We hebben 304 gasten online

Deel 3 De twintigste eeuw na 1945

Gepost in West-Europa

3.1 Bestuurlijk-politiek

3.1.1 Dictatuur en democratie

Door de nederlaag van het fascisme in de Tweede Wereldoorlog had de liberale democratie na 1945 één vijand minder. De andere concurrent, het communisme, zou zich echter ontwikkelen tot een geduchte rivaal.

In de westerse democratieën was in de eerste periode na de Tweede Wereldoorlog sprake van een democratisch leiderschap met een 'vaderlijk', paternalistisch karakter. In veel landen kwam in de jaren vijftig via het democratisch proces een leidende figuur naar voren die met gezag kon spreken en tegen wie de mensen konden opkijken. In de periode van wederopbouw had men blijkbaar evenzeer behoefte aan een dergelijk gezag als in de crisistijd vóór de oorlog. In verscheidene landen kwamen belangrijke 'oorlogsleiders' aan het bewind: in de Verenigde Staten werd de populaire generaal Eisenhower tot president gekozen (1953-1961), in Groot-Brittannië leidde Churchill in de jaren vijftig nog eenmaal een kabinet (1951-1955), en in Frankrijk kwam - na de zeer verwarde periode van de Vierde Republiek, waarin kabinetten vaak maar enkele maanden aan het bewind bleven - generaal De Gaulle als sterke man naar voren (1958-1969). In de Bondsrepubliek Duitsland, die in het westen van het vroegere Duitse rijk was opgericht, was Konrad Adenauer de 'vaderlijke leider' van de wederopbouw (1949-1963). In Nederland vervulde Willem Drees een dergelijke rol (1948-1958).

In de loop van de jaren zestig ondergingen de westerse democratieën een verandering. Met name de naoorlogse generatie was niet meer bereid het vaderlijke gezag van autoriteiten zomaar te accepteren. Men streefde naar een totale en radicale democratisering van de gehele samenleving. Niet alleen in de politiek, maar overal in de samenleving werd gezag niet langer kritiekloos geaccepteerd. Op allerlei gebied eiste men inspraak, bijvoorbeeld in bedrijven, op scholen en universiteiten. Deze onafhankelijke opstelling leidde in Nederland tot een langzame afkalving van het traditionele zuilensysteem. Veel mensen wilden zelf geheel onafhankelijk hun koers bepalen, zonder invloed van de 'zuil' waarin ze toevallig waren geboren.

Ondertussen heersten in de communistische staten de partijleiders op dictatoriale wijze. In de eerste periode lieten zij zich naar het voorbeeld van Stalin verheerlijken en verafgoden. In alle communistische staten deden ook zuiveringen naar stalinistisch model hun intrede. Na de dood van Stalin in 1953 veranderde dat enigszins, behalve in China, dat inmiddels zijn eigen weg ging, en waar de communistische leider Mao Zedong bijna letterlijk als een god vereerd werd tot zijn dood in 1976. In de overige communistische landen werd, naar het voorbeeld van de Russische leider Chroesjtsjov, vanaf 1956 de 'destalinisatie' ingezet. Dat betekende een minder streng regime, minder zuiveringen, en in economisch opzicht: meer aandacht voor de productie van consumptiegoederen om het levenspeil van de burgers te verhogen.

In enkele satellietstaten van de Sovjet-Unie vatten de burgers het loslaten van de strakke teugels verkeerd op. In Oost-Duitsland in 1953, en in Polen en Hongarije in 1956, kwam het tot anticommunistische opstanden. Dat was nu ook weer niet de bedoeling van de nieuwe Sovjet-autoriteiten. Er werd krachtig ingegrepen om het communisme te handhaven. In Tsjecho-Slowakije werd in 1968 geprobeerd het communisme een 'menselijker gezicht' te geven (Praagse lente). Ook die poging werd hardhandig onderdrukt door de Sovjet-Unie, waar inmiddels in 1964 een secretaris-generaal van de oude stempel was aangetreden: Leonid Brezjnjev.

Pas door de ondergang van het communisme in de jaren 1989-1991 kwam er een eind aan de dictaturen, behalve in China en enkele andere Aziatische landen (Noord-Korea en Vietnam). In Oost-Europa ontstond een groot aantal nieuwe democratieën.

Naast de westerse democratieën en de communistische dictaturen bestond er een derde variant van bestuur: de militaire dictatuur. Deze bestuursvorm heeft lange tijd in veel Latijns-Amerikaanse landen geheerst. Ook in veel onafhankelijk geworden koloniale gebieden deed de militaire dictatuur zijn intrede, vaak nadat eerst een tijdje geëxperimenteerd was met een democratie naar het voorbeeld van het vroegere moederland. In veel voormalige koloniën was de parlementaire democratie echter geen succes. Zo werd de voormalige Nederlandse kolonie Indonesië een militaire dictatuur; ook in Suriname deden de militairen verschillende malen een greep naar de macht.

Een belangrijke uitzondering is de voormalige Britse kolonie India. Daar heeft het democratische systeem zich vanaf de onafhankelijkheid kunnen handhaven.

3.1.2 De zwarte emancipatie in Amerika en Zuid-Afrika

Overheersing van kleurlingen door blanken heeft zich in de twintigste eeuw niet alleen in koloniale situaties voorgedaan. Ook binnen de grenzen van één land kwam het voor. Zo leefden de zwarten in de Verenigde Staten sinds de afschaffing van de slavernij in 1861 in een situatie van tweederangs burgers. Rassenscheiding en discriminatie waren in de wetgeving van de zuidelijke staten officieel opgenomen, hoewel dit in principe in strijd was met de beginselen van vrijheid en gelijkheid in de Amerikaanse grondwet. Onder druk van zwarte acties, onder andere de geweldloze acties van Martin Luther King, probeerde in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw de federale overheid in Washington een eind te maken aan deze situatie. Daardoor ontstond strijd over de eigen onafhankelijke rol van de staatsregeringen. Mocht de federale overheid beslissen dat scholen, openbaar vervoer, restaurants en bioscopen gelijkelijk toegankelijk moesten zijn voor alle rassen, of was zoiets een aangelegenheid van de staten? De regeringen van de staten gaven zich niet zomaar gewonnen, en de blanke bevolking in het zuiden nog minder. President Kennedy probeerde een Wet op de Burgerrechten te laten aannemen die de rechten van de zwarte bevolking zou garanderen. Dit paste in zijn beleid, dat in het algemeen progressief en voortvarend leek. Omdat hij nog in hetzelfde jaar werd vermoord, heeft Kennedy het aannemen van de wet niet meer meegemaakt. Het is overigens niet waarschijnlijk dat er een verband bestaat tussen de moord op Kenendy en zijn rol inzake de emancipatie van de zwarten. Wat de reden voor de moord wel was, blijft tot op heden onduidelijk.

In Zuid-Afrika had de overheersing van de massa een tijdlang een specifieke vorm. De blanke minderheid van enkele miljoenen overheerste er de zwarte meerderheid van tientallen miljoenen via het systeem van apartheid. Onder de blanken zelf heerste weliswaar 'democratie', maar de overheersing van de zwarte bevolking en alle uitvloeisels daarvan in de vorm van politie-optreden en controle op pers, vereniging en vergadering, betekenden dat er in feite sprake was van een racistische dictatuur. In 1994 werd er via werkelijk democratische verkiezingen voor het eerst een meerderheidsbewind in Zuid-Afrika gekozen. Nelson Mandela werd de eerste zwarte president van het land.

3.1.3 Koude Oorlog en ontspanning

In de internationale politiek staat de periode 19451990 bekend als die van de Koude Oorlog. Daarmee wordt de spanning bedoeld tussen het kapitalistische en het communistische 'blok' in de wereld. Het communistische blok van landen werd geleid door de Sovjet-Unie, het kapitalistische door de Verenigde Staten. De oorzaken van de Koude Oorlog moeten in de periode vóór de Tweede Wereldoorlog worden gezocht. De leer van het marxisme-leninisme ging uit van een onoverbrugbare tegenstelling tussen proletariaat en bourgeoisie. Een staat waarin het proletariaat aan de macht was, kon dus ook nooit samenwerken met staten waarin de bourgeoisie de dienst uitmaakte. Bovendien leerde het communisme dat de proletarische revolutie op den duur overal op de wereld zou zegevieren, al nam Stalin op praktische gronden voorlopig genoegen met 'socialisme in één land'. De kapitalistische overheden beschouwden het bestaan van de Sovjet-Unie daarom als een rechtstreekse bedreiging. Ook al was die niet zo ernstig zolang het land nog bezig was zich te ontwikkelen en te industrialiseren, toch waren de diplomatieke relaties voor de Tweede Wereldoorlog zeer gespannen. Contacten met de Sovjet-Unie werden gemeden en bij internationaal overleg hield men het bewind van Stalin zoveel mogelijk buitenspel.

Na een korte periode van samenwerking tijdens de Tweede Wereldoorlog (de Sovjet-Unie en de westerse Geallieerden bestreden immers gezamenlijk Hitler-Duitsland) kwam het oude wantrouwen opnieuw en versterkt naar voren. Versterkt, omdat het communisme zich in deze tijd ver uitbreidde buiten de grenzen van de vooroorlogse Sovjet-Unie. In de door Stalin veroverde gebieden in Oost-Europa (Polen, Oost-Duitsland, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije) werden communistische regimes aan de macht gebracht. In Joegoslavië en Albanië gebeurde dat onafhankelijk van de Sovjet-Unie. In sommige West-Europese landen, met name Frankrijk en Italië, bleek de communistische partij na de oorlog zeer machtig.

Ook in Azië breidde het communisme zich uit. Van grote betekenis was daarbij de machtsovername van Mao Zedong in China in 1949. In enkele aangrenzende gebieden werd kort daarna ook het communisme ingevoerd: Noord-Korea, Noord-Vietnam, Laos en Cambodja.

De Verenigde Staten meenden dat zij zich tegen deze communistische uitbreiding teweer moesten stellen. In 1947 formuleerde de Amerikaanse president Harry Truman de 'doctrine' dat de Verenigde Staten vrije volken die bedreigd werden door het communisme, zouden helpen. Later werd dit de leer van 'containment', die inhield dat de Verenigde Staten het communisme overal ter wereld in bedwang zouden houden. Om deze politiek te kunnen uitvoeren sloten de Verenigde Staten een aantal militaire bondgenootschappen, waarvan de NAVO (Noord-Atlantische Verdrags Organisatie, 1949) de belangrijkste was. In de NAVO werkten de Verenigde Staten, Canada en tien Europese landen (België, Denemarken, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Portugal en IJsland) samen. Later hebben ook Turkije, Griekenland, de Bondsrepubliek Duitsland en Spanje zich bij dit pact aangesloten. In Oost-Europa richtte de Sovjet-Unie als antwoord op de NAVO het Warschaupact op, met als leden: de Sovjet-Unie, Polen, de Duitse Democratische Republiek, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Een reeks incidenten en conflicten tussen Oost en West bepaalde de wereldpolitiek na de Tweede Wereldoorlog. Zo ontstond onenigheid tussen de westerse mogendheden en de Sovjet-Unie over het beheer van het bezette Duitsland. Dit land was voorlopig in vier militaire bezettingszones opgedeeld: een Amerikaanse, een Britse, een Franse en een Russische. Ook de hoofdstad Berlijn was in vier stukken verdeeld. Omdat men het niet eens kon worden over de instelling van een nieuwe Duitse regering, deden de westerse mogendheden dat maar zelf: in hun drie zones werd de Bondsrepubliek Duitsland opgericht (1949). In de Russische zone kwam vervolgens de Duitse Democratische Republiek tot stand. Omdat Berlijn in de Russische zone lag, ontstond de vreemde situatie van West-Berlijn als kapitalistisch eiland in een communistisch land. De Oostduitse autoriteiten sloten West-Berlijn steeds meer af van de omgeving. Het sluitstuk hiervan was de bouw van een muur dwars door de stad in 1961.

Conflicten in Azië deden zich voor in Korea en Vietnam. In beide landen was de noordelijke helft in handen van de communisten, terwijl er in het Zuiden een kapitalistisch regime heerste. Dit leidde in Korea tot een oorlog in de jaren 150-1953. Het land werd verdeeld langs de wapenstilstandslijn.

In de jaren vijftig en zestig leidde de Koude Oorlog tot een bewapeningswedloop op ongekende schaal. Sinds 1949 beschikte naast de Verenigde Staten ook de Sovjet-Unie over atoomwapens. De opbouw van een kern- arsenaal waarmee de tegenstander verscheidene malen kon worden vernietigd, moest leiden tot een afschrikkingsevenwicht. Geen van beide partijen zou de ander durven aanvallen zolang het zeker was dat dat ook zou leiden tot de totale vernietiging van het eigen land. Daarom stonden de intercontinentale raketten voortdurend op scherp. Een eventuele aanvaller moest er immers zeker van zijn dat er onmiddellijk hard en meedogenloos zou worden teruggeslagen.

Een enkele keer verkeerde de wereld op deze manier op de rand van de ondergang. Het bekendst is de Cuba-crisis van 1962. Op het eiland Cuba, gelegen in de Caribische Zee niet ver van de Amerikaanse staat Florida, was in 1959 de communist Fidel Castro aan de macht gekomen. In 1962 bleek dat op Cubaanse bodem Russische kernraketten werden geplaatst, vlak bij het gebied van de Verenigde Staten. De Amerikaanse president Kennedy dreigde met oorlog als deze raketten niet zouden worden weggehaald. Sovjet-leider Chroesjtsjov besloot toe te geven, zodat deze oorlog kon worden voorkomen.

Op meer 'beperkte schaal' waren er wèl oorlogen. Met 'beperkt' bedoelen we dan dat er geen kernwapens werden gebruikt en dat het conflict zich afspeelde in één bepaald gebied. Binnen zo'n gebied waren de gevolgen van de oorlog echter zeer ingrijpend; in die zin waren de oorlogen dus niet 'beperkt'. De Vietnam oorlog is het bekendste voorbeeld. Na afloop daarvan probeerden de leiders van Oost en West tot internationale ontspanning (détente) te komen. Via besprekingen werd geprobeerd iets te doen aan het steeds maar groeiende kernwapenarsenaal dat een grote bedreiging vormde voor de wereldvrede. Tot het aantreden van Gorbatsjov in 1985 verliep de ontspanning moeizaam. Daarna werd er meer vooruitgang geboekt. Door de ondergang van het communisme werd vanaf 1990 de Koude Oorlog als afgelopen beschouwd. Het Warschaupact werd opgeheven en de NAVO ging zich op andere taken richten, met name op vredeshandhaving in spanningsgebieden.

3.1.4 Vietnam

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het Franse koloniale gezag in Vietnam te maken met een communistische onafhankelijkheidsbeweging onder leiding van Ho Tsji-Minh. Nadat de Fransen in 1954 vernietigend waren verslagen, vestigde deze in het Noorden een communistisch regime. In het Zuiden werd met Amerikaanse steun een kapitalistisch bestuur gevestigd. In de loop van de jaren zestig bleek dit zuidelijke bewind zich echter steeds moeilijker te kunnen handhaven tegen de communistische aanvallen. Daarom stuurden de Amerikanen soldaten naar Vietnam, onder wie vele dienstplichtigen. In 1969 bereikte het aantal Amerikaanse troepen een hoogtepunt tijdens het presidentschap van Lyndon Johnson: meer dan 540 000 soldaten. Ondanks deze geweldige krachtsinspanning lukte het niet de Vietnamese communisten te verslaan. Dat kwam onder andere doordat deze een guerrilla-tactiek toepasten in een voor hen bekend gebied. Bovendien werden zij vaak gesteund door de plaatselijke bevolking.

De Amerikanen pasten steeds radicalere middelen toe. Met giftige ontbladeringsmiddelen werd geprobeerd de guerrilla's te beroven van hun schuilplaatsen in het oerwoud. Met massale bombardementen, onder andere met het zeer brandbare napalm, werd terreur tegen de burgerbevolking als wapen ingezet. De uitzichtloze strijd en het idee dat iedere Vietnamees een potentiële vijand was, brachten de Amerikaanse soldaten soms ook tot het plegen van oorlogsmisdaden, zoals het uitmoorden van complete dorpen.

In de Verenigde Staten en in Europa werd krachtig geprotesteerd tegen de politiek van de Amerikaanse regering. Uiteindelijk zat er voor president Richard Nixon (1969-1974) weinig anders op dan de Amerikaanse troepen terug te trekken. In 1975 werd heel Vietnam tenslotte verenigd onder een communistisch regime.

De Vietnamoorlog heeft naar schatting twee miljoen Vietriamezen het leven gekost; drie miljoen Vietnamezen raakten gewond, en twaalf miljoen mensen in Indochina zijn gedurende de oorlog op enig moment op de vlucht geslagen. Onder de Amerikanen vielen 57 685 dodelijke slachtoffers en 153 303 gewonden.

3.1.5 De Verenigde Naties

Net als na de Eerste Wereldoorlog is in 1945 geprobeerd de vrede veilig te stellen door meer internationale samenwerking. De Volkenbond uit het interbellum, die nooit een groot succes was geweest, werd opgevolgd door de Verenigde Naties. Hiervan werden vrijwel alle landen van de wereld lid. Om de VN besluitvaardiger te maken dan haar voorganger, werd een Veiligheidsraad ingesteld met vijf permanente en een beperkt aantal wisselende leden. Deze raad kon bindende besluiten (resoluties) nemen en ook een gewapende macht inzetten (multinationale VN-legers, zogenaamde 'blauwhelmen'). De vijf permanente leden van de Veiligheidsraad (de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië, Frankrijk en China) hadden echter elk het vetorecht. In de periode van scherpe tegenstellingen tijdens de Koude Oorlog kwam het daardoor niet snel tot krachtige besluiten. Blauwhelmen werden niet spoedig ingezet en kregen meestal maar beperkte bevoegdheden om de vrede in een bepaald gebied te handhaven. De betekenis van de VN als crisisbeheerser en vredeshandhaver bleef beperkt.

3.1.6 Dekolonisatie

Reeds vóór de Tweede Wereldoorlog waren er in tal van koloniale gebieden nationalistische bewegingen ontstaan. Het gewijzigde koloniale beleid van de Europese moederlanden had via het onderwijs gezorgd voor een zelfbewuste inheemse elite. De leiders waren op de hoogte van de westerse idealen van vrijheid, gelijkheid en democratie en vroegen zich steeds vaker af waarom voor de niet-Europese bevolking met andere maten gemeten werd.

Een belangrijke nationalististische leider uit de vooroorlogse periode was Mahatma Gandhi, actief in Brits-Indië. Hij voerde een politiek van geweldloos verzet om het Britse gezag onder druk te zetten. Na de oorlog was India het eerste gebied dat zonder koloniale oorlog met het moederland de onafhankelijkheid verwierf. Als gevolg van interne conflicten tussen hindoes en moslims verliep de dekolonisatie echter niet zonder slag of stoot. Uiteindelijk werden er in 1947 twee staten opgericht: de moslimstaat Pakistan en de hindoestaat India.

De Tweede Wereldoorlog versnelde het dekolonisatie-proces, omdat de Europese moederlanden ernstig verzwakt waren. In de Britse koloniën kwam de onafhankelijkheid in het ene land na het andere tot stand, meestal zonder conflicten of koloniale oorlog. In Indonesië was dat anders. Na de nederlaag van de Japanse bezetters riepen de nationalistische leiders Soekarno en Hatta in augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesië uit. Het Nederlandse gezag wilde hiermee niet zonder meer akkoord gaan. De Nederlanders meenden dat eerst het oude koloniale gezag moest worden hersteld, waarna via onderhandeling de onafhankelijkheid tot stand kon worden gebracht. Een extra probleem hierbij was dat Soekarno en Hatta tijdens de oorlog hadden samengewerkt met de Japanners. Zij werden daarom door de Nederlanders beschouwd als collaborateurs.

Enige jaren lang hebben de Nederlanders zonder veel succes geprobeerd het koloniale gezag te herstellen met militaire acties (1945-1949). Daarbij hadden zij te maken met een tegenstander die een guerrilla-tactiek toepaste op voor hem bekend terrein, terwijl Nederlandse dienstplichtigen moeizaam moesten ploeteren in een onbekend land met een vijandige bevolking. Omdat iedere Indonesiër een vijand kon zijn, hebben de Nederlanders hierbij ook de burgerbevolking hard aangepakt. Sommige daden van Nederlandse soldaten ('harde' ondervragingen, executies om voorbeelden te stellen, afbranden van huizen, enzovoort) zijn achteraf als oorlogsmisdaden aan de kaak gesteld.

Nog weer anders is het de Fransen vergaan. In principe wilden de Fransen hun koloniale rijk behouden als 'overzeese departementen van Frankrijk'. In Indochina (Vietnam) werd hen dat met geweld onmogelijk gemaakt. De Franse koloniën in Afrika werd vervolgens ook onafhankelijkheid verleend: Tunesië en Marokko in 1956, enkele Centraal-Afrikaanse gebieden in 1960. Alleen aan Algerije wilden de Fransen vasthouden. Het lag tegenover Frankrijk aan de Middellandse Zee. Omdat er een aanzienlijke Europese bevolkingsgroep Woonde, wilde de Franse regering het blijven beschouwen als deel van Frankrijk. Dat leverde een lang en bloedig conflict op (19541962), waarin de Franse Vierde Republiek zelfs is ten onder gegaan. Generaal De Gaulle vestigde in 1958 de Vijfde Republiek en leidde Algerije naar de onafhankelijkheid.

3.1.7 Het Midden-Oosten

Een apart geval van dekolonisatie was het Midden-Oosten. Na de nederlaag van het Osmaanse rijk in de Eerste Wereldoorlog was dat gebied door de Volkenbond onder semi-koloniaal toezicht (mandaat) van de Britten en de Fransen gesteld. De Fransen beheerden Libanon en Syrië, de Britten Irak, Transjordanië en Palestina.

Aan het eind van de negentiende eeuw was onder de joodse bevolking in Europa en Noord-Amerika het zionisme opgekomen: het streven naar een eigen staat, liefst in Palestina. Volgens de joodse religie was dat namelijk het door God beloofde land; in de Oudheid had het joodse volk er ook al gewoond. De opkomst van het zionisme is te verklaren uit het nationalisme in Europa. Europese naties werden minder verdraagzaam ten opzichte van minderheden die onder hen woonden, terwijl het nationalisme anderzijds het eenheidsgevoel en het verlangen naar een eigen staat bij de joden stimuleerde.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog beloofden de Britten de joden te helpen bij het stichten van een 'nationaal tehuis'. Na de oorlog vestigden zich steeds meer joden in het Britse mandaatgebied Palestina. De daar wonende Arabische bevolking (Palestijnen) zagen dat niet graag. Na de Tweede Wereldoorlog werd deze toestand nog moeilijker. Joodse overlevenden van de vernietigingspolitiek van de nazi's wilden massaal naar Palestina, omdat zij zich onder een niet-joods gezag niet meer veilig konden voelen. De Britten konden dat eigenlijk moeilijk weigeren, gezien de ramp die de joden in de oorlog was overkomen. De Arabische bevolking van Palestina kwam nu echter nog verder in het nauw. Een plan van de Verenigde Naties om Palestina te verdelen in een joodse en een Arabische staat, mislukte.

In 1948 trokken de Britten zich uit Palestina terug zonder dat de machtsoverdracht goed was geregeld. Onmiddellijk riepen de joden de staat Israël uit. Er volgde een oorlog met de Palestijnse en omringende Arabieren, die door de joden werd gewonnen. De joodse staat was een feit.

In de jaren daarna is er steeds sprake geweest van een conflict tussen joden aan de ene kant en Palestijnen en andere Arabieren aan de andere kant. Enkele malen leidde dat tot oorlog, onder andere in 1967; in dat jaar bezette Israël de resterende Arabische gebieden in Palestina. Over deze zogenaamde 'bezette gebieden (de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever) werd begin jaren negentig onderhandeld tussen Israël en de Palestijnen, resulterend in Palestijns zelfbestuur onder Israëlisch toezicht.

3.1.8 Europese samenwerking

In 1957 sloten zes Europese landen het Verdrag van Rome, waarmee zij de Europese Economische Gemeenschap (EEG) oprichtten: dit waren de Benelux-landen, Frankrijk, West-Duitsland en Italië. Door economische samenwerking wilden zij de banden aanhalen, ook tussen landen die nog betrekkelijk kort daarvoor in de Tweede Wereldoorlog als vijanden tegenover elkaar gestaan hadden. Zo'n oorlog moest in Europa nooit meer voorkomen. Intensivering van de economische relaties leek een goed middel: onderlinge afhankelijkheid zou politieke strijd onmogelijk maken. Vooral de samenwerking tussen de oude rivalen Duitsland en Frankrijk was met het oog hierop zeer belangrijk.

De economische doelstelling van de EEG werd in de loop van de tijd steeds belangrijker (zie het 'economisch-sociale' deel hierna). In de jaren zeventig, tachtig en negentig breidde het aantal leden van de Europese Gemeenschap zich uit van zes tot vijftien: in 1973 traden Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken toe, in 1981 Griekenland, in 1986 Spanje en Portugal en in 1996 Oostenrijk, Zweden en Finland. Om de eenheid tussen de vijftien lidstaten nog meer te benadrukken werd de naam van het samenwerkingsverband veranderd in 'Europese Unie'.

3.2 Economisch-sociaal

3.2.1 De kapitalistische landen

Na de Tweede Wereldoorlog zag het er in grote gebieden van de wereld somber uit. In Europa hadden vrijwel alle landen in de loop van de oorlog een militaire nederlaag geleden en een militaire bezetting meegemaakt. De verwoestingen waren aanzienlijk, vooral in Duitsland.

Het Amerikaanse werelddeel had geen oorlogsschade opgelopen. De Verenigde Staten waren in 1945 dan ook sterker dan ooit. Ook de Latijns-Amerikaanse landen beleefden een opbloei door de vergrote vraag naar producten die onder invloed van de oorlog was ontstaan. In de Verenigde Staten was men wel bang voor een naoorlogse crisis: de naar huis terugkerende soldaten en het stopzetten van de enorme wapenproductie zouden wel eens voor grote werkloosheid kunnen zorgen. Toch is die naoorlogse crisis er niet gekomen. Integendeel: in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw vond in de kapitalistische wereld een groei van de welvaart plaats als nooit tevoren. Daarvoor zijn enkele verklaringen te geven.

In de eerste plaats lanceerde de Amerikaanse regering een groot economisch herstelplan: het Marshall-plan, genoemd naar de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken. Het voorzag niet alleen in directe hulp, maar ook in de investering van miljarden dollars in de economieën van de verwoeste Europese landen. Hierdoor kon de productie in Europa weer goed op gang komen. Voor de Verenigde Staten zelf had dat ook voordelen: de vraag naar Amerikaanse producten vanuit Europa nam toe, omdat er voldoende dollars waren om ze aan te schaffen; bovendien verdienden de Europeanen op den duur zelf ook weer geld waarmee ze iets konden kopen. De Amerikaanse regering had met het Marshall-plan ook een politiek doel. Door een eind te maken aan uitzichtloosheid en ellende hoopte ze dat het communisme in Europa minder kans zou krijgen.

De investeringen van het Marshall-plan zouden niet zo goed geholpen hebben zonder enkele andere factoren die in Europa het economisch herstel bevorderden. Zo was er in Europa een goed geschoolde bevolking die met wetenschap en techniek wist om te gaan. Voor de oorlog bestond er in Europa immers al een moderne industriële samenleving. Daarvan was nog veel over, in elk geval in de hoofden van mensen en in organisaties en structuren. Bovendien hadden de vernielingen ook een positieve kant: men kon verouderde technieken en machines aan de kant schuiven en helemaal opnieuw beginnen met het allermodernste.

Ten slotte was er de rol van de overheden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren regeringen genoodzaakt om de economie tot in de puntjes te regelen; in de Verenigde Staten bijvoorbeeld moest de enorme wapenproductie snel op poten worden gezet, terwijl er massa's werkkrachten waren vertrokken omdat ze als soldaat moesten dienen. Het regelen van de economie bleef ook na de oorlog nodig, in de Verenigde Staten om een naoorlogse crisis te vermijden, in Europa om de wederopbouw met kracht te kunnen aanpakken. Zo ontstond een nieuwe vorm van kapitalisme: de geleide markteconomie. Aan de ene kant was daarin de vrije markt nog werkzaam, aan de andere kant zorgde de overheid voor overleg, regels en harmonie. Daardoor konden de zaken niet meer zo uit de hand lopen als in 1929 was gebeurd.

De nieuwe rol van de overheid uitte zich ook op sociaal gebied; met name in West-Europa kwam een uitgebreid stelsel van sociale wetgeving tot stand: uitkeringen bij werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid, ouderdomspensioen, minimum-loonregels, enzovoort. Een land waarin de overheid zoveel voorzieningen voor de burgers heeft ingesteld, noem je een verzorgingsstaat. Werknemers kregen er meer bestaanszekerheid door. Dit zorgde voor rust in de bedrijven (weinig stakingen) en hield de koopkracht van de mensen in stand als ze onverhoopt werkloos of ziek werden. Ook dat was weer gunstig voor de economische ontwikkeling. Zo groeide de welvaart in de 'rijke landen' van de kapitalistische wereld in de loop van de jaren vijftig en zestig tot een zeer hoog peil, het eerst in de Verenigde Staten, later ook in Europa. Vrijwel iedere Amerikaan en Europeaan kon op den duur beschikken over een uitgebreid pakket consumptiegoederen: een auto, een televisietoestel, een koelkast, een wasmachine, enzovoort, enzovoort. In luxueuze en overladen supermarkten werden de dagelijkse levensmiddelen ingekocht. Huizen en meubilair werden steeds comfortabeler. Het leek of de welvaart niet op kon. Men sprak dan ook van een 'economisch wonder'. In de loop van de jaren zeventig kwam er echter verandering in deze optimistische stemming. In 1972 verscheen het boek De grenzen aan de groei van de 'Club van Rome', een aantal geleerden uit de hele wereld die zich zorgden maakten over de ontwikkeling van de mensheid. Ze waarschuwden voor de toenemende verspilling, milieuvervuiling, bevolkingsgroei en uitputting van grondstoffen die wel eens konden leiden tot het einde van het menselijk leven op aarde. Dat grondstoffen niet onuitputtelijk waren, werd ook goed voelbaar toen een aantal Arabische olieproducerende landen in 1973 de olietoevoer naar het 'rijke westen' stop zette (om politieke redenen overigens). Ineens realiseerden de geïndustrialiseerde landen zich hoe afhankelijk ze waren van een overvloed aan grondstoffen en energie, en hoe kwetsbaar hun rijkdom eigenlijk was.

In de jaren zeventig en tachtig kreeg het rijke westen te maken met toenemende werkloosheid. De verzorgingsstaat ving de ergste gevolgen daarvan op, zodat er geen massale ellende ontstond zoals in de jaren dertig. Maar de uitkeringen kostten wel erg veel geld. Het betaalbaar houden van de verzorgingsstaat werd een probleem. Daarbij kwam dat de concurrentie van zogenaamde 'lage-lonen-landen', met name die in Zuidoost-Azië, steeds verder toenam. Naast Japan, dat zich al eerder tot industriële grootmacht had ontwikkeld, ontstonden belangrijke industriële centra in Korea, Taiwan, Hong Kong en Singapore.

Via uitbreiding en versterking van de Europese Economische Gemeenschap probeerden de Europeanen in de jaren zeventig, tachtig en negentig een tegenwicht te bieden aan de sterke Amerikaanse en Aziatische concurrentie. Het gebied van de Europese Unie werd één vrije binnenmarkt die de groei van sterke ondernemingen mogelijk maakte. De vijftien betrokken regeringen stemden hun economisch beleid zoveel mogelijk op elkaar af.

3.2.2 De communistische landen

De Sovjet-Unie was na de Tweede Wereldoorlog oorlog een van de zwaarst getroffen landen: verwoestingen op grote schaal en een enorm aantal oorlogsslachtoffers. Stalin besloot de zaak net zo aan te pakken als in de eerste opbouwperiode na de communistische machtsovername. Het eerste naoorlogse vijfjarenplan stelde opnieuw de opbouw van de zware industrie centraal. Met keihard werken moest de Sovjet-economie weer worden opgebouwd. Daarbij kwam het produceren van consumptiegoederen voor de bevolking op de laatste plaats. De burgers van de communistische landen moesten dan ook genoegen nemen met een sober bestaan.

Na 1945 was het communistische gebied enorm uitgebreid. Niet langer was er sprake van 'socialisme in één land'. In het hele communistische gebied oriënteerde men zich op de economische aanpak van de Sovjet-autoriteiten. Men 'geloofde' in de leer van het marxisme-leninisme en in de juistheid van de aanpak van het Russische Politbureau. In landen die direct van Stalin afhankelijk waren, had men trouwens weinig keus: ze moesten wel. In China kon op den duur een eigen weg ingeslagen worden.

Zo werd in Oost-Europa de collectivisatie in de landbouw doorgevoerd, ook al was die in de Sovjet-Unie weinig succesvol geweest. Naar Russisch model werd gewerkt met vijfjarenplannen, die zware industrie vooropstelden. De Amerikaanse hulp in het kader van het Marshall-plan werd door de Russen afgewezen en mocht dus ook niet in de andere communistische landen geaccepteerd worden. Volgens de Sovjet-autoriteiten was het plan een 'imperialistisch complot' dat tot doel had de communistische landen langs economische weg onder Amerikaanse controle te krijgen. Na Stalins dood in 1953 uitte de nieuwe secretaris-generaal van de Sovjet-Unie, Chroesjtsjov, weliswaar scherpe kritiek op zijn voorganger, maar dat betekende niet dat hij de communistische aanpak van de economie ter discussie stelde. Volgens Chroesjtsjov had Stalin het communisme onjuist toegepast; aan het systeem zelf mankeerde niets. Zo gingen de Sovjet-Unie en de andere staten van het communistische blok voort op de ingeslagen weg van de planeconomie. In de loop van de jaren tachtig van de twintigste eeuw raakte het communistische blok in een steeds grotere economische crisis. In geen enkel opzicht kon de productie nog in goede banen worden geleid, noch in de landbouw, noch in de industrie. Een enorme bureaucratie verstikte de economie. Aan allerlei noodzakelijke goederen was een chronisch gebrek.

Aan deze toestand probeerde secretaris-generaal Gorbatsjov (1985-1991) een eind te maken met een ingrijpende economische herstructurering van het communisme. Zijn poging liep echter uit op een mislukking. Door de invoering van elementen van de vrije-markteconomie binnen het systeem van de planeconomie ontstond er een grote economische en politieke chaos. Uiteindelijk heeft deze geleid tot de ondergang van het communisme: in 1989 en 1990 in de Oost-Europese staten, in 1991 in de Sovjet-Unie zelf. In de jaren negentig kwam in de voormalige communistische gebieden een diep ingrijpende economische hervorming op gang. De omschakeling van planeconomie naar markteconomie bracht grote problemen met zich mee, met name een hoge werkloosheid, omdat er geconcurreerd moest worden tegen een veel verder ontwikkeld en economisch veel sterker'westers' blok.

In de Aziatische gebieden bleef het communisme in de jaren negentig wel voortbestaan. In economisch opzicht pasten de landen daar zich echter ook steeds meer aan het kapitalistische systeem aan.

3.2.3 Arme en rijke landen

In de naoorlogse periode werden de koloniale gebieden van de Europese mogendheden gedekoloniseerd. De politieke zelfstandigheid betekende echter meestal nog geen echte onafhankelijkheid. De economie van de 'ontwikkelingslanden' (zoals ze voortaan genoemd werden) was met handen en voeten gebonden aan die van het 'rijke Westen'. Zeer vaak hadden de koloniale gebieden de rol van leverancier van grondstoffen gehad. Die rol moesten ze blijven vervullen, omdat er in de weinig ontwikkelde 'derde-wereldlanden' nu eenmaal weinig productiecapaciteit bestond in de vorm van een moderne industrie. De westerse ondernemingen betaalden vaak lage prijzen voor de geleverde grondstoffen. De producten die ze ervan maakten, verkochten ze echter voor een hoge prijs; de winst kwam zo niet terecht in de arme landen, maar bij de grote westerse bedrijven.

Vooral door het bestaan van grote multinationale ondernemingen bleven deze verhoudingen vaak lang in stand. Zo'n onderneming opereerde met gemak over de hele wereld. Zo kon gezocht worden naar de goedkoopste aanbieder van grondstoffen en naar de beste markt om eindproducten te verkopen. Als een bepaald land niet de gunstigste voorwaarden bood, vestigde de onderneming zich gewoon elders. Zo bleven vooral de armere, economisch minder ontwikkelde landen afhankelijk.

In de jaren zestig en zeventig werd dit probleem steeds scherper gevoeld. Naarmate de rijke landen rijker werden, ontwikkelde zich daar een soort schuldgevoel ten opzichte van de 'derde wereld'. Men sprak van 'uitbuiting' die al in het koloniale verleden begonnen zou zijn en nog steeds zou voortduren. Op grond van zulke overwegingen kwam de zogenaamde 'ontwikkelingshulp' op gang, later liever 'ontwikkelingssamenwerking' genoemd. Hoewel in sommige landen goede vooruitgang werd geboekt (met name in Azië en Latijns-Amerika) bleef in andere landen de economische achterstand zeer groot (met name in Afrika).

3.3 Cultureel-mentaal

3.3.1 De invloed van de Koude Oorlog

De eerder besproken economisch-sociale en politieke ontwikkelingen hadden belangrijke invloed op de ontwikkeling van de mentaliteit. Zo leidde de Koude Oorlog soms tot scherpe tegenstellingen binnen de westerse democratieën. In de jaren vijftig was daarbij de angst voor het communisme algemeen. Men vreesde de 'communistische samenzwering' ook binnen de grenzen van het eigen land. De reacties op gebeurtenissen in het Oostblok, zoals de onderdrukking van de opstanden in Oost-Duitsland in 1953 en Polen en Hongarije in 1956, waren soms hevig. Naar aanleiding van de Hongaarse situatie werd in Amsterdam bijvoorbeeld het kantoor van de Nederlandse communistische partij bestormd door een woedende menigte.

In de Verenigde Staten leidde de communistenangst tot een ware heksenjacht onder leiding van senator McCarthy. Toen de Russen in 1949 over een eigen atoombom bleken te beschikken, meenden vele Amerikanen dat dat alleen Mogelijk was dankzij spionage in de Verenigde Staten. Men vermoedde 'verraad' tot in de hoogste regeringskringen. Velen werden door McCarthy op grond van ondeugdelijke argumenten vals beschuldigd. Niet alleen politici, ook acteurs, schrijvers en anderen in de wereld van kunst en cultuur werden hiervan het slachtoffer. Stond je naam eenmaal op de 'zwarte lijst' van McCarthy ('verdacht van on-Amerikaanse activiteiten en communistische sympathieën'), dan was je carrière geruïneerd. De bewapeningswedloop en de internationale spanning, bijvoorbeeld tijdens de Cuba-crisis, leidden soms tot gevoelens van grote onzekerheid en angst voor een naderende nucleaire ramp; hier en daar werden dan ook massale vredesdemonstraties gehouden.

3.3.2 De revolutie van de jaren zestig

Een gevoel van zekerheid vloeide daarentegen weer voort uit de toenemende welvaart. Net als vóór de Tweede Wereldoorlog was er sprake van ingrijpende veranderingen in de heersende waarden en normen. In de loop van de jaren vijftig begon dat met de opkomst van een jeugdcultuur: jongeren verzetten zich tegen de gezapige burgerlijkheid van hun ouders. In de loop van de jaren zestig klonken de protesten steeds luider. Niet alleen de roep om ingrijpende democratisering, ook bezorgdheid om de toenemende milieuproblematiek, protesten tegen de Vietnamoorlog en de bewapeningswedloop en een aanklacht tegen het onrecht in de verhoudingen tussen arme en rijke landen speelden hierbij een rol.

De aanval op de traditionele waarden en normen in de jaren zestig leidde ook tot een seksuele revolutie en een bloeiende feministische beweging. Volgens het traditionele waarden- en normenpatroon van de jaren vijftig vormde het kerngezin (man, vrouw en kinderen) de hoeksteen van de samenleving. Een monogame relatie tussen één man en één vrouw was daarom norm, seks vóór en buiten het huwelijk uit den boze. Binnen het gezin had de vrouw een ondergeschikte rol; haar taak was het moederschap en het verzorgen van het huishouden. De veranderingen van de jaren zestig hielden onder andere in dat vrouwen streefden naar volledige emancipatie: zij eisten een rol gelijkwaardig aan die van mannen. Werk buitenshuis en binnenshuis moest eerlijk verdeeld worden. De seksuele revolutie zorgde ook voor grotere vrijheden op seksueel gebied. De relatie tussen één man en één vrouw was niet langer de enige geaccepteerde vorm van samenleven. Homoseksualiteit en seks vóór en buiten het huwelijk werden steeds gewoner. De ruimere anticonceptiemogelijkheden, zoals de in 1964 ingevoerde 'pil', hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld.

Bij het ter discussie stellen van de gevestigde toestand (het 'establishment') in de westerse kapitalistische samenleving oriënteerden vele 'progressieven' in de jaren zestig en zeventig zich op het alternatief: het marxisme. Radicaal-linkse bewegingen in het Westen verheerlijkten bijvoorbeeld de standpunten van communistische leiders als Mao Zedong, Ho Tsji-Minh of Fidel Castro.

Een ander aspect van de verandering in traditionele waarden was de toenemende ontkerkelijking en secularisatie van de westerse samenleving. In Europa deed deze zich in sterkere mate voor dan in Noord-Amerika. In Nederland werkte de secularisatie het proces van ontzuiling in de hand.

De wetenschappelijke ontwikkeling kreeg in de naoorlogse periode een nieuwe impuls. Vooral op het gebied van informatie-uitwisseling waren er veel ontwikkelingen. Het op grote schaal invoeren van de televisie was daar één van. In de loop van de jaren tachtig kwam de informatietechnologie daarbij. Verbindingen kwamen zo snel tot stand, informatie werd zo snel en in zo grote hoeveelheid uitgewisseld, dat de wereld langzaam maar zeker steeds meer toegroeide naar één wereldcultuur. Daarin overheerste de westerse (West-Europees/Noord-Amerikaanse) beschaving.

Auteurs Dick van Straten en Arie Wilschut Sporen in de twintigste eeuw