We hebben 215 gasten online

Deel 2: De twintigste eeuw tot 1945

Gepost in West-Europa

2.1 Bestuurlijk-politiek

2.1.1 De Eerste Wereldoorlog

De periode omstreeks 1900 zat vol tegenstrijdigheden. Aan de ene kant was het een tijd van optimisme. De vooruitgang van de wetenschap, de vele uitvindingen en ontdekkingen en de groeiende welvaart gaven de indruk dat de vooruitgang van de westerse beschaving niet meer te stuiten was. Aan de andere kant waren er dreigende ontwikkelingen. Tussen de Europese mogendheden groeiden de spanningen. Vooral de internationale ontwikkelingen onder invloed van het nationalisme en het imperialisme waren daarvan de oorzaak. Zo waren de verhoudingen tussen het Duitse keizerrijk en Frankrijk zeer gespannen. Ook in het oosten van Europa waren er spanningen, vooral op de Balkan, waar Slavische volken naar onafhankelijkheid streefden. Daarbij vonden ze de Donaumonarchie en het Osmaanse rijk, de machthebbers in dat gebied, tegenover zich.

triple alliantie triple entente

In de eerste jaren van de twintigste eeuw ontwikkelde zich een stelsel van bondgenootschappen tussen de Europese mogendheden, waardoor twee partijen ontstonden. Iedereen verwachtte dat vroeger of later oorlog onvermijdelijk zou blijken. Daarom voerden verschillende staten hun bewapening steeds verder op. Door de vooruitgang van de techniek kregen de wapens een steeds grotere vernietigingskracht. Zo ontstond een bewapeningswedloop.

europa 1913

Door een betrekkelijk geringe aanleiding kwam het in 1914 tot een oorlog. Kroonprins Franz-Ferdinand van Oostenrijk-Hongarije, op bezoek in het pas geannexeerde Bosnië, werd vermoord door een Servische nationalist. Het lokale conflict tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië dat hieruit voortvloeide, ontwikkelde zich in enkele maanden tot een grote Europese oorlog. Dat kwam vooral door de bondgenootschappen, waardoor Europa in twee blokken verdeeld was. Aanvankelijk zagen de politieke en militaire leiders de ernst van de oorlog nauwelijks in. Soldaten vertrokken opgewekt naar het front, in de verwachting een snelle overwinning te kunnen behalen. Maar de werkelijkheid was anders. Op verschillende plaatsen ontstond een uitzichtloze stellingenoorlog met kilometerslange loopgravenstelsels. Moderne bewapening (machinegeweren en artillerie) maakte het noodzakelijk dat soldaten dekking zochten in stellingen, terwijl niemand beschikte over middelen waarmee een loop-gravenstelsel effectief kon worden doorbroken: bruikbare tanks waren er nog niet. Hierdoor liep het front vast. Met urenlange artilleriebombardementen, stormaanvallen en gifgas trachtten beide partijen de loop-gravenstelsels van de tegenstander te overmeesteren, wat meestal niet lukte, maar wel enorm veel slachtoffers kostte. De dodenlijst werd langer en langer, en de ellende en uitputting namen in de oorlogvoerende landen toe.

De Verenigde Staten waren aanvankelijk neutraal gebleven. Maar het werd steeds moeilijker die houding te handhaven toen de Duitse marine in de noordelijke Atlantische Oceaan schepen begon te torpederen die op weg waren naar Groot-Brittannië. In 1915 werd het passagiersschip Lusitania getroffen; 1200 mensen verdronken, onder wie 118 Amerikanen. Toen de Duitsers in 1917 een 'onbeperkte duikbootoorlog' afkondigden tegen ieder schip in een groot zeegebied, verklaarden de Verenigde Staten de Duitsers de oorlog. Het duurde nog lang voordat de eerste Amerikaanse soldaten in Europa arriveerden, omdat de Verenigde Staten bijna geen leger hadden. Er was een jaar nodig om voldoende soldaten op te roepen en te trainen. Pas in 1918 verschenen zij op het Europese toneel; militair legden ze niet veel gewicht in de schaal. Toch was de oorlogsdeelname van de Amerikanen doorslaggevend bij het laatste treffen met de verzwakte en moegestreden Duitsers. Ook de materiële Amerikaanse hulp aan de Fransen en Britten was van groot belang.

2.1.2 Gevolgen van de oorlog; Revoluties

In Rusland, Duitsland en de Donaumonarchie leidde het drama van de Eerste Wereldoorlog ten slotte tot revolutie. Volgens veel socialisten betekende oorlog dat de bourgeoisieën van verschillende landen hun proletariaten tegen elkaar in het harnas joegen; de arbeiders van alle landen konden beter gezamenlijk strijden tegen de onderdrukkende bourgeoisie. Dergelijke standpunten kregen in de loop van 1917 in Rusland steeds meer aanhang. In oktober van dat jaar pleegde Lenin een staatsgreep en vestigde hij een communistisch regime. Hij maakte onmiddellijk een eind aan de oorlog tegen Duitsland. Met groot terreinverlies voor de Russen werd de vrede van BrestLitowsk getekend.

De revolutie greep verder om zich heen. Begin november 1918 ontstond er muiterij op de Duitse oorlogsvloot en vervolgens een revolutionaire opstand in grote steden als Munchen en Berlijn. De Duitse keizer vluchtte naar Nederland, dat gedurende de oorlog neutraal was gebleven. Duitsland werd een democratische republiek met een parlementaire regeringsvorm. De president werd direct door het volk gekozen en had de bevoegdheid om in noodgevallen buiten het parlement om besluiten te nemen. Het zwaartepunt van de macht lag bij een kabinet, benoemd door de president. De besluiten van het kabinet moesten gesteund worden door een meerderheid in de volksvertegenwoordiging. Het was niet altijd eenvoudig een stabiele regering te vormen, omdat in het parlement veel verschillende partijen vertegenwoordigd waren met soms extreme standpunten, variërend van revolutionair links tot uiterst rechts.

De Donaumonarchie ging in het revolutionaire gewoel geheel ten onder. In oktober en november 1918 verklaarden Tsjecho-Slowakije en Hongarije zich onafhankelijk en scheidden de Zuid-Slavische volken (Slovenen, Kroaten, Serven en Bosniërs) zich van de Donaumonarchie af. Wat overbleef was de kleine Duitstalige staat Oostenrijk.

2.1.3 De vrede van Versailles en de Volkenbond

In 1919 werd in Versailles een grote vredesconferentie belegd. Hier presenteerde de idealistische Amerikaanse president Wilson zijn plan, dat hij eerder had vastgelegd in de zogenaamde veertien punten. Uitgangspunt daarvan was dat ieder volk het recht had over zijn eigen lot te beslissen (zelfbeschikkingsrecht der volken) en dat er een rechtvaardige vrede moest worden gesloten waarmee niemand zich achteraf verongelijkt kon voelen. Ook wilde Wilson garanderen dat internationale conflicten voortaan op vreedzame wijze zouden worden opgelost; daartoe moesten de bewapeningen van alle landen worden beperkt en moest er een overlegorgaan komen waarin alle landen van de wereld conflicten konden bijleggen door onderhandelingen (een Volkenbond).

na de 1e wereldoorlog

legenda na 1e wo

Het resultaat van de vredesonderhandelingen was echter heel anders. Op aandringen van vooral Frankrijk werd Duitsland van de onderhandelingstafel geweerd. Eenzijdig werd vastgesteld dat Duitsland de schuld van de oorlog had en dus ook zou moeten boeten. Het land werd gestraft met verlies van gebieden, van al zijn koloniën, en een enorme som aan herstelbetalingen die het nog in geen vijftig jaar zou kunnen opbrengen. Ook moest het Duitse leger inkrimpen tot een zeer kleine gewapende macht, terwijl aan andere landen dergelijke beperkingen niet werden opgelegd. Een van de weinige successen voor Wilson was dat de Volkenbond er inderdaad is gekomen. Het werd echter een organisatie met weinig bevoegdheden (bijvoorbeeld geen leger om tussenbeide te komen als er ergens werd gevochten), en enkele belangrijke landen werden er niet eens lid van, waaronder de Verenigde Staten zelf. In de loop van de jaren twintig en dertig heeft de Volkenbond het uitbreken van oorlogen dan ook nauwelijks kunnen verhinderen. Enkele voorbeelden. Toen de Japanners in 1931 een aanval deden op China, deden de Chinezen een beroep om hulp op de Volkenbond. Er kwam een commissie om de zaak te onderzoeken; deze verklaarde dat Japan zich schuldig had gemaakt aan het verstoren van de vrede. Hierop trok Japan zich verontwaardigd terug als lid van de Volkenbond. Geen van de grote mogendheden was bereid Japan te corrigeren met militair ingrijpen. Zo bleef Japan een groot stuk van Noord-China bezetten. Toen de Italianen in 1935 Ethiopië aanvielen, voltrok zich iets soortgelijks. Tevergeefs deden de Ethiopiërs een beroep om hulp op de Volkenbond. Het bleef bij enkele zwakke economische sancties tegen Italië, waar Mussolini zich weinig van aantrok. Hij bezette Ethiopië (een van de laatst overgebleven onafhankelijke landen in Afrika) en combineerde het met Eritrea en Italiaans-Somaliland tot een groot Italiaans imperium in Oost-Afrika.

2.1.4 Het ontstaan van internationaal recht en humanitair oorlogsrecht

De oprichting van de Volkenbond vloeide voort uit een streven dat al vóór de Eerste Wereldoorlog was ontstaan. De bewapeningswedloop in de jaren na 1870 was voor heel wat tijdgenoten zorgwekkend. Hoe ernstig de gevolgen van het gebruik van moderne wapens konden zijn, was gebleken tijdens oorlogen rond het midden van de negentiende eeuw, zoals de Amerikaanse burgeroorlog of de Krimoorlog. De Zwitser Henri Dunant kwam onder de indruk van de afschuwelijke toestand van oorlogsgewonden bij een veldslag die hij van nabij meemaakte. Het was voor hem aanleiding om het initiatief te nemen tot het oprichten van een neutrale internationale organisatie die zich zou bekommeren om het lot van oorlogsgewonden: het Rode Kruis. Deze organisatie kwam tot stand tijdens een internationale conferentie in Genève in 1863-'64. Daar werden ook - in de zogenaamde Conventie van Genève - regels opgesteld voor een behoorlijke behandeling van gewonden en krijgsgevangenen. Hiermee werd de grondslag gelegd voor de ontwikkeling van een humanitair oorlogsrecht.

In 1899 en in 1907 werden in Den Haag conferenties belegd die onder andere leidden tot verklaringen waarin men beloofde geen gifgas te gebruiken, krijgsgevangenen goed te behandelen en geen luchtbombardementen uit te voeren. Zo ontstond een soort 'reglement voor eerlijke oorlogvoering': het Landoorlogsreglement. Voor het eerst werd tijdens deze conferenties ook de vraag opgeworpen of oorlog niet helemaal moest worden afgeschaft. Conflicten tussen staten konden dan worden bijgelegd doorarbitrage' (scheidsrechterschap): een neutrale instantie zou uitspraken doen waaraan partijen in een conflict verplicht waren zich te houden. Verplichte arbitrage kreeg men echter niet van de grond. Op basis van vrijwilligheid werd deze wel mogelijk gemaakt. Met dat doel werd in Den Haag een Permanent Hof van Arbitrage opgericht, dat vanaf 1913 heeft gezeteld in het Vredespaleis.

2.1.5 De Russische revolutie van 1917

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd het enorme Russische rijk bestuurd door een absolutistische tsaar uit het huis Romanov: Nicolaas II. De moderniseringen die in Noord-Amerika en West-Europa sinds het eind van de achttiende eeuw tot stand waren gekomen, waren aan Rusland bijna geheel voorbijgegaan. Weliswaar werd het land in de negentiende eeuw regelmatig opgeschrikt door politieke aanslagen en terrorisme, maar de ontwikkelde en politiek-actieve bovenlaag was in Rusland zeer klein. Verreweg de meeste Russen leefden als weinig ontwikkelde boeren op het platteland, onkundig van wat zich in de rest van de wereld voordeed.

nicolaas II

Zaken als een parlement en een grondwet waren in Rusland tot de Eerste Wereldoorlog nooit met succes ingevoerd. Pogingen tot het instellen van een volksvertegenwoordiging waren steeds op niets uitgelopen. Tsaar Nicolaas II regeerde met zijn ministers dan ook 'autocratisch', dat wil zeggen: als vorst bij de gratie Gods, zonder enige inspraak.

Door de dramatische ontwikkelingen in de Eerste Wereldoorlog kregen de kleine veranderingsgezinde groepen plotseling de wind in de zeilen. De zware verliezen aan het front, waar Russische boeren als dienstplichtige soldaten werden afgeslacht in de loopgraven, en in steden, waar honger en gebrek heersten, leidden tot een onhoudbare situatie. In februari 1917 werd tsaar Nicolaas dan ook gedwongen af te treden, waarna een Voorlopige Regering optrad, die bestond uit een coalitie van diverse politieke groeperingen, variërend van liberalen tot sociaal-democraten en radicale socialisten.

Na dê februarirevolutie keerde Lenin terug in Rusland. Hij was leider van een extreme groep binnen de Russische socialisten, de 'bolsjewieken'. Die waren van mening dat een kleine elite van geoefende beroepsrevolutionairen namens de massa van het proletariaat de macht moest overnemen via een staatsgreep. Daarna moest die kleine elite de 'dictatuur van het proletariaat' gaan uitoefenen. De massa van proletariërs kon dat niet zelf doen, omdat die zich dan zo weer zou laten inpakken door de bourgeoisie. Een 'ijzeren greep' was nodig, aldus Lenin.

De februarirevolutie van 1917 ging Lenin dus lang niet ver genoeg. In de zomer van dat jaar bleef hij actie voerenlenin tegen het nieuwe bewind. Omdat de oorlog werd voortgezet, had hij veel succes met leuzen als: 'Brood en vrede' en: 'Onmiddellijke stopzetting van de oorlog'. In oktober voelde hij zich sterk genoeg voor een greep naar de macht. Na een geslaagde staatsgreep werd de partijdictatuur van de bolsjewieken (later omgedoopt tot communisten) ingevoerd. De officiële staatsideologie werd niet het zuivere marxisme, maar het marxisme-leninisme: de leer van Marx zoals uitgewerkt door Lenin.

Na Lenins staatsgreep volgde nog een jarenlange burgeroorlog. Tegenstanders van de communisten, waaronder veel in Rusland wonende niet-Russische nationaliteiten, verzetten zich heftig tegen het nieuwe bewind. Hoewel de communisten verklaard hadden dat alle volken vrij en gelijkwaardig waren en het recht hadden over hun eigen lot te beslissen, maakten zij die belofte niet waar. De niet-Russische volken werden met harde hand onderworpen. In de 'Sovjet-Unie' leefden zij zogenaamd als 'socialistische broedervolken' samen. In de praktijk betekende dat Russische overheersing.

kaart burgeroorlog

Een burgeroorlog breekt uit de bolsjewisten winnen

2.1.6 Communisme in de Sovjet-Unie

Het communistische regime verklaarde alle productiemiddelen (grond, kapitaal, fabrieken, winkels, enzovoort.) tot staatseigendom. In de staat heerste de communistische partij met een 'politiek bureau' (afgekort Politbureau) aan de top. Daarin hadden de hoogste partijleden zitting onder leiding van de secretaris-generaal van de partij. De eerste sterke man op die plek werd Stalin, die Rusland van 1928 tot zijn dood in 1953 in een ijzeren greep hield.

In het Politbureau (de kleine elite van 'beroepsrevolutionairen') werd uitgemaakt hoe het land zou reilen en zeilen. Omdat er een planeconomie werd ingevoerd, kon het Politbureau zich werkelijk tot in detail bemoeien met het leven in de Sovjet-Unie (zoals Rusland voortaan zou heten). Wie als nieuw lid tot het Politbureau werd toegelaten, maakten de zittende leden zelf uit. Hetzelfde gold als er een nieuwe secretaris-generaal moest worden benoemd. Daarom ontstond er bij opvolgingskwesties altijd grote geheimzinnigheid: wie zou er als leider uit de bus komen?

Zo'n kwestie deed zich in de periode vóór de oorlog maar één keer voor, namelijk na de dood van Lenin in 1924.

In de tijd van Lenin was Trotski diens voornaamste medewerker. Het leek er dan ook op dat Trotski de opvolger van Lenin als sterke man zou worden. Via veel politiek getouwtrek speelde Stalin het echter klaar om na 1924 zijn tegenstander buitenspel te zetten. Daarbij speelden ook enige ideologische meningsverschillen. Zo vond Trotski dat de communistische revolutie ook buiten Rusland verspreid moest worden, terwijl Stalin zich voorlopig tevreden wilde stellen met 'socialisme in één land'.

Belangrijker dan de ideologische meningsverschillen was echter de pure machtsstrijd; Stalin duldde gewoonweg niemand naast zich. Hij was voortdurend op zoek naar mogelijke tegenstanders in de partij, die dan als zogenaamde 'vijanden van het volk' uit de weg werden geruimd. Deze 'zuiveringen' kostten zeer veel slachtoffers. Na de uitschakeling van Trotski werd deze verbannen naar het buitenland. Ook toen nog vermoedde Stalin overal 'trotskisten' als tegenstanders, die hem het leven zuur konden maken. Hij rustte niet voor hij ook Trotski zelf uit de weg had geruimd; op zijn bevel werd deze door geheime agenten in zijn verbanningsoord Mexico vermoord. Hoeveel slachtoffers het bewind van Stalin precies heeft gemaakt, kan alleen maar worden vermoed. Vast staat dat het vele miljoenen geweest zijn. Dodelijke slachtoffers vielen er niet alleen door rechtstreekse executies, maar ook door de ontberingen die politieke gevangenen moesten verduren in de vele strafkampen van Siberië, de zogenaamde 'Goelag-archipel'.

2.1.7 Het fascisme

Het tweede totalitaire systeem dat in de periode na de Eerste Wereldoorlog tot ontwikkeling kwam, was vooral nationalistisch gekleurd. In Duitsland noemde deze beweging zich 'nationaal-socialisme', in Italië 'fascisme'. Deze laatste naam wordt ook wel algemeen gebruikt voor totalitaire dictaturen zoals die van Hitler in Duitsland en van Mussolini in Italië, hoewel er tussen deze twee onderling wel verschillen bestonden.

Het fascisme benadrukte nationale trots en nationale eenheid. De stroming won daarom ook vooral aanhang in landen waarvan veel bewoners zich na de Eerste Wereldoorlog verongelijkt voelden door de onrechtvaardige vredesregelingen. Het benadrukken van de nationale eenheid onder één sterke leider sprak ook veel mensen aan die het politieke getouwtrek in een parlement maar moeilijk en ondoorzichtig vonden. Politieke discussies in een volksvertegenwoordiging zijn vaak genuanceerd en niet gemakkelijk te volgen; de gewone man heeft daardoor vaak het gevoel dat hij door 'die politici' wordt beetgenomen. Men realiseert zich te weinig dat het gaat over zelfgekozen vertegenwoordigers. Liever geeft men zijn vertrouwen aan een leider die de massa aanspreekt in simpele, demagogische bewoordingen, zoals Hitler en Mussolini. Dit gold sterker naarmate de massa nog weinig ervaring had met een parlementair systeem. Duitsland en Italië voldeden na de Eerste Wereldoorlog aan deze voorwaarden voor het ontstaan van fascisme: allebei voelden ze zich verongelijkt door de vredesregeling en in beide landen bestond weinig ervaring met een echt parlementair systeem. Italië was verongelijkt door de vrede van Versailles omdat het nauwelijks gebiedswinst boekte, ondanks het feit dat de Italianen aan de kant van de Geallieerden hadden gevochten, waarbij 600 000 Italiaanse slachtoffers waren gevallen. Van de algemene onvrede en sociale onrust maakte Mussolini gebruik door zijn aanhangers te organiseren in knokploegen. Deze hielden in 1922 een 'Mars naar Rome', waardoor de autoriteiten zoveel schrik werd aangejaagd, dat Mussolini als premier werd benoemd. Bij de volgende verkiezingen in 1924 haalden de fascisten - die met hun knokploegen het land inmiddels stevig terroriseerden - drie vijfde van de stemmen. Dit bood Mussolini de mogelijkheid om via wettelijke maatregelen de parlementaire democratie buitenspel te zetten en een eind te maken aan grondwettelijke rechten en vrijheden. De eerste fascistische dictatuur was in Europa ontstaan. In Duitsland was er veel meer reden voor ontevredenheid over de vrede van Versailles dan in Italië. Het streven van Hitler was er dan ook op gericht de vernederende verdragsbepalingen uit de weg te ruimen. Bij verkiezingen had zijn partij in de jaren twintig echter maar weinig succes. Door Amerikaanse leningen was de Duitse economie in die tijd weer op de been geholpen; het land beleefde zelfs al weer enige welvaart en vertoonde tekenen van de 'fabulous twenties' zoals in de Verenigde Staten zelf. Hierdoor kon de democratische republiek die in 1918 in Duitsland was opgericht, in de jaren '20 redelijk functioneren.

De klap van de economische crisis van 1929 kwam in Duitsland hard aan. Werkloosheid en ellende namen snel toe en de aantallen stemmers op de Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiders Partij (NSDAP) stegen met sprongen. In tijden van economische ellende doet nationalistische propaganda het altijd goed. De grieven over de 'nationale vernedering' van Versailles konden goed dienen als bliksemafleider. Bovendien beloofde Hitler dat hij werkgelegenheid voor alle Duitsers kon creëren.

partijdag neurenburg

Een andere belangrijke 'bliksemafleider' voor de onvrede onder het volk was het racisme van de nationaal-socialisten. Als het economisch slecht gaat, wil het volk vaak graag geloven dat een of andere minderheid daarvan de schuld is. In het geval van het Duitse nationaal-socialisme werden de joden de zondebok. De rassenleer van de nazi's (afkorting van nationaalsocialisten) hield in dat alleen het Germaanse, Noord-Europese 'ras' (blond haar, blauwe ogen) superieur was, en dat alle andere 'rassen' onderworpen of vernietigd moesten worden.

Na grote verkiezingsoverwinningen in 1932 kon men niet meer om Hitler heen bij het formeren van een kabinet. Hoewel de NSDAP nog niet de meerderheid in het parlement had, was zij met 33,5% van de stemmen wel verreweg de grootste partij geworden. In januari 1933 werd het kabinet-Hitler geïnstalleerd. De nazi's vierden het als een 'machtsovername', hoewel er nog sprake was van een coalitieregering. Dat duurde echter niet lang.

Eind februari 1933 werd het gebouw van de Duitse volksvertegenwoordiging in brand gestoken door een communist. Hitler maakte van deze gelegenheid gebruik; het was volgens hem duidelijk dat de communisten een staatsgreep hadden willen plegen en dat de regering daarom dictatoriale volmachten nodig had om het gevaar te onderdrukken. Het Duitse parlement stemde hiermee in nadat Hitler de communistische afgevaardigden als 'staatsgevaarlijk' gevangen had laten nemen. Zo werd er een eind gemaakt aan de parlementaire democratie en werd de Hitler-dictatuur ingevoerd.

In de jaren dertig werd Duitsland snel omgevormd tot een totalitaire nationaal-socialistische staat. Met totalitair bedoelen we meer dan een gewone dictatuur; het betekent dat het totale leven van iedereen geheel in het teken kwam te staan van de nazi-ideologie. Via de Neurenberger rassenwetten (1935) werd de discriminatie van joden tot officieel beleid gemaakt. Politieke tegenstanders werden gearresteerd en in concentratiekampen opgesloten. Pers en radio kwamen onder censuur. Minister Goebbels van'volksvoorlichting en propaganda' maakte van de modernste middelen gebruik om de Duitsers te hersenspoelen.

2.1.8 Duitsland op weg naar oorlog

Wat betreft de internationale politiek was Hitlers beleid erop gericht om een eind te maken aan de vernederingen van Versailles. Hij startte met de opbouw van een sterk leger, hoewel de bepalingen van Versailles dat verboden. Maar de andere verdragspartners (Frankrijk, Groot-Brittannië) deden niets om het te verhinderen. Vervolgens werden stap voor stap gebieden met een Duitse bevolking geannexeerd, die door de bepalingen van Versailles buiten de grenzen van Duitsland terecht waren gekomen. Zo sloot Oostenrijk zich in 1938 bij Duitsland aan, zogenaamd vrijwillig, maar in werkelijkheid onder een stevige Duitse militaire druk. Overigens was een aanzienlijk deel van de Oostenrijkers inderdaad vóór de aansluiting: het nationaal-socialisme had in Oostenrijk veel aanhang.

europa 1937

Nog in hetzelfde jaar richtte Hitler zijn aandacht op de grensgebieden van de in 1918 nieuw gevormde staat Tsjecho-Slowakije. In dit zogenaamde Sudetengebied woonde ook een Duitse bevolking. In strijd met de bepalingen van Versailles eiste Hitler dit gebied op. Nu kwamen Frankrijk en Groot-Brittannië in actie, niet met wapens, maar met diplomatiek overleg. Op een conferentie in Miinchen gaven ze Hitler zijn zin, omdat ze hoopten daarmee de vrede te redden (de 'appeasement'-politiek van de Britse premier Chamberlain).

In 1939 bleek echter dat Hitler nog niet tevreden was gesteld. Ook in de in 1918 nieuw gevormde staat Polen lagen nog aanzienlijke gebieden met een Duitse bevolking, gebieden die vóór 1914 tot het Duitse Rijk hadden behoord. Deze wilde Hitler in 1939 terughebben. Frankrijk en Groot-Brittannië lieten zich niet tot een tweede Munchen verleiden. Bij een Duitse aanval op Polen zouden zij aan Duitsland de oorlog verklaren. Het dreigement kon Hitler niet van zijn plannen afhouden. Op 1 september 1939 vielen Duitse troepen Polen binnen, waarmee de Tweede Wereldoorlog was begonnen.

2.1.9 De reactie van de westerse democratieën

Door de opkomst van communisme en fascisme was de democratische regeringsvorm niet langer de vanzelfsprekende keuze voor een ontwikkeld geïndustrialiseerd land. Democratische politici stonden in de jaren dertig van de twintigste eeuw voor de uitdaging om te bewijzen dat hun ideeën over politiek en samenleving beter waren dan die van de totalitaire dictators. Dat viel niet mee, zeker niet in een tijd van crisis en grote werkloosheid.

Het meest succesvol bij de verdediging van de democratie waren de Verenigde Staten. De manier waarop president Franklin Delano Roosevelt daar de economische depressie bestreed met zijn 'New Deal', sprak veel Amerikanen aan. Communistische of fascistische bewegingen kregen in de Verenigde Staten dan ook geen kans.

In de Europese democratieën bleven fascisme en communisme niet buitenspel. In Groot-Brittannië bestond in de jaren dertig zowel een fascistische als een communistische partij. De fascisten wonnen echter geen zetels in het parlement,'de communisten in 1935 slechts één; het Britse districtenstelsel maakte het erg moeilijk voor kleine partijen om zetels te veroveren. Wel slaagde de Labour Party erin om de tweede partij van het land te worden, na de conservatieven. De Britse sociaal-democraten hebben tussen de oorlogen dan ook enkele keren deel uitgemaakt van de regering.

In Frankrijk was de dreiging van het fascisme ernstiger. Verschillende bewegingen waren er actief. In 1934 verzamelde een fascistische menigte zich in Parijs voor het parlementsgebouw en raakte slaags met de politie. Onder deze druk besloten de linkse partijen tot hechte samenwerking. Sociaal-democraten, radicale socialisten en communisten richtten het zogenaamde 'Volks front' op, dat Frankrijk enige jaren geregeerd heeft. Mede omdat de communisten er deel van uitmaakten, onderhield die regering goede betrekkingen met het Sovjetbewind in Moskou.

Ook Nederland kende zijn fascistische en communistische partijen. De belangrijkste fascistische partij was de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB)) onder leiding van Anton Mussert. De grootste verkiezingsoverwinning boekte deze partij in 1935, toen zij 8% van de stemmen haalde. Ondertussen leidde de 'sterke man' van de Anti-Revolutionaire Partij, Hendrik Colijn, met vaste hand coalitieregeringen van confessionelen en liberalen. Hij vervulde de rol van de leider waaraan mensen in crisistijd behoefte hadden. De invloed van links bleef in Nederland beperkt. Sociaal-democraten kwamen vóór 1939 niet in de regering. De communisten behaalden in de jaren dertig weliswaar iets meer stemmen dan vóór de crisis, maar nooit meer dan 3,5%.

2.1.10 De Tweede Wereldoorlog

Na de aanval van Hitler op Polen in 1939 bleek Duitsland te beschikken over een formidabele oorlogsmachine. In 1940 werden de neutrale staten Noorwegen, Denemarken, Nederland, België en Luxemburg in een 'bliksemoorlog' onder de voet gelopen. Ook Frankrijk moest in juni 1940 capituleren. In West-Europa bleef zodoende alleen Groot-Brittannië over als tegenstander van de Duitsers. Het werd daarbij wel moreel en materieel gesteund door de Verenigde Staten. In augustus 1941 kwamen de Amerikaanse president Roosevelt en de Britse premier Churchill bijeen op een oorlogsschip op de Atlantische Oceaan. Bij die gelegenheid tekenden zij het Atlantisch Handvest, waarin een programma voor na de oorlog werd opgesteld dat wel wat leek op de 'veertien punten' van Wilson. Na de oorlog moest een rechtvaardige vrede worden bereikt met zelfbeschikkingsrecht voor alle volken; er moest een wereld komen vrij van angst en nood en zonder geweld in de internationale verhoudingen.

hitler

In juni 1941 had Hitler inmiddels ook de Sovjet-Unie aangevallen. In een snelle opmars vorderden de Duitse troepen tot vlak bij Leningrad (Sint-Petersburg) en Moskou, en in het zuiden tot Stalingrad. In december 1941 werd nóg een aanzienlijk deel van de wereld in de oorlogshandelingen betrokken door de aanval van Japan op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor op Hawaii. Dit was het einde van de Amerikaanse neutraliteit. Ook Duitsland verklaarde de Verenigde Staten de oorlog. In het Aziatische gebied betekende de Japanse opmars de bezetting van een groot aantal koloniale gebieden, onder andere van Indonesië. In de loop van de jaren 1943, 1944 en 1945 zijn de Duitse en Japanse aanvallers langzaam maar zeker teruggedrongen. Een enorme krachtsinspanning was hiervoor nodig. Vooral in de Sovjet-Unie werd het uiterste van de bevolking gevergd. De oorlog heeft daar volgens de officiële opgave van de Sovjet-autoriteiten rond de twintig miljoen slachtoffers gekost; sommige westerse deskundigen schatten dit aantal nog ruim twee keer zo hoog. Vanuit de Verenigde Staten kwam een geweldige stroom wapens op gang, producten van de moderne Amerikaanse industrie. In 1944 openden de westerse geallieerden een 'tweede front' in Europa door een landing op de Normandische kust. De Duitsers werden hierna van twee kanten teruggedrongen en uiteindelijk in mei 1945 tot capitulatie gedwongen. De oorlog tegen de Japanners zou nog tot augustus 1945 voortduren. De vele eilanden in de Stille Oceaan werden door de Amerikanen met veel moeite en ten koste van talloze slachtoffers stuk voor stuk veroverd. De grote offers die deze strijd vergde, speelden een rol bij de beslissing om ten slotte de pas uitgevonden kernwapens in te zetten tegen Japanse steden, om de Japanners zo tot snelle overgave te dwingen.

Nog meer dan de Eerste Wereldoorlog was de Tweede Wereldoorlog een 'totale oorlog': de gevolgen van de oorlogshandelingen waren voor de gehele bevolking goed merkbaar. Met luchtbombardementen - een nieuw wapen - werden hele steden in de as gelegd. Hierdoor vielen er in de Tweede Wereldoorlog meer burgerslachtoffers dan ooit tevoren. In Duitsland bleef geen stad over die niet verwoest werd. Het bombardement op Dresden, dat een groot aantal slachtoffers veroorzaakte, is symbolisch geworden voor deze grootschalige vernietiging. Overigens waren de Duitsers zelf begonnen met de inzet van het luchtwapen, door bombardementen op Warschau en Rotterdam tijdens de bliksemoorlog, en tijdens de slag om Engeland op Londen en Coventry.

De vernietiging van steden als strategisch middel kreeg een nieuwe dimensie met de inzet van de atoombom tegen de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki. Het begin van het nucleaire tijdperk betekende een radicale verandering in de internationale verhoudingen, zoals tijdens de Koude Oorlog zou blijken.

De inzet van miljoenen soldaten greep diep in de hele samenleving in. Zo werden veel traditionele 'mannentaken' door vrouwen overgenomen. De rol die vrouwen zich zodoende op de arbeidsmarkt verwierven, zouden zij ook na de oorlog voor een belangrijk deel behouden.

De Tweede Wereldoorlog was ook een ideologische strijd. Vóór of tegen democratie, vóór of tegen fascisme of communisme. Aanhangers van fascistische ideologieën hadden uitgesproken standpunten met betrekking tot ras en etniciteit. De Duitse nationaalsocialisten verdedigden de 'zuiverheid' van het 'Arische ras' met kracht. De strijd tegen andere rassen beschouwden zij dan ook als een oorlogsdoel. Een van de belangrijkste gebeurtenissen die zich tijdens de oorlog hebben afgespeeld, was de poging tot totale uitroeiing van joden die de Duitsers hebben ondernomen. In Duitsland en alle bezette gebieden werden aan joden eerst allerlei beperkende maatregelen opgelegd; vervolgens werden joden massaal gedeporteerd naar vernietigingskampen. Deze waren speciaal ontworpen om mensen zo efficiënt mogelijk te kunnen uitmoorden. In een kamp als Auschwitz bediende men zich hiervoor van gaskamers waarin een groot aantal mensen tegelijk kon worden omgebracht. Naar schatting zes miljoen joden zijn het slachtoffer geworden van de efficiënt en snel werkende Duitse vernietigingsmachine.

2.1.11 De Tweede Wereldoorlog in Nederland

Tijdens de bliksemoorlog van mei 1940 werd ook Nederland binnen vijf dagen door de Duitsers bezet.

Veel Nederlanders namen ten opzichte van de nieuwe situatie een afwachtende houding aan. In het begin leek alles nog mee te vallen. De Duitsers behandelden het 'Germaanse broedervolk' veel beter dan andere bezette volken. De vervolging van joden en de inzet van jonge mannen als werkkracht in Duitsland zetten echter veel kwaad bloed. Een kleine groep Nederlanders ging over tot actief verzet. De meesten pasten zich zo goed mogelijk aan. Anderen werkten mee met het Duitse gezag, deels uit (nationaal-socialistische) overtuiging, deels uit opportunisme. Over deze 'collaborerende' Nederlanders is na de bezettingstijd hard geoordeeld.

Van de Nederlandse joden is het overgrote deel door de Duitsers gedeporteerd en vermoord. In het laatste oorlogsjaar ontstond er honger en gebrek toen het westen van Nederland door de oorlogshandelingen geïsoleerd kwam te liggen ('hongerwinter'). De bevrijding van Nederland verliep namelijk in twee fasen. Eind 1944 werd het zuiden van het land, tot aan de grote rivieren, bevrijd. In de maanden april en mei van 1945 volgde de rest van het land.

2.2 Economisch-sociaal

2.2.1 Bloei en crisis in de kapitalistische wereld

In het begin van de twintigste eeuw ontstond er in de ontwikkelde kapitalistische economieën van Noord-Amerika en Europa op grote schaal massaproductie. In 1913 was de Amerikaanse autoproducent Henry Ford begonnen met de invoering van de lopende band; daarbij werd ook het gebruik van uitwisselbare standaardonderdelen ingevoerd. Zulke maatregelen vergrootten de productiecapaciteit met sprongen. Er moest veel moeite gedaan worden om al deze producten te kunnen verkopen; daarbij werd voor het eerst op grote schaal reclame toegepast. Met aantrekkelijke aanbiedingen en mogelijkheden voor afbetaling moest de klant ertoe gebracht worden steeds meer te kopen. Zo ontstond de westerse consumptiemaatschappij, waarin een steeds groeiend verbruik van producten centraal staat.

In de jaren na de Eerste Wereldoorlog beleefde de westerse consumptiemaatschappij haar eerste grote bloeitijd. In deze 'fabulous twenties' leken de bomen tot in de hemel te groeien, vooral in Verenigde Staten. Allerlei moderne consumptie-artikelen werden op grote schaal verkocht: auto's, koelkasten, stofzuigers, radiotoestellen, typemachines, telefoons, enzovoort. In Europa groeiden de welvaartsbomen wat minder hoog, maar ook daar lag de consumptie op een hoger peil dan ooit tevoren.

Er schuilde echter een gevaar in de economische ontwikkelingen. Ondernemers rekenden erop dat de groei steeds door zou kunnen gaan. Ze wekten hoge verwachtingen bij hun aandeelhouders, die in de hoop op steeds grotere winsten speculeerden op de beurzen. Via kredietsystemen en afbetalingsregelingen werd de vraag naar producten kunstmatig vergroot; er werd veel meer gekocht dan op grond van de inkomens van de mensen eigenlijk mogelijk was. Maar de markt kon niet oneindig worden opgerekt.

beursval wall street

Omstreeks 1929 kwam het einde in zicht. De verslechterende afzetmogelijkheden resulteerden in een plotselinge dramatische koersval op de New Yorkse effectenbeurs op 25 oktober 1929 ('zwarte donderdag'). Aandeelhouders hadden geen vertrouwen meer in de gunstige ontwikkeling van de economie en wilden om het hardst van hun aandelen af. De ontwikkeling van de aantallen verkochte auto's in de Verenigde Staten is illustratief: 622 000 in maart 1929, 416 000 in september 1929, en in december 1929 nog maar 92 500. Omdat vele bedrijven via leningen afhankelijk waren van banken en daardoor ook weer van elkaar, greep de crisis snel om zich heen. De ene na de andere onderneming moest haar poorten sluiten. In de Verenigde Staten ontstond massale werkloosheid (15 miljoen werklozen in 1933) en bittere armoede op grote schaal. Ook in Europa, dat na de Eerste Wereldoorlog van Amerikaanse leningen afhankelijk was, verspreidde de crisis zich snel. Vooral in Duitsland, waar de economie voor een belangrijk deel met Amerikaans geld was opgebouwd, waren de gevolgen ernstig. De werkloosheid werd er in drie jaar ruim vijf keer zo groot: van omstreeks 1 miljoen in 1929 tot 5,5 miljoen in 1932. Ook in Nederland was de werkloosheid in 1935 ruim vijf keer zo groot geworden als in 1929. De economische crisis werd per land verschillend aangepakt. Dat bevorderde het herstel niet, omdat de landen vaak tegen elkaars belang inwerkten. In de Verenigde Staten voerde president Roosevelt vanaf 1933 de zogenaamde New Deal in; deze hield in dat de regering met overheidsinvesteringen mensen weer aan werk hielp. Via marktregulerende wetten en sociale maatregelen werd de liberale economie aan banden gelegd. De Amerikaanse president werd met zijn beleid ongekend populair. Driemaal werd hij herkozen. Geen enkele andere Amerikaanse president is zo lang aan het bewind geweest.

In Nederland voerde de regering een politiek van bezuiniging en aanpassing. Bij verminderde inkomsten moest de regering ook snoeien op haar uitgaven, meende minister-president Colijn. Aan geld lenen om te kunnen investeren, zoals de Amerikaanse overheid deed, wilde hij niet beginnen, omdat dat volgens hem geen betrouwbare en gezonde financiële politiek was. De crisis werd er door deze aanpassingspolitiek niet minder op.

Weer een andere variant van crisisbestrijding boden het regime van Hitler in Duitsland en dat van Mussolini in Italië. In die landen werden grote aantallen mensen aan het werk gezet via overheidsinvesteringen. Deze betroffen echter niet alleen nuttige openbare werken, maar ook een uitgebreide militaire inspanning en de daarmee samenhangende wapenproductie. Een belangrijk economisch doel dat met name de Duitsers zich hierbij stelden, was het bereiken van economische autarkie. Dat had met een mogelijke oorlog te maken: in geval van een conflict mocht het Duitse rijk niet afhankelijk zijn van buitenlandse leveranties. Je zou het streven naar autarkie ook kunnen interpreteren als 'economisch nationalisme'.

2.2.2 Communisme in één land

In één land was van de economische crisis van de jaren dertig niets te merken: de Sovjet-Unie. Door de revolutie van 1917 was er in Rusland een communistisch regime onder leiding van Lenin aan de macht gekomen. Na diens dood in 1924 kwam Stalin aan het hoofd van de Sovjet-Unie te staan. Hij bevorderde met kracht de industrialisatie van het ten opzichte van West-Europa en Noord-Amerika achtergebleven Rusland. De Sovjet-Unie werd hierdoor op den duur de tweede industriële mogendheid van de wereld, na de Verenigde Staten van Amerika.

De modernisering werd aangepakt met vijfjarenplannen. Daarin stond precies hoeveel van welk product door welke bedrijven moest worden gemaakt. Het doel was dat in vijf jaar de productie zou stijgen. Zo'n economie onder centrale leiding wordt een planeconomie genoemd. Omdat de vrije wereldmarkt hierop geen invloed had, ondervond de Sovjet-Unie geen gevolgen van de wereldcrisis.

Het eerste vijfjarenplan liep van 1928 tot 1933. In hoog tempo werd een zware industrie opgebouwd. Het geld daarvoor moest verdiend worden met de export van voedsel. De landbouw moest dus ook veel meer gaan opbrengen. Daarom werd besloten de kleine boerderijen samen te voegen tot grote bedrijven, die gezamenlijk bezit waren van een aantal boeren (collectivisatie). Veel boeren kwamen in opstand tegen het verlies van hun zelfstandigheid en het inleveren van hun stukje grond aan een 'kolchoz' (collectieve boerderij). Boeren die protesteerden werden als 'koelakken' (rijke boeren) massaal weggevoerd naar onbewoonde gebieden of naar strafkampen. Zeker een miljoen boerenfamilies zijn hiervan het slachtoffer geworden.

In de jaren tussen 1928 en 1940 groeide het aantal arbeiders van vier en een half miljoen naar twaalf en een half miljoen. Op verschillende plaatsen in de Sovjet-Unie werden compleet nieuwe industriesteden uit de grond gestampt. Arbeiders moesten hard werken in de nieuwe fabrieken; er kwam een beloningssysteem voor degenen die de grootste prestatie leverden. De sociale omstandigheden voor de arbeiders hielden niet over. Het ontbrak aan ieder comfort. Consumptiegoederen werden nauwelijks geproduceerd, omdat alle inspanningen werden gericht op de zware industrie. Ook vrouwen werden volop in het productieproces ingeschakeld. Hierbij werd 'emancipatie' van vrouwen als argument gebruikt. Onder het communisme zouden mannen en vrouwen volledig gelijkwaardig zijn. In werkelijkheid betekende dit dat zowel mannen als vrouwen hard moesten werken. Vrouwen hadden daarnaast nog de zware last van het huishouden en de zorg voor kinderen. De mannen staken daarvoor doorgaans geen vinger uit. Opvallend was ook het ontbreken van vrouwen in hogere functies.

Toch maakte het experiment met het socialisme veel indruk buiten de Sovjet-Unie. Hier was één land dat tegen de hele wereld inging en daarbij de onmogelijke prestatie leverde om zich te ontwikkelen van onderontwikkelde landbouwnatie tot moderne industriestaat. Wat zich daarbij grotendeels aan de waarneming van buitenstaanders onttrok, waren de miljoenen slachtoffers die de harde aanpak van Stalin heeft gekost.

2.2.3 Europa en de koloniën

In de koloniale rijken die door de imperialistische expansie van de negentiende eeuw tot stand waren gekomen, kwam in de eerste helft van de twintigste eeuw langzamerhand een eind aan de directe economische exploitatie. De koloniën werden niet meer puur als leveranciers van grondstoffen en afzetmarkten voor het moederland gezien. De inspanningen werden meer gericht op het ontwikkelen van de economie van de koloniale gebieden op zichzelf. Overigens vloeiden nog steeds grote winsten in de richting van de moederlanden.

De ontwikkeling van het Nederlandse beleid ten opzichte van Indonesië is illustratief. In de negentiende eeuw hadden de Nederlanders het Cultuurstelsel toegepast bij hun economisch beheer van het eilandenrijk. Hierbij werd de inheemse bevolking verplicht om tegen een eenzijdig vastgestelde lage prijs tropische exportproducten te verbouwen die voor Europeanen nuttig waren, zoals koffie, tabak, thee en suiker. Tegen het eind van de negentiende eeuw klonken steeds meer protesten tegen deze vorm van economische uitbuiting. De door Multatuli geschreven roman Max Havelaar is een van de bekendste verwoordingen van deze protesten. Omstreeks 1900 werd dan ook de zogenaamde ethische politiek ingevoerd, die ervan uitging dat het koloniale bestuur een soort voogdij was. Nederland had als taak Indonesië op te voeden tot zelfstandigheid, net als een voogd doet met een kind. Koloniale exploitatie moest daarom vervangen worden door een beleid dat gericht was op de ontwikkeling van de kolonie.

2.3 Cultureel-mentaal

2.3.1 Het tijdperk van onzekerheden

De periode vóór de Eerste Wereldoorlog wordt het tijdperk der zekerheden genoemd. Voor de tijd tussen de oorlogen is 'tijdperk der onzekerheden' beter van toepassing. Allerlei zaken die omstreeks 1900 nog tot zekerheid en optimisme stemden, waren op losse schroeven gezet. Door de ramp van de Eerste Wereldoorlog was het vertrouwen in ongestoorde vooruitgang diep geschokt. De vanzelfsprekende ontwikkeling naar een wereld waarin vrijheid, mensenrechten en democratie zouden zegevieren, werd door de opkomst van de totalitaire dictaturen verstoord. Hierbij kwam dat door de steeds voortschrijdende industrialisering en modernisering de wereld ook in materieel opzicht revolutionair veranderde. Veel mensen kenden hun oude vertrouwde omgeving niet meer terug en hadden moeite met de moderne samenleving die zich razendsnel ontwikkelde. De depressie van de jaren dertig zorgde ook nog eens voor grote economische onzekerheid. De gevolgen van de crisis bedreigden velen letterlijk in hun bestaan. De sociale voorzieningen waren nog dermate minimaal, dat honger en gebrek er niet door konden worden voorkomen. Om al deze redenen kun je de tijd tussen de wereldoorlogen een tijd van grote onzekerheid en dreiging noemen. Verschillende reacties kunnen daarvan het gevolg zijn. Enerzijds kunnen mensen de neiging ontwikkelen om zekerheid en leiding te zoeken bij sterke autoriteiten. Anderzijds kunnen zij ervoor kiezen om radicaal nieuwe wegen in te slaan, te experimenteren, al het oude af te schudden. Beide neigingen zijn in de jaren twintig en dertig waarneembaar.

De neiging om bij autoriteiten zekerheid te zoeken uitte zich in de grote waarde die werd gehecht aan georganiseerde bewegingen. Zo waren bijvoorbeeld de jeugdorganisaties in deze periode sterk ontwikkeld. De wereldwijd opererende padvinderij was daarvan een voorbeeld. De keuze voor een politieke partij of het lidmaatschap van een bepaalde kerk had ook veel meer invloed op iemands bestaan dan tegenwoordig: je stemde niet alleen op de sociaal-democraten, je wàs sociaal-democraat. Het behoren tot een groep gaf meer gevoel van zekerheid.

Experiment en vernieuwing uitten zich bijvoorbeeld in de moderne kunst. Alle tradities in de vormgeving van schilderijen, beeldhouwwerken en bouwwerken werden in de twintigste eeuw losgelaten. Bij schilderijen werd het idee verlaten dat ze 'iets moesten voorstellen': zo deed de abstracte kunst zijn intrede. In de bouwkunst werd het romantische imiteren van oude stijlen zoals de gotiek en het classicisme vervangen door een radicaal-moderne bouwkunst, met expressionistische of juist heel strakke, moderne vormen. In de socialistische Sovjet-maatschappij werd gebroken met een groot aantal traditionele waarden en normen. Zo werd uitgegaan van volledige gelijkheid van vrouwen en mannen; zelfs het huwelijk werd als 'burgerlijk instituut' afgeschaft. De Sovjet-autoriteiten voerden ook een anti-kerkelijke atheïstische politiek.

Veel progressief denkenden in de westerse landen zagen zulke socialistische vernieuwingen ook graag. Zo meenden velen dat in het westen de emancipatie van vrouwen ook bevorderd zou moeten worden. Een vrouwenbeweging streefde daar al naar vanaf het eind van de negentiende eeuw, onder andere door voor vrouwen het kiesrecht te eisen. Toen dat in enkele landen in de jaren twintig bereikt was, bleven de vrouwen actief voor andere vormen van emancipatie (feminisme. In landen waar het fascisme grote invloed had, kreeg het feminisme grote tegenslagen te verwerken. Volgens het fascisme was de rol van de vrouw die van moeder en huisvrouw. Haar taak was vooral: kinderen baren voor een sterk en raszuiver volk.

2.3.2, Verzuiling in Nederland

In Nederland was een geheel eigen antwoord op het tijdperk van onzekerheden ontstaan: de verzuiling. Dit typisch Nederlandse verschijnsel hield een opdeling van de samenleving in vier hoofdgroepen in: de rooms-katholieke, de protestantse, de socialistische en de liberaal-neutrale'zuil'. Bij elke zuil hoorden tal van organisaties en instituten: een politieke partij, een krant, een radio-omroep, een vakvereniging, een jeugdclub, een school, enzovoort. Ook ziekenhuizen, instellingen voor maatschappelijke zorg (kruisverenigingen), hobbyclubs, sportclubs en vele andere organi-saties werden op 'levenbeschouwelijke grondslag' georganiseerd. Door zich op deze manier af te sluiten voor de buitenwereld en zich thuis te voelen 'in eigen kring' voelde de Nederlander zich veilig in de veranderende wereld. De invloed van de verzuiling bleef merkbaar tot ver na de Tweede Wereldoorlog. Pas sedert het eind van de jaren zestig is er langzamerhand een eind aan gekomen.

Zie voor deel 3