon vreest een splitsing en pleit vanuit gevangenschap toch weer voor een onderwerping aan de staat. De patriarch komt vrij en de kerk raakt weer volledig ondergeschikt aan het bewind.

Onderwijshervormingen en culturele vrijheid

Al in de laatste jaren van het tsarenbewind waren er plannen voor een verbetering van het onderwijs en de bestrijding van het analfabetisme, onder meer door de invoering van een algemene leerplicht. De traagheid van de bureaucratie en vervolgens de oorlog en de revolutie, stonden de uitvoering van die plannen in de weg.

Ook het communistische bewind streeft naar de invoering van de algemene leerplicht. In 1918 wordt een statuut van kracht, dat een einde maakt aan de invloed van de kerk op de scholen en dat het onderwijs tot staatsaangelegenheid verklaart. Technische vakken moeten voortaan centraal staan. De chaos in het land staat echter de ontwikkeling van het onderwijs in de weg. In de jaren van de burgeroorlog loopt het aantal leerlingen drastisch terug. Veel scholen staan leeg door een tekort aan leraren. Uit een volkstelling in 1920 blijkt dat slechts dertig procent van de bevolking in Europees Rusland kan lezen en schrijven. Om hierin verandering te brengen, wordt een stortvloed van decreten uitgevaardigd, die voorlopig maar weinig effect sorteren. De politieke en economische woelingen staan een effectief onderwijsbeleid in de weg.

De communisten bemoeien zich in de eerste jaren van hun bewind nauwelijks met kunst of cultuur. Zij hebben de handen al vol aan de handhaving en de uitbreiding van hun macht. Een aantal vooraanstaande schrijvers verlaat na de revolutie het land. Tijdens de burgeroorlog is er van enig cultureel leven geen sprake. Daarna begint echter een periode van duidelijke bloei, die ongeveer parallel loopt met de periode van de NEP. Er is volop gelegenheid voor allerlei artistieke experimenten. Belangrijke schrijvers en dichters uit deze periode zijn Maxim Gorki, Isaak Babel, Boris Pilnjak, Alexander Blok en Vladimir Majakovski. De experimenten wordt weinig in de weg gelegd, zolang zij althans niet openlijk ingaan tegen het communistische bewind.

Blijvende hoop op de wereldrevolutie

Met de Vrede van Brest-Litovsk liet het Sovjet-bewind voor de eerste maal de belangen van de eigen staat prevaleren boven het idee van de wereldrevolutie. Daarmee was het idee zelf nog lang niet dood. Woelingen in Duitsland na de capitulatie van dit land in november 1918 en een kortstondig communistisch bewind van Bela Kun in Hongarije (1919), doen de hoop op een wereldrevolutie weer sterk toenemen.

De Tweede Internationale was in 1914 uiteengevallen door het nationalisme, dat onder de leden uit de verschillende landen door het uitbreken van de oorlog, was opgelaaid. Lenin besluit in 1919 een nieuwe internationale te stichten. Deze Derde Internationale, officieel de Communistische Internationale of Comintern geheten, moet het instrument worden, waarmee de wereldrevolutie op gang wordt gebracht. Vanaf het begin wordt de Comintern door de Russische communisten beheerst; tot doel stelt men de vernietiging van het kapitalisme. Communistische partijen moeten in de rijke landen het proletariaat tot revolutie aanzetten en in de koloniën de inheemse bevolking tot agitatie tegen de vreemde overheersers. Vooral dit laatste zal volgens Lenin bijdragen aan de ineenstorting van het kapitalisme.

De oprichting van de Comintern brengt de eenheid van links Europa een zware slag toe. Onder invloed van de Comintern keren de communistische partijen zich overal fel tegen de sociaal-democraten, die doorgaans bereid zijn hun politieke doelen na te streven via een parlement en niets zien in wat voor linkse dictatuur dan ook. De krachten van links raken daardoor in de jaren die volgen, versnipperd. Het fascisme heeft daar in belangrijke mate van weten te profiteren.

Buitenlandse politiek met twee tongen

Rusland spreekt in zijn buitenlands beleid in de eerste jaren na de Oktoberrevolutie met twee tongen: die van de Comintern en die van de officiële buitenlandse politiek. De bewering van Moskou, dat de Comintern een aangelegenheid is van de communistische partij waar de regering buiten staat, wordt door niemand serieus genomen.

Aanvankelijk staan de Russen overal buitenspel. De burgeroorlog en de interventie sluiten normale contacten uit. Door zich terug te trekken uit de oorlog heeft Rusland zich bovendien bij de vroegere bondgenoten onmogelijk gemaakt. Moskou wordt na het einde van de Eerste Wereldoorlog dan ook niet uitgenodigd bij het vredesoverleg in Versailles. Het isolement wordt pas aan het einde van de burgeroorlog en bij het begin van de NEP voorzichtig doorbroken. Er worden een aantal handelsverdragen gesloten, onder meer met Engeland, Zweden, Duitsland en Turkije. Van 'echte' betrekkingen met het Westen is voorlopig nog geen sprake. De activiteiten van de Comintern, de annulering van de schulden en een algemene afkeer van het communisme in Westerse regeringskringen vormen een te groot obstakel.

Rusland, sinds december 1922 officieel de Sovjetunie geheten, drijft door de afwijzende houding van Engeland, Frankrijk en ook de Verenigde Staten min of meer vanzelf in de richting van het andere 'zwarte schaap' in Europa: Duitsland. Dat land voelt zich vernederd door het Verdrag van Versailles (1919), waarmee de Eerste Wereldoorlog op het diplomatieke front werd afgerond. Dat verdrag veroordeelde de Duitsers niet alleen tot forse herstelbetalingen, maar ook tot de ontmanteling van de wapenindustrie. In een verdrag met Rusland ziet Duitsland een mogelijkheid om althans die laatste bepaling te ontduiken. Dat verdrag komt in 1922 tot stand in het Italiaanse Rapallo, waar de beide landen aanwezig zijn op een internationale conferentie. De diplomatieke betrekkingen worden volledig hersteld, waardoor Moskou verder uit zijn isolement raakt. Duitsland mag op Russische grond fabrieken opzetten voor de fabricage van vliegtuigen, granaten en chemische wapens. Daarnaast komt er een uitgebreide economische samenwerking tot stand. Tussen 1922 en 1934 zijn de betrekkingen van de Sovjetunie met Duitsland nauwer dan met enig ander land.

Om een te hechte band tussen Moskou en Berlijn te voorkomen, breiden ook de andere Westerse landen hun contacten met de Sovjetunie langzaam uit. Italië, Engeland en Frankrijk erkennen de Sovjetunie in 1924 en verstevigen de economische samenwerking. Toch blijven de relaties stroef. Vooral de schuldenkwestie en de agitatie van de Comintern zijn daaraan schuldig.

De revolutionaire stemming die de oorlog op een aantal plaatsen in West Europa heeft teweeggebracht, ebt in de jaren twintig geleidelijk weg. In Duitsland loopt de agitatie van de communisten herhaaldelijk op niets uit. In Engeland eindigt een algemene staking in 1926 in een nederlaag van de stakers. Alleen in China lijkt het er even op dat de communisten succes zullen hebben.

In 1911 heeft een revolutie China in een chaos gestort. Lokale machthebbers, zogenaamde warlords, bestrijden elkaar op leven en dood. Op zoek naar economische voordelen doen ook de grote mogendheden met verschillende interventies een duit in het zakje. Temidden van deze chaos ontstaat een revolutionaire beweging, waarin twee groeperingen de boventoon voeren: de communisten en de nationalistische Kwo-min-tang. Aanvankelijk werken de twee groepen nog samen. Tsjang-Kai-sjek, de leider van de Kwo-min-tang die grote delen van het land onder zijn gezag heeft gebracht, maakt in 1927 aan de samenwerking een einde. In een bloedige staatsgreep keert hij zich tegen de door de Comintern geleide communisten en schakelt hen voorlopig als machtsfactor in de steden uit. Het idee van de wereldrevolutie krijgt daarmee opnieuw een zware klap.

Façades in de grondwet

De Sovjetunie krijgt in 1924 zijn eerste grondwet. Alle macht, zo staat daarin vermeld, berust bij de sovjets, waarin vertegenwoordigers van de arbeiders en de boeren zitting hebben. Over de alles overheersende invloed van de communistische partij wordt met geen woord gerept. Het bestaan van de partij wordt zelfs niet gemeld. Het systeem van de sovjets is met andere woorden een façade, waarachter de partij aan de touwtjes trekt. Volgens de grondwet is de Sovjetunie een federatieve unie, waarvan de (aanvankelijk) vier unie-republieken vrijwillig deel uitmaken. Elke republiek heeft het recht uit de unie te treden. Maar ook dat is een façade. In werkelijkheid is de Sovjetunie een centralistische staat. Alle macht is geconcentreerd in het centrum, in de top van de communistische partij. Aansturen op afscheiding van een republiek wordt beschouwd als een contra-revolutionaire, en dus strafbare, handeling.

De werkelijke macht berust dus bij de partij, die sinds 1921 nauwelijks nog democratische kenmerken heeft. Aan de top staat het politbureau. In 1922 hebben hierin zitting: Lenin, Stalin, Trotski, Kamenev, Zinovjev, Alexej Rykov en Michail Tomski. De eerste vier zijn de belangrijkste leiders en van hen heeft Lenin het meeste gezag. Van een persoonlijke dictatuur van Lenin is echter geen sprake, veeleer is hij de primus inter pares, de eerste onder zijns gelijken.

Strijd om de opvolging van Lenin

In mei 1922 wordt Lenin getroffen door een hersenbloeding, die hem gedeeltelijk verlamt. In de loop van het jaar herstelt hij weer enigszins, maar niet voldoende om zijn vroegere invloed op de politieke ontwikkelingen volledig terug te winnen. Lenin moet een stap terug doen op een moment waarop de politieke koers van de Sovjetunie nog lang niet vastligt. Tal van vraagstukken zijn nog onbeantwoord. Moet de NEP worden uitgebreid of juist teruggeschroefd? Verloopt de industrialisatie te langzaam of juist te snel? Dient men nu al te streven naar revoluties buiten Rusland of moet eerst het communisme in eigen land veilig worden gesteld ? Wat is de rol van de vakbonden in een staat die officieel wordt bestuurd door vertegenwoordigers van arbeiders en boeren? Wat is precies de rol van de partij, die door een groeiend ledental steeds minder lijkt op de voorhoede van het proletariaat en steeds meer op een bureaucratisch monster? Rond dergelijke kwesties barsten in de partijtop verwoede conflicten los met als uiteindelijke inzet de opvolging van Lenin als partijleider en leider van het land.

De vier hoofdrolspelers in de strijd om de macht zijn Trotski, Stalin, Zinovjev (voorzitter van de Comintem) en Kamenev (voorzitter van de Moskouse sovjet).

Trotski is ongetwijfeld de briljantste van het kwartet. Hij is zeer belezen, kan goed met de pen overweg en is een uitstekende redenaar. In de burgeroorlog heeft hij bewezen een zeer bekwame organisator te zijn. Bij de andere leiders en de rest van de partij is hij echter niet geliefd. Hij acht zich in intellectueel opzicht superieur en laat dat duidelijk merken. Stalin is wat intellect betreft duidelijk de minste. De Georgiër (zijn echte naam is Jozef Dzjoegasjvili) heeft in Tbilisi enige tijd een priesteropleiding gevolgd (maar niet voltooid) en heeft nooit vlekkeloos Russisch leren spreken. Hij geniet weinig aanzien. Hij staat eerder bekend als een stugge rechtlijnige organisator dan als een inventieve politicus. De regels van het spel om de macht beheerst hij echter als geen ander. Sinds 1922 heeft hij als secretaris-generaal van de partij een beslissende invloed op benoemingen van partijleden op invloedrijke posten. Onopvallend weet hij zo binnen de partij een flinke groep trouwe volgelingen op te bouwen, die hun positie aan hem te danken hebben en die hem bij een eventueel conflict zullen steunen.

In maart 1923 krijgt Lenin opnieuw een hersenbloeding, die hem van zijn spraakvermogen berooft. Kort daarvoor heeft hij in een aantal brieven, gericht aan het twaalfde partijcongres, zijn gedachten geformuleerd over de politieke toekomst van zijn land. Hij uit de vrees dat na zijn dood persoonlijke tegenstellingen de partij en daarmee de revolutie ten gronde zullen richten. In de brieven, bekend als Lenins testament, onderwerpt hij de belangrijkste mannen in het politbureau aan kritiek. Stalin komt er het slechtst vanaf: "Stalin is te ruw en dit gebrek... is onduldbaar voor een secretaris-generaal. Daarom stel ik de kameraden voor...Stalin uit die positie te verwijderen en iemand anders te benoemen...die geduldiger, loyaler en beleefder is ten opzichte van de kameraden". Het politbureau stopt de brief in de doofpot.

Lenin overlijdt op 21 januari 1924. Trotski lijkt de logische opvolger, maar zijn collega's weigeren het leiderschap zomaar aan hem over te dragen. De vrees voor en de afkeer van zijn hautaine gedrag is te groot. De kille strijd om de macht is niet Trotski's sterkste punt (hij voelt zich daar eigenlijk te goed voor) en hij slaagt er niet in de concurrenten naar zijn hand te zetten. De ster van Stalin daarentegen rijst snel. In januari 1925 dringt een vergadering van politieke commissarissen uit het leger met succes aan op het aftreden van Trotski als volkscommissaris van defensie. De greep van Stalin op het partijkader doet zich voelen! Gealarmeerd door de groeiende macht van de Georgiër, sluiten Trotski, Kamenev en Zinovjev een verbond, bekend als de Linkse of Verenigde Oppositie, waarbij zich ook verschillende partijleden uit vroegere oppositionele groeperingen aansluiten. Maar het pleit is al beslecht. In het geheim bereidt de oppositie nog een poging voor om op het vijftiende partijcongres (december 1927) het tij te keren, maar het recht tot spreken wordt haar daar ontzegd. De belangrijkste leiders van de Linkse Oppositie worden uit het centraal comité gezet, Trotski en Zinovjev zelfs uit de partij. Ze mogen van Stalin terugkeren in de gelederen, als zij hun 'fouten' toegeven en berouw tonen. Zinovjev en Kamenev maken deze vernederende knieval, Trotski weigert. Deze wordt daarop met een aantal aanhangers verbannen naar Centraal-Azië. In 1928 moet hij het land verlaten. Na enige omzwervingen belandt hij uiteindelijk in Mexico, waar hij in 1940 wordt vermoord, vrijwel zeker door een agent van Stalin.

Kort na de ineenstorting van de Linkse Oppositie vormt zich nogmaals een blok tegen Stalin, de zogeheten Rechtse Oppositie, met als belangrijkste leiders de jonge Nikolaj Boecharin (hoofdredacteur van de Pravda en secretaris van de Comintern), Tomski (hoofd van de vakbonden) en Rykov (voorzitter van de raad van volkscommissarissen). Ook zij delven het onderspit en belanden binnen enkele jaren op minder aanzienlijke posten.

Het vijftiende partijcongres legt de koers van de Sovjetunie vast. Het is Stalins koers. Het socialisme moet eerst in eigen land veilig worden gesteld. Om het socialisme te kunnen verdedigen moet allereerst en in een razend tempo de zware industrie tot ontwikkeling worden gebracht. Het congres geeft het staatsplanbureau de opdracht het eerste vijfjarenplan op te stellen. De lasten van de geforceerde industrialisering zullen voorlopig gedragen worden door de 'gewone' Sovjetburger en vooral door de boeren. Het congres neemt een resolutie aan waarin wordt besloten 'de ontwikkeling van het kapitalisme op het platteland aan banden te leggen en de boer in de richting van het socialisme te leiden'. De besluiten over de industrialisatie en de 'socialisering' van het platteland, betekenen het einde van de NEP. Onder Stalin wordt de basis gelegd van de Sovjet -maatschappij.

Zie verder Deel 5a De geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie