We hebben 218 gasten online

Deel 5a De geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie

Gepost in Rusland

kaart rusland

Deel 5a en 5b Stalins Rusland 1928/1953

Deel 5a De geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie

"Een op wraak beluste Dzjengis Chan"

In het najaar van 1925 vindt in Moskou het 14e congres van de communistische partij plaats. In één van de resoluties luidt het: "wat de economische ontwikkeling betreft is het Congres van mening dat in ons land, het land van de proletarische dictatuur 'alle voorwaarden voor de opbouw van een volledig socialistische maatschappij' (Lenin) aanwezig zijn. Het Congres beschouwt als voornaamste taak van onze Partij het vechten voor de overwinning van de socialistische opbouw in de USSR".

bukarinHet is de lijn van Stalin, die op dat congres al duidelijk de boventoon voert. Toch zijn er in deze periode nog leiders die alternatieven propageren. Trotski blijft aandringen op een permanente revolutie. Naar zijn idee vormen de omwentelingen in Rusland slechts het begin van een wereldrevolutie. De jonge en populaire Nikolaj Boecharin ( zie afbeelding) keert zich tegen een overhaaste industrialisering (het voornaamste onderdeel van het 'vechten voor de overwinning van de socialistische opbouw') en pleit voor een meer geleidelijke economische ontwikkeling met voorlopig nog ruimte voor enig privé-initiatief, vooral op het platteland. Maar de heftig bediscussieerde alternatieven verliezen hun betekenis, wanneer Stalin zich in de late jaren twintig meester maakt van de macht. Wat voortaan telt is Stalins wil.

Stalin was een gesloten man. Er zijn van hem alleen geschriften en redevoeringen bekend met een min of meer officieel karakter. Brieven aan vrienden zijn er niet en de roerselen van zijn ziel zullen wel eeuwig een gesloten boek blijven. De getuigenissen van mensen die hem hebben ontmoet, zijn weinig vleiend. Stalin komt daarbij naar voren als een onzeker en achterdochtig iemand, die zijn macht over andere mensen steeds maar weer bevestigd wil zien. Boecharin noemt hem een wrede en op wraak beluste Dzjengis Chan. Uit zijn daden kan men concluderen dat hij uit was op de vergroting van zijn macht en aanzien zonder enige aandacht te schenken aan het enorme leed dat daaruit voortvloeide. 'Moskou (dat wil zeggen Stalin) gelooft niet in tranen', schreef men in die jaren.

Het eerste vijfjarenplan

In de jaren van de NEP heeft een aanzienlijk deel van de Sovjet-economie zich onttrokken aan de greep van de overheid. In het vorige hoofdstuk zijn de NEP mannen al genoemd, die als handelaren enige welstand vergaarden. Ook een (beperkt) deel van de boeren heeft zich uit de ellende van het oorlogscommunisme omhoog weten te werken. Zij worden koelakken genoemd. Die naam, ook in de tijd van de tsaren al gebruikt voor de rijkere boeren, roept associaties op met uitbuiting en onderdrukking; koelak betekent vuist. Zowel de nepmannen als de koelakken gaan in het economisch 'geweld' dat Stalin weldra ontketent ten onder.

Eind 1926 komt de partij met het besluit om 'ons agrarisch land te transformeren in een industrieland'. Het jaar daarop krijgt het staatsplanbureau de opdracht het eerste vijfjarenplan voor de economie op te stellen, dat in oktober 1928 in werking treedt. Het plan voorziet in een nauwelijks voor te stellen groei van investeringen, vooral in de zware industrie. De productie van kolen, ijzer, staal, olie en werktuigen moet worden verdrievoudigd. De elektriciteitsvoorziening moet met zeshonderd procent omhoog. Hoewel verschillende projecten te ambitieus blijken, wordt in korte tijd toch bijzonder veel bereikt. In de benedenloop van de Dnjepr wordt de grootste waterkrachtcentrale van Europa aangelegd, die als basis gaat dienen voor talrijke industrieën in het gebied. Hoogovens verrijzen in Magnitogorsk in de Oeral, olieraffinaderijen in Georgië en Azerbajdzjan. Er worden grote tractorfabrieken gebouwd in Charkov, Gorki en Tsjeljabinsk en de kolenmijnen van het Donets-bekken (de basis van de industrie in de Oekraïne) worden zoveel mogelijk gemechaniseerd. In Siberië wordt de winning van mineralen geïntensiveerd.

staalindustrie magnitogorskIn 1931 - de uitvoering van het eerste vijfjarenplan is in volle gang - verwoordt Stalin in een toespraak tot een groep managers zijn belangrijkste drijfveer: "Het tempo mag niet dalen... Vertragen betekent achterliggen; en zij die achterliggen worden verslagen. Wij willen niet verslagen worden... Rusland werd verslagen door de Mongoolse Chans, door de Turkse Beis, door de Pools-Litouwse Pans, door de Engels-Franse kapitalisten, door de Japanse baronnen... verslagen vanwege haar militaire achterstand, haar culturele achterstand, haar industriële achterstand, haar agrarische achterstand... We hebben een achterstand van honderd jaar op de ontwikkelde landen. Die achterstand moeten we goed maken in tien jaar. Dat lukt ons of zij zullen ons verpletteren...". Stalin spreekt hier beslist niet alleen voor zichzelf. Velen, vooral jongeren, worden in die jaren beheerst door het gevoel deel uit te maken van een imposant raderwerk, dat het achterlijke Rusland in korte tijd zal omtoveren in een machtige en moderne, communistische staat. Zij zijn bereid veel ellende te doorstaan. Een Amerikaan die in de jaren dertig in Magnitogorsk werkte: "Tijdens de jaren dertig verkeerden de Russen in een staat van oorlog... In Magnitogorsk werd ik het slagveld opgestuurd. Ik werd tewerkgesteld aan het ijzer- en staalfront. Tienduizenden mensen verdroegen de meest intense ontberingen om hoogovens te bouwen, en velen van hen deden het graag, met een eindeloos enthousiasme dat al op de dag van mijn aankomst op mij oversloeg." (Foto van een jonge werknemer in 1931 in Magnitogorsk)

postzegel 15 jaar suHet eerste vijfjarenplan loopt officieel tot 1933, maar in 1932 wordt met veel fanfare verkondigd dat de geplande doelen al zijn bereikt. De statistische gegevens uit deze jaren zijn onbetrouwbaar, waardoor het onmogelijk is om deze bewering te controleren. Wel is zeker dat door het op poten zetten van een omvangrijke zware industrie, de grondslag is gelegd voor de machtige industrie staat die de Sovjetunie later is geworden.

Voor een overdreven romantische voorstelling van deze geforceerde industrialisering moet wel worden gewaakt. Bij verschillende projecten worden op grote schaal dwangarbeiders ingezet. Echte of vermeende tegenstanders van het bewind leven in onherbergzame streken in strafkampen en werken in mijnen of leggen spoorwegen aan. Op een mensenleven meer of minder wordt daarbij niet gekeken. In de snel groeiende steden zijn de levensomstandigheden erbarmelijk. In woonkazernes, met op elke kamer tenminste één gezin, leven tientallen mensen dicht opeengepakt. De enige keuken en toilet moeten met velen worden gedeeld. Overal treft men zwervende wezen aan, die hun ouders in de burgeroorlog hebben verloren en die aan de kost komen door te bedelen en te stelen. Deze problemen vallen echter nog in het niet bij het leed dat in de jaren twintig en dertig op het platteland wordt aangericht.

De collectivisering van de landbouw

De landbouw had zich dankzij de NEP gedeeltelijk kunnen herstellen van de chaos tijdens de oorlog, revolutie en burgeroorlog. Toch produceren de boeren naar de zin van de autoriteiten nog te weinig voor de markt. Stimulering van de koelakken, die met weldoordachte steun misschien in staat zijn moderne agrarische bedrijven op te zetten, is uitgesloten. Kapitalisme op het platteland is om ideologische redenen ondenkbaar. Bovendien zijn dergelijke privé-ondernemingen gebaat bij hoge landbouwprijzen, terwijl het regime die prijzen juist laag wil houden ten gunste van de stedelijke bevolking, die immers gestalte moet geven aan de gewenste industrialisering.

Op het 15e partijcongres (1927), dat ook de aanzet geeft tot het eerste vijfjarenplan, wordt een landbouwbeleid in gang gezet, dat tot doel heeft de boer als individuele ondernemer uit te schakelen door hem onder te brengen in grote, collectieve bedrijven. Op die manier, zo wordt gedacht, slaat men twee vliegen in één klap: de vorming van een eigenzinnige, kapitalistische klasse wordt voorkomen, terwijl de grote bedrijven (die zich goed lenen voor mechanisering en planning van bovenaf) voor de gewenste hogere productie zullen zorgen.

Deze collectivisering, aanvankelijk nog voorzichtig doorgevoerd, stuit op verzet van de boeren. Net als in de tijd van het oorlogscommunisme reageren zij door minder te zaaien en graan achter te houden. Stalin kiest daarop in de zomer van 1929 voor een radicale oplossing. Hij speelt in op het wantrouwen tegen de wat welvarender boeren en haalt het begrip klassenstrijd van stal. Zijn bondig programma luidt: "De liquidatie van de koelakken als klasse". Als de boeren zich niet schikken naar zijn wil, zal hij hen dwingen. Zo'n 27.000 gekende en getrouwe partijleden worden van de stad naar het platteland gestuurd met de opdracht de boeren goedschiks of kwaadschiks tot collectivisering te dwingen. Ze kennen weinig of niets van de boeren stiel maar ze zijn geschoolde marxisten. Ze doen zeer vlug een beroep op het leger en de geheime politie om hen te helpen. Graanvoorraden worden in beslag genomen en de boeren worden gedwongen zich met huis, grond en veestapel aan te sluiten bij een collectief bedrijf. Van bovenaf wordt aan partijcomités op het platteland meegedeeld hoeveel koelakken moeten worden opgeruimd. Wie over een tweede paard of koe of over een eenvoudige graanmolen beschikt, wordt zonder pardon gedeporteerd. Zijn er in een dorp geen 'echte' koelakken aanwezig, dan worden, om het vereiste quotum te halen, willekeurig boeren voor deportatie aangewezen. Wie zich verzet wordt ter plekke doodgeschoten. Sommige koelakken worden naar de werkkampen of naar de grind- en uraniummijnen gezonden waar men soms maar een jaar te leven heeft. De meeste worden naar Siberië verbannen. Ze worden daar ergens met hun familie gedropt en moeten maar proberen te overleven.

Hoeveel boeren in deze barre jaren zijn gedeporteerd of geliquideerd, is niet bekend. Schattingen lopen uiteen van vijf tot tien miljoen, op een totale boerenbevolking van 110 miljoen. Maar dit is nog niet alles. Liever dan zich te voegen in collectieve bedrijven verbranden vele boeren hun oogst en slachten hun vee. Ook laat de organisatie van de nieuwe bedrijven (er is niemand voor opgeleid) veel te wensen over. Een schrikbarende daling van de productie is het gevolg. In verschillende streken heerst al gauw een verschrikkelijke hongersnood. In Kazachstan, waar nomadenveeteelt het voornaamste bestaansmiddel is en waar driekwart van de koeien en bijna negentig procent van de schapen, geiten en paarden verloren gaat, komen in het begin van de jaren dertig anderhalf miljoen mensen om. Het aantal slachtoffers in de 'Oekraïne, het gebied van de Wolga en de noordelijke Kaukasus, ligt nog aanzienlijk hoger. Pas na het midden van de jaren dertig herstelt de landbouw zich enigszins. In de Oekraïne kent Stalin geen genade.

In Rusland waren vele boeren gewend grond te krijgen van de dorpsgemeenschap, de mir, en die vervolgens te verbouwen. In de Oekraïne bestond enkel individueel grondbezit en het verzet is des te groter. Stalin laat de Oekraïne hermetisch afsluiten. Er wordt niet geoogst en gezaaid. In 1931-32 heerst er een reusachtige hongersnood op het platteland die door de autoriteiten zelf is georganiseerd als pressiemiddel. Leger en politie verhinderen de woedende Oekraïners te ontsnappen. Men raamt het aantal doden in deze hel op twee à drie miljoen mensen.

Kolchozen en sovchozen

Tegen het einde van het eerste vijfjarenplan is driekwart van het land ondergebracht bij een collectieve boerderij (een kolchoz) of een staatsboerderij (een sovchoz). Een sovchoz concentreert zich doorgaans op één gewas of één soort vee en heeft werknemers in dienst, die, net zoals arbeiders in een fabriek, een vast loon krijgen uitbetaald. De sovchozen zijn voorlopig veruit in de minderheid. Een veel belangrijkere rol spelen de kolchozen, coöperaties die het akkerland van een dorpsgemeenschap omvatten. Een kolchoz is niet alleen een economische, maar ook een sociale eenheid, die voor de families van de gemeenschap zaken moet regelen als huisvesting, kleuteropvang en ontspanning in de avonduren.

Op papier kiest een vergadering van de kolchozleden een voorzitter, die als schakel moet fungeren tussen het bedrijf en de overheid. In werkelijkheid wordt de voorzitter van bovenaf, dat wil zeggen door het regionale partij comité, aangewezen. Hij moet erop toezien dat de kolchoz het door de partij opgelegde productieplan tijdig uitvoert. Enig initiatief van de mensen op het land is uitgesloten. De boeren zijn binnen de coöperatie niet meer dan - onderbetaalde -landarbeiders. Zij krijgen, na de verplichte leveranties aan de staat, hun loon soms in geld, maar meestal in natura uitbetaald. De eerste dertig jaar is dat of niets of zeer weinig. Pas in de loop van de jaren zestig kan de financiële situatie van de kolchozboer aanvaardbaar worden genoemd.

Door de collectivisering heeft de overheid de beschikking gekregen over een naar eigen inzicht te bepalen aandeel in de opbrengsten van de landbouw. Door het levenspeil van de boeren laag te houden, verschaft zij zich het kapitaal dat nodig is voor de investeringen in de industrie. Economen hebben uitgerekend dat de leden van de kolchozen ongeveer een achtste kregen van de echte waarde van hun productie. De meeste kunnen overleven omdat Stalin wat inbindt en de kolchozleden wat dieren laat behouden en een stukje grond, dat ze individueel mogen verbouwen.

Een succesvolle 'tweede revolutie'

De industrialisering en de collectivisering omschrijft men ook wel als de tweede revolutie. In korte tijd is de Sovjet-economie omgevormd tot een plan-, of misschien beter gezegd: een beveleconomie. In Moskou wordt voor alle sectoren een gedetailleerd plan opgesteld, dat het karakter heeft van een bevel. Onvermijdelijk vormt zich hierbij een wijdvertakte bureaucratie, die de informatie moet verzamelen op grond waarvan het plan kan worden opgesteld en die vervolgens moet toezien op de juiste en tijdige uitvoering daarvan. Die bureaucratie wordt in de jaren dertig al snel een machtig monster, dat onder Stalins opvolgers pogingen tot een modernisering van de economie met succes zal afweren.

Zoals reeds gezegd, heeft de geforceerde industrialisering de basis gelegd voor de industriële macht van de Sovjetunie. Er zijn echter nogal wat (Westerse) geschiedschrijvers, die zich afvragen of de resultaten niet beter zouden zijn geweest als men minder rigoureus en overhaast te werk was gegaan. In elk geval zouden de ontberingen voor de stedelijke bevolking dan minder groot zijn geweest. Misschien ook zou een geleidelijke ontwikkeling een economische structuur hebben opgeleverd, die zich beter had geleend voor hervormingen.

Het oordeel over de collectivisering is onder Westerse deskundigen eensluidend negatief. Op het platteland zijn zelfs geen economische successen aan te wijzen, die als (zwakke) rechtvaardiging zouden kunnen dienen voor het aangerichte leed. De landbouw is nu, zo'n tachtig jaar later, nog altijd het grote zorgenkind van de Russische leiders. Rusland-specialist M. Broekmeyer voegt hier aan toe: "Niet alleen de landbouw heeft enorme schade geleden, ook de ziel van Rusland, haar boerenstand heeft misschien onherstelbare schade opgelopen; de collectivisering heeft Rusland opgezadeld met een onverwerkt verleden waarvan de gevolgen nog tot op heden doorwerken."

Orde in onderwijs hersteld

Aan het eind van de jaren twintig wordt duidelijk dat een ingrijpende verbetering van het onderwijs noodzakelijk is. Het eerste vijfjarenplan wordt in gang gezet, terwijl er een groot tekort heerst aan technisch en organisatorisch geschoolde mensen. De chaos tijdens de 'tweede revolutie' is zeker voor een deel hieraan toe te schrijven.

De overheid onderkent het probleem en stelt zichzelf drie taken: de 'uitroeiing' van het analfabetisme, de invoering van de algemene leerplicht en een forse uitbreiding van het beroepsonderwijs.

Werd er in het onderwijs in de jaren twintig nog volop geëxperimenteerd (in sommige scholen werden de cijfers niet door de leraren bepaald, maar door de leerlingen), in de jaren dertig worden de teugels weer strak aangetrokken. Er komt een verplichte, vierjarige basisschool. Er wordt een rooster opgesteld met veel aandacht voor de exacte vakken en met verplicht, officieel goedgekeurd lesmateriaal. Een uniform systeem van examens wordt ingevoerd en de toelating tot hoger onderwijs geschiedt voortaan uitsluitend op grond van prestaties (in de jaren twintig kregen kinderen van arbeiders en boeren voorrang). Het aantal scholen neemt enorm toe en het beroepsonderwijs gaat met sprongen vooruit. Symbolisch voor het herstel van de oude tradities is de hernieuwde invoering van het schooluniform, dat in 1917 was afgeschaft.

Opvallend is het materiaal dat voortaan gebruikt wordt bij de geschiedenisles. In de boeken worden succesvolle Russische veldslagen uit het verleden benadrukt. De tsaren Iwan de Verschrikkelijke en Peter de Grote worden in hun oude 'glorie' hersteld. Zij mogen dan 'reactionaire tirannen' zijn geweest, zij hebben wel bijgedragen aan de vorming van een sterke, Russische staat. De geschiedenisboeken dragen een duidelijk Russisch-chauvinistisch karakter. Aan het einde van de jaren dertig drukt Stalin zelf een sterk en verstikkend stempel op de geschiedschrijving met zijn boek Korte leergang van de geschiedenis van de communistische partij. Het werk, verschenen in 1938, beschrijft op gekleurde en selectieve wijze hoe de revolutie werd uitgevoerd onder leiding van Lenin, met Stalin aan zijn zijde. Alle andere leiders, van wie verschillende nog in leven zijn, worden afgeschilderd als saboteurs en verraders. De mythische 'Korte leergang' wordt verplichte stof voor scholieren, partijleden en historici. De aanpassing van de geschiedschrijving aan de politieke eisen van het ogenblik, wordt in de Sovjetunie een vertrouwd verschijnsel.

Het succes van Stalins onderwijsbeleid is moeilijk te meten, omdat, ook hier, betrouwbare statistieken ontbreken. Zeker is wel, dat Stalin de inwoners van zijn rijk massaal naar school heeft gestuurd. De opbouw van de Sovjetunie tot moderne industriestaat is daardoor zeker bespoedigd. Daartegenover staat de fnuikende invloed van de ideologie, niet alleen op de geschiedenislessen, maar op alle humaniora. Ook de ideologie wordt aangepast aan de wensen van het ogenblik. Er komt een nieuwe doctrine, volgens welke de staat niet afsterft (zoals de marxistische leer had voorspeld), maar juist sterker wordt naarmate het socialisme dichterbij komt. Immers, zo redeneert Stalin, met het socialisme in zicht wordt de tegenwerking van de externe en interne vijanden alleen maar groter. Een sterke staat, die zorgt voor een keiharde discipline, is nodig om de 'klasse vijanden' het hoofd te kunnen bieden. De steeds sterker wordende greep van Stalin op alle geledingen van de maatschappij is daarmee gerechtvaardigd.

Godsdienst in de jaren dertig

Hoewel de grondwet vrijheid van godsdienst garandeert, mag sinds 1929 geen 'religieuze propaganda' worden bedreven. Godsdienstonderricht op school wordt verboden. Anti -religieuze propaganda staat daarentegen iedereen vrij. Er is een Bond van militante godlozen opgericht, die in 1932 trots meldt al vijf miljoen leden te hebben. In feite zijn de kerken in deze jaren vogelvrij. Kerkgebouwen worden afgebroken of in gebruik genomen voor andere doeleinden. Van de ruim 50.000 kerken uit 1914 zijn er in 1939 nog maar 4.200 als zodanig in gebruik. In de jaren dertig worden talloze priesters en bisschoppen gearresteerd. Velen van hen komen om in werkkampen. In Leningrad zijn in 1930 nog duizend popes. Zeven jaar later blijven er nog vijftien over.

Einde aan intellectuele vrijheid

Meer uit tijdgebrek dan uit principiële tolerantie had de overheid het culturele leven in de jaren twintig op zijn beloop gelaten. Maar de jaren dertig brengen ook op dit gebied een ommekeer. In Stalins wereld is geen plaats voor een zelfstandig denkende en scheppende artistieke elite. De censuur wordt scherper. Een omvangrijk apparaat vlooit pers, boeken en tijdschriften na op politiek verdachte passages. De overheid stelt richtlijnen op, waaraan artistieke werken moeten voldoen. Die richtlijnen staan bekend als het socialistisch realisme. In kunstwerken mogen voortaan uitsluitend positieve helden de belangrijkste rol vervullen. Zo'n 'held' is een gehoorzame communist, die door goed en energiek gedrag het communisme helpt naderbij te brengen. De bekende clichés van deze 'stroming' zijn de breeduit lachende kolchozboeren op een tractor, de opgewekt kijkende superarbeider en natuurlijk als antiheld de gemeen grijnzende kapitalist met hoge hoed en sigaar.

Als 'waakhond' wordt in 1932 de Schrijversbond opgericht, om 'alle schrijvers te verenigen die de Sovjet-macht ondersteunen en mee willen werken aan de opbouw van het socialisme'. Wie geen lid is van de bond (die uiteraard volledig onder partij-controle staat), is officieel geen schrijver en mag niets publiceren. Wie lid wil worden dient de principes van het socialistisch realisme te onderschrijven. Ook voor de andere onderdelen van het intellectuele leven (muziek, toneel, film, architectuur) worden bonden als waakhonden opgericht. In deze periode wordt weinig geproduceerd dat ook buiten de Sovjetunie erkenning vindt. Veel schrijvers staken hun arbeid (Isaak Babel, Osip Mandeistam, Anna Achmatova) en houden zich in leven door vertalingen te maken of eenvoudig journalistiek werk te verrichten. Een enkeling (Michail Boelgakov) schrijft 'gewoon' door in de hoop ooit eens gepubliceerd te worden. Verschillende schrijvers (Mandeistam, Boelgakov, Babal, Boris Pilnjak) komen in de jaren van de grote zuiveringen om in werkkampen.

De moord op Kirov

In het begin van 1934, het tweede vijfjarenplan is inmiddels in gang gezet, vindt het 17e partijcongres plaats. Het krijgt de bijnaam 'Congres der overwinnaars', waarmee wordt gedoeld op het 'overweldigende succes' van de collectivisering en industrialisering. De werkelijke overwinnaars zijn echter niet de landbouw en de industrie - om nog maar te zwijgen over de boeren en de arbeiders - maar Stalin en zijn adjudanten. Zij hebben de volstrekte macht verworven niet alleen over de politiek, maar over alle sectoren van de maatschappij. Vanaf het einde van de jaren twintig laat Stalin zich ook steeds nadrukkelijker verheerlijken. Overal in het land verrijzen standbeelden van hem, schilders maken taferelen waarop hij Lenin raad geeft, dichters bezingen hem in alle toonaarden en steden en bergtoppen krijgen zijn naam.

stalin en kirovMaar Stalin is nog niet tevreden. Er zijn nog veel bolsjewieken in leven die hebben meegestreden in de revolutie en de burgeroorlog. Zij hebben meegewerkt aan de opbouw van de nieuwe orde en kunnen daarom, in de ogen van Stalin, mede aanspraak maken op de 'overwinning'. Bovendien zijn zij op de hoogte van het 'echte' verleden, dat inmiddels door de officiële geschiedschrijving ter meerdere eer en glorie van de dictator is verminkt. Stalin besluit met deze 'mededingers' af te rekenen. Vermoedelijk vormt een ziekelijke, door machtswellust versterkte achterdocht de voornaamste aanleiding voor dit besluit.

Op 1 december 1934 wordt Sergej Kirov, (rechts op de foto), de populaire partijleider van Leningrad (het oude Petrograd, omgedoopt na de dood van Lenin), door een jonge communist vermoord. In het Westen wordt algemeen aangenomen dat de moord is gepleegd met tenminste de goedkeuring van Stalin. De dictator grijpt de moord in elk geval aan als excuus om de partij en het staatsapparaat te zuiveren van ongewenste elementen. Wat volgt is één van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van Rusland en de Sovjetunie.

De zuiveringen

Bij de verwijdering van de ongewenste elementen komt eerst Leningrad aan de beurt. Al spoedig verdwijnen wagonladingen met 'moordenaars van Kirov' naar kampen in Siberië en het hoge noorden. Vervolgens richt de geheime dienst, inmiddels NKVD geheten (de letters staan voor Volks commissariaat voor Binnenlandse Zaken), zich op vooraanstaande partijleden in het centrum. Zij worden ervan beschuldigd in verschillende samenzweringen te hebben aangestuurd op de ondergang van het vaderland. De belangrijkste 'leiders' van deze 'samenzweringen' moeten zich in drie showprocessen voor hun daden verantwoorden.

kamenevzinovjevIn augustus 1936 vindt het proces van de zestien plaats. Zestien oude bolsjewieken, onder wie Kamenev (foto rechts) en Zinovjev (foto links), krijgen de moord op Kirov in de schoenen geschoven. Zij bekennen de moord te hebben georganiseerd, lid te zijn van een 'Trotskistisch-Zinovjistisch Centrum' en op instructies van Trotski voorbereidingen te hebben getroffen voor het ombrengen van Stalin, Sergej Ordzjonikidze, Lazar Kaganovitsj en andere topfiguren uit de partij. De beklaagden worden ter dood veroordeeld en vrijwel onmiddellijk geëxecuteerd. In de volgende twee processen januari-februari 1937, maart 1938) wordt op vergelijkbare wijze ('contacten met Trotski en buitenlandse geheime diensten, sabotagedaden in de industrie, organiseren van terroristische groepen') afgerekend met onder andere Boecharin, oud hoofd van de geheime politie Genrich Jagoda en oud-chef van de generale staf maarschalk Michail Toechatsjevski.

De showprocessen uit de jaren dertig doen denken aan de processen die nog tijdens Lenin tegen enkele mensjewieken en socialisten-revolutionairen werden gevoerd. Maar toen heerste althans nog de schijn van een normale juridische procedure en daarvan is ditmaal geen sprake meer. De rechtszaken hebben als enig doel de beklaagden met zoveel mogelijk lawaai aan de schandpaal te nagelen. Zeer opvallend en ook zeer beklemmend is het feit dat die beklaagden het spel volledig meespelen. In groteske verklaringen, vaak doorspekt met eenvoudig aantoonbare leugens, leggen zij bekentenissen af van misdaden die zij nooit hebben gepleegd. In hun verklaringen noemen zij namen van andere vooraanstaande persoonlijkheden, die tijdens de processen vaak nog hoge posten bezetten. Aldus wordt een langdurige kettingreactie in gang gezet van bekentenissen, belastende verklaringen, nieuwe arrestaties met weer nieuwe bekentenissen en verklaringen. Het is vrijwel zeker dat de verdachten voorafgaand aan de processen onder fysieke en psychische martelingen nauwkeurig zijn geïnstrueerd wat betreft hun gedrag in de rechtszaal. Slechts een enkeling weerstaat de druk en laat een eigen geluid horen. Boecharin spreekt tijdens zijn proces over 'een middeleeuwse rechtspraak'.

Een nieuw kader

Na de eerste zuiveringsgolf (1936-38) zijn er in de partij, het staatsapparaat en het leger nog maar weinigen over van hen die de revolutie hebben geleid en het socialistisch bewind hebben vormgegeven. Van de 139 leden van het centraal comité, gekozen op het 17e partijcongres, blijven er tot aan het volgende congres (1939) slechts 29 buiten de gevangenismuren. Van de 1966 afgevaardigden op het 17e congres keren er op het 18e slechts 59 terug. In het partij-apparaat van de verschillende republieken wordt nog erger huisgehouden. Het Rode Leger, met zoveel moeite opgebouwd, verliest in korte tijd de meest ervaren maarschalken, generaals, regionale en corps commandanten. Alleen de trouwste en meest slaafse volgelingen van Stalin - en zelfs zij niet altijd, want de willekeur is groot - overleven de bloedige aanslag op de politieke, maatschappelijke en militaire elite.

Een geheel nieuwe groep van leiders en bestuurders neemt de opengevallen plaatsen in en velen maken een razendsnelle carrière. Onder hen bevinden zich de latere partijleiders Nikita Chroesjtsjov, Leonid Brezjnev, Joeri Andropov en Konstantin Tsjernenko. Het nieuwe kader dankt zijn positie niet aan daden uit het verleden, maar in de eerste plaats aan de grillen van Stalin. De dictator heeft een nieuw bestuurlijk apparaat gevormd, dat permanent in angst leeft en volledig van hem afhankelijk is.

jezjovhet hoofd van de geheime politie staat in deze periode Nikolaj Jezjov (zie foto). De late jaren dertig worden daarom ook wel aangeduid als de periode van de jezjovsjtsjina. De showprocessen uit die tijd zijn maar het topje van de ijsberg. Verreweg de meeste slachtoffers vallen onder de lagere partijkaders en de gewone bevolking. In heel het land wordt de jacht geopend op 'medeplichtigen' aan de bovengenoemde samenzweringen. Lokale afdelingen van de geheime politie maken zichzelf verdacht als zij niet voldoende 'vijanden van het volk' ontmaskeren.

Een immens systeem van gevangenissen en werkkampen wordt opgericht, dat door de schrijver Alexander Solzjenitsyn, later de Goelag Archipel wordt gedoopt (Goelag staat voor Glavnoje Oepravlenije Lagerej, Hoofdadministratie van de Kampen). Er ontstaat een paranoïde sfeer van verdachtmakingen en aangiftes. Op partijvergaderingen bekennen partijleden schuld ("ik was politiek kortzichtig, vervuld van verrot liberalisme") in de hoop het vege lijf te redden. Families van arrestanten worden gemeden uit angst voor 'besmetting'. Kinderen die hun ouders aangeven worden in de pers bejubeld als ware patriotten.

Hoeveel slachtoffers de jezjovsjtsjina heeft geëist is, opnieuw, niet met zekerheid te zeggen. De meest betrouwbare bronnen spreken van ongeveer een miljoen strafrechtelijke executies en ettelijke miljoenen mensen die tot tenminste tien jaar werkkamp zijn veroordeeld, wat in de meeste gevallen gelijk staat aan de doodstraf. Het aantal slachtoffers van Stalins bewind vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog komt daarmee op tien à twintig miljoen. Wie dat getal niet diep tot zich laat doordringen zal, in de woorden van de historicus J. Bezemer, "nooit iets begrijpen van het leven in Rusland onder Stalin, en ook niet van het huidige Rusland. Want het tijdperk van Stalin werkt door en de verschrikkingen van toen zijn thans nog steeds een onverwerkt verleden".

Stalins Grondwet

In de jaren twintig en dertig loopt het aantal republieken dat deel uitmaakt van de USSR op tot elf. In 1925 worden Oezbekistan en Toerkmenistan (voorheen beide een onderdeel van de Russische republiek) als socialistische republiek aan de Unie toegevoegd, vier jaar later gevolgd door Tadzjikistan (tot dan toe een onderdeel van de Oezbeekse republiek). Vervolgens worden in 1936 op het grondgebied van de Russische republiek de republieken Kazachstan en Kirgizië gevormd. Ook wordt de Federatieve Transkaukasische Republiek opgeheven, waarvoor in de plaats Georgië, Armenië en Azerbajdzjan elk afzonderlijk aan de Unie worden toegevoegd.

stalin als roergangerIn 1936 krijgt de Sovjetunie een nieuwe grondwet, ook wel de Stalin-Constitutie genoemd. De grondwet maakt uitgebreid melding van vele burgerrechten. De vrijheid van meningsuiting, van godsdienst, pers, vergadering en demonstratie worden alle gegarandeerd, evenals de persoonlijke rechtszekerheid en de onschendbaarheid van het briefgeheim. De pers noemt de nieuwe grondwet zelfs 'de meest democratische'; tegen de achtergrond van de dan al in gang gezette zuiveringen een uiterst cynische kwalificering! De communistische partij, in de vorige grondwet (1924) nog niet genoemd, treedt uit de anonimiteit en wordt omschreven als 'de voorhoede van de werkende klasse in zijn strijd voor de versterking en de ontwikkeling van het socialistische systeem'. Het hoeft geen betoog dat de nieuwe grondwet grotendeels een dode letter is met als voornaamste doel een goede indruk te maken op het buitenland, met name op het Westen, waarmee Stalin in deze periode besprekingen voert.

Collectieve zekerheid en de Comintern

De Sovjetunie wordt in de jaren twintig door een toenemend aantal landen officieel erkend en de handelscontacten breiden zich uit. Toch blijft het wantrouwen van Westerse zijde jegens Moskou groot, wat voor een belangrijk deel is toe te schrijven aan de voortdurende ondermijnende activiteiten van de Comintern. Ook in dit orgaan is Stalin heer en meester en hij gebruikt het zonder scrupules als instrument voor zijn buitenlandse politiek. In zijn opdracht weigeren de communisten in Europa elke samenwerking met de sociaal-democraten, die worden uitgemaakt voor sociaal-fascisten. Deze versplintering van links bevordert in Duitsland de opkomst van Adolf Hitier.

In januari 1933 neemt Hitler in Duitsland de macht in handen. Al spoedig vestigt hij zijn dictatuur. Het wordt snel duidelijk dat Moskou weinig goeds te verwachten heeft van Hitier, die zijn haat voor het communisme niet onder stoelen of banken steekt en die bovendien luidruchtig en met een begerige blik oostwaarts zijn behoefte aan lebensraum verkondigt. De hartelijke betrekkingen tussen de twee landen, het gevolg van het Verdrag van Rapallo (1922), verslechteren snel. Bevreesd voor een nieuw isolement wendt Rusland zich tot andere landen in Europa. Onder invloed van de groeiende Duitse macht toont men zich daar nu toeschietelijker dan ooit. Tsjechoslowakije en Roemenië erkennen de Sovjetunie. Niet-aanvalsverdragen (onder meer met Polen en Finland) worden verlengd. Met Frankrijk worden de banden aangehaald en in 1934 treedt Moskou toe tot de Volkerenbond. Stalin lijkt te gaan meewerken aan het Westerse beleid van collectieve zekerheid, dat zich richt tegen het Duitsland van Hitler.

In 1935 brengen Engelse en Franse delegaties een bezoek aan Moskou. Met Tsjechoslowakije wordt een bijstandsverdrag getekend. Tegelijkertijd echter zet de Comintern zijn anti-Westerse activiteiten voort, wat tot veel irritaties leidt. De relaties van Moskou met het Westen blijven wisselvallig. Voor alle zekerheid zoekt Moskou voorzichtig weer toenadering tot Duitsland (er komt een nieuw handelsverdrag), zonder de banden met het Westen te verbreken. De volgende jaren bestaat de buitenlandse politiek van Stalin uit een omzichtig manoeuvreren tussen Berlijn en de andere Europese hoofdsteden.

Zie verder Deel 5b De geschiedenis van Rusland en de Sovjet/Unie