We hebben 294 gasten online

Griekse geschiedenis van 1912 tot 1954

Gepost in West-Europa

 

kaart Griekse expansie 1832-1947

 

 

 

 

 

Veertig jaar Griekse geschiedenis van 1912 tot en met 1952

 

H. Toorenvliet

 

publicist

 

Het huidige Griekenland (1977) neemt in het NAVOverband een vrij onafhankelijke en daardoor losse positie in. Een stellingname die vergelijkbaar is met die van Frankrijk. Wanneer men zich beperkt tot de NAVO-bondgenoten en de NAVO-landen in los verband, dan staat in het centrale en oostelijk gedeelte van de Middellandse Zee Griekenland qua militaire sterkte op de tweede plaats. Numeriek zou deze plaats aan Italië toekomen. Maar aangezien voor Italië — ondanks de uitslag van de jongste verkiezingen — eigenlijk alleen maar een voortzetting van de economische malaise en politieke onmacht zijn te verwachten, kan dat land als machtsfactor van betekenis voorlopig worden verwaarloosd.

Daarbij is sinds een kleine twee jaar bij de Italiaanse strijdkrachten ook een zogenaamd moderniseringsproces aan de gang. De eerste resultaten daarvan waren in 1975 al waarneembaar en wel in de vorm van voedselweigeringen, die in rellen uitliepen. Tevens kan nog in aanmerking worden genomen, dat de discipline bij de Italiaanse strijdkrachten slechts een uiterlijk verschijnsel is en dan alleen in vredestijd.

Militair gezien is het een feit, dat men meer waarde kan toekennen aan één geheel complete en perfecte divisie dan aan een legerkorps waarvan men de waarde niet meer kan bepalen en ten hoogste kan gissen. Zowel in Griekenland zelf als daarbuiten wordt door velen de hedendaagse situatie gezien als één van politieke stabiliteit in een behoorlijk economisch klimaat. Verder zullen de wrange herinneringen aan de jongste burgeroorlog de voortzetting van de situatie van nu alleen maar in de hand werken.

Aangezien Griekenland aan drie — zij het dan van genuanceerde pluimage zijnde —• communistische landen grenst, is men toch in Athene wel degelijk van het besef doordrongen dat het sterke en eveneens stabiele Turkije een machtsfactor van positieve betekenis is. Het is nu eenmaal buiten kijf, dat in de Griekse buitenlandse politiek de relatie tot Turkije altijd de belangrijkste rol speelde. De, over een langdurige en veelzijdige ervaring beschikkende, Griekse premier Karamanlis is en blijft in zijn hart een voorstander van goede betrekkingen met Turkije.

Opvallend is, dat men zich Athene eigenlijk stilzwijgend heeft neergelegd bij de ontstane deling van Cyprus. Ondanks alle bestaande en soms hooglopende onenigheden is evenwel een optimistische prognose niet misplaatst. Gedreven door het gezonde verstand en realiteitszin, die aan beide zijden aanwezig zijn, zullen binnen afzienbare tijd door beide partijen wel pogingen moeten worden ondernomen door besprekingen de bestaande geschillen op te lossen. De twee landen die, duidelijker dan wie ook, de vergroting van de machtspositie van de Sovjet-Unie in de Middellandse Zee kunnen waarnemen, zijn immers Griekenland en Turkije. Het risico van een lokale oorlog is te groot geworden. Het enige daarvan te verwachten resultaat is: de zelfmoord van twee onafhankelijke staten.

In de 19e eeuw, in 1832, werd het moderne Griekenland onafhankelijk door definitief de Turkse overheersing af te schudden. Daarna wisten de Grieken door strijd en soms door opportunistische handelingen steeds meer gebied aan hun territorium toe te voegen. De grootste gebiedsuitbreiding kwam na de twee Balkanoorlogen tot stand. Daarom begint het volgende overzicht in 1912.

Snelle opmars naar Saloniki

Op 8 oktober 1912 ging de Griekse landmacht de Eerste Balkanoorlog in met een sterkte van 115.000 man. Dat de Turken in het opmarsgebied niet over voldoende troepen beschikten, werd aangetoond door de snelle Griekse doorstoot naar Saloniki. De voorsteden daarvan werden al op 26 oktober bereikt, en de stad zelf viel op 8 november in Griekse handen. De Turken hadden niet alleenaan de Grieken maar tevens aan de Serven, Bulgaren en Montenegrijnen tegenstand te bieden.

In totaal was dat voor hen stellig geen gemakkelijke opgave. De Griekse opperbevelhebber was de — toen 55 jaar oude — zeer kundige generaal Danglis, die tevens over artillerietechnische bekwaamheden beschikte. Nog kolonel zijnde ontwierp hij een nieuw type berggeschut. Door de bekendste Franse wapenfabrikant werd dit kanon onder de naam Schneider-Danglis op de markt gebracht. Niet alleen bij de Franse en de Griekse maar ook bij verschillende andere strijdkrachten werd deze doelmatige vuurmond in gebruik genomen.

Met de inneming van Saloniki hadden eigenlijk de Grieken hun voornaamste doel bereikt, en toen de Turken, gedwongen door de overmacht, een wapenstilstand moesten vragen waren zij oprecht verheugd. Het resulteerde in het tot stand komen van de conferentie van Londen, die hoofdzakelijk de tegenstellingen van de overwinnaars onderling duidelijk aan het licht bracht.

Op l juni 1913 sloten de Grieken met de Serven een verdrag, dat in de naaste en de wat verdere toekomst belangrijke gevolgen zou hebben. Griekenland verplichtte zich namelijk in het geval van een aanval van een derde mogendheid (Bulgarije!) op Servië, dit land met 150.000 man te zullen bijstaan. Nauwelijks vijf weken later was dat al het geval, want op 5 juli vielen de Bulgaren de Serven in de rug aan. Behalve door de Grieken werd Servië nu door Montenegro, Roemenië én Turkije militair gesteund. Logischerwijze moesten de Bulgaren tegen deze coalitie spoedig het onderspit delven.

Bij de met bekwame spoed tot stand gekomen vrede was voor de Grieken het belangrijkste dat zij nu in Macedonië met de Serven een gemeenschappelijke grens hadden verkregen. Even gaf dit beide volken een — zij het stellig misplaatst — gevoel van veiligheid. Aan het einde van de Tweede Balkanoorlog beschikten de Grieken over een landmacht met een sterkte van ruim 250.000 man.

Het Griekse dilemma

Overduidelijk bleek bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog dat de Dubbelmonarchie wel en Servië niet als de aanvaller kon worden bestempeld. De militaire operaties van het zich met de moed der wanhoop verdedigende kleine Servië en het nog kleinere Montenegro dwongen de bewondering van vriend en vijand af. Pas na de directe deelneming van Duitsland en van Bulgarije zou voor hen een noodlottige afloop volgen. Bulgarije sloot zich begin september 1915 bij de Centralen aan en verplichtte zich daarbij binnen enkele weken met militaire middelen in te grijpen. Bulgarije mobiliseerde op 21 september en drie dagen later deden de Grieken hetzelfde. Bij deze mobilisatie bleken de Grieken in staat binnen 14 dagen een vijftiental divisies met een totale sterkte van 200.000 man op de been te brengen. Op 14 oktober verklaarde Bulgarije de oorlog aan Servië en daardoor waren de Grieken verplicht, ingevolge bovengenoemd verdrag, Servië opnieuw bij te vallen.

Dat dit niet gebeurde is in de eerste plaats op de rekening van de pro-Duitse koning Constantijn te schrijven. Deze had zich al in maart weten te ontdoen van de pro-geallieerde premier Venizelos door in diens plaats de plooibare Gunaris aan te stellen. Mede doordat de publieke opinie in Griekenland zeer pro-Frans en uitgesproken pro-Servisch was, moest de regering de geallieerden wel toestaan een landing in Saloniki ten uitvoer te brengen. Van deze basis uit zou men trachten de Bulgaren het leven zuur te maken.

oorlog op de Balkan

Vanzelfsprekend ontstond een front, maar onder het opperbevel van de Franse generaal Sarrail hadden maar zeer weinig werkelijke oorlogshandelingen plaats. De Centralen kregen volop gelegenheid de Servische en Montenegrijnse tegenstand geheel te breken. Dit verzet had tot medio januari geduurd. Wel was men erin geslaagd nog een vrij groot gedeelte van de Servische troepen — na een werkelijk heroïsche terugtocht — naar het eiland Korfoe te evacueren. Ruim een jaar later zouden deze Servische troepen, geheel hersteld en opnieuw toegerust, „L'armée de l'orient" via Saloniki komen versterken.

In 1916 speelden zich in Griekenland enkele zaken van belang af. In juni blokkeerden de geallieerden de kusten en op 15 oktober bezetten zij Athene. Dit stelde drie dagen later Venizelos in de gelegenheid een nieuwe regering te vormen, waarna hij zich met zijn kabinet in Saloniki vestigde. Op 26 november 1916 verklaarde Griekenland eindelijk de oorlog aan Bulgarije én aan Duitsland. In deze periode had ook Roemenië zich militair voor de geallieerde zaak ingezet, maar al op 6 december werd Boekarest door de Centralen ingenomen.

Bij de nabeschouwing van dit tijdsbestek is maar één zaak vast te stellen, namelijk dat de woorden coördinatie en timing nog niet in het geallieerde woordenboek voorkwamen.

De bakens worden verzet

Koning Alexander 1 van griekenland

Koning Alexander 1 van Griekenland

Vóór de afgedwongen abdicatie van koning Constantijn, op 27 juni 1917, bestond het Griekse gedeelte van het oriëntleger uit ternauwernood 25.000 man, onder commando van generaal Zymbrakakis. Mede door de nieuwe legerorganisatie, waarvan Venizelos de grote mentor was, werd het in betrekkelijk korte tijd mogelijk het Griekse aandeel op te voeren tot tien divisies met een totale sterkte van bijna 160.000 man. Het gehele Griekse leger kreeg een totale sterkte van 300.000 man en voor het opperbevel werd teruggegrepen naar de beproefde krachten van generaal Danglis.

Alleen al het bestaan van het Franse expeditiekorps — met een sterkte van 210.000 man de grootste partner in het oriëntleger — was in Frankrijk telkenmale aan veel kritiek onderworpen geweest. Maar in deze fase van de oorlog kon van terugtrekking geen sprake meer zijn. En niet alleen uit politieke en militaire overwegingen, maar het was ook technisch onuitvoerbaar door gebrek aan scheepsruimte.

De onder commando van generaal Milne staande Engelsen wier expeditiekorps ongeveer 135.000 man sterk was, gingen akkoord met de Franse voorstellen voor een commandowisseling. Sarrail werd vervangen door de kundige generaal Guillaumat, die onmiddellijk grote activiteit ontplooide.

Van het oriëntleger maakten nu tevens vier kleine Italiaanse divisies en acht Servische divisies deel uit, die van een geheel nieuwe uitrusting waren voorzien. De Serven, met een totale sterkte van 120.000 man, stonden onder commando van generaal Boyevitch en de Italianen, wier totale sterkte bijna 45.000 man bedroeg, stonden onder bevel van generaal Mombelli.

Bij de jaarwisseling 1917/18 liep de frontlijn ongeveer als volgt: van de Adriatische Zee bezuiden Durazzo, dwars door Albanië door het Macedonische bergland ten zuiden van Monastir via de Vardarvallei naar de Egeïsche Zee, die ten zuidwesten van Xavalla werd bereikt. Aangezien generaal Guillaumat naar Frankrijk werd teruggeroepen omdat men daar zijn vakkenis niet kon missen, werd in 1918 tegen het einde van de lente de stoutmoedige Franse generaal Franchet d'Espéry met het opperbevel over het oriëntleger belast. Franchet d'Espéry zou de briljante uitvoerder worden van reeds bestaande plannen, door hem en zijn staf in korte tijd verbeterd en uitgebreid, voor een zomeroffensief.

Er waren twee doorbraken gepland. De ene zou gaan door het centrum van het front en wel over het Dobropoljegebergte (ca. 1850 m), juist op de plaats waar niemand een aanval zou verwachten. De andere beoogde een snelle opmars door de Vardarvallei. De leiding was sterk, en de planning en de samenwerking waren uitstekend. Dit had zijn invloed op het geheel, een vrijwel niet verbruikte maar geduchte krijgsmacht van in totaal ruim 650.000 man. Maar pas op 13 september werd het offensief ingezet. Het slaagde wonderwel en werd zelfs een bliksemoffensief. In het gebergte slaagden de operaties geheel en na enkele dagen al werd het front van de Centralen in de Vardarvallei volkomen doorbroken. Daarna bestormden Servische en Franse troepen met grote geestdrift de stad Skoplje, waarna het front op 21 september geheel ineenstortte. Op 25 september, dus nauwelijks 12 dagen na het begin van het geallieerde offensief, liet de Bulgaarse opperbevelhebber generaal Todoroff om wapenstilstandsvoorwaarden verzoeken. De, terecht harde, voorwaarden werden op 29 september geaccepteerd en ondertekend.

Het staakt-het-vuren ging in op 30 september 1918 om 12 uur 's middags. Daarna konden de Grieken een begin maken met de bevrijding van de gedeelten van West-Thracië die onder Bulgaars bewind hadden gestaan. In vele steden en dorpen en in Xavalla in het bijzonder, wachtte hen een groots onthaal. In deze episode begon de grote Griekse denkfout echter niet, want die was al eerder ontstaan.

De Griekse misrekening

Bij het doornemen van Griekse publikaties uit de maanden augustus, september en oktober 1918 springt één aspect eruit: volledige zelfoverschatting. Beleefdheidshalve werd in de geallieerde, en vooral in de Franse, pers ook aan de Griekse krijgsverrichtingen de nodige aandacht besteed. Dergelijke berichten werden in Griekenland vele malen, en dan sterk overdreven, herhaald. Het in de steek laten van de Serven in 1915 was vergeten. In het geval dat men nog niet ervan overtuigd was, moest zowel in Griekenland als daarbuiten het besef veld winnen dat de ineenstorting van het Duits-Bulgaarse front hoofdzakelijk was te danken aan het optreden van de Griekse strijdkrachten.

Verder werd gesuggereerd dat er voor de Griekse minderheden in Oost-Thracië en in Klein-Azië geen gunstige toekomstmogelijkheden meer aanwezig waren. Voor hen was er dus maar één uitkomst: een spoedige bevrijding door de roemrijke Griekse troepen. Vele oude Griekse namen werden weer van stal gehaald en in dit kader is het begrijpelijk dat bijvoorbeeld de zeeëngte der Dardanellen in deze periode weer Hellespontos werd genoemd.

Meestal gaat men na beëindiging van militaire operaties over tot inkrimping van de strijdkrachten. Maar de Grieken dachten daar zelfs niet aan. Integendeel, zij voerden de totale sterkte op tot 350.000 man en de legerleiding maakte bekend dat een totale sterkte van 600.000 man in geval van nood een haalbare kaart zou zijn.

De Griekse plannen ten aanzien van Turkije werden gesteund door de Engelsen. Vooral de Engelse premier Lloyd George was een fervente aanhanger van de Groot-Griekse gedachte. Na de Turkse capitulatie mochten in geallieerd verband Griekse eenheden deelnemen aan de bezetting van Konstantinopel en omgeving.

Voor de Grieken was dit echter niet voldoende. Op 5 mei 1919 ontscheepten zij twee complete divisies in de haven van Smyrna. Bij deze gebeurtenis hadden de Engelsen aanzienlijke maritieme steun verleend. Het was de uitvoering van de eerste fase van het plan dat het ontstaan van Groot-Griekenland zou moeten verwezenlijken. Ongeveer een geheel jaar werd door de Grieken aan de uitbreiding van hun landstrijdkrachten op Turks grondgebied gewerkt. Begin juni 1920 was de Griekse expeditionaire macht uitgegroeid tot een leger van 200.000 man.

De Griekse opmars in Klein-Azië begon in de tweede helft van juni en ontmoette in het begin nauwelijks tegenstand van enige betekenis. Dit versterkte bij de Grieken de gedachte dat zij in staat zouden zijn Turkije de genadeslag toe te brengen. Zij zouden wel ver komen, maar toch juist niet ver genoeg. De eerste grote tegenvaller in Anatolië was voor de Grieken de uitzonderlijk strenge winter van 1921/22, en dat op vijandelijk gebied in onherbergzaam terrein.

Inmiddels was de Turkse tegenstand uiterst sterk geworden. Nadat zij in 1921 de orde in eigen lang nagenoeg geheel hadden hersteld, gebruikten de Turken deze genadeloze winter in de eerste plaats om hun troepen zoveel mogelijk tot rust te laten komen. Tevens stelde de leiding alles in het werk om de strijdkrachten qua toerusting en bewapening geheel te moderniseren. Een en ander kon worden gerealiseerd omdat Turkije op het internationale schaakbord enkele goede zetten had gedaan. De nieuwe republiek was al door vele landen de facto erkend en had overeenkomsten gesloten met onder meer de Sovjet-Unie, Italië en Frankrijk.

Verder werd in Londen over vrede onderhandeld. Maar nu was van Turkije — nog steeds in de gunstige positie van underdog verkerende — geen enkele concessie te verwachten. De Griekse troepen hadden, conform het door de Turken toegepaste „Russische systeem", diep in het land kunnen penetreren. Eerst bij de laatste verdedigingsgordel voor Ankara werd hen een definitief en onwrikbaar halt toegeroepen, waardoor zij geheel waren vastgelopen. Daarbij waren generaal Tricoupis, de Griekse opperbevelhebber, en de leden van zijn staf ervan overtuigd dat hun troepen nooit meer zo'n strenge Anatolische winter voor de tweede keer zouden kunnen doorstaan.

Het hele kleine vonkje, dat de Griekse nederlaag zou inluiden, zat toen al in de lucht. In de zomer van 1922 kwam het Griekse leger onder zware druk te staan. De Turken waren volkomen op de hoogte van de zwakste plekken in de vijandelijke linies. Door zelf ermee te beginnen, hoopten de Grieken nog op een ordelijke terugtocht. Het was echter al te laat, hoewel het grote Turkse offensief nog zou moeten beginnen. De korte tekst van de dagorder, die Moestafa Kemal Pasja op 26 augustus aan zijn troepen uitvaardigde, luidde: „Soldaten, jullie doel is de Middellandse Zee!" Dit was niet zomaar een holle frase, want het op deze dag beginnende offensief was tot in de perfectie voorbereid. Het werd overrompelend uitgevoerd en slaagde volkomen.

Het Griekse front werd op diverse plaatsen doorbroken; de grootste doorbraak voltrok zich bij Afyon. Generaal Tricoupis had nog even de illusie gekoesterd juist ten zuiden van deze plaats een tegenaanval te kunnen lanceren. Het bleef inderdaad bij een illusie, want ook na de doorbraak boette de Turkse aanval niets aan kracht en snelheid in. Het verrassingselement was zo groot, dat het zelfs de beschermingstroepen van het Griekse hoofdkwartier aan tijd ontbrak om van de handwapenen gebruik te kunnen maken. Vijf Griekse divisies werden totaal vernietigd en 40.000 man werden door de Turken krijgsgevangen genomen. Een soortgelijk lot trof ook generaal Tricoupis, want al op 2 september werd hij door enkele Turkse cavaleristen overmeesterd.

Het Derde Griekse Legerkorps vluchtte naar Mudanya, doch slechts twee regimenten bereikten via de heuvels van Bandirma de kust en daardoor tevens de veilige schepen. Nadat ook de havenstad Smyrna in Turkse handen was gevallen bleef er voor de Grieken nog maar één mogelijkheid over: het ondertekenen van de wapenstilstandsvoorwaarden. Ook dat gebeurde in Mudanya en wel op l oktober 1922.

Interne onenigheid

Hoogmoed komt voor de val. De wijsheid van dit spreekwoord was de Grieken wel duidelijk geworden. Zij konden de scherven opruimen en zouden orde op zaken moeten stellen en hun economie weer op gang moeten brengen. Tevens zou een bescheiden begin worden gemaakt met de reorganisatie van de landstrijdkrachten. Voorwaar geen sinecure, want van het eens zo trotse nieuwe Griekse leger van premier Venizelos en generaal Danglis uit de jaren 1917/18 waren nog slechts enkele schamele restanten over.

Terloops dient nog te worden vermeld, dat de Italianen in 1923 in het toen troebele Griekse water wilden vissen. Zij beoogden het bezit van het eiland Korfoe, maar hun opzet mislukte uiteindelijk.

De opbouw van de Griekse landmacht ondervond verder nog nadeel uit de onderlinge verdeeldheid van het officierscorps, die zich altijd manifesteerde als de vraag „koninkrijk of republiek" aan de orde kwam. In 1924 werd de republiek uitgeroepen en dat hield tevens in dat honderden bekwame royalistische officieren aan de kant werden gezet.

europa 1919-1929

Van ander laken hetzelfde pak in 1934, toen Griekenland weer een koninkrijk werd: toen werden op hun beurt enkele honderden competente republikeinse officieren met pensioen gestuurd. In 1940 zou duidelijk aan het licht treden dat men zich zulke aderlatingen eigenlijk niet kon veroorloven.

In het republikeinse kamp speelden de generaals Pangalos, die in 1926 nog een korte poos dictator was, en Plastiras een rol van betekenis. Prominenten aan royalistische zijde waren generaal Metaxas, dictator van 1935 tot 1941, en de uitermate kundige generaal Papagos. Deze laatste was chef staf in de jaren 1940/41 en ten tijde van de Griekse burgeroorlog.

De belangrijkste pijlers waarop in de jaren 1933 tot en met 1940 de Griekse buitenlanse politiek rustte, waren het Balkanpact en het Grieks-Turkse non-agressie- en vriendschapsverdrag. Op 13 april 1939 — zes dagen na de Italiaanse bezetting van Albanië — kwam daar nog de Engels-Franse garantieverklaring van de Griekse onschendbaarheid bij.

De Grieks-Italiaanse oorlog

Op 28 oktober 1940 begonnen de Italianen uit Albanië hun militaire operaties tegen Griekenland. Tijdig had generaal Papagos de normaal aanwezige troepenmacht van nog geen drie brigades aan de Griekse zijde van de grens weten te versterken met drie complete divisies. Naar deze grens liepen slechts twee bruikbare wegen, die de aan- en afvoertroepen voor grote problemen stelden.

De Italianen startten hun eerste offensief met zes infanteriedivisies en een licht gemotoriseerde divisie. Onder supervisie van maarschalk Badoglio, chef staf van het Italiaanse leger, had generaal Soddu de plannen voor de veldtocht uitgewerkt. De dagelijkse leiding was in handen van generaal Prasca.

De Italiaanse militaire top had evenwel geen geestdrift kunnen opbrengen voor een veldtocht tegen de Grieken. In deze kring wist men maar al te goed dat de werkelijke Italiaanse militaire kracht uiterst beperkt was. Daarom had men — in felle tegenstelling tot de politieke leiding — de voorkeur gegeven aan een vredelievende oplossing.

Aan Griekse zijde kreeg men een geheel ander beeld te zien. Het korte antwoord van generaal Metaxas op het Italiaanse ultimatum, namelijk „neen", had zowel bij de Griekse burgerbevolking als bij de strijdkrachten grote weerklank gevonden. De opgedrongen oorlog werd door iedereen als een directe bedreiging van de onafhankelijkheid gezien en daarom nam men geestdriftig de handschoen op.

Vanaf het eerste Italiaanse offensief, dat al direct vastliep, wist de Griekse militaire leiding het juiste antwoord te vinden. ledere aanval werd met een krachtige tegenaanval beantwoord. Al na luttele weken waren de Grieken in staat tot een eerste tegenoffensief. Dit had tot gevolg, dat de strijd zich uitsluitend op Albanees terrein ging afspelen. De door de Italianen geprojecteerde doorstoot naar Jannina bleek een wensdroom en de verwachte „militaire wandelingen" naar Saloniki en Athene verdwenen in het rijk der fabelen.

Verder stonden de Grieken niet geheel alleen, want Turkije had in Athene laten weten dat de Turkse strijdkrachten bij een Bulgaarse interventie onmiddellijk zouden ingrijpen. Er was al geruime tijd een Britse militaire missie, geleid door generaal Heywood, in Griekenland aanwezig. Op het eiland Kreta was sinds eind oktober 1940 een kleine Britse troepenmacht gelegerd. De geringe, maar toch aanwezige, steun van de Royal Air Force werd door de kleine en daardoor overbelaste Griekse luchtmacht in dank aanvaard.

Medio december 1940 was de militaire situatie voor de Italianen uiterst precair geworden, aangezien toen ook hun aanvoerhavens door de Grieken werden bedreigd. In Rome was men zó teleurgesteld dat men zelfs heeft overwogen via de Duitsers om wapenstilstand te verzoeken. Aangezien dit een compleet prestigeverlies zou hebben veroorzaakt, koos Rome alsnog voor een moeizame voortzetting van de strijd. Men moest dus wel doorgaan met het aanvoeren van verse troepen en het verschaffen van nieuw materieel. Om deze aanvoer te kunnen verwezenlijken, moesten de Italianen bij de Luftwaffe aankloppen voor het lenen van 50 transportvliegtuigen.

Van het begin van het conflict tot de Duitse inmenging viel de glorie uitsluitend aan de Grieken ten deel. Zelfs begin maart 1941 waren er voor hen nog ongekende politieke mogelijkheden aanwezig. De Duitsers hadden nooit achter de Italiaanse plannen gestaan en voor de gehele Balkan wensten zij alleen maar rust. Bij eventuele Grieks- Italiaanse onderhandelingen zou Berlijn stellig nooit de Italianen door dik en dun hebben gesteund. Het veldtochtplan voor de Balkan werd immers pas na de Joegoslavische politieke zwenking van 27 maart uit de kast gehaald. En dat geschiedde toch nog met tegenzin, aangezien daardoor de planning voor de Russische veldtocht in het gedrang kwam.

Toen echter op 6 april het Duitse offensief werd ingezet, werd ook voor Griekenland de nederlaag onafwendbaar. De andere gebreken van de Griekse landmacht kwamen spoedig aan het licht. Behalve dat hun luchtmacht veel te klein was beschikten de Grieken over een te gering aantal tanks en de luchtafweer was verre van voldoende. Uit Bulgarije werd de veel geroemde Metaxas-linie snel door de Duitsers doorbroken. Al op 9 april bereikten hun tanks Saloniki. Absoluut veel te laat, namelijk op 14 april pas, begonnen de Grieken aan hun terugtocht in Albanië.

Op 20 april werd een wapenstilstand gesloten en Griekse colonne op weg naar het Albanese front alleen de — daarvoor in aller ijl gelande — Engelse troepen boden nog tegenstand. Op 26 april 1941 rukten Duitse troepen Athene binnen. Tijdelijk hadden de Griekse koning en de leden van zijn regering zich op Kreta gevestigd, maar nog voor het begin van de Duitse parachutistenlandingen in mei verwisselden zij deze verblijfplaats voor een veiligere in Egypte.

Met toestemming van de Duitse bezettingsmacht werd in Athene al vrij spoedig een marionettenregering gevormd onder voorzitterschap van generaal Tsolacoglu. Door de Italianen werd deze ontwikkeling beslist niet op prijs gesteld.

Verdeeldheid en honger

Voor de Griekse bevolking was echter een periode aangebroken, waarin de grote politieke verdeeldheid en wel van de meest uiteenlopende richtingen én de honger elkaar het spelen van de hoofdrol betwistten.

Nadat de bezetters het land bijna geheel hadden leeggeplunderd, werd de voedselvoorziening het grootste probleem. De Duitsers wierpen de schuld op de Italianen en speelden in deze periode zelfs de rol van beschermers van de Griekse bevolking.

Al spoedig verstonden de Grieken de kunst voedselvoorraden te laten verdwijnen, maar het was toch wél het Internationale Rode Kruis dat enkele malen door het zenden van voedselschepen als reddende engel moest optreden. In de winter van 1941/42 stierven alleen in Athene tienduizenden door gebrek aan voedsel.

In de loop van 1941 verschenen al de eerste verzetsgroepen, vooral in het Griekse bergland. Er waren zelfs vele groepen en groepjes en hun politieke instelling varieerde van uiterst links tot extreem rechts. De grootste groepering was stellig het, communistisch georiënteerde, Nationale Bevrijdingsfront EAM. Het had grote aanhang onder de bevolking van midden-Griekenland en in de hoofdstad Athene en beschikte over een guerrilla-strijdmacht: het Griekse volksbevrijdingsleger ELAS. In het voorjaar van 1943 omvatte het nauwelijks 12.500 man, maar het groeide tot eind oktober 1944 uit tot een legertje van bijna 50.000 man dat onder meer was bewapend met 100 kanonnen, 200 mortieren en 1600 machinegeweren.

Na het eerste begin werd het commando overgenomen door de militante en bekende kolonel — later generaal — Sarafis. Deze had zijn sporen in vele oorlogen verdiend; hij was een van de naaste medewerkers van generaal Danglis in 1916, was enige tijd leraar aan de Militaire Academie en in het begin van de jaren '30 Grieks militair attaché in Parijs. Door zijn deelneming aan de republikeinse revolte in 1935 verloor hij, evenals generaal Plastiras en vele anderen, zijn functie, waardoor hij in 1940/41 niet actief aan de strijd kon deelnemen.

De belangrijkste rechts georiënteerde militaire verzetsgroep was het guerrilllalegertje van de Griekse Democratische Unie (EDES). Ook deze groepering ontplooide telkenmale een grote activiteit. Hier werd het commando gevoerd door de kundige kolonel — later eveneens generaal — Zervas. De totale sterkte van de EDES-eenheden heeft de 12.000 man echter nooit overschreden.

bezetting

Het waren voornamelijk deze twee guerrilla-organisaties, die de bezetters — en in het bijzonder de Italianen — aanzienlijke verliezen toebrachten. De organisaties toonden wel veel naijver, maar van onderlinge gevechten was nog geen sprake. Bij de Griekse strijders was sinds oktober 1942 permanent een Engelse militaire missie aanwezig. De leden daarvan, onder leiding van kolonel Eddie, hielden zich in de eerste plaats bezig met het bijbrengen van begrip voor de zo noodzakelijke eenheid.

Begin 1943 boekten de Engelsen al succes toen zij de voornaamste leiders om de ronde tafel wisten te krijgen. Allereerst werden de bestaande invloedssferen — en daardoor tevens de operatiegebieden — bevestigd en vastgelegd. De Grieken accepteerden de Engels supervisie bij de planning van hun toekomstige acties. Zo kwamen zij in feite onder bevel van het Engelse hoofdkwartier voor het Midden-Oosten. Thessalië bleef het terrein voor en van de ELAS, Epirus dat voor en van de EDES, Roemelië werd toegewezen aan de derde aanwezige groepering, de socialistisch georiënteerde Nationale en Sociale BevrijdingsgroepEKKA, onder commando van kolonel Psarros.

Verder legde men zich neer bij de Engelse verdeelsleutel voor wapen-, munitie- en voedsel vooraden. Aan het Engelse idee voor een eenheidsuniform werd geen strobreed in de weg gelegd. Bijzonder snel had deze algemene regeling een eerste zeer belangrijk resultaat. De geheimhouding die de geallieerden wensten voor hun voorbereidingen voor de landing op Sicilië zou de meeste baat vinden bij een enorme onrust in Griekenland. De eerste landingen op Sicilië werden op 11 juni 1943 uitgevoerd; en aangezien de Griekse guerrillero's de hen opgelegde taak voorbeeldig hadden volbracht, geloofden lang vóór deze datum zowel de Duitsers als de Italianen met zekerheid aan een landing op Griekse bodem. Na de gunstige afloop betuigde de Engelse generaal Wilson, geallieerd opperbevelhebber in het Midden-Oosten, zijn oprechte erkentelijkheid. Inmiddels had ook kolonel Eddie zijn aan de ELAS gedane belofte gehouden, door in Athene contact te doen opnemen met de daar aanwezige EAM-leiders.

Op 9 september 1943 capituleerde Italië. Daarna kreeg het Griekse militaire verzet een geheel ander aanzien. Eerst begon echter de wedloop om de Italiaanse voorraden, doch ook de Duitsers hadden deze gebeurtenissen voorzien. Hoewel het sporadisch voorkwam, werden zij soms toch verrast door het Italiaanse gewapende verzet; dat duurde steeds slechts zeer kort: op het eiland Rhodos bijvoorbeeld gaven 40.000 man Italiaanse troepen zich bijna zonder slag of stoot over aan 5000 Duitsers . . De totale sterkte van de bezettende macht bedroeg toen 180.000 man, waarvan 110.000 man Duitse troepen; de daarbij aangesloten Bulgaren deden zich kennen als zeer ruwe bezetters. Verder waren er nog ongeveer 20.000 man aan hulptroepen. Toch moesten de Duitsers alles in het werk stellen om het door het wegvallen van de Italianen ontstane gat te kunnen opvullen.

Ondanks de nieuwe voorraden en de Engelse hulp kregen de ELAS- en EDES-eenheden het zwaarder te verduren dan ooit. Het ELAS-hoofdkwartier in het zo uniek centraal gelegen bergplaatsje Pertouli moest spoedig worden ontruimd. Medio november begonnen de Duitsers aan een groots opgezet saneringsoffensief, dat geheel parallel liep met soortgelijke acties in Joegoslavië. Het was zonder meer meedogenloos en ook hier werd nu het systeem toegepast van het uitroeien van de burgerbevolking, gepaard aan het platbranden van de woonsteden.

Het eerst kwam het gehucht Katafighi daarvoor in aanmerking; geen steen bleef op de andere en de totale bevolking van 700 mannen vrouwen en kinderen werd over de kling gejaagd. Het was de eerste naam in een lange, droeve reeks. De verzetsgroepen leden enorme verliezen en daardoor laaiden de onderlinge meningsverschillen opnieuw op, die leidden tot beschuldigingen over en weer met als resultaat een eerste gewapend treffen tussen ELAS en EDES in januari 1944. Deze broederstrijd werd wel gevolgd door een wapenstilstand, die op 4 februari werd besloten, maar het laatste restje onderling vertrouwen, zo dat er ooit mocht zijn geweest, was voorgoed vernietigd.

De verdeling van de invloedssferen

Inmiddels was de op 27 november 1943 begonnen conferentie van Teheran achter de rug. Behalve de vele directe oorlogsproblemen waren tevens de internationale invloedssferen behandeld en men was in staat gebleken deze definitief af te bakenen.

Wat de Balkan betreft, kwam vast te staan dat in Roemenië en Bulgarije de Sovjet-Unie de dominerende macht zou zijn. Ten aanzien van Joegoslavië werd het bestaan van geallieerde belangen niet ontkend en wilde men verder nog de gebeurtenissen afwachten.

Inzake Griekenland waren er geen geschilpunten; ook de Amerikaanse en Russische gedelegeerden plaatsten het land direct in de Engelse invloedssfeer. Deze definitieve uitspraak maakt het latere Engelse optreden, en zelfs het ingrijpen in de Griekse binnenlandse aangelegenheden, veel begrijpelijker.

Een ander, zij het een minder belangrijk, resultaat was het verstevigen van de relaties en contacten tussen Tito's staf en de leiding van de ELAS. Van dit tijdstip af werden, dagelijks ten minste éénmaal, per radio de Duitse troepenbewegingen door beide kanten doorgegeven.

Toen de Amerikanen eind september 1943 de Engelse militaire missie met enkele officieren kwamen versterken werd dat door de Engelsen aanvaard en zelfs op prijs gesteld. Maar toen in januari 1944 plotseling en onaangekondigd een Russische militaire missie van acht man arriveerde, toonden zij zich ietwat verwonderd: zij vonden dat in strijd met de afspraken van Teheran. Deze Russen kwamen per vliegtuig uit Joegoslavië en hun leider kolonel Popov verklaarde, dat zij slechts als waarnemers kwamen en spoedig naar Albanië hoopten te kunnen doorreizen. De Engelsen accepteerden meesmuilend hun aanwezigheid; na debevrijding van Griekenland waren zij er nóg.

Russische opmars

Eind augustus 1944 waren de Sovjetlegers diep in Roemenië doorgedrongen. Het noopte de Roemenen tot hun volte face, die spoedig door de ommezwaai van Bulgarije werd gevolgd. De Duitsers begrepen dat zij noodgedwongen Griekenland spoedig zouden moeten opgeven. Zelfs onder de moeilijkste omstandigheden trachtten de Griekse guerrillero's nog aanvallend op te treden en de nu ontstane situatie werkte de voortzetting daarvan sterk in de hand.

Nog vele harde confrontaties vonden plaats en de Duitse aftocht zou een spoor van intens lijden en van branden en vernielingen achterlaten. Medio augustus waren de Duitsers zelfs nog aan een zuiveringsactie in de hoofdstad begonnen, die evenwel op fel verzet stuitte.

Ook de Engelsen hadden echter hun operatieplannen gereed, die met grote precisie waren voorbereid. Om van de beschuldiging van interventie te worden gevrijwaard liet men deze operatie, die de naam „Manna" had gekregen, door de Griekse premier sanctioneren. Papandreou speelde het spel mee en de generaals Sarafis en Zervas ontvingen een dringende uitnodiging generaal Wilson in Caserta te komen bezoeken. Daar werd hun door de gastheer laconiek meegedeeld dat de Engelse generaal Scobie op verzoek van de Griekse premier was benoemd tot opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in Griekenland. Met dit voldongen feit gingen de Griekse verzetsleiders — zij het met tegenzin — akkoord.

Op 12 oktober verlieten de laatste Duitse eenheden de Griekse hoofdstad. Bewust werd door de Engelsen daarbij niet militair ingegrepen. Hun belangrijkste bedoeling was Athene voor nieuwe gevechten te behoeden. Vanzelfsprekend was intussen met de uitvoering van Operatie Manna begonnen.

Op 4 oktober waren in de omgeving van Patras 600 Britse parachutisten neergelaten. Op 13 oktober bereikte een kleine Engelse eenheid het op 10 km van de hoofdstad gelegen vliegveld, en de dag daarop defileerden de Engelse troepen door Athene. Een hartverwarmende en geestdriftige ontvangst viel hun ten deel. Onder persoonlijke leiding van generaal Scobie werden op 15 oktober in de haven van Piraeus nog twee complete en tot de tanden bewapende brigades ontscheept. Een plechtige, door de aartsbisschop van Athene Damaskinos geleide, dienst was een waardigslot van deze bewogen dagen.

Het zo belangrijke Saloniki werd op 30 oktober door ELAS-eenheden bevrijd. De macht werd overgenomen door een triumviraat, waarvan de toen 38-jarige generaal Markos Vafiades de meest markante en militante figuur was. Een Britsindische divisie werd kort daarop de toegang tot de stad voorlopig geweigerd en het zou nog even duren voordat de tijdelijke bewindhebbers de sleutels van de stad aan de wettige regering zouden doen overhandigen.

Het ELAS-hoofdkwartier had zich intussen, direct na de bevrijding van Lamia op 23 oktober, in deze stad geïnstalleerd. Op 27 oktober had generaal Sarafis om toestemming verzocht het Joegoslavische gebied te mogen betreden. Het werd hem resoluut verboden.

Eind november deed Scobie een beroep op de ELAS-leiding de wapens neer te leggen. Papandreou wenste dat de ELAS-troepen zich geheel uit Athene, Piraeus en Attica zouden terugtrekken en had daarvoor de 10e december als uiterste termijn gesteld. Sarafis en zijn tweede man, de idealistische Aris Velouchiottis, voelden er niets voor deze eisen in te willigen. Athene was toen voor nagenoeg het grootste gedeelte in handen van de EAM, inclusief alle politieposten. In de stad beschikte de EAM over twee kleine ELAS-divisies van in totaal 10.000 man. Verder waren ten minste 12.000 man op weg naar de hoofdstad. De toen nog zeer kleine Britse troepenmacht was geconcentreerd in het centrum en in feite ingesloten. Op 2 december deed de RAF een lawine van pamfletten op de stad neerdalen ter waarschuwing van de bevolking.

De dag daarna riep de EAM op tot een algemene staking. Deze liep uit op een grootse demonstratie, waarbij uiterst provocerend werd opgetreden. Uit zelfbehoud moesten de Engelsen het vuur wel openen en tientallen doden en gewonden bleven op het plaveisel achter. Generaal Scobie stelde nu een duidelijk ultimatum: de ELAS-eenheden zouden terstond de wapens moeten neerleggen en de hoofdstad dienen te verlaten. Indien aan deze eisen niet zou worden voldaan, zouden zij als vijandelijke strijdkrachten worden beschouwd.

De slag om Athene

De Engelse houding was ongetwijfeld moedig. Niet alleen de Britse troepenmacht was nog zeer klein, de Griekse hulptroepen waren eveneens verre van omvangrijk. Zij bestonden uit de Rimini-brigade en een keurbataljon van de Vrije Griekse strijdkrachten, en verder uit een EDES-brigade en een handvol leden van de zeer kleine maar uiterst militante verzetsgroep X. Deze laatste stond onder bevel van de extreem rechtse kolonel Grivas.

Achter het Britse optreden stond echter de man met de vooruitziende blik, niemand minder dan Winston Churchill. Hij had ook hier de weg naar het beoogde doel haarfijn uitgestippeld en zou — alle kritiek van officiële Amerikaanse zijde en van de Britse vakbonden ten spijt — daarvan stellig niet afwijken.

Op korte termijn beloofde hij Scobie de benodigde versterkingen. Deze toezegging sterkte de generaal in zijn besluit de niet meer te vermijden confrontatie manmoedig te aanvaarden. Toen de strijd inderdaad uitbrak, beten de Britten en hun bondgenoten fel van zich af. Toch bleek de Engelse positie spoedig uiterst precair, zoals generaal Alexander op 11 december — een week later zou hij generaal Wilson opvolgen als opperbevelhebber van de geallieerde troepen in het Midden-Oosten — tijdens een bliksembezoek aan Athene alleen maar kon bevestigen. Maar juist in de moeilijkste situatie durfde generaal Scobie de meest onaanvaardbare eisen aan de ELAS-leiding te stellen.

Zonder meer een typisch Engels gebaar. Terecht werd deze moed snel beloond. Ondanks de Amerikaanse tegenwerking — want het was de Amerikaanse marine verboden de Engelsen aan scheepsruimte te helpen voor het vervoer van hun interventietroepen — bleken de laatsten in staat Churchills belofte te realiseren: tussen 15 en 20 december ontscheepten zij twee complete Britse divisies, de nog ontbrekende brigade van de vierde Britsindische divisie benevens eenheden koloniale infanterie en de benodigde voorraden voedsel,wapens en munitie. De ruimschoots van pantserwagens en tanks voorziene Engelse troepen sloegen zich met elan een weg naar de hoofdstd, waardoor het initiatief in Athene weer geheel en uitsluitend in Engelse handen kwam.

Het enige ELAS-succes uit deze periode bestonduit het liquideren van de EDES-troepen in Epirus. Vlak voor Kerstmis werden de laatste overlevenden daarvan door de Royal Navy geëvacueerd naar het eiland Korfoe.

Al op 20 december was de Engelse troepenmacht in Athene zo sterk, dat Scobie aan zijn slotoffensief durfde beginnen. De RAF werd weer tegen de felste verzetshaarden ingezet en de Britse troepen wonnen overal terrein. Op 25 december was de militaire situatie zo, dat de steden Athene en Piraeus en verder zuidoost-Attica nagenoeg geheel van ELAS-troepen waren gezuiverd. Op diezelfde dag vloog Churchill naar de Griekse hoofdstad, waar hij zijn militaire zege door een politieke overwinning wilde laten volgen.

De conferentie van Athene vond plaats op 26 en 27 december 1944. Politici van de meest uiteenlopende richtingen namen deel en de Engelsen waren zelfs zo sportief een EAM-delegatie uit te nodigen. Aan dat verzoek werd schoorvoetend en op het laatste moment voldaan. Op sublieme wijze wist Churchill alle aanwezigen te bespelen met zijn devies „Eenheid voor alle Grieken". Voor zover mogelijk wist hij de meesten voor zijn denkbeelden te winnen. Hij deed daartegenover vele concessies waarvan de voornaamste was dat hij beloofde de Griekse koning voorlopig niet te zullen toestaan naar Athene terug te keren.

Dat was niet zo'n eenvoudige zaak want deze, George II, had tijdens de oorlog meer dan eens zijn gebrek aan realiteitszin ten toon gespreid. Onmiddellijk na zijn terugkomst in Londen wist Churchill tijdens een stormachtig onderhoud de Griekse monarch ervan te overtuigen dat, althans voor het ogenblik, het instellen van een regentschap de beste oplossing was. Daardoor kon het regentschap van aartsbisschop Damaskinos een aanvang nemen. Deze nam de leden van zijn nieuwe kabinet al op 3 januari de eed af. Van dit team, dat de monarchie moest redden, werd de republikeinse generaal Plastiras minister-president. Veertien dagen tevoren was hij, na een afwezigheid van ruim elf jaar, door de Engelsen in zijn vaderland teruggebracht. En zo was het spreekwoord „regeren is vooruitzien" opnieuw bewaarheid.

Nog vóór de jaarwisseling had de regering van de Sovjet-Unie de benoeming van een ambassadeur in Athene, Sergejev bekendgemaakt. Naar alle waarschijnlijkheid kwam deze benoeming voor de EAM en de ELAS nog erger over dan de geleden militaire nederlaag.

Maar elders was de ELAS beslist nog niet verslagen. Tijdens de gevechten in Attica had Sarafis in Thessalië de spoorlijnen laten ondermijnen en in vele berggebieden voelden zijn eenheden zich nog heer en meester, terwijl in Saloniki Markos nog steeds de lakens uitdeelde.

De ELAS-eenheden ontbonden

Dat sommige ELAS-leiders toch bereid waren het verzet te staken, bleek uit hun bereidheid de gehele Peloponnesus, alle nog in hun bezit zijnde eilanden en zelfs Saloniki aan het wettige gezag over te dragen.

Tussen februari 1945 en februari 1946 kwamen akkoorden tot stand die grotendeels werden nageleefd. Het akkoord van Varkiza, het laatste, hield onder meer in dat alle ELAS-eenheden voor het einde van februari hun gehele wapenbezit zouden moeten inleveren. Op 16 februari ondertekenden Sarafis en Velouchiottis een weemoedige afscheidsbrief en dat betekende het absolute einde voor de ELAS. Tijdens de verzetsperiode had dit guerrillaleger dertig belangrijke bruggen opgeblazen, vele spoorweglijnen totaal vernield en ettelijke andere verbindingswegen geblokkeerd.

De ELAS-eenheden hadden eerst de Italianen, de Bulgaren en de Duitsers langdurig en intens bestreden en waren daarna ook de Engelsen nog moedig tegemoet getreden. Hun totale verliezen bedroegen meer dan 13.500 man, waarvan 5000 man tijdens de laatste slag om Athene. De naam EAM zou spoedig in het vergeetboek geraken, doch de naam ELAS zou nog jaren later tot een •— zij het dan vergeefs — heidendom inspireren.

Uitermate veel zal de tijdens de conferentie van Jalta (februari 1945) door Stalin gedane uitspraak hebben bijgedragen tot het bespoedigen van de ondergang van de ELAS. Daar immers kreeg Churchill van de Sovjetleider te horen, dat deze volkomen begrip kon opbrengen voor de door de Engelsen in Griekenland gevoerde politiek. Daarbij dacht Stalin al aan Polen, want dit land werd door hem met geheel andere ogen bekeken dan de overige landen die in de Sovjetrussische invloedssfeerzouden komen te liggen: de Polen gaven zich nooit gemakkelijk over en zouden metterdaad de hardst te kraken noot worden.

Nieuw verzet kondigt zich aan

Alhoewel stap voor stap trachtte nu de Griekse communistische partij, die toentertijd in Athene twee bladen legaal uitgaf, zich een plaats in de volle openbaarheid te veroveren. Dit gelukte uitstekend, hetgeen voornamelijk was te danken aan het optreden van haar secretaris-generaal, de militante stalinist Zachariades.

Deze was begin 1942 door de Duitsers ontdekt in een Griekse gevangenis, waarin hij sinds augustus 1936 verbleef. Prompt werd hij naar Duitslandovergebracht en daar in Dachau opgesloten. Dit alles overleefde Zachariades en ook hij werd door de Engelsen gerepatrieerd. Onmiddellijk toonde hij dat hij van zijn vroegere strijdvaardigheid niets had ingeboet. Hij was de eerste politieke figuur die de regering durfde bedreigen met de oprichting van een nieuw volksleger. Voor dovemansoren had hij niet gesproken, want reeds enkele maanden daarna oefende de toekomstige kern van het later op te richten Democratische Leger zich in een militair kampement. Dat geschiedde in een Joegoslavisch dorp onder de veilige vleugels van maarschalk Tito.

De tweede man van de opstand werd Markos, de man van de daad. Hij en Zachariades zouden wel samenwerken, maar hun verschil van inzicht zou ten slotte tot een definitieve breuk leiden. Het voornaamste geschilpunt tussen hen was, dat de voorkeur van Markos uitging naar het beproefde idee van het opereren met guerrillatroepen uit de bergen, terwijl Zachariades een fervent voorstander was van het onderhouden van verzetskernen in de bevolkingscentra. Met de gedachte van Zachariades, de recrutering uitsluitend op vrijwillige basis te doen plaatsvinden, kon Markos zich wel verenigen. In de praktijk kreeg Markos zijn zin, want al heel spoedig nestelden zich de eerste groepjes in de bergen. Menige oud-ELAS-officier die aan gevangenschap en daardoor tevens aan internering op de eilanden was ontkomen, keerde naar zijn oude en hem bekende terrein in het gebergte terug. Toen Markos een totale stekte van 6000 man onder zijn bevelen had, werd op 28 oktober 1946 het Democratische Leger officieel opgericht.

Vanzelfsprekend had men in Athene niet stilgezeten. In januari 1946 werden vele dienstplichtigen onder de wapenen geroepen en men streefde ernaar, met Engelse hulp tot een sterkte van ongeveer 70.000 man voor de landmacht te komen.

Het plebisciet over het al of niet terugkeren van de Griekse koning vond op l september plaats. De royalisten behaalden een krappe overwinning en George II haastte zich naar Athene terug te keren. De Griekse regering probeerde opnieuw in Londen financiële steun te verkrijgen, terwijl zij tegelijkertijd met hetzelfde doel in Washington liet ijveren. Een kleine Britse troepenmacht van ongeveer 15.000 man bevond zich nog steeds in Griekenland, maar ook de Sovjet-Unie vond nu de tijd aangebroken zich daartegen te gaan verzetten.

Eind november moest de regering in Athene erkennen, dat zij het gebergte in Noord-Thessalië niet langer onder controle had. Tevens werd bekendgemaakt dat de opstandelingen in Macedonië niet alleen hulp — bestaande uit bevoorrading en gewondenzorg — uit Joegloslavië en Albanië ontvingen maar dat ook Bulgarije zich aan inmenging ging schuldig maken. In februari 1947 moest het door interne moeilijkheden gekwelde Engeland noodgedwongen de hulp beëindigen. Op 3 maart verzocht Athene de Verenigde Staten dringend om economische en militaire hulp. De Amerikaanse regering onderkende duidelijk het gevaar, dat het gehele Westen zou bedreigen als in Griekenland een Sovjetbewind aan de macht zou komen. President Truman zette zich persoonlijk voor de Griekse zaak in; de plannen voor directe hulpverlening werden aangenomen en de eerste gelden werden gevoteerd.

postwar oost europalegenda postwar

Op 1 april 1947 overleed George II; hij werd door zijn evenwichtiger broer Paul opgevolgd. In deze periode was het regeringsleger begonnen aan een zuiveringscampagne van de Peloponnesus die vrij succesvol verliep. Het daarna plaatsvindende offensief in het Pindusgebergte leverde evenwel niet de resultaten op die men ervan verwachtte. Medio juli woedde in Noord-Griekenland de slag bij Konitza, die voor de regeringstroepen op een Mortierafdeling van de regeringstroepen op een echec uitliep. Althans voorlopig moest men accepteren dat de driehoek, gevormd door de steden Konitza, Grevena en Florina, door de eenheden van het Democratische Leger werd beheerst. Markos' troepen, die in maart nauwelijks 13.000 man telden, omvatten nu 25.000 man en de sterkte zou in het begin van de herfst zelfs tot 35.000 man oplopen.

Sinds mei was echter de Amerikaanse hulp goed op gang gekomen en deze zou op een meer dan royale wijze worden voortgezet. De Amerikaanse militaire missie, eerst onder leiding van generaal Liversay en later onder generaal Van Fleet, vervulde een zuiver adviserende taak en nam nooit actief aan gevechtshandelingen deel.

Intussen was zonder al te veel ruchtbaarheid vrijwel het gehele Britse expeditieleger uit Griekenland vertrokken; slechts enkele tientallen Engelsen bleven achter, namelijk degenen die als instructeurs van de kaderopleidingen waren ingeschakeld.

Op 25 december werd een Griekse tegenregering gevormd onder leiding van de stalinist Partsalidis. In antwoord daarop stelde Athene de communisten prompt buiten de wet. In de hoofdstad werden grote communistenrazzia's georganiseerd.

De Amerikaanse taak was verre van gemakkelijk. Maar al te spoedig bleek dat de verstrekte gelden niet juist werden besteed. Ook stelden de Amerikanen vast dat een van de voornaamste oorzaken van het Griekse drama bestond uit de enorme verschillen tussen arm en rijk, en dat deze situatie werd bevorderd door het ontbreken van een welvarendemiddenstand.

Aangezien deze burgeroorlog zich natuurlijk niet eindeloos zou mogen voortslepen, zetten de Amerikanen de Griekse legerleiding onder druk om de landmacht met voortvarendheid te doen uitbreiden. De Griekse generale staf, die onder de beproefde leiding van generaal Papagos stond, beloofde alle medewerking. Men zou aan het strenge selecteren van de Griekse dienstplichtigen een einde maken door afzwakking van de veel te hoog gestelde eisen. Met dit systeem aanvaardde men tevens een groter risico van overlopen naar de tegenstanders. Door de invoering van deze regeling bleek de totale sterkte van de regeringstroepen aan het einde van de burgeroorlog tot 170.000 man te zijn opgelopen.

Aan de andere kant van de barricade beschikte Markos bij de jaarwisseling van 1947/48 over 50.000 man, een redelijke staf en een hoofdkwartier in het Grammosgebergte, dat door de nabije Albanese grens als vrij veilig kon worden beschouwd. Zachariades kon echter zijn bemoeizucht niet intomen. Nu toonde hij zich voorstander van de vorming van een permanente reservemacht van 15.000 man. Markos hield dat voor onmogelijk aangezien men dan elders de verzetshaarden zou moeten opgeven; ongetwijfeld heeft hij dat juist gezien.

Amerikaanse kritiek

Omdat de Griekse kwestie dikwijls bij VN-vergaderingen en zelfs in de Veiligheidsraad ter sprake kwam, stond deze burgeroorlog ook in de Verenigde Staten in het middelpunt van de belangstelling.

In het voorjaar van 1948 brak een storm van kritiek los. Met argwaan werden de diverse regeringswisselingen in Athene bekeken en het congres laakte de omvang van de hulp aan Athene. Het toonde geen begrip voor het feit, dat het nu zo rijkelijk van tanks en vliegtuigen en ander materieel voorziene Griekse regeringsleger nog steeds in gebreke was gebleven de gewenste beslissing te forceren. Aangespoord door grote Amerikaanse druk, gaf 1948 toch enkele goed opgezette zuiveringsacties te zien. Eindelijk boekte men dus enkele successen, maar de definitieve beslissing viel pas in 1949.

Wat velen reeds eerder hadden verwacht, gebeurde. Markos moest op 5 februari het opperbevel neerleggen en werd door generaal Barzotas opgevolgd. Deze mutatie bezegelde het lot van het opstandelingenleger. De regeringstroepen zetten hun beslissende eindoffensief op 15 juli in. Tegen de stellingen in het Grammos-gebergte, het laatst overgebleven bolwerk van de rebellen, had generaal Papagos een strijdmacht van 75.000 man bijeengebracht. Met moeite konden zijn tegenstanders er 15.000 man tegenover stellen. Bij het laatste grote treffen werd meedogenloos opgetreden en bijzonder fel gestreden. Maar zelfs Zachariades besefte, dat het einde was gekomen.

Hoewel de laatste schoten in deze burgeroorlog pas eind oktober vielen, verklaarde de regering in Athene op 3 september de strijd voor beëindigd. Op 9 september werd de staat van beleg opgeheven. Het Griekse regeringsleger, dat zich uiteraard ook de techniek van de guerrillastrijd had eigen gemaakt, kwam als een modern gevechtsapparaat uit de strijd. Aangezien de Verenigde Staten de hulp aan het land bleven voortzetten, kon de Griekse economie zich vrij snel herstellen en zou zich zelfs in opgaande lijn blijven bewegen.

Na negen lange jaren

Na een periode van negen lange jaren van onafgebroken strijd was nu voor het Griekse volk eindelijk een fase van rust en vrede aangebroken. Nog geen twee jaar na de felle burgerstrijd durfde maarschalk Tito een proefballonnetje op te laten. Zijn bedoeling was de vorming van een drievoudig verbond met als leden Turkije, Griekenland en zijn eigen land. . . Vanzelfsprekend kreeg dit idee geen bijval.

Op 22 oktober 1951 tekende de NAVO-raad het protocol tot toelating van zowel Turkije als Griekenland als toekomstige partners van het Atlantisch Pact. Dat zou begin 1952 door een volwaardig lidmaatschap worden gevolgd.

Literatuur

L'armée Grecque et la victoire d'orient. Berger Levrault, Parijs (1919).

Ciano's dagboek 1939-1943. Arbeiderspers, Amsterdam (1947).

A. W. Sansom — Spion contra spionnen. W. van Hoeve, Den Haag (1965).

S. Sarafis — Greek reslstence army. Birch Books Ltd., Londen (1951).

D. Eudes — Les kapetanios. A. Fayard, Parijs (1970).

Militaire Spectator 1977 Pagina 33 t/m 47