We hebben 301 gasten online

Modern Italië: vallen en opstaan

Gepost in West-Europa

 

politieke partijen Italiië

 

Modern Italië: vallen en opstaan..

 

H. Toorenvliet publicist

 

Ondanks de door sommige individualisten verrichte heldendaden levert de moderne Italiaanse geschiedenis niet voldoende stof voor het op papier zetten van een omvangrijk epos. Dat kon evenwel niet verhinderen dat deze historie toch uiterst belangwekkend is.

De bezetting door Italiaanse troepen van Rome, op 20 september 1870, voltooide de door zo velen vurig gewenste eenheid van het land, waarvan sindsdien „de Eeuwige Stad" de regering zou huisvesten. Na het Congres van Berlijn (1878) verzekerde Italië, dat van de onderlinge naijver handig gebruik maakte, zich van een vrij belangrijke plaats te midden van de toonaangevende Europese landen. En alsof de onoverbrugbare economische kloof tussen Noord- en Zuid-Italië het dagelijkse leven niet verzuurde, begonnen de machthebbers in Rome met het ontwerpen van plannen voor de stichting van een imperium.

De overzeese gebiedsdelen die — zij het met veel kunst- en vliegwerk — in de periode tussen 1885 en april 1939 onder Italiaanse heerschappij kwamen te staan, omvatten Eritrea, Italiaans Somaliland, Libië (Tripolitanië en de Cyrenaica), de Dodekanesos-archipel, Rhodos, de Dalmatische kustplaats Zara, Abessinië en Albanië.

Het tranendal

Nadat de restanten van de Italiaanse troepen in Afrika zich samen met de Duitse troepen op 13 mei 1943 in Tunesië aan de geallieerden hadden overgegeven, begonnen de laatsten op 10 juli met de invasie van Sicilië. Die fase werd na vijf weken afgesloten met een klinkende Amerikaans- Britse overwinning, een gebeurtenis die de val van het sinds oktober 1922 aan de macht zijnde fascistische regime zou bespoedigen.

Die val kwam inderdaad en wel op 24 juli in Rome tijdens de zitting van de fascistische Grote Raad, waar in de avonduren Mussolini werd geconfronteerd met een met grote meerderheid aangenomen motie van wantrouwen. Deze motie was het geesteskind van graaf Dino Grandi, de vroegere minister van buitenlandse zaken en ambassadeur in Londen; hij werd indirect door de koning gesteund, en kon rekenen op de directe bijval van Mussolini's schoonzoon graaf Ciano (eveneens ex-minister van buitenlandse zaken en sinds 7 februari 1943 ambassadeur bij de Heilige Stoel) en diens aanhang.

Mussolini

Negentien leden van de Grote Raad stemden voor de motie Grandi/Ciano, zeven leden stemden tegen, en een lid onthield zich van stemming. Eindelijk kreeg Mussolini de rekening aangeboden voor het feit, dat hij sinds 7 december 1939 de leden van de Grote Raad niet meer had geraadpleegd.

Koning Victor Emanuel III, die al van 1900 af regeerde, zette op 25 juli Mussolini af als premier en liet hem tevens in verzekerde bewaring stellen. Daarna benoemde hij maarschalk Badoglio tot zijn opvolger. Deze stelde de fascistische partij prompt buiten de wet, maar verzekerde terzelfder tijd dat Italië de oorlog aan de zijde van het Derde Rijk zou voortzetten. Daarnaast stelde hij echter alles in het werk om in het geheim besprekingen met de geallieerden te beginnen.

Op 18 augustus was hij op de hoogte van de geallieerde eisen, en op 3 september 1943, de dag waarop de eerste geallieerde troepen vrijwel ongehinderd in Zuid-Italië landden, werd het document van de onvoorwaardelijke Italiaanse overgave ondertekend, een capitulatie die pas op 8 september wereldkundig werd gemaakt.

Het geallieerde opperbevel, onder leiding van de Engelse generaal Alexander, was de mening toegedaan dat enkele snelle doorstoten tot de directe mogelijkheden behoorden, maar het tegendeel was waar, want spoedig werd duidelijk dat in deze zuidelijke contreien de Duitsers nog tot felle en doelmatige tegenstand in staat waren.

Hoewel de Duitse opperbevelhebber in Italië, luchtmaarschalk Kesselring, aanvankelijk slechts over vier divisies beschikte, waren de Duitsers toch erin geslaagd de meeste strategisch belangrijke punten van de Italianen over te nemen. Duitse versterkingen stroomden Italië binnen en zo werd onder meer Rome op 12 september bezet. Op enkele plaatsen was de Duitse opmars op — zij het zwakke en summiere — Italiaanse tegenstand gestuit; de bezetting van Rome had zelfs een Duits-Italiaans artillerieduel opgeleverd.

In het algemeen was de militaire tegenstand verre van serieus en derhalve kon al spoedig het gros van de Italiaanse strijdkrachten krijgsgevangen naar Duitsland worden afgevoerd. Tegen het einde van september vermeesterden de geallieerden Foggia, waar verscheidene vliegvelden lagen. Met de inneming van Napels, op l oktober, hadden de geallieerden de bezetting van geheel Zuid-Italië voltooid. Kort daarna, op 13 oktober 1943, verklaarde Italië de oorlog aan zijn voormalige As-partner.

Toch zagen de Duitsers nog kans een nieuwe verdedigingsgordel in te richten. Deze, de „Gustaaflinie", had als zwaartepunt de kloostervesting Monte Cassino, een bijna niet te kraken noot. Ook de geallieerde landing in de rug van de Duitse stellingen, bij Anzio op 22 januari 1944, bracht nog geen vijandelijke terugtocht teweeg.

geallieerde strategie in Italie

Zelfs na de omvangrijkste geallieerde luchtbombardementen op de strategisch zo belangrijke Monte Cassino bleek de Duitse afweer nog ongebroken. Nadat talloze geallieerde aanvallen waren stukgelopen, waren het uiteindelijk de roemrijke Poolse troepen van het Tweede Legerkorps van generaal Anders, die het laatste Duitse verzet wisten te breken. In de ochtend van 18 mei 1944 bezetten de Polen de nog smeulende puinhopen van de door de Duitsers ontruimde bergvesting.

Rome kwam nu onder handbereik en op 4 juni rukten geallieerde eenheden de tot open stad verklaarde hoofdstad binnen. In feite was daarna voor de Duitsers alleen nog de verdediging van de Povlakte van eminent belang. De geallieerden wachtte nog een lange weg, een uiterst moeizame ook, die bovendien was bezaaid met voetangels en klemmen . . .

De republiek van Salo

mussolini bevrijd door skorzeny

Terug naar september 1943. Mussolini, die sinds kort op het Gran-Sassoplateau was geïnterneerd, werd op 12 september door Duitse luchtlandingstroepen, onder commando van de SSkolonel Skorzeny, op spectaculaire wijze bevrijd.

Deze stunt gaf Berlijn de mogelijkheid alsnog te proberen de politieke gebeurtenissen in Italië te beïnvloeden. Als tegenwicht voor de inmiddels naar Brindisi uitgeweken koning en zijn aanhang, mocht Mussolini met Duitse toestemming op 23 september in het aan het Gardameer gelegen Salo de Italiaanse Sociale Republiek stichten. Zijn regering bestond uit figuren die zich het beste als kwalijke jazeggers laten omschrijven.

Maarschalk Graziani trad op als zijn militaire adviseur. Een slechtere keuze had Mussolini moeilijk kunnen maken, want aan Graziani was te wijten geweest dat het Italiaanse Tiende Leger in februari 1941 bij Beda Fomm door de Britten was vernietigd.

fascistische republiek noord-italie

Fascistische republiek Noord-Italië

Zonder meer was deze nieuwe republiek een doodgeboren kind: de werkelijke machthebbers in de nog niet door de geallieerden bezette Italiaanse gebieden waren topfiguren van Wehrmacht, SS, Gestapo en Sicherheitsdienst.

Zowel de heropgerichte fascistische militie — die overigens nooit boven het niveau van een haatdragende terreurgroep uitkwam — als de Duitsers ondervonden veel last van de op bevel van het „Comitato di Liberazione Nazionale" (CLN) uitgevoerde partizanenacties, die bovendien dikwijls door geallieerde luchtstrijdkrachten werden ondersteund.

Met het schandalige, op 8 januari 1944 begonnen, proces van Verona koelde Mussolini zijn wraak op de negentien leden van de Grote Raad die tijdens de voor hem zo fatale bijeenkomst vóór de motie van wantrouwen hadden gestemd. Slechts zes aangeklaagden waren aanwezig: de bejaarde maarschalk De Bono, Cianetti, Ciano, Gottardi, Marinelli en Pareschi. De dertien anderen waren voortvluchtig; zo had de slimme Grandi zich al in augustus 1943 van een plaatsje onder de Portugese zon weten te verzekeren. Het proces werd niet gerekt, er werden korte metten gemaakt. Achttien beklaagden werden ter dood veroordeeld; de afwezige dertien bij verstek. Alleen Cianetti, die zich in tegenstelling tot de anderen in allerlei bochten had gewrongen, kwam er met 30 jaar gevangenisstraf af. De terechtstelling van de vijf anderen zou tijdens de eerste ochtenduren van 12 januari plaatsvinden.

Onmiddellijk nadat de slachtoffers op een bank waren vastgebonden om daarna ruggelings te worden doodgeschoten, verzocht de cameraman van de aanwezige UFA-unit de executie uit te stellen totdat het sterker wordende daglicht een goede kwaliteit van de opnamen zou garanderen (!). En aldus geschiedde . ..

Nog voor het einde van augustus 1944 werd Florence door de geallieerden bezet. Dat deed in Noord-Italië de spanning ten top stijgen. Deze ontlaadde zich op l september in de grote staking van Turijn. Het was de meest omvangrijke en complete staking, die tot dan toe in de periode van de Duitse overheersing in Europa ooit had plaatsgevonden. De Duitsers beseften dat een genadeloze aanpak hunnerzijds ook vernietigingen zou teweegbrengen aan de fabriekshallen van de Turijnse auto-industrie die zij voor het herstel van hun materieel veel te hard nodig hadden. Maar het middel van de totale stopzetting van de levensmiddelenvoorziening werd door hen niet geschuwd. De stakingen verliepen, terwijl bovendien duidelijk was gebleken dat het bewind in Salo niet over machtmiddelen van enige betekenis beschikte.

Dat alles resulteerde in het Duitse bevel van 24 november 1944 tot ontbinding van de — in feite nauwelijks ooit van de grond gekomen — strijdkrachten van de Italiaanse Sociale Republiek.

Toch zou in Noord-Italië pas op 10 april 1945 het geallieerde slotoffensief worden ingezet. Dat was geen eenvoudige opgave, aangezien de Duitsers aldaar toch nog over een uit 27 divisies bestaande strijdmacht beschikten. Daarvóór deden zich echter nog ontwikkelingen voor, welker afloop de geallieerden al bij voorbaat succes verzekerde.

Gevaarlijke, maar tevens nuttige contacten

Kardinaal Schuster, de aartsbisschop van Milaan, was niet alleen innemend en intelligent maar ook iemand die onder alle omstandigheden het hoofd koel hield. Openlijk, en zo nodig in het geheim, bouwde hij zijn netwerk van nuttige relaties op. Hij onderhield goede betrekkingen met leidende figuren uit de wereld van handel en industrie en het Rode Kruis, normale betrekkingen met de Duitse en de Italiaanse instanties, en beschikte bovendien over uitstekende verbindingen met de ondergrondse verzetsbeweging.

bevrijding van Napels

Bevrijding van Napels

Zo kende hij onder meer de Amerikaansgezinde bankier baron Luigi Parrilli, de SS-kolonel Dolmann, en ondergrondse leiders als generaal Cadorna en de advocaat Marazza. Schuster was ervan overtuigd dat de op hun laatste benen lopende Duitsers tot elke wandaad in staat waren, maar hij had ook een juiste kijk op figuren als Dolmann, die alleen maar bevreesd waren voor hun eigen toekomst. Deze Dolmann, vroeger hoofd van de Gestapo in Rome, fungeerde nu als naaste medewerker van de opperbevelhebber van de Waffen-SS in Noord-Italië, SS-generaal Karl Wolff.

Voor de wrede terechtstelling in Rome van 335 gijzelaars, die op 23 maart 1944 had plaatsgevonden was Dolmann verantwoordelijk; Wolff maakte zich zorgen dat zijn naam wellicht voorkwam op de door de geallieerden opgestelde lijst van oorlogsmisdadigers, terwijl Dolmann voor zich zelf geen enkele illusie koesterde.

Kardinaal Schuster, die een voortreffelijk plan had uitgedacht, besloot nu gebruik te maken van Dolmanns panische angst: Dolmann diende Wolff dusdanig te beïnvloeden dat deze bereid zou worden gevonden de ordelijke en versnelde overgave van de Duitse strijdkrachten in Noord- Italië te bewerkstelligen. Bij een positief resultaat werd beide trawanten vrijwaring van strafvervolging in het vooruitzicht gesteld.

Inderdaad bleek Wolff gevoelig voor de hem gedane suggesties, waarna de kardinaal op zijn beurt de instemming van het verzet met zijn plannen wist te verwerven. De ontwikkeling geraakte nu spoedig in een stroomversnelling.

Reeds in januari 1945 kwam Parrilli, die van alles goed op de hoogte was, in actie. Om gezondheidsredenen vroeg hij een uitreisvergunning naar Zwitserland aan, een voor die tijd uitzonderlijk geval. Door bemiddeling van Dolmann werd deze hem echter prompt verstrekt. Daarna reisde de bankier naar Zürich, alwaar de Zwitserse geleerde professor Hussmann niet alleen borg voor hem stond maar hem tevens in de gelegenheid stelde rustig van gedachten te wisselen met de Amerikaanse diplomaat Allen Dulles.

Uit veiligheidsoverwegingen hield deze zich voorlopig op de achtergrond en liet de volgende gesprekken voeren door een van zijn naaste medewerkers, de van afkomst Oostenrijkse dr. Gaevernitz. Daarna, en wel tijdens een bespreking die door Gaevernitz, Hussmann en Parrilli werd gevoerd, kwam Dolmann opdagen. Hij shockeerde zijn gesprekspartners door openlijk voor zijn oorlogsmidaden uit te komen, maar verklaarde te hunner geruststelling bovendien, dat zowel Wolff als hem zelf alles eraan was gelegen de plannen van de kardinaal in positieve zin te kunnen afronden.

Na ruggespraak met Dulles kwam Gaevernitz met een proefopdracht waarmee beiden hun goede bedoelingen metterdaad konden bewijzen: het ging om de vrijlating van twee prominente Italiaanse gijzelaars die zich in handen van de Gestapo bevonden, Ferruccio Parri (de latere premier) en Usmiani.

Aangezien Mussolini de terechtstelling van beiden verlangde, stond Dolmann voor een moeilijke opgave. Zijn taak zou hij evenwel feilloos volbrengen: nog voor de afgesproken tijd werden beiden afgeleverd bij de grensplaats Chiasso, met Parri's echtgenote als toegift.

Op Zwitsers grondgebied vond in de eerste helft van maart een inleidend gesprek Dulles-Wolff plaats. Na zijn terugkeer kwam Wolff tot de ontdekking, dat Kesselring naar het Oostfront was overgeplaatst. Dat was een tegenvaller, want Wolff en Dolmann hadden bij de verwezenlijking van hun plannen nauwelijks op tegenwerpingen van de maarschalk gerekend. Hoe diens opvolger generaal Vietinghoff zou reageren, moesten zij nog ondervinden.

Inmiddels had Dulles, die na zijn gesprek met Wolff meer vertrouwen in de goede afloop had gekregen, geen gras erover laten groeien. Door zijn toedoen kwamen de Britse generaal Airey en de Amerikaanse generaal Lemnitzer naar Zwitserland. In het Zwitserse Ancona voerden dezen met Wolff een lang gesprek; de laatste i's werden van een punt voorzien, zodat Wolff van alle geallieerde wensen en eisen was doordrongen.

Na opnieuw in zijn hoofdkwartier in Fasano te zijn teruggekeerd, kreeg hij de schrik van zijn leven: Himmler had hem telefonisch laten weten dat hij van zijn Zwitserse uitstapjes en die van Dolmann op de hoogte was, dat hij de bedoelingen daarvan zeer wel begreep en dat bovendien de families van beiden zich in „Schutzhaft" bevonden. Wolff belde in paniek Parrilli op, die hem uit Milaan adviseerde voort te gaan op de ingeslagen weg aangezien hij immers alle schepen allang achter zich had verbrand.

Toen Wolff op 13 april naar Berlijn werd ontboden, was hij ervan overtuigd dat daar zijn doodvonnis gereed lag. Na een uiterst tumultueus onderhoud met Himmler deed deze echter water in de wijn, maar hij noodzaakte Wolff wel Hitler over de ware toestand in Noord-Italië te rapporteren.

Dat onderhoud vond plaats op 18 april, in tegenwoordigheid van Himmler, waarbij Hitler zijn totale apathie duidelijk ten toon spreidde.

Op 19 april keerde Wolff terug in het voor hem betrekkelijk veilige Fasano. Inmiddels rukten de geallieerden, die inderdaad op 10 april aan hun slotoffensief waren begonnen, zeer snel op. In de buurt van Chiasso voerden Gaevernitz en Wolff op 24 april een afrondend gesprek. Wolff deed alsnog de toezegging dat zijn SS-troepen het opperbevel over de Wehrmacht in Noord-Italië desnoods met gebruikmaking van geweld zouden dwingen eveneens de pijp aan Maarten te geven.

In de ochtend van 25 april, de dag van de algemene opstand van het gewapende verzet, gelastte Wolff de SS, SD en Gestapo in Milaan, dat zelfs in geval van een bezetting van deze stad geen enkele tegenstand mocht worden geboden.

Ook Mussolini kwam nog even uit zijn schuilhoek om met de verzetsleiding in onderhandeling te treden. Hoewel hij van machtsmiddelen was verstoken, stelde hij toch nog eisen. Eerst nadat Marazza hem met zijn neus op de feiten had gedrukt en hem bovendien had duidelijk gemaakt dat zijn Duitse vrienden uitsluitend aan eigen lijfsbehoud dachten, zong Mussolini vele tonen lager.

Nadat hij opschorting van de besprekingen had gevraagd, liet men hem ongemoeid vertrekken. Hij deed nog een laatste poging de dans te ontspringen door zich onder een stapel dekens in een Duitse vrachtauto te verbergen, maar vergeefs, want hij werd ontdekt en als gevangene van het verzet afgevoerd.

De gearresteerde leden van zijn regering werden door een geïmproviseerde volksrechtbank ter dood veroordeeld en onmiddellijk daarna gefusilleerd. Mussolini zelf werd naar een afgelegen oord overgebracht, waar hij en zijn vriendin Clara Petacci op 28 april 1945 door machinegeweervuur werden neergelegd.

Van de republiek van Salo, die dikwijls door velen smalend als „la repubblicchetta" (het republiekje) was aangeduid, bleef niets anders over dan een paar, van bizarre teksten voorziene, afgescheurde affiches.

Op hetzelfde tijdstip gaven Wolff en Dolmann blijk van hun ijver en reislust; per auto begaven zij zich naar het Franse plaatsje Annecy, van waaruit zij met een speciaal vliegtuig naar het geallieerde hoofdkwartier in Caserta werden overgevlogen. De twee samenzweerders, die in burger waren gekleed, ondertekenden de onvoorwaardelijke Duitse overgave van Noord-Italië op 29 april, 's middags om 3 uur. Dat document zou nooit door een gevolmachtigde van de Wehrmacht worden bekrachtigd: generaal Vietinghoff bleek plotseling te zijn teruggeroepen en een plaatsvervanger werd niet meer benoemd.

Opvallend was echter dat alle Duitse strijdkrachten zich hielden aan het, door het geallieerde opperbevel geëiste, tijdstip voor het „staakt het vuren". Dat werd op 1 mei 1945 om 12 uur 's nachts van kracht; ten zuiden van de Alpen was de strijd ten einde.

De naoorlogse politieke situatie

Evenals de meeste andere Europese landen, die bij de Tweede Wereldoorlog waren betrokken geweest, stond het naoorlogse Italië voor bijna onoplosbare problemen. In feite had het land ook nog een burgeroorlog achter de rug, zij het dan een indirecte. Tot de belangrijkste politiekepartijen, die nu de lakens gingen uitdelen, behoorden de christen-democratische, de communistische en de socialistische partij. De „Democrazia Cristiana" (DC), die in het najaar van 1943, vooral door toedoen van de energieke Alcide de Gasperi, van de grond kwam, was de voortzetting van de Italiaanse Volkspartij die in 1919 door de Siciliaanse priester Luigi Sturzo was opgericht. Deze nieuwe volkspartij, die sterke steun van het Vaticaan genoot, bezat echter vleugels waarvan de meningen der leden uiteenliepen van zeer progressief tot uiterst conservatief.

De Italiaanse Communistische Partij (PCI) was in januari 1921 opgericht door de schrijver en politicus Antonio Gramsci, die tevens het eerste pragmatische partijprogramma opstelde. Dat programma week sterk af van de starre denkbeelden die in Moskou opgeld deden; de Italiaanse communisten zouden nooit fervente Leninisten of Stalinisten worden. Voor Palmiro Togliatti, een van Gramsci's medewerkers van het eerste uur, was — na zijn terugkeer op 22 april 1944 uit vrijwillige ballingschap in de Sovjet- Unie — in Italië een rol van betekenis weggelegd (Gramsci was in 1937 overleden in een interneringskamp in de buurt van Rome). De huidige leider van de PCI (1981), Enrico Berlinguer, maakte zich in 1979 vrijwel geheel los van Russische invloed, hoewel ook sindsdien Moskou zijn partij — zij het dan uit opportunistische overwegingen— soms toch nog steunt.

De Italiaanse Socialistische Partij (PSI) was in 1892 in Genua opgericht. Toentertijd was het socialistische partijprogramma een uitermate afgerond geheel; het was doortrokken van humanisme, had een pro-parlementaristische inslag en vertoonde tevens antimilitaristische tendensen.

PSI

De naoorlogse partij werd geleid door de doorgewinterde veteraan Pietro Nenni; de rechter, sociaal-democratische vleugel werd gedomineerd door Giuseppe Saragat. Van partijeenheid was echter nauwelijks sprake; al in 1947 werd aangetoond, dat de opvattingen van Nenni en Saragat hemelsbreed verschilden. Binnen partijverband leidde dat tot splitsingen en pas in mei 1951 werd klare wijn geschonken. Sindsdien opereerden twee socialistische partijen op het politieke front: Nenni's PSI en Saragats PSDI.

Van de kleinere maar wel invloedrijke politieke groeperingen dienen zowel de Republikeinse Partij (PRI) als de Liberale Partij (PLI) te worden vermeld. Uiteraard ijverden de leden van de PRI voor de instelling van de republiek. Voor die aangelegenheid liepen de liberalen niet warm, hoewel zij zich wel neerlegden bij de nieuwe republikeinse grondwet van 1947, die met ingang van l januari 1948 van kracht werd.

Men had de handhaving van de monarchie ter discussie gesteld als gevolg van de door de leden van het huis van Savoye al te gemakkelijk verleende medewerking aan het voormalige fascistische bewind.

Victor Emanuel III had in 1944 de storm al zien aankomen. Op 5 juni 1944, dus een dag na de geallieerde inneming van Rome, benoemde hij zijn oudste zoon, kroonprins Umberto, tot waarnemend staatshoofd. Op 9 mei 1946 deed Victor Emanuel III afstand van de troon; de regeringsperiode van Umberto II werd een zeer kortstondige.

Inmiddels had in december 1945 een regeringswisseling plaatsgevonden; de bovenvermelde verzetsleider Parri, een onafhankelijk politicus, droeg zijn premierschap over aan De Gasperi. Onder zijn leiding werd een volksreferendum voorbereid, dat zou beslissen over de handhaving van het koningschap dan wel de instelling van een republikeinse staatsvorm.

Het referendum én de eerste naoorlogse verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers (ca. 600 leden) vonden plaats op 2 juni 1946. Het Italiaanse volk sprak zich in meerderheid (ca. 55%) uit voor invoering van de republiek. Op 10 juni werd de advocaat Enrico de Nicola tot voorlopig president gekozen, waarna op 18 juni de republiek werd uitgeroepen.

De uitslag van de Kamerverkiezingen leverde de christen-democraten een belangrijke machtspositie op, maar niet de absolute meerderheid; alleen tussen 1948 en 1951 zou de DC over de absolute meerderheid beschikken. De PCI kwam als grote tweede partij uit de bus, de PSI volgde in derde positie. Samen verwierven communisten en socialisten enkele zetels meer dan de christen-democraten. Het nieuwe kabinet, opnieuw onder De Gasperi, werd dus de eerste naoorlogse regering die met invloed van de kiezers werd samengesteld. Van de nieuwe equipe maakten zowel christen-democraten als communisten, socialisten, sociaal-democraten, republikeinen en een liberaal deel uit. In de loop van 1947 zette De Gasperi de communisten en de Nenni-socialisten aan de kant.

Als gevolg van talrijke reeds gemaakte afspraken voerden de communisten een gematigde oppositie, die bijna als een soort gedogen kan worden beschouwd. De oorzaak voor dat spel was te vinden in de status, die de DC, de PCI, de PSI, de PRI, de PLI en (weer later) de PSDI zich hadden weten te verwerven, namelijk die van de „grondwetspartijen", omdat deze partijen zich en bloc of bij meerderheid hadden verklaard vóór de nieuwe republikeinse grondwet. Deze situatie bracht de Italiaanse communisten een aanvaardbare positie, want ook zij werden in overheidsfuncties benoemd, terwijl zij bovendien voor posten bij het onderwijs werden aangezocht.

Italië is nu eenmaal het land, waar de politici nog meer met elkaar praten dan elders! Een systeem, dat het maken van talrijke afspraken bevordert en het in elkaar zetten van de gecompliceerdste compromissen in de hand werkt. Daarbij komt nog, dat vrijwel iedereen zich houdt aan het eens gegeven woord. Hoewel iets dergelijks elders volkomen onbegrijpelijk aandoet, zal in Rome worden doorgegaan met het sluiten van de zo gesmade doch tevens befaamde „combinazione", waarvoor de Italianen van nature kennelijk het recept bij uitstek bezitten.

Door de decennia heen ontplooiden de communisten grote activiteit in de volksvertegenwoordiging. Hun inbreng werd medio 1976 nog vergroot, doordat toen premier Andreotti voor hen ook het licht op groen zette voor het bekleden van het voorzitterschap van de diverse kamercommissies; slechts dat van buitenlandse zaken en dat van defensie (rekening houdende met de gevoelens van de VS!) bleven voor hen taboe.

Hoewel de communisten dus sinds 1947 geen ministerspost meer bezetten, verwierven zij zich als regenten toch een goede naam; met hun vanouds bekende pragmatische instelling pasten zij zich goed aan bij de eisen van het moment, terwijl zij bovendien veel minder corrupt waren dan de christen-democraten.

Tussen december 1945 en medio 1981 waren alle premiers lid van de DC, die bovendien als de permanent grootste partij de meeste ministers leverde. Deze regeringen droegen alle het stempel van het gematigde midden, aangevuld met figuren van gematigd links en/of rechts.

De kleine neofascistische partij, de MSI, de nog kleinere monarchistische partij en de kleine splintergroeperingen van uiterst links, die geen van allen de status „grondwetspartij" hadden, blevenderhalve steeds buitenspel.

De afsluiting van deze lange reeks staat op naam van de republikeinse politicus Giovanni Spadolini. Eind juni 1981 had hij als nieuwe premier het 41e naoorlogse kabinet gevormd. Het was samengesteld uit leden van de DC, PSI, PRI, PSDI en PLI, 27 ministers in totaal. De belangrijke portefeuilles van buitenlandse zaken en defensie waren toegewezen aan respectievelijk de christen-democraat Colombo en de socialist Lagorio. Naar Italiaanse begrippen zou Spadolini lang aan de macht blijven, waarover later meer.

Sinds 1978 is de oude en integere socialist Sandro Pertini president van de republiek; zowel in als buiten Italië worden zijn wijs inzicht en zijn innemend optreden algemeen gewaardeerd.

De buitenlandse politiek

Na een onderhandelingsperiode van ruim een half jaar ondertekenden de gevolmachtigden van Bulgarije, Finland, Hongarije, Italië en Roemenië (de vroegere bondgenoten van het Derde Rijk) op 10 februari 1947 het Vredesverdrag van Parijs. Dat betekende voor Italië definitief afstand doen van alle tussen 1885 en 1940 verworven overzeese gebiedsdelen, het verlies van het schiereiland Istrië aan Joegoslavië, het zich neerleggen bij de status van vrijstaat voor Triest, en het toestaan van enkele grenscorrecties ten gunste van Frankrijk.

Het was echter vooral te danken aan De Gasperi's minister van buitenlandse zaken, de republikein Sforza, dat het op internationaal niveau zo geschonden aanzien van Italië zich spoedig weer enigszins kon herstellen. Tevens stimuleerde Sforza duidelijk de politieke oriëntatie op het Westen. Zo werd het voor Italië mogelijk, op 4 april 1949, als lid van het eerste uur, in de NAVO te worden opgenomen.

koude oorlog

In 1950 werden de pogingen van Rome tot het aanknopen van diplomatieke betrekkingen met Ethiopië met succes bekroond, en van de VN kreeg Italië een mandaat over het vroegere Italiaanse Somaliland toegewezen. Deze goed vervulde taak werd beëindigd op l juli 1960, de dag waarop Somalia de onafhankelijkheid verwierf.

In 1951 werd een eerste akkoord met Belgrado bereikt en bovendien werd met toestemming van Washington in Rome afgekondigd dat Italië de militaire clausules van het Vredesverdrag van Parijs als vervallen beschouwde. Het opnieuw onder de Italiaanse vlag brengen van Triest op 5 oktober 1954, werd in Rome als een diplomatieke overwinning van de eerste orde beschouwd.

Vrijwel direct na de oorlog konden de betrekkingen met de Verenigde Staten zich in positieve zin ontwikkelen; die met Londen en Parijs bewogen zich ook in opgaande lijn, zij het in een veel langzamer tempo. De Italianen spanden zich tevens in de betrekkingen met Athene van scherpe kanten te ontdoen. De relaties met Turkije, die eigenlijk sinds 1921 altijd goed waren geweest, waren op niveau gebleven.

Naar het onafhankelijke Libië werden nieuwe draden gesponnen, een streven dat de Italiaanse economie vele voordelen zou brengen. Met de Bondsrepubliek groeiden de betrekkingen snel tot uitstekend uit. Die met de Sovjet- Unie vereisten een serieuze aanpak en derhalve geduld. In de periode van 24 tot 30 januari 1967 bracht de Russische president Podgorni een staatsbezoek aan Rome; hij sprak daar niet alleen met de toenmalige president Saragat (PSDI) en de andere regeringsleden, maar bracht tevens een bezoek aan het Vaticaan. Op 6 november 1970 knoopte Rome diplomatieke betrekkingen aan met de Volksrepubliek China.

De Italiaanse buitenlandse politiek toonde, en toont nog steeds, een zekere vrees voor de vorming van een politiek directoraat over het Westen dat — met voorbijgaan van Rome — door Washington, Londen, Parijs en Bonn zou worden gedomineerd. Volgens velen leidde dat trauma ertoe dat na 1947 nooit meer communisten in een Italiaanse regering werden opgenomen; weer anderen zoeken de oorzaak daarvan bij de invloed van de kerk. De werkelijke toedracht is echter simpel: zowel de Bondsrepubliek als de Verenigde Staten hebben in Italië enorme belangen; Bonn ziet een Italiaanse regering met communisten ongaarne, en Washington verafschuwt alleen al het idee.

De Italiaanse betrekkingen met de meeste landen van Zuid-Amerika vertoonden niet veel ups en downs, want daarvoor waren die te hecht. Zeer nauw waren en zijn de banden met Argentinië, een land waarvan de bevolking voor ten minste 10% van Italiaanse afkomst is. Zelfs de besluitvorming in de EEG ondervond daarvan de nadelen.

De Italiaanse economie

Reeds jaren geleden meenden vele internationale deskundigen met zekerheid te kunnen voorspellen dat de Italiaanse economie een totale ineenstorting stond te wachten. Deze theoretici vonden het een raadsel dat hun prognoses niet uitkwamen, want het aangekondigde bankroet bleef uit.

In werkelijkheid speelden factoren mee, waarvan enkele moeilijk waren te onderkennen, die deze economie juist impulsen ten goede verschaften. Hoewel de regeringen elkaar in snel tempo opvolgden, zette elke regeringsequipe zich toch vastberaden in voor het herstel van 's lands economie.

In de tweede plaats is het reeds eerder genoemde Italiaanse volkskarakter van belang. De Italianen zitten eigenlijk nergens mee. De veelvuldig schijnende zon met de meestal op tijd vallende regen als bijverschijnsel blijken in staat de van nature al aanwezige opgewektheid en verdraagzaamheid extra te cultiveren.

In 1950 bereikte de agrarische crisis in Zuid-Italië een hoogtepunt. De regering zag de noodzaak van een aanpak van het grootgrondbezit in en regelde bij de wet een nieuw systeem van landverdeling. In Noord-Italië werd echter een welvaartswonder verricht. Al heel spoedig werd de industriële produktie van voor de oorlog overtroffen, waartoe het uiterst snelle herstel van het transportwezen in aanzienlijke mate had bijgedragen. De industriële driehoek Genua-Turijn-Milaan werd een der hoogst ontwikkelde gebieden van de wereld. Voorts werd de uitstekend georganiseerde rijstwinning in de Povlakte van eminent belang voor de voedselvoorziening.

Inderdaad beschikken de technisch hoog ontwikkelde Noorditalianen over de Westeuropese mentaliteit. Reeds voor de eeuwwisseling hadden zij naam gemaakt als vestingbouwers en voor de Eerste Wereldoorlog werden zij befaamd als constructeurs van motoren, auto's en machines. Tussen de beide wereldoorlogen verbaasden zij de internationale technici als de aanleggers van spoorwegen in geaccidenteerd terrein en bovendien als scheepsbouwers en havenconstructeurs.

In de jaren '60 wisten de Italianen successen te boeken in de sector van de huishoudelijke apparatuur, en in de jaren '70 gooiden zij bovendien hoge ogen in de petrochemische industrie. Aangezien de politici zelf begrepen dat de vele regeringswisselingen de arbeidsonrust in de hand werkten, zorgden zij voor het aannemen van de wet van 15 mei 1970, die Italië zodanig in gewesten verdeelde dat een belangrijke decentralisatie van het voorheen te ingewikkelde bestuurssysteem kon worden ingevoerd. Die wet getuigde van een behoorlijk inzicht, want het bedrijfsleven had in 1969 veel last ondervonden van stakingen met de daarbij behorende fabrieksbezettingen.

Verder is het bestaan van de zogenaamde „ondergrondse economie" een niet te verwaarlozen factor in positieve zin. Onderzoekingen hebben aangetoond dat zeker 25% van de geregistreerde werklozen toch aan het arbeidsproces deelneemt, terwijl van de ambtenaren ten minste 20% een nevenfunctie vervult. Vele deskundigen zijn ervan overtuigd, dat deze in zwang zijnde methoden voor 15% van de totale nationale produktie zorgen. Onweerlegbaar werd vastgesteld dat het „zwart werken" voor bijvoorbeeld de textielindustrie de kurk betekent waarop het geheel drijft.

Door vrijwel iedereen wordt derhalve de bestaande toestand aanvaard, toegestaan en soms zelfs nog in de hand gewerkt; dat zo tevens van de sociale voorzieningen misbruik wordt gemaakt, wordt gemakshalve op de koop toe genomen.

Ook de Italiaanse inflatiepolitiek vertoont enkele bizarre facetten. Het lidmaatschap van het Internationale Monetaire Fonds legt ook Italië verplichtingen op. Desalniettemin blijkt zonder enige staatsbemoeienis de Centrale Bank in Rome veel te kunnen doen. Ondanks de hoge inflatie houdt deze instelling de geldsomloop in de hand, terwijl bovendien de inflatie niet schoksgewijs maar geleidelijk verloopt. Met deze feiten houdt de export terdege rekening, zodat de concurrentiemogelijkhedengehandhaafd blijven.

Inzake het inflatieprobleem toonden Spadolini's ministers eveneens de nodige activiteit, waarbij de hoop werd gekoesterd de inflatie (in 1981 ruim 20%) voor 1982 te kunnen beperken tot 16%.

De economische banden met enkele van de vroeger door hen beheerde landen ontwikkelden zich gunstig voor de Italianen. In de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba werden hun adviezen zelden in de wind geslagen. De zakelijke banden met Libië groeiden uit tot nauwe en veelomvattende betrekkingen: in de jaren '70 waren de Italianen op het gebied van de levering van oorlogsmaterieel goede tweeden na de Russen. Allengs was Italië een gewaardeerde afnemer van de Libische olie geworden; na het sluiten van de olieovereenkomst met Tripoli op 25 februari 1974 steeg deze afname nog meer. De kentering in de economische betrekkingen met Libië kwam evenwel in 1981: eind augustus besloten de Italianen geen dure Libische olie meer af te nemen; in oktober maakte Rome bekend dat de lopende orders voor oorlogsmaterieel nog zouden worden uitgevoerd en afgeleverd, maar dat geen nieuwe opdrachten meer werden aanvaard.

Met verschillende Europese landen werkt Italië op technisch gebied nauw samen. Ook met Frankrijk kwam een goede samenwerking tot stand, waarvan die tussen Fiat en Citroen/Peugeot zeker een goed voorbeeld is. De opzet daarvan hield in, de Japanners op de Afrikaanse markt gezamenlijk doeltreffend te beconcurreren; een streven dat reeds nu als succesvol kan worden beschouwd.

Fransen en Italianen waren het echter beslist niet over alles eens, want onlangs werd door hen zelfs een wijnoorlog gevoerd. Die strijd eindigde voor Italië in een overwinning: op 6 maart jl. besliste het Europese Hof van Justitie dat de Franse douaniers de in- en doorvoer van Italiaanse wijn maximaal drie weken mogen tegenhouden. De Franse wijnblokkade was tevergeefs geweest.

Hoewel van 1950 af ook Zuid-Italië bij de industrialisering werd betrokken, zijn de tegenstellingen tussen het welvarende noorden en het achtergebleven en arme zuiden blijven bestaan. Een typisch samenspel van ambitie, opportunisme en spitsvondigheid verschaft de Italiaanse economie als geheel echter voldoende mogelijkheden tot overleven.

Het terrorisme

Vrijwel direct na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog werd in Rome de regering ook nog geplaagd door een sterk opgekomen Siciliaans separatisme. Voor de oorlog was deze beweging wel in sluimerende toestand aanwezig, maar zij kwam bijna nooit in het nieuws. Dat zij nu wél naar buiten ging treden, was gedeeltelijk op rekening van de geallieerden te boeken. Die hadden immers bij hun verovering van Sicilië in 1943 gebruik gemaakt van door de Mafia verleende diensten. Daardoor was het bestaande machtsevenwicht tussen politiek, kerk én Mafia enigszins op losse schroeven komen te staan.

Voor die hulp was bemiddeld door de in een Amerikaanse gevangenis vertoevende gangster Lucky Luciano. Uit erkentelijkheid herkreeg hij zijn vrijheid; zijn aanwezigheid in Italië zou later vele politieautoriteiten grijze haren bezorgen. Voor een deel trachtte het separatisme zich waar te maken in de vorm van terrorisme. Vooral de jonge bandiet Salvatore Giuliano, die door velen als weldoener van de armen werd gezien, zette zich met zijn uit desperado's bestaande kleine aanhang in voor een onafhankelijk Sicilië.

Zelfs schreef Giuliano president Truman een brief, die een uitnodiging aan de Verenigde Staten behelsde Sicilië als 49e staat op te nemen. In de ogen van velen maakte Giuliano het echter veel te bont. Op 4 juli 1947 werd hij, nadat hij in een hinderlaag was gevallen, door de Carabinieri met kogels doorzeefd. Het draaiboek voor deze actie was door de Mafia vervaardigd. Uiteindelijk verkregen de eilandbewoners de door hen zo gewenste autonomie. Het Siciliaanse separatisme verdween daarna geheel naar de achtergrond.

In de tweede helft van de jaren '60 werden op het Italiaanse vasteland nieuwe terroristische activiteiten merkbaar, namelijk die van de Rode Brigades. De leden van deze organisatie, die verre van zachtzinnig optraden, maakten zich onder meer veelvuldig schuldig aan aanslagen, ontvoeringen en terechtstellingen. Even dreigde de maatschappij ontwricht te raken, want het zag er aanvankelijk naar uit dat de autoriteiten geen gepast verweer wisten te vinden.

rode brigades

De ontvoering van Aldo Moro, de toenmalige grijze eminentie in de Italiaanse politiek, op 10 maart 1978, en vooral het vinden van zijn stoffelijk overschot op 9 mei daaraanvolgend, veroorzaakten zowel in binnen- als in buitenland enormeontsteltenis. Unaniem werden de acties van de Rode Brigades veroordeeld. Met steun van vrijwel alle media zetten de politici van alle schakeringen zich tegen hen af. Voortaan zouden zelfs de hardste door de regering te nemen maatregelen door iedereen worden gebillijkt.

De, na een gijzelingsperiode van 42 dagen, in het begin van dit jaar geslaagde bevrijding van de Amerikaanse generaal James Lee Dozier, toonde dan ook duidelijk aan dat Rome het leergeld niet voor niets had betaald: de grootscheepse zoekacties waren voortreffelijk georganiseerd en werden, indien noodzakelijk, op andere punten herhaald; tevens werd een kundig gebruik gemaakt van de gegevens die door overlopers waren verstrekt. Het succes van het eindresultaatwas ten volle verdiend.

Verder had Italië er weer een nieuwe reeks van uiterst spectaculaire processen bijgekregen. En zelfs wordt tijdens de tegen de leden van de Rode Brigades gevoerde processen op on-Italiaanse wijze iets meer haast betracht. De vroegere politieke en/of schandaalprocessen ontaardden meestal in juridische steekspelen, die bovendien eindeloos werden gerekt. Na verloop van tijd konden alleen de leden van magistratuur en advocatuur nog vertellen waarover men in feite was begonnen.

De strijdkrachten

Artikel 61 van het Vredesverdrag van Parijs beperkte de sterkte van de Italiaanse strijdmacht tot een maximum van 250.000 man. Bijna gelijktijdig met de opzegging van de militaire clausules van dat verdrag maakten in 1951 de CD en de PCI een belangrijke afspraak over het strijdkrachtenbeleid. Overeengekomen werd dat de te voeren defensiepolitiek nooit zou mogen leiden tot een breuk die de lopende politieke samenwerking tussen beiden zou kunnen verstoren.

Dat maakt duidelijk hoe er in de top van de twee grootste Italiaanse politieke partijen over de defensie werd gedacht. Dat wil niet zeggen dat Italië als lid van de NAVO uit de pas liep. Integendeel zelfs, het in Napels gevestigde NAVO-commando werd door niemand een strobreed in de weg gelegd. Naar buiten toonden de Italianen zich uitstekende bondgenoten, want het aannemen van deze houding kost hun— althans in vredestijd — niet de minste moeite.

De periode van samenwerking tussen christendemocraten en communisten werd in januari 1979 beëindigd; de communisten achtten het voor hun achterban onaanvaardbaar bij elke regeringsformatie bij voorbaat te worden uitgesloten. Zij waren het gedogen moe. Maar ook werd spoedig duidelijk, dat Italië nu nog onregeerbaarder was geworden dan voorheen.

Toch stelde Rome zich in 1979 defensiebewuster op en tot verbazing van velen werd het NAVObesluit tot plaatsing van de kruisraketten in december moeiteloos aanvaard.

Aan het einde van 1981 waren de strijdkrachten als volgt samengesteld: de landmacht had een sterkte van 255.000, de marine 42.000 en de luchtmacht 69.000 man in totaal. Het leger beschikt onder meer over een complete geleidewapenbrigade en over circa 1750 tanks. De luchtmacht telt 310 gevechtsvliegtuigen (en onmiddellijk dringt de vraag zich op, hoe het mogelijk is dat daarvoor bijna 70.000 man op de been moeten worden gehouden). De moderne zeemacht omvat onder meer 9 onderzeeboten, moederschip voor helikopters, 2 kruisers, 4 geleide- wapentorpedobootjagers, 12 fregatten en 8 korvetten.

In het algemeen maakt de Italiaanse strijdmacht een gedisciplineerde indruk. Men vergete echter niet, dat ook de vooroorlogse strijdkrachten dezelfde indruk maakten, terwijl de praktijk bewees dat zij vrijwel onbruikbaar waren.

Daarnaast beschikt Rome nog over de paramilitaire organisatie der Carabinieri, die kan bogen op een sterkte van bijna 85.000 man. De Carabinieri zijn uitgerust met eigen pantserauto's, lichte tanks en artillerie. Vooral de laatste jaren kwamen zij in de publiciteit; hun tegen de Rode Brigades gerichte optreden ondervond veel bijval.

Bij eventuele verwezenlijking van het NAVObesluit van december 1979 zullen de voor Italië bestemde 112 kruisraketten op Sicilië worden geplaatst. De bedoeling daarvan is duidelijk, namelijk het bij voorbaat neutraliseren van uitgesproken anti-Westerse landen als bij voorbeeld Libië en — zij het in mindere mate — Algerije.

Ook werd de plaatsingsaangelegenheid behandeld door de leden van de regionale Siciliaanse Raad van Bestuur. Zij brachten de bereidheid op, het vraagstuk te willen zien als een al-Italiaanse zaak die uitsluitend door Rome dient te worden geregeld. De Sicilianen zagen er bovendien geen aantasting van hun autonome status in. Dat besluit betekende een nederlaag voor de PCI, die uiteraard de grootste opponent was van Rome's besluit. Genoemd verweer was toch al een moeilijke opgave, want de Europese antikernwapenbeweging kreeg in Italië nooit een voet aan de grond.

Onmiddellijk na het vernemen van de Siciliaanse zienswijze nam, eind augustus 1981, Spadolini het besluit dat, ook bij een eventuele definitieve afwijzing tot plaatsing door Brussel en/of Den Haag, het aantal van de 112 voor Italië bestemde kruisraketten nooit zou mogen worden verhoogd. In september 1981 verkreeg Rome van de Amerikanen de toezegging dat Italië inzake de plaatsing en het latere eventuele gebruik op volledige medezeggenschap kon rekenen.

Geoliede politiek

Op 4 augustus jl. gebeurde in politiek Rome iets onverwachts. De regering had bij de Kamer van Afgevaardigden een wetsontwerp ingediend, dat bij aanneming de oliemaatschappijen zou verplichten tot versnelde betaling van de af te dragen belastinggelden. Hoewel van te voren de tot de regeringscoalitie behorende christen-democraten tegen het wetsontwerp nauwelijks enig verzet hadden aangetekend, stemden talrijke fractieleden toch tegen het wetsontwerp, waardoor de wet werd verworpen. Deze handelwijze werd algemeen (met inbegrip van de christen- democratische ministers) als een dolksteek in de rug van Spadolini beschouwd. Het was evenwel Bettino Craxi, de militante en ambitieuze leider van de PSI, die de algemene verontwaardiging gestalte gaf door de kat de bel aan te binden. Hij zette de zeven socialistische ministers onder druk, waarna zij unaniem besloten uit het kabinet te treden. Daarna bleef op 7 augustus de premier niets anders over, dan president Pertini het ontslag van zijn kabinet aan te bieden.

Hij aanvaardde het ontslag, maar na een kort beraad belastte hij toch Spadolini met een nieuwe formatieopdracht. Mede onder druk van de president kwamen de socialisten op 17 augustus terug op hun eerder gedane weigering tot deelneming aan een eventuele tweede regering-Spadolini. En toen werd in Rome algemeen aangenomen, dat de 57-jarige Spadolini, die tijdens zijn regeringsperiode zijn taaie standvastigheid ruimschoots had geëtaleerd, spoedig zou slagen in zijn poging een nieuwe regering samen te stellen; een equipe van dezelfde signatuur als de vorige, met hooguit enkele nieuwe gezichten.

Het verdere verloop overtrof zelfs de stoutste verwachtingen. In de namiddag van 23 augustus zetelden weer dezelfde mensen op hun fluwelen ministerskussens: 15 leden van de DC, 7 van de PSI, 3 van de PSDI, 2 van de PRI (de premier en de minister van budget en planning Giorgio La Malfa) en een lid van de PLI. Een huzarenstuk was voltooid, want de politieke augustuscrisis was binnen drie weken opgelost

Literatuur

A. Moorhead — Eclipse. Schellens & Giltay, Amsterdam (1947).

P. Saporiti — Het lege balkon. Arbeiderspers, Amsterdam (l 949).

L. van Egeraat — Geschiedenis van Italië. Spectrum, Utrecht (l958).

M. Mourin — Ciano contra Mussolini. Spectrum, Utrecht (1963).

K. S. Rudnicki — The last of the war-horses. Bachman & Turner, Londen (1974).

A. Visser — De mythe van de Mafia. Bruna, Utrecht/ Antwerpen (l974).

P. Demaret - Borghese. Éd. Robert Laffont, Parijs (1977).

M. Vaussard — Histoire de l'Italie moderne (1870- 1970), dl 2. Librairie Hachette, Parijs (1980).

Eerder verschenen in Militaire Spectator 1982 pagina 443 t/m 454