We hebben 250 gasten online

Van risorgimento naar resistenza: helden en simulanten van twee Italiaanse zelfbevrijdingen

Gepost in West-Europa

 

Van risorgimento naar resistenza: helden en simulanten van twee Italiaanse zelfbevrijdingen

 

J. Evenhuis journalist, Rome in Militaire Spectator 1975 pagina 438 t/m 445

 

 

 

Italiaanse staten 1858

 

Hoe verder het einde van de Tweede Wereldoorlog achter ons komt te liggen, hoe meer men getuige wordt van allerlei dubieuze historische herwaarderingen van de werkelijke gang van zaken tijdens die oorlog. In sommige landen is, half bewust half onbewust, een proces van suppressio ven, suggestiofalsi —• d.w.z. verzwijgen van feiten en suggereren van onwaarheden — aan de gang gebracht dat niet veel goeds belooft voor de adequate informatie van toekomstige generaties.

Men is wel eens geneigd dit gevaar van de manipulatie van de historie te beperken tot landen waar geen vrijheid van historische discussie bestaat. Deze opvatting is onjuist: dat gevaar bestaat overal waar een volk sterke psychologische motieven heeft om de geschiedenis te vervormen wanneer die van dat volk karaktertrekken heeft laten zien waaraan men later niet gaarne herinnerd wordt.

In dit licht moet men de discussie zien die sinds enige tijd in Italië wordt gevoerd over de zogenaamde Resistenza, met de kennelijke bedoeling het Italiaanse volk te suggereren dat het zich zelf van het fascistische juk heeft bevrijd. Deze Resistenza wordt al in één adem genoemd met de Risorgimento, de beweging die, zoals men weet, in de loop van de vorige eeuw de thans bestaande Italiaanse staat deed geboren worden.

De Italiaanse communisten koesteren nu het voornemen op hun beurt een andere staat in het leven te roepen, en zij gebruiken daarvoor in de eerste plaats de Resistenza als moreel alibi, net zoals de 19e-eeuwse Italianen — wier staat geen al te goede bleek — steeds de Risorgimento in de hoogte hebben gestoken als zij een alibi nodig hadden voor hun fouten, hun zwakheden of hun mislukkingen. Dit veronderstelt natuurlijk wel, dat het alibi vlekkeloos is.

Farce of tragedie?

Alvorens in te gaan op de waarde van het Italiaanse verzet tegen het fascisme is het misschien nuttig ook enkele woorden te wijden aan de Risorgimento, want deze beweging is zó duidelijk het model voor de Resistenza dat het vaak lijkt of de wens de vader van de gedachte is. De communistische verzetslieden noemden zich trouwens Garibaldini, om eraan te herinneren dat zij in de voetstappen van de Risorgimento-held Giuseppe Garibaldi wilden treden.

Juist communisten stellen zich tegenwoordig blijkbaar onbeschroomd bloot aan de ironie van een beroemde opmerking van Karl Marx, die zijn beste geschrift — Der achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte — aldus begint:

Hegel bemerkt irgendwo dass alle grofien weltgeschichtlichen Tatsachen und Personen sich sozusagen zweimal ereignen. Er hat vergessen hinzuzufiigen: das eine Mal als Tragödle, das andere Mal als Farce.

Dat de Italiaanse Resistenza soms gevaarlijk dicht in de buurt van de farce is gekomen, zal verderop nog duidelijk genoeg worden. Maar wat is eigenlijk die Risorgimento geweest? Een tragedie?

Indien het dat was, was het — dat kan men in 1975 eindelijk veilig zeggen — een grotere tragedie voor de historische waarheid dan voor het Italiaanse volk. De suppressio veri en suggestiofalsi hebben inzake de Risorgimento afmetingen aangenomen die voor een zogenaamd vrije staat — en daarvoor heeft Italië vóór het fascisme toch min of meer willen doorgaan — onvoorstelbaar zijn. De beste huidige kenner van de Risorgimentogeschiedenis, de Engelsman Denis Mack Smith, heeft in een van zijn boeken dan ook geponeerd dat de eliminatie van de oude, liberale Italiaanse staat door het fascisme verband houdt met wat hij noemt het „historische zelfbedrog" van die staat ten aanzien van de Risorgimento.

Dat zelfbedrog bestond voor het grootste deel hierin dat de Italianen hun staat dankten aan de militaire inspanningen van vreemde, met hen sympathiserende mogendheden maar vervolgens de eer vrijwel uitsluitend aan hun eigen dapperheidtoeschreven. Het begon dus al direct met een farce, wat vooral de militaire geschiedenis van de Risorgimento bewijst.

Aangepaste geschiedschrijving

Het hoogtepunt van de Risorgimento vormde het jaar 1859, toen keizer Napoleon III met een Frans leger naar Italië kwam om Piemont, dat het alleen nooit zouden hebben klaargespeeld, te helpen tegen de voornaamste externe vijand, het toenmalige Oostenrijk-Hongarije. Daaruit resulteerden in Noord-Italië twee veldslagen, die van Magenta en die bij Solferino, gewonnen door (of liever voor) het nieuwe Italië: de Piemontezen, die de Fransen hadden binnengehaald, vochten niet bijster goed.

De eerste slag had op 4 juni van dat jaar plaats. Er sneuvelde niet één Italiaanse soldaat en de reden daarvan werd de Fransen in de loop van de dag ook wel duidelijk. De koning van Piemont, Victor Emmanuel, wrong zich in alle mogelijke bochten om zijn mannen niet in het vuur behoeven te sturen. Napoleon verweet het hem op de avond na de slag. De Risorgimento-geschiedschrijving zou later daarvan maken dat de Franse keizer Victor Emmanuel had verzocht de dappere Piemontezen, die zich veel te roekeloos op de vijandhadden gestort, voortaan wat in te tomen!

Nicola Nisco, whose history of Italy was commissioned by the king, contrived to attribute the success of this day mainly to the Piedmontese, hut in fact U was entirely a French victory and not a single Piedmontese soldier lost his life. The true f acts were deliberately concealed from the Italian public. Complaints were made by the French that the bulk of Victor Emmanuel's army had made no attempt to move towards the sound of gunfire which lasted all day. [1]

De slag bij Solferino op 24 juni was, evenals die van Magenta, een zuiver Franse overwinning. De Piemontezen streden in een nevenactie op dezelfde dag tot de avond zo onfortuinlijk dat in de officiële geschiedenis van deze oorlog, opgesteld door een zo minutieuze instantie als de Pruisische generale staf, die slag — bij San Martino — werd geboekstaafd als een Oostenrijkse overwinning op de numeriek superieure Piemontezen. Hoe het ook zij, na het bericht over het resultaat van de slag bij Solferino trokken de Oostenrijkers zich terug, en laat in de avond konden de Piemontezen San Martino binnentrekken [2].

Elan aan de verkeerde kant

Een andere omstandigheid was nog onprettiger. In deze beide slagen — de belangrijkste mijlpalen in de geschiedenis van de Risorgimento omdat daarmee de Oostenrijkers uit Noord-Italië werden verdreven — vochten meer toekomstige Italianen aan de verkeerde dan aan de goede kant, en zij die aan de verkeerde kant streden, weerden zich beter. Gelukkig was het hoofdzakelijk een strijd tussen Fransen en Oostenrijkers, en zo kon het toch een overwinning voor de toekomstige Italianen worden.

Italian unification

In 1866, vier jaar voordat met de bezetting van Rome (1870) de kroon op het Risorgimentowerk kon worden gezet, had bij het eiland Lissa in de Adriatische zee een zeeslag plaats tussen de neo-Italiaanse natie, al direct over een vloot beschikkend, en de Oostenrijkers. Nog ervan afgezien dat de Italianen geen slechtere admiraal hadden kunnen kiezen — hij had eens een schip met de Italiaanse koninklijke familie aan boord schipbreuk laten lijden — brachten ook in deze slag de Italianen die aan de goede kant stonden het er weer slechter af dan hun broeders aan de verkeerde kant: de slag ging verloren omdat de vele Venetianen op de Oostenrijkse vloot beter voor Oostenrijk vochten dan de Italianen voor Italië.

Het was voor een groot deel ook een kwestie van de mondelinge bevelen: op de Oostenrijkse vloot werden die in het Venetiaans gegeven, een taal die ook een Bohemer moest verstaan als hij matroos wou zijn; aan de andere kant verstond in 1866 nog bijna geen Italiaan het Italiaans. De diverse dialecten heersten oppermachtig. Tullio de Mauro, eenSiciliaanse linguïst, heeft uitgerekend dat in 1870 buiten Rome en Toscane, waar de dialecten het meest op het huidige Italiaans leken, ten hoogste 160.000 personen - dat is 8 procent van de toenmalige Italiaanse bevolking — konden begrijpen waarover men het had als men iets niet in hun eigen dialect uitdrukte. (Het probleem was, tussen twee haakjes, nog zeer acuut in de Eerste Wereldoorlog en verklaart een deel van het militaire falen daarin. De gewone Italiaanse soldaat wist de meestal zeer hoogdravende bevelen niet in zijn eigen dialect te vertalen en liet zo na, die bevelenuit te voeren. Pas in de Tweede Wereldoorlog was het analfabetisme teruggebracht tot de plaag van een minderheid, en niet langer van circa de helft van de Italiaanse soldaten zoals nog in de Eerste.)

Die voor Oostenrijk gewonnen zeeslag heeft de Venetianen trouwens op geen enkele wijze gebaat. Zij kwamen, tegen hun zin, in dat zelfde jaar 1866 eveneens bij het nieuwe Italië, want Oostenrijk verloor ergens anders een belangrijkere oorlog — in Bohemen tegen het Pruisen van von Bismarck — en moest bijgevolg aan de internationale conferentietafel Venetië loslaten. De zeeslag van Lissa werd later aan het volk zo uitgelegd dat, hoe men de afloop ook bekeek, de Italianen hadden gewonnen[3].

Ten slotte kwamen dan in 1870 ook nog de Romeinen bij Italië. Zij hebben daartoe zelf nooit een zier willen bijdragen. In het plaatselijke Rome waren demonstraties noch opstanden ten behoeve van Italië voorgekomen. Het was duidelijk dat zij liever onder de paus bleven. Maar toen het nieuwe bewind in een plebisciet hun oordeel vroeg, stemde — zoals steeds wanneer onverschillige bevolkingen over hun „wederopstanding" werden gepeild — 99 procent van de stemgerechtigden vóór. Slechts 1507 Romeinen toonden hun bekende pausgezindheid; 133.681 verrieden, als eens Petrus, hun Heer.

Nationale eenheid geen eigen prestatie

Volgens zuiver Italiaanse berekeningen had de Risorgimento moeten mislukken. Hij lukte alleen omdat het buitenland erbij werd gehaald. Cavour, die wel eens de Bismarck van Italië is genoemd, leek feitelijk niet erg op de „ijzeren kanselier": von Bismarck stampte door Duitsland en stelde daarna, zo goed en zo kwaad als dat ging, het buitenland gerust; Cavour verzette in Italië geen stap zonder zich van de steun van buitenlandse mogendheden te hebben verzekerd.

Garibaldi vond die tactiek verkeerd. Een feit blijft dat hij steeds met zijn hoofd tegen de muur liep als hij de zaken „zuiver Italiaans" trachtte op te lossen, zonder op de internationale constellaties te letten.

Zo werd Italië om geen andere reden Italië, dan omdat half Europa de Risorgimento voor de Italianen wat men noemt „opknapte". Achtereenvolgens oefenden Frankrijk, Engeland en Pruisen de druk uit die nodig was om Oostenrijk, het land dat de Risorgimento tegenhield, uit Italië weg te krijgen. En zij behielden zich niet eens de auteursrechten van het epos „Italiaanse eenwording" voor. Die stonden zij af aan een Italiaanse regie, die nu onmiddellijk met eigen helden en martelaars ging werken, tot grote stichting van de nieuwe natie waarvan ca. 95 procent het gevoel had dat men weliswaar op het appel had ontbroken maar nu langs de weg van de „ontroering" een kans kreeg die fout goed te maken.

Dit alles als bewijs van wat men ook in een vrij land met de geschiedenis kon uithalen om haar aan de politieke mode aan te passen. Een heroïsche zelfbevrijding? De Risorgimento — en ten slotte waren haar voormannen een kwarteeuw lang niet gelukkig als zij Oostenrijk niet in een oorlog hadden weten te verwikkelen — heeft tussen 1846 en 1870 het relatief bescheiden aantal van 6000 patriottische doden met zich gebracht en 20.000 gewonden. Alleen de Fransen hadden al meer slachtoffers te betreuren toen zij, hoofdzakelijk om de Risorgimento te gerieven, in 1859 Italiaanse bodem betraden om de Oostenrijkers daarvan te verdrijven: Magenta en Solferino kostten hun 8000 gesneuvelden. De totale buitenlandse bloedoffers, in Italië vóór de Italianen gebracht, hebben zeker het dubbele van die van de Italianen zelf bedragen. Maar daarover is in honderd jaren met bijna geen woord gerept!

Van hetzelfde laken . . .

geallieerden in Italië

Geallieerden in Italië

Dat het geen toeval kan zijn en dat dit de regie is die bijna instinctief wordt gevolgd als het om de „morele" plaats van Italië in de wereld gaat, bewijst de analoge tactiek cie na de geallieerde bevrijding van Italië is gebezigd. Sedert de oorlog zijn dertig jaar verlopen; voldoende om in binnenen (een zeker) buitenland met frappant succes het beeld ener heroïsche zelfbevrijding van Italië van het fascistische juk ingang te doen vinden. Onlangs was generaal Mark Clark in Italië om dat land, waar intussen de vreemdste mythen over de Tweede Wereldoorlog opgeld doen, discreet eraan te herinneren dat er dertig jaar geleden zo iets als een bevrijding van Italië door de Westelijken heeft plaatsgehad. Hij bezocht er soldatenkerkhoven en werd ontvangen door de president van de republiek.

Indien men nu echter zou denken dat het democratische gedeelte van de vrije Italiaanse pers deze gelegenheid zou hebben aangegrepen om het communistische of paracommunistische gedeelte van die zelfde pers een overtuigende les in geschiedenis te geven, vergist men zich toch.

In het huidige Italië wordt nog slechts zelden herinnerd aan de bijdrage van de Westelijken aan het tot stand komen van een vrije Italiaanse samenleving. Daarvoor is de behoefte veel te sterk er weer een onvrije van te maken.

Het fascisme heeft het land zeer geschaad, maar de grootste schade was misschien dat een fascistische mentaliteit op de tegenwoordige anti-fascisten is overgeërfd. Aldus Renzo de Felice, de leidende contemporainhistoricus van Italië.

Eén van de resultaten van deze houding is geweest dat thans ongeveer een op drie Italianen voorgeeft dat hij aan een bevrijding van Italië door Sovjettroepen de voorkeur zou hebben gegeven. In elk geval had het naoorlogse Italië dan geen democratische taak gehad en mettertijd is steeds duidelijker geworden dat er na 1945 maar al te veel jongere Italianen waren die, onder invloed van hun ouderlijke huis, altijd allergisch op de democratie zijn blijven reageren, ook als zij voorgaven daarvan voorstander te zijn.

Communisten van fascistischen huize

Typisch voor de situatie is dat de zoons en neven van zeer vooraanstaande fascisten nu even vooraanstaande communisten zijn. De hoofdredacteur van het partijblad l'Unitd luistert naar een notoire fascistische naam, Pavolini. In bladen als l'Unita wordt bijna dagelijks over het Amerikaanse „fascisme" geschreven. Wat zij echter het land, dat in Italië een zeer concreet fascisme hielp wegwerken, in wezen eerder en meer kwalijk nemen, is dat de mensen er zo in democratie geloven.

Intussen heeft de Sovjet-Unie Italië niét bevrijd.

Ja, de Sovjet-Unie heeft na de oorlog van Italië zelfs zeer hoge herstelbetalingen geëist, terwijl de Westelijken van elke schadeloosstelling hebben afgezien (en Amerika in feite de Italiaanse schadevergoedingen aan Rusland betaalde). Geen (propagandistische) nood: in dit land waar nog steeds nieuwe voor oude analfabetismen worden ingeruild, heeft de communistische partij niet zonder succes de massa verteld dat het weliswaar niet de Sovjets, maar in elk geval wél de Italiaanse communistische verzetslieden zijn geweest die Italië van het fascisme hebben bevrijd. Zeker, de zoons en neven van de fascistische „hiërarchen" waren daar niet bij, maar dertig jaren zijn een lange periode en alleen ouderen zijn nu nog verbaasd als zij de namen horen van de communisten die thans in vele delen van Italië reeds de macht hebben overgenomen. Deze koesteren uiteraard een diepe haat tegen andere exfascisten, die niet helemaal communist werden maar ergens halverwege, misschien op meer democratische posities, bleven steken.

Vooral tegenover hen volgen zij een beproefde tactiek die ook elders in de wereld niet zonder succes is maar die in het onkritische Italië mede wordt ondersteund door grote delen van de rechterlijke macht, waarin communisten nu evenzeer op de voorgrond treden als fascisten vroeger.

Die tactiek komt erop neer de gedachte ingang te doen vinden dat de weinige ex-fascisten die oud werden zonder hun hart voor het communisme te hebben ontsloten, uitermate gevaarlijk zijn voor de Italiaanse democratie, doch dat daarentegen al die jongere fascisten die volledig communist zijn geworden, die democratie „vernieuwen". Vandaar sinds jaren al dat onderzoek naar zogenaamde „staatsgrepen", waardoor de bestrijding van de echte criminaliteit zwaar in de verdrukking is gekomen.

Het is een klassiek voorbeeld van een „politicologisch" inzicht zoals de Duitse socioloog Helmut Schelsky dat beschrijft in zijn boek Die Arbeit tun die Anderen:

Eine kritisch-aggressive Haltung ohne reale Substanz eines Gegners schlagt fast automatisch in einen Herrschaftsanspruch urn, der von der Illusion und der kiinstlichen Erzeugung der alten Gegnerschaften lebt.

Dit is het negatieve werk van de communistische „Herrschaftsanspruch" in Italië. Als positivum dient de Resistenza, zij het dan vervalst op een manier zoals niet eens de Risorgimento vervalst werd. Maar zij schijnt de Italiaanse politieke fauna nu in te geven dat de „geschiedenis" wel eens zou kunnen marcheren aan de kant van de communisten die hun aanspraken in Italië, meer dan op iets anders, baseren op de grote rol die zij in het verzet zouden hebben gespeeld. Daarvan is een hele mythologie gemaakt die er bij de zeer frequente, altijd propagandistisch bedoelde herdenkingen van de bevrijding van Italië van het „nazi-fascisme" steevast toe leidt dat — ten behoeve van de „geschiedenis" als politiek manipulatiemiddel — de geschiedenis als controleerbaar gegeven zwaar geweld wordt aangedaan.

Geweken gevaar, vermeerderd heidendom

De feiten immers zijn, dat noch aan de val van Mussolini noch aan de bevrijding van Italië uit de macht van het Duitse leger ook maar een Italiaans verzet te pas is gekomen.

In een in 1966 verschenen boek, Storia dell'Italiapartigiana, van de ideologisch links-georiënteerde, maar de feiten niet verdraaiende journalist Giorgio Bocca, staan de volgende cijfers vermeld over het aantal verzetslieden: 1500 in september 1943, 50.000 in oktober 1944, en 250.000 a 300.000 na de Duitse capitulatie.

bevrijding van Napels

Bevrijding van Napels

Toen de geallieerden moeizaam naar Noord-Italië oprukten (in september 1943 viel Napels, in augustus 1944 Florence, in april 1945 Milaan), bleef de steun van het Italiaanse verzet in de delen van Italië die nog in Duitse handen waren, tot de persoonlijke bijdrage van enkele tienduizenden beperkt. Naoorlogse commissies deelden weliswaar certificaten van „partigiano combattente" uit aan 232.841 personen en van „patriota", d.w.z. helper, aan 125.714 personen, maar deze getallen hadden niets met de werkelijkheid van doen. Het waren visitekaartjes voor een post-fascistisch Italië.

Hoe in Italië dergelijke dingen worden gedaan, bewijst een „concorso" in het staatsblad van 4 juli 1975, waarbij personen tussen 18 en 32 jaar naar een staatsbetrekking konden mededingen. De laatste leeftijd werd verhoogd tot 40 indien de kandidaat zelf door het fascisme was vervolgd, en tot 55 indien hij zijn vader in de Eerste Wereldoorlog had verloren: men behoeft geen rekenwonder te zijn om zich te verbazen, aangezien het fascisme eindigde in 1943 en de Eerste Wereldoorlog in 1918!

Opmerkelijk is de volkomen passieve wijze waarop destijds de hoofdstad Rome de bevrijding door de geallieerden over zich liet komen. In de eerste vierentwintig uur na de bevrijding was er, naar ooggetuigen berichten, nog nauwelijks een Romein op straat. Pas toen bekend werd dat de Duitsers op veilige afstand van Rome waren, stortte de bevolking zich hysterisch uit de huizen.

Bevrijders verloochend, verzet gemonopoliseerd

Het is nodig op deze omstandigheid te wijzen daar intussen bij de herdenkingen nauwelijks nog van de geallieerden sprake is. Ook op de scholen wordt een geschiedenis van de bevrijding onderwezen die slechts van het Italiaanse aandeel daarin spreekt. Dat kan geen toeval zijn, want sinds honderd jaar wordt evenzo ook de Risorgimento onderwezen als een zaak die alleen door het Italiaanse volk tot stand was gebracht.

Nadat op die manier bij de jeugd de geallieerde bijdrage — een bijdrage die vrijwel de volle honderd procent bedroeg — zeer is vervaagd, zijn nu de communisten nog een stap verder gegaan: zij bestempelen als onwezenlijk of vals alle verzet dat niet door hun groepen, de zogenaamde garibaldini, werd gedragen. De autonome, door militairen geleideverzetsgroepen en die van niet-communistische ideologische richtingen overtroffen echter de garibaldini verre. De these van de Italiaanse communisten — die in haar absurditeit alleen kan worden begrepen in een land waar nog steeds nieuwe vormen van ongeletterdheid opduiken — zou praktisch inhouden dat een handvol van 5000 a 10.000 communistische verzetslieden bij de bevrijding van Italië de doorslag zou hebben gegeven Daarbij staat vast dat deze Italiaanse communisten er ten opzichte van de Duitse bezetter een tactiek op nahielden die ongeveer het tegendeel was van wat bijvoorbeeld de Joegoslavische communisten deden. Direct contact met de vijand werd zoveel mogelijk vermeden. De hoofdzaak was zich met politieke middelen naar voren te werken en zich eerst na de oorlog als de macht te presenteren.

Hoe het er met de Italiaanse communistische partij aan de vooravond van de geallieerde overwinning voorstond, beschrijft, voordat de mythen begonnen, heel goed Franz Borkenau in Der europaische Kommunismus (München (1952)):

Die italienische kommunistische Partei hatte durchaus kelne ruhmvolle Vergangenheit. Seit der Beseitigung der letzten Reste der Demokratie im Jahre 1927 war die Partei mehr tot als lebendig gewesen und hatte fast ausschliefilich als Exilpartei gewirkt. Auf dem achtzehnten Parteitag der russischen kommunixtischen Partei hatte Manuilsky im Frühjahr 1939 als Berichterstatter über die Komintern ohne Umschweife erklart, man müsse „eine ernste Schwache der italienischen kommunistischen Partei feststellen. In all den langen Jahren der faschistischen Diktatur war sie nicht imstande, eine starke illegale Organisation zu schaffen". Er beklagte dann ihren völligen Mangel an Masseneinflufi. Keine andere Partei war in seinem Bericht so übel gefahren.

Zo was de situatie in feite ook nog aan de vooravond van de „bevrijding" van 1945 die dank zij een bekwame communistische regie nu, in 1975, aan een ongeïnformeerde of vergeetachtige Italiaanse massa kan worden voorgeschoteld als een „in wezen" communistische prestatie.

De communisten hadden zeker in 1943 nog nauwelijks contact met de interessantste haarden van Italiaans verzet. In dat jaar breidde zich in Noord- Italië, uitgaande van Turijn, een grote staking uit. De communisten hadden er part noch deel aan, en toch was dat vrijwel de enige zaak die de Duitsers, zolang zij zich in Italië bevonden, ooit heeft verontrust.

fascistische republiek noord-italie

Fascistische republiek Noord-Italië

De Risorgimentogeschiedenis herhaalde zich in die tijd ook in zoverre, dat vooraanstaande latere communisten — die op bevrijdingsdag eindeloze parades van „partigiani" plegen af te nemen en daarbij natuurlijk met geen woord de bijdrage van de geallieerden vermelden — zelfs na de val van Mussolini nog voor de Duce kozen toen deze, door Hitler van de Gran Sasso gehaald, in Saló een Italiaanse schijnregering opzette.

Zulks was het geval met Guido Fanti, de man die sedert 1966 onbestreden aan het hoofd heeft gestaan van het Bolognese communisme dat in die stad en zeer wijde omtrek nu dertig jaar lang aan de macht is. (Bij de laatste nationale verkiezingen (1972) behaalde de CP in de desbetreffende streek, Emilia-Romagna, 43,9 procent van alle stemmen.)

Zoals de wind waait...

Van Guido Fanti heeft elke geïnformeerde altijd geweten dat hij in 1943/45 — dus in de periode van het verzet waarin later elke communist van een bepaalde leeftijd „partigiano" heette te zijn — de wapens voor de verkeerde kant heeft gevoerd. Hij voegde zich pas in 1949 bij de communistische partij. Toen hij daar uitermate nuttig werd, was het verleden spoedig vergeten. Pas in de laatste tijd, nu andere Bolognese communisten hem zijn positie van „Big boss" beginnen te benijden, wordt dat verleden weer discreet naar voren gebracht.

De Italiaanse communistische partij doet, evenals de Risorgimento na 1870, dus in de eerste plaats aan regie en pas in de tweede plaats aan geschiedenis als zij het nu laat voorkomen alsof elke goede Italiaan tijdens fascisme en oorlog bij het communistische verzet was.

De werkelijkheid is dat de communistenleider Togliatti, toen hij in 1943 terugkeerde uit Moskou — waar hij zich, opportunistisch, steeds aan de kant van Stalin had opgesteld, ook toen deze bijna al zijn Italiaanse medeballingen liquideerde — in zijn eigen land de CP totaal opnieuw moest opbouwen. Hij deed dat door daarin, zeer opportunistisch, allen op te nemen die door de grote macht van de Sovjet-Unie waren geïmponeerd of die zich, door zich achter die macht te verschuilen, des te gemakkelijker konden veiligstellen. In dit verband is het stellig typisch dat Bologna en omgeving voor, in en na 1922 een grote rol heeft gespeeld bij de geboorte en de groei van het fascisme in Italië. Het was de meest fascistische streek van het hele land. Eerder was het trouwens ook al de meest socialistische streek geweest: Mussolini kwam, zoals bekend, uit de Romagna, en was eerst een fervente socialist.

In de democratische landen met consequentere opvattingen over politiek is men misschien geneigd dergelijke gedaanteverwisselingen op morele gronden te veroordelen. Ook in Italië bestaat een minderheid die aan het nationale bestaan meer morele criteria zou willen aanleggen. Maar daarmee ontzegt men zich wel elke toegang tot beter begrip van de zaken zoals die in Italië altijd zijn gelopen: "zij lopen daar nu eenmaal nooit consequent en moreel, maar altijd „historisch".

Van de 95 procent van de Italianen omvattende groep die eerst niet aan de Risorgimento meedeed omdat zij te weinig Italiaans voelde, was na het paradoxale succes van deze voor de mislukking geboren beweging nagenoeg niemand meer te herkennen.Hoe beredeneerden zij dat? Wel, de „geschiedenis" had zich tegen hen verklaard en daarmee, wat alle meer morele vragen naar hun toegeeflijke houding betreft, basta. Inderdaad, als zij niet meer weten wat te doen, is er niets waarvoor juist „revolutionaire" Italianen meer respect hebben dan voor de „geschiedenis".

Daarom ook heeft Enrico Berlinguer, de leider van de Italiaanse communisten, de enige weg naar de macht die hij voor zijn partij ziet, te weten de samenwerking met de katholieken, betiteld als een „compromesso storico" — een historisch compromis — al is dat alles nu nog helemaal toekomst.

Daar moet het heen met die vreemde herhaling van de Risorgimentogeschiedenis die men thans in Italië tracht te ensceneren, met de communisten in dezelfde rol als de minoriteit die — hoofdzakelijk met buitenlandse steun — destijds de eenheid van Italië heeft doorgezet. Zoals 100 jaar geleden Italië om „historische" redenen één werd, zo dient het nu om even „historische" redenen communistisch te worden. Een grote meerderheid van het volk is daar nog tegen, maar — die hoop hebben de communisten uit de Risorgimentogeschiedenis geput — misschien slechts tot nader order.

Wordt de internationale constellatie opnieuw zo dat de buitenlandse macht, waarop de communisten vertrouwen, de andere buitenlandse machten, waarop hun tegenstanders zich baseren, uit het land zou weten weg te manoeuvreren — zoals Fransen, Engelsen en Duitsers tijdens de Risorgimento Oostenrijk uit Italië wegwerkten — dan zou het pleit gewonnen zijn. In zo'n geval gaat ook de rest van het volk „om".

Legendevorming

In 1861 werd Italië een koninkrijk, in 1946 een republiek. De overeenkomst tussen die jaartallen schuilt in het merkwaardige feit dat de Italianen noch hun koninkrijk noch hun republiek ooit zouden hebben gekregen als buitenlandse legers niet eerst het land hadden gezuiverd van de resten vaneerdere staatsvormen.

Een tweede merkwaardig feit is dat de Italianen de grootste moeite hebben de waarheid van het eerste te accepteren. Vandaar krampachtige, door gewonde trots ingegeven, pogingen om de wereld duidelijk te maken dat zij, meer recent, zich zelf van het fascisme hebben bevrijd evenals zij, wat verder in de tijd teruggaande, zelf de eenheid van hun land tot stand hebben gebracht, met één koningshuis in de plaats van de vele vorstenhuizen vóór 1861. Zo schiepen zij achter elkaar twee legenden: na 1861 die van de Risorgimento en na 1945 die van de Resistenza. In beide gevallen leidde dit ertoe dat de werkelijke historische gang van zaken mettertijd volledig uit het nationale bewustzijn werd verdrongen.

Met welk een grondigheid dat gebeurde, valt hieruit op te maken dat, pas honderd jaar na de Risorgimento, ontwikkelde Italianen met grote verbazing moeten vaststellen dat de rol van het buitenland in deze beweging niet gering is geweest, ja de weegschaal heeft doen doorslaan.

Gaat de Resistenza nu ook de bijdrage van het buitenland verdringen? Het is zeker een veeg teken dat men over „het" verzet als ideologisch instrument nu ongetwijfeld het meeste hoort in een land waarin dat in de ware zin van het woord nauwelijks is voorgekomen, Italië.

Terwijl in alle landen die een fatsoenlijk aantal verzetslieden hebben voortgebracht, naar de woorden van Christian Pineau, een Franse verzetsman, nu een „malaise van het verzet" merkbaar wordt, schijnen de Italianen integendeel nu pas echt enthousiast over zich zelf als verzetslieden te worden: er gaat daar feitelijk geen week voorbij waarin niet in de een of andere stad een „verzetscongres" plaatsvindt waar de bijdrage van het Italiaanse verzet tot de bevrijding van het land van het „nazi-fascisme" tot in haar meest perifere aspecten „wetenschappelijk" wordt behandeld.

Het verschijnsel is bij voorbaat paradoxaal, in hoofdzaak al wegens de vertraging waarmee het zich voordoet. Dertig jaar lang wisten alle ook maar enigszins geïnformeerde Italianen uitstekend hoe het fascisme zijn Mussolini en Italië zijn fascisme was kwijtgeraakt. Daaraan kwam geen schijn van Italiaans „verzet" te pas. De Westelijken namen deze taak van de Italianen over door in 1943 in Italië te landen. Zij rukten er, zoals men weet, slechts zeer langzaam naar het Noorden op, ten dele door algemeen strategische redenen — de nadruk kwam nadien te liggen op landingen in Frankrijk — maar voor een deel ook verklaarbaar door de passieve houding van de Italianen bij de liquidatie van het fascisme.

Chauvinistische interpretatie

In de naoorlogse geschiedschrijving hebben zij al dat uitgebleven verzet eerst vergoelijkt met de these dat de geallieerde bevelhebbers om politieke redenen de opkomst van een massaal verzet niet wensten. (De Italianen zitten nooit verlegen om excuses waarom iets niet is gebeurd!) In de Nederlandse .geschiedenis kent men de Franse diplomaat die op het vredescongres van Utrecht in 1713 verklaarde dat de vrede zou worden gesloten bij, voor en zonder de Nederlanders („chez vous, pour vous et sans vous").

In de Italiaanse verzetsgeschiedenis bekleedt Churchill, aan wie Roosevelt en Stalin min of meer de regeling van de Italiaanse zaken hadden overgelaten, een analoge positie: hij zou pertinent hebben gewild dat de oorlog in Italië bij, voor en zonder de Italianen zou worden gevoerd.

De Italianen wilden in dat eerste naoorlogse stadium dus eigenlijk suggereren dat, indien het geallieerde opperbevel niet zo kortzichtig was geweest, een „militaire massa-actie van aanzienlijk belang" (Federico Chabod) zou zijn ontplooid.

Met andere woorden, zij zouden in staat zijn geweest tot militaire prestaties die in 1944 niet eens konden worden geleverd door de Fransen, met alle hulp die dezen kregen en met alle gedegen voorbereidingen die hun verzetskaders hadden getroffen [4].

Die these was onacceptabel. Maar nóg onacceptabeler is de nieuwe these die thans, dertig jaar na de oorlog wordt verkondigd en die wil dat het Italiaanse verzet bij de bevrijding van het land zo'n kardinale rol heeft gespeeld dat men er niet genoeg over kan praten, er niet genoeg films over kan maken en, vooral, er de Italiaanse communistische partij niet genoeg voor kan bedanken dat zij dat verzet heeft geleid.

In het buitenland zal men wellicht sceptisch zijn over dergelijke pretenties, maar dat het in Italië mogelijk is onverschillig welke mening ook over een historisch gebeuren ingang te doen vinden, mits de rol van de Italianen daarbij behoorlijk wordt geaccentueerd, blijkt wel uit het beroemde voorbeeld van de Risorgimento: wie weet tegenwoordig nog dat het in de eerste plaats de buitenlanders waren die het succes van deze beweging hebben verzekerd? Bijna automatisch wordt de naam van Garibaldi ermee verbonden, wat haar tot een heroïsche Italiaanse aangelegenheid stempelt.

Toch zou er van heel die Risorgimento niets zijn terechtgekomen, en ook Garibaldi zou hopeloos zijn hoofd hebben gestoten, indien niet ook toen westelijke mogendheden het op zich hadden genomen de zaak voor de Italianen op te knappen, waarna het misschien kon lijken dat de Italianen het zelf hadden gedaan zodat de schone schijn — de „bella figura" — kon worden gered.

propaganda voor Garibaldi

Propaganda voor Garibaldi

Om, bijvoorbeeld, het enthousiasme van het buitenland voor de Risorgimento aan te wakkeren, stuurde Cavour tijdens de Krimoorlog een eenheid Piemontezen naar het geallieerde front om er de Engelsen en Fransen te helpen. Uiteraard verschafte dat het in staat van wording verkerende jonge Italië de gewenste publiciteit, maar terwijl de geallieerden zware verliezen leden, volbracht het Piemontese „expeditieleger" het kunststuk van slechts een dozijn doden alvorens het oorlogstoneel weer te verlaten.

Toch zou de koning van Piemont, dezelfde Victor Emmanuel die in 1861 de eerste koning van Italië zou worden, nog jarenlang een stille wrok tegen Engeland koesteren omdat men hem niet als bevelhebber over alle troepen op de Krim had willen accepteren.

D. Mack Smith, de Engelse historicus die meer over de Risorgimento weet dan wie ook, met inbegrip van zijn Italiaanse collega's, schrijft daarover:

He (offered), on certain conditions, to take personal command of both the French and British armies in the Crimea; when this particular offer was taken less seriously than hè had hoped, hè was extremely angry, and remarked that the British were jealous of him and feared a strong Italy that would mean their decline as a great power.

Toen de Italiaanse eenheid tot stand was gekomen, duurde het trouwens niet lang of de Italiaanse kinderen kregen op school te horen dat Italië de Krimoorlog voor de Engelsen en Fransen had gewonnen

In 1912 had een Piemontese schoolmeester, Luigi Cesare Bollea, al in de gaten dat de Italiaanse schoolkinderen over de Risorgimento hoofdzakelijk sentimentele onzin te horen kregen. In Turijn bestudeerde hij vele verhelderende documenten, en hij trachtte die ook uit te geven. Dat deed hem verwikkeld raken in hoogst langdurige en onaangename kwesties met de politie en met de rechtbanken.

De zaak kwam ten slotte zelfs in het parlement. De toenmalige Italiaanse minister-president, Giolitti, verklaarde officieel dat de Risorgimento van een halve eeuw eerder nog veel te vers was om op de historische ontleedtafel te worden gelegd.

Het zou niet juist zijn indien fraaie legenden door historische kritiek zouden worden gediscrediteerd. Aldus Giolitti (een van de nuchterste staatslieden die Italië ooit had!).

l'Histoire se repète . . .

Op de scholen is thans weer precies hetzelfde aan de hand, wat die fraaie, maar politiek gesproken eveneens zeer tendentieuze Resistenza aangaat.

Maar het onderwijs in Italië is, mét de fabrieken en de universiteiten, dan ook al volledig „omgeturnd". Thans staan de Italiaanse strijdkrachten op het programma van de communistische „Umerziehung", die nauwelijks op problemen zal stuiten in een land waar de grens tussen zelfbedrog en bedrogen worden sterk is vervaagd.

Literatuur

1. D. Mack Smith — Victor Emanuel, Cavour, and theRisorgimento. Oxford University Press, Londen (1971)

99.

2. Zie l, blz. 103, 104.3. Zie

l, blz. 333. 4. M. R. D. Foot — SOE in Francs. H. M. Stationary

Office, Londen (1968)2.