We hebben 164 gasten online

Deel 1 Politieke stromingen in de negentiende eeuw

Gepost in West-Europa

1.1 Het liberalisme

In de eerste helft van de negentiende eeuw kwam het liberalisme als nieuwe politieke stroming naar voren. In de tijd die volgde op de grote democratische revoluties (onder andere de Amerikaanse revolutie van 1776 en de Franse revolutie van 1789) waren nog lang niet alle idealen van 'vrijheid, gelijkheid en broederschap' echt in praktijk gebracht. De liberalen (van het Latijnse woord liber, vrij) zetten het werk voort dat in de grote revoluties was begonnen. Dat betekende dat zij streefden naar grotere invloed van het volk op de regering, door middel van parlementen (volksvertegenwoordigingen) en vastlegging van rechten en vrijheden van het volk in een grondwet. Onder de liberalen bevonden zich gematigden en radicalen. De gematigden wilden wel volksinvloed, maar met mate. Zo vonden zij dat je niet zomaar aan iedereen kiesrecht kon geven. Mensen die zich met politiek bemoeiden moesten volgens hen een zekere welstand en ontwikkeling bereikt hebben. Daarom waren zij voor censuskiesrecht. Radicale liberalen waren voor een zo laag mogelijke census of zelfs algemeen kiesrecht.

Ook op economisch gebied was er een verschil van mening. De gematigde liberalen waren voor een zo groot mogelijke vrijheid in de economie. Volgens hen moest de vrije markt via 'vraag en aanbod' de economie bepalen. Daarom wilden ze zo min mogelijk overheidsingrijpen. De radicale liberalen zagen in dat een volledig vrije werking van de markt veel nadelen op sociaal gebied met zich mee kon brengen. Daarom waren zij voorstanders van sociale wetgeving, zoals maatregelen tegen kinderarbeid en vóór veilige arbeidsomstandigheden.

1.2 Het nationalisme

Bij de nationalisten ging het niet zozeer om democratische rechten, vrijheden en verdeling van de macht, maar om de gevoelsmatige kant van de politiek.

Nationalisten legden er de nadruk op dat iedereen tot een volk (natie) behoorde met één gemeenschappelijke afstamming, taal en cultuur. Zo'n natie onderscheidde zich volgens hen principieel van andere volken en moest daar vaak zelfs in zekere mate vijandig tegenover staan. Vrijheid voor een volk betekende in de ogen van nationalisten niet in de eerste plaats een grondwet en kiesrecht, maar het bestaan van één staatkundige eenheid voor mensen van een bepaalde nationaliteit. In het negentiende-eeuwse Europa was dat niet vanzelfsprekend. De grenzen tussen staten waren in de loop van de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw niet tot stand gekomen op grond van nationale verschillen, maar als gevolg van oorlogen tussen vorsten, erfopvolging en machtsbalans.

europa 1860

Zo waren de Duitsers in ontelbare staten en staatjes verdeeld. Grotere staatkundige eenheden op Duits gebied waren Pruisen en Oostenrijk-Hongarije. Dit laatste keizerrijk, ook wel het Habsburgse rijk of de Donau-monarchie genoemd, werd echter niet alleen bewoond door Duitsers, maar ook door een veelheid aan andere nationaliteiten: Hongaren, Polen, Tsjechen, Slowaken, Slovenen, Kroaten, Serviërs, Italianen, enzovoort. Nationalisten streefden in de eerste plaats naar een 'vaderland' voor ieder volk. Daarbij meenden sommigen onder hen dat zo'n vaderland ook democratisch bestuurd behoorde te worden (liberale nationalisten), maar velen voelden niets voor de onderlinge partijstrijd die daaruit zou voortvloeien; zij waren meer voor een sterk nationaal vorstenhuis waarmee het volk zich gevoelsmatig kon identificeren. In landen waar al een nationale eenheid bestond (bijvoorbeeld Frankrijk) wakkerden de nationalisten de sentimentele gevoelens van het volk voor het vaderland aan. Vaak richtten zij zich dadrbij op de 'grootse' nationale geschiedenis en vereerden ze nationale helden uit het verleden. Het oprichten van standbeelden voor vaderlandse grootheden is dan ook iets typisch negentiende-eeuws.

1.3 Het socialisme

Socialisten richtten zich op het vinden van een oplossing voor het `sociale vraagstuk' dat in de negentiende eeuw een steeds groter probleem was gaan vormen. Als gevolg van de industrialisatie waren steden explosief gegroeid. De ellende en armoede van het werkende volk (ook in voorgaande eeuwen de normaalste zaak van de wereld) waren daarin massaal zichtbaar geworden voor de rijkere burgers. Vanaf 1848, het jaar waarin het Communistisch Manifest verscheen, baseerden de meeste socialisten zich op de denkbeelden van Karl Marx. De tegenstelling tussen bezitters en niet-bezitters (bourgeoisie en proletariaat) beheerste volgens Marx de gehele samenleving: cultuur, economie en politiek. Deze klassenstrijd tussen proletariaat en bourgeoisie zou uitlopen op een revolutie. Daarna zouden de proletariërs tijdelijk een 'dictatuur' gaan uitoefenen om de bourgeoisie van haar bezit en machtspositie te ontdoen. Als dat gelukt was, zou alle bezit gelijk kunnen worden verdeeld, waardoor sociale verschillen konden worden opgeheven. Dan zou de socialistische heilstaat kunnen aanbreken.

Hoe men zich de proletarische machtsovername concreet moest voorstellen, daarover ontstond al gauw meningsverschil onder de volgelingen van Marx.

marxisme

Zo ontstonden er verschillende varianten van het socialisme:

— Het orthodoxe marxisme. Deze stroming interpreteerde de leer van Marx zo letterlijk mogelijk. De onverzoenlijke strijd tussen bourgeoisie en proletariaat betekende volgens orthodoxe marxisten dat samenwerking met de bourgeois-staat op geen enkele manier mogelijk was, ook niet door als vertegenwoordiger van het volk zitting te nemen in een parlement. Alleen de totale instorting van het kapitalisme en het daaruit voortvloeiende einde van de bourgeois-staat kon een oplossing brengen. De politieke activiteiten van de massa konden zich richten op het bespoedigen van het instorten van het kapitalisme, bijvoorbeeld door massale en langdurige stakingen. Onderhandelingen met kapitalisten en compromissen met hen om kleine verbeteringen aan te brengen (bijvoorbeeld door loonsverhogingen, sociale wetten, enzovoort), waren uit den boze.

— Het democratische socialisme of sociaal-democratie. Deze stroming meende dat de arbeiders het best aan de macht konden komen via algemeen kiesrecht. Op die manier zouden ze de meerderheid krijgen in het parlement en zo de staat kunnen overnemen. In plaats van een gewelddadige revolutie bepleitten de sociaal-democraten dus een geleidelijke machtsovername. Onderhandelen met bourgeois-vertegenwoordigers was voor hen niet geheel uitgesloten. Dat gold ook voor onderhandelingen met werkgevers over verbeteringen en voor het invoeren van sociale wetten. Belangrijke sociaal-democratische partijen waren de Duitse Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD, 1890) en de Britse Labour Party (1893). In Nederland werd in 1894 de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) opgericht.

1.4 Het imperialisme

kol gebied eng

Koloniale gebieden Engeland

1.4.1 Kenmerken en oorzaken van het imperialisme

Onder 'imperialisme' verstaan we het streven naar machtsuitbreiding over een steeds groter gebied. Het Latijnse woord 'imperium' betekent 'groot rijk' of: gebied waarover geheerst wordt.In de tweede helft van de negentiende eeuw werden grote delen van Afrika, Azië en Australië door Europeanen veroverd en daarna als koloniën geëxploiteerd. De industriële revolutie had daarop een doorslaggevende invloed:

- De Europese industrie had steeds meer behoefte aan grondstoffen (kolen, olie, ijzererts, enzovoorts). Zulke grondstoffen konden niet via handel met de inlandse volken worden verworven. Europeanen moesten zelf het binnenland in om mijnen te bouwen en olieboringen te verrichten.

- Voor het leggen van verbindingen-met het binnenland y ras een goede infrastructuur nodig. De uitvindingen van de industriële revolutie maakten dat technisch mogelijk, bijvoorbeeld door de aanleg van spoorlijnen. Hierdoor ontstond een wisselwerking: doordat het technisch mogelijk was verder in het binnenland door te dringen, ontdekten de Europeanen steeds meer, waardoor ze er weer toe werden aangezet steeds meer gebied onder hun controle te brengen.

- De industriële revolutie had de technische uitrusting en bewapening van de Europeanen zó verbeterd, dat ze steeds gemakkelijker in staat waren de buiten-Europese volken te overwinnen en te overheersen.

- Behalve deze economische en technische oorzaken waren er ook politieke oorzaken voor het imperialisme; het nationalisme in Europa leidde in ieder land tot een neiging om het nationale prestige te vergroten door het bezit van zo veel mogelijk gebied. Als het ene land ergens een stuk land veroverde, kon het andere niet achterblijven. Daarom werden ook economisch minder waardevolle gebieden tot Europese koloniën gemaakt.

- Een laatste reden om tot steeds meer veroveringen over te gaan was een meer idealistische. De blanken meenden dat hun beschaving zó superieur was aan alle 'barbaarse' en 'onderontwikkelde' culturen, dat daaruit geconcludeerd kon worden dat het blijkbaar de taak van de blanke was om de arme en onderontwikkelde mensheid te beschaven en op te voeden. In de koloniën werd dan ook heel wat ontwikkelingswerk gedaan, bijvoorbeeld door invoering van medische verzorging en een onderwijssysteem. De christelijke zending speelde hierbij een belangrijke rol, overtuigd als zij was van haar taak de hele mensheid tot het christendom te bekeren.

1.4.2 Koloniale rijken

Nederland legde zich toe op totale beheersing van de eilandengroep die tegenwoordig Indonesië vormt. Het grootste koloniale rijk was in het bezit van de Britten. In Canada, Australië en Zuid-Afrika bezaten zij gebieden waar zich een Europese bevolking vestigde. In Oost-Afrika was een hele reeks gebieden van noord tot zuid in Britse handen. In Azië was Brits-Indië het belangrijkste gebied: het tegenwoordige India, Pakistan en Sri Lanka. Verder bezaten de Britten nog koloniën in Zuidoost-Azië en West-Afrika. Al met al kon met recht gesproken worden van het 'British Empire'. Ook de Fransen hadden uitgestrekte koloniale bezittingen, vooral in Noord-Afrika (Marokko, Algerije, Tunesië) en in West- en Midden-Afrika. Een ander belangrijk Frans koloniaal gebied was Indo-China (tegenwoordig Vietnam, Laos en Cambodja).

Andere koloniale mogendheden waren Portugal, Spanje en België. De Duitse en de Italiaanse eenheid kwamen pas tot stand op een moment dat al een groot deel van de wereld was 'verdeeld'. Typerend voor het tijdperk van imperialisme was dat deze twee landen meteen koloniën probeerden te veroveren om 'ook mee te tellen'. Zo nam Italië het Noord-Afrikaanse Libië in bezit en Duitsland Namibië en Tanzania. Ook gebieden die formeel onafhankelijk bleven, kwamen onder een sterke Europese invloed. Zo werden er in verschillende havensteden in China Europese wijken ingericht, waar Europese wetten en regels heersten en Chinezen in hun eigen land als vreemdelingen werden beschouwd. Vanuit dergelijke 'concessiegebieden', afgedwongen van de Chinese overheid, werd het gehele land min of meer onder controle gehouden. Sommige steden kwamen geheel in Europese handen. Zo werd Hong Kong in 1897 voor honderd jaar aan de Britten gegeven.

De regering van Japan had eeuwenlang een beleid van strikt isolement gevoerd: door geen contacten met buitenlanders (Europeanen) toe te staan, hoopte men de eigen cultuur en onafhankelijkheid te kunnen handhaven. In 1854 dwong de Amerikaanse admiraal Perry de Japanners om hier een eind aan te maken. Er werden handelsverdragen gesloten tussen Japan en de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Rusland, Frankrijk, Nederland en Duitsland. Japan werd echter niet zo afhankelijk van de westerse mogendheden als China. De overheid besloot er het roer om te gooien en zelf te gaan werken aan de ontwikkeling van een moderne, industriële staat. In de loop van de twintigste eeuw is dat zo goed gelukt, dat Japan een van de belangrijkste economische grootmachten van de wereld is geworden.

Het optreden van de Verenigde Staten in Japan paste geheel in het tijdperk van imperialisme. Eigenlijk was het vreemd dat de Amerikanen meededen aan de westerse overheersing van de buiten-Europese wereld. De Verenigde Staten warerpzelf vroeger koloniën geweest en hadden zich van het Britse imperialisme bevrijd. Dat hadden ze gedaan op grond van de gedachte dat alle mensen gelijkwaardig waren en het recht hadden over zichzelf te beslissen. Zelf andere landen overheersen paste daar niet bij. Toch hebben de Verenigde Staten tegen het einde van de negentiende eeuw koloniën in bezit genomen. De belangrijkste waren Cuba en de Filippijnen, die op Spanje werden veroverd. Ook in de Stille Oceaan veroverden de Amerikanen vele eilanden, waaronder het eilandgebied Hawaii (tegenwoordig een van de vijftig Amerikaanse staten) en het eiland Guam. In de voormalige Spaanse en Portugese gebieden in Latijns-Amerika kregen de Verenigde Staten steeds meer invloed.

Zie verder Deel 2: