We hebben 255 gasten online

Het Socialisme

Gepost in West-Europa

I.Inleiding

Het moderne socialisme is ontstaan in de negentiende eeuw. Er zijn natuurlijk in vroegere tijden wel revolutionaire volksbewegingen aan te wijzen, die achteraf in sommige opzichten "socialistisch" zouden kunnen worden genoemd, bv. de boerenopstanden in Frankrijk, Engeland en Duits­land in de overgang van de Middeleeuwen naar de Nieuwe Tijd.

Ook het monnikenideaal - in afzondering te leven van deze "zondige" wereld en in kleine gemeenschappen een aan God toegewijd leven te leiden ­vertoonde een aantal "socialistische" trekjes.

In het socialisme bestaat een grote verscheidenheid van opvattingen en doelstellingen. Tot .ongeveer 1914 werden de termen socialisme en com­munisme bovendien nog door elkaar gebruikt waardoor een omschrijving moeilijk is.

Het is makkelijker aan te geven wat alle socialistische bewegingen, van welke richting dan ook, in ieder geval gemeenschappelijk hebben:

a) bezorgdheid over en ,protest tegen het lot van de misdeelden, behoeftigen en verdrukten in de samenleving.

b) veroordeling van de bestaande sociale orde als onrechtvaardig.

c) pleidooi voor een rechtvaardiger maatschappelijke orde, die tot meer

gelijkheid en een klassenloze maatschappij voert.

d) de overtuiging dat dit te bereiken is door een collectieve regeling

van leven en arbeid op coöperatieve grondslag i. p. v. onbeperkte individuele wedijver.

e) de bereidheid om deze fundamentele sociale veranderingen door te voeren.

Het socialisme wil dus een eind maken aan elke vorm van economische strijd. Niet alleen de strijd tussen rijk en arm wil zij onmogelijk ma­ken, maar ook de concurrentie zowel tussen de rijken als tussen de armen onderling. De ene klasse zou niet langer de andere mogen onderdrukken en zich van een deel van de vruchten van de arbeid van de andere meester mogen maken. De voornaamste productiemiddelen ( grond, fabrieken, machines e.d. ) moeten gemeenschappelijk bezit worden, er zal geen klassenonderscheid meer zijn.

2) Achtergronden van het 19e eeuws socialisme

a) Rationalisme

Het socialisme is voortgekomen uit twee omwentelingen:

1. de omwenteling in het denken van de mensen in de 18e eeuw - de eeuw

van de Verlichting - waarbij als enige maatstaf voor het menselijk oor­deel het verstand zou gelden. Kritisch denken zou de enkeling en de mensheid in het algemeen tot meer geluk brengen: het Rationalisme.

2. de Industriële Revolutie, dwz. de snelle veranderingen op technisch gebied, die met name in Engeland plaats vonden

Naarmate in de achttiende eeuw handel en nijverheid zich meer ontwikkel­den, hoe groter rijkdom en aanzien de gegoede burgerij (de bourgeoisie) verkreeg. Juist als tegenwicht hiertegen waren de vorsten en hun raad­gevers geneigd adel en hoge geestelijkheid weer méér op de voorgrond te plaatsen.

Het was dus geen wonder dat de kritiek van "burgerlijke" schrijvers uit de 18e eeuw zich richtten op het onredelijke van de macht van de vorsten en de voorrechten van adel en hoge geestelijkheid. De gegoede burgerij had immers geen deel aan de macht, maar betaalde wel het grootste deel van de belastingen.

Schrijvers als de Engelsman John Locke, de Fransman Montesquieu en de Zwitser Rousseau oefenden dan ook kritiek uit op de bestaande verhoudingen op staatkundig gebied en verkondigden "redelijke" denkbeelden. Uiteinde­lijk hebben deze opvattingen - met andere factoren - geleid tot de Franse Revolutie, waardoor ook de rest van Europa diep werd beïnvloed.

b. Industriële Revolutie

De tweede omwenteling,"de Industriële Revolutie, bracht op snelle wijze diepgaande veranderingen in de samenleving. Deze luidde de ondergang in van het ambachtelijke kleinbedrijf op al die terreinen, waar de moderne fabriek haar intrede deed. De zelfstandigheid - kenmerkend voor het klein­bedrijf en zich uitend in het dagelijkse aanvangsuur, werktempo, rusttij­den, kwaliteit van het produkt en de geproduceerde hoeveelheid - verdween.

Daarvoor in de plaats kwam een arbeidsproces dat bepaald werd door machi­nes in de fabriek, waaraan de arbeiders zich te onderwerpen hadden. De fabrieksleider bepaalde. het aanvangsuur en de rusttijden . De machines" bepaalden het tempo dat de arbeiders maar hadden bij te houden.

De arbeidsvreugde verdween, omdat de machine het werk verrichtte en de arbeider slechts de bediening en de controle overbleef.

De machine maakte dus het thuiswerk onmogelijk en dwong de arbeiders met hun gezinnen rondom de fabriek te wonen. Het gevolg was opeenhoping van mensen in fabriekscentra. Het gevolg daarvan was: slechte hygiënische en materiële omstandigheden.

Gevolgen

Nadat door de Franse Revolutie de oude standenmaatschappij was vernietigd tekenden zich door de Industriële Revolutie steeds duidelijker twee nieuwe klassen in de maatschappij af

1. De klasse van de ondernemers, bezitters van de produktiemiddelen, tevens

eigenaars van de vervaardigde producten. Naast de fabriekseigenaars behoorden tot deze klasse ook kooplieden, bankiers. en renteniers, dwz. zij, die hun geld tegen rente uitlenen en daarvan kunnen bestaan. Zij zijn de eigenaars van het kapitaal en worden dan ook kapitalisten genoemd.

2. De klasse van de loonarbeiders, zij bezitten geen productiemiddelen. Hun enig bezit bestaat uit hun arbeidskracht, die zij aan de eigenaar van de productiemiddelen proberen te verkopen. Tevens behoren tot deze klasse alle anderen, die in loondienst arbeid verrichten.

Deze groep vormde het proletariaat.

Tussen beide klassen, speciaal .tussen de fabrieksarbeiders en de fabrieks­eigenaars, bestaat een tegenstelling in belangen. Gedreven door hun winst­ streven en aangespoord door de onderlinge concurrentie, proberen de onder­nemers de productiekosten zo laag mogelijk te houden. Tot die kosten behoren ook de arbeidslonen.

De arbeiders waren volkomen overgeleverd aan de ondernemers. Op de arbeidsmarkt beconcurreerden zij elkaar, geen werk betekende geen loon!

De onderlinge concurrentie werd, ondanks de lage lonen, de lange werkdag, het onaangename werk, des te groter doordat veel fabrieksarbeid zonder vooropleiding verricht kon worden,dus ook door vrouwen en kinderen aan wie nog lagere lonen werden uitbetaald. De toestand was allerellendigst.

3) Het 19e eeuwse socialisme

A. Utopisme

De eerste socialisten, die deze tegenstellingen ongedaan wilden maken, werden Utopisten genoemd. De benaming werd ontleend aan de titel van een boekje van Thomas More, Utopia (=Nergensland), geschreven in 1517.

Maar More's Utopia was fantasie geweest, vooral bedoeld als kritiek op de toestanden in het Engeland van de zestiende eeuw en voor het overige een wensdroom. Er werd niet aangegeven hoe deze droom van een ideale maat­schappij viel te verwezenlijken. De Utopisten probeerden dit wel, maar met weinig succes!

Volgens Henri Saint-Simon (1760-1825) moest het regeren van de ene mens over de andere langzamerhand plaats maken voor het gezamenlijk beheersen van de natuur om de aarde beter bewoonbaar te maken voor alle mensen. Tot nu toe hadden de mensen voor zichzelf gewerkt en daarbij elkaar tegengewerkt: de minderheid had veel van haar energie gebruikt om de meerderheid te regeren en in bedwang te houden. Toch was de vooruitgang groot,hoeveel groter zou deze dan niet kunnen zijn bij samenwerking van de mensen?

Charles Fourier (1772-1837) ging even theoretisch te werk als zijn land­ en tijdgenoot Saint Simon. Volgens hem moesten de mensen in groepen bij elkaar worden gebracht, waarin alle rangen, standen en capaciteiten op allerlei terreinen waren vertegenwoordigd. Ieder moest dat beroep kiezen waarin zijn aanleg het best tot zijn recht kwam.

Zo'n groep noemde hij een "phalanx", het gemeenschapsbedrijf een "Fhalan­stère". Deze Phalanstère was in de eerste plaats een grote landbouwgemeen­schap, aangevuld door allerlei handwerken en industrietjes ( vgl. volkscommunes in Rood-China). Productiemethoden, die in de landbouw in het klein geen ingang zouden vinden, konden dan wel doorgevoerd worden en de pro­ductie geweldig doen toenemen. Hierdoor zou allen een behoorlijk bestaan kunnen worden gegarandeerd,terwijl ieders persoonlijkheid zich beter zou kunnen ontplooien, niet geremd door gebrek of materiële zorgen.

Ondanks een zo groot mogelijke vrijheid zou in de phalanges geen sociale gelijkheid heersen, maar een hiërarchie (=rangorde) naar talent. Ook eco­nomische ongelijkheid bleef bestaan: de rijken mochten vermogen behouden, het erfrecht bleef gehandhaafd en daarmee het verschil tussen rijk en arm.

Wel werd de armen een bepaald minimuminkomen gegarandeerd en bestond de mogelijkheid na verloop van tijd mede-eigenaar te worden.

Socialistisçh is Fourier's utopisme dUG niet,democratisch evenmin. Elke phalanstère zou streng patriarchaal worden bestuurd, maar tevens zou er een opperste autoriteit zijn, een "omniarch". Deze zou zijn zetel in Constantinopel hebben en de hele – in phlansteres georganiseerde mensheid onder zich hebben als een soort wereldkeizer.

Uit het voorgaande blijkt dat Fourier de rol van het fabrieksstelsel onderschatte,zijn maatschappij werd gebaseerd op landbouw. Door de hele gemeenschappen te verdelen, verwachtte Fourier een harmonie van belangen, een wereld zonder vijandschap en conflicten.

Evenals Saint Simon en Fourier streefde de Engelsman Robert Owen (1771-1858) naar een sociale harmonie. Als zoon van een zadelmaker in een klein dorpje wist hij zich in de Engelse Textielwereld tot ondernemer op te werken. Owen wilde het bestaan van de arbeiders, te beginnen met de zijne, grondig verbeteren. Hierbij speelden behalve sociale, ook econo­mische overwegingen een rol. Hij meende namelijk dat verheffing van de arbeiders ook tot een betere en hogere procuktie zou leiden.Daarom beperkte hij zich niet tot verbetering van materiële omstan­digheden, maar deed ook het nodige voor de ontwikkeling van de arbeiders. Hij voerde een tien-urige arbeidsdag in en stichtte bedrijfswinkels, waar tegen contante betaling geleverd werd om te vermijden dat de arbeiders zich in de schulden staken. Verder bond hij de strijd aan tegen vervuiling, dronkenschap en diefstal. Voor de vorming stichtte hij scholen, waar het aankweken van gemeenschapszin het hoofddoel was; ook stichtte hij ziekenhuizen en leeszalen op zijn fabrieksterrein. Met hetzelfde doel richtte hij tevens crèches op om ook bij de allerkleinste kinderen door gemeenschappelijke opvoeding gemeenschapszin te ontwikkelen. Daarmee hoopte hij een ideale gemeenschap van ontwikkelde mensen op te bouwen. Zijn uiteindelijk doel was het stichten van productiecoöperaties, waar industriële productie zou worden aangevuld met landbouwwerkzaamheden, waar in ieder een aandeel van de opbrengst zou ontvangen en waarin woon­ en werkterrein gescheiden zouden zijn door een zone van parken en groen. Er zou geen onderscheid zijn tussen rijk en arm. Toen Owen niet de kans kreeg op grote schaal zijn ideeën te verwezenlijken, vertrok hij naar Amerika. Zijn experimenten daar mislukten echter. Bij zijn terugkeer in Engeland merkte hij dat zijn ideeën weerklank hadden gevonden bij kleine groepen arbeiders, die kleine coöperatieve bedrijven stichtten en coöperatieve winkels, met de bedoeling de ondernemers met hun streven naar particuliere winst overbodig te maken. Owen's

ideeen hielden echter niet alleen sociaal- economische hervormingen in, maar ook een totale vernieuwing van opvoeding en cultuur met de bedoeling het individualisme uit te bannen en de gemeenschapszin te vergroten (zie stichting van scholen etc) Daar kwam echter weinig van terecht.

Kenmerkend voor de Utopisten was dat' zij de veranderingen die zij voor­stonden, wilden invoeren zonder dwang en zonder inschakeling van de staat. Zij deden een beroep op de redelijkheid van de mens en gingen in feite uit van de mens, zoals deze zou moeten zijn en niet van de mens zoals deze was en is. Voor de nodige geldmiddelen deden zij een beroep op rijken en weldoeners.

B.Overgang naar het moderne socialisme

Tussen het Utopisme en het Marxisme zijn met name in Frankrijk mensen aan te wijzen, die als voorlopers van het moderne socialisme kunnen gelden. Frankrijk vooral zou de politieke leerschool van het socia­lisme worden. Tijdens de julimonarchie (1830-1848) kwam het daar meermalen tot uitbarstingen van sociale ontevredenheid, zoals de oproeren van de zijdewevers in Lyon (1831-1834) .

Louis Blanc ( 1811-1882) louis blanc

schreef in1839 "Organisation du Travail"waarin hij zich voorstander toonde van socialisatie van het grootbedrijf, de banken, spoorwegen en verzekeringsmaatschappijen. Het particuliere bedrijf zou geleidelijk worden verdrongen door met overheidsgelden opgerichte productie-coöperaties (ateliers sociaux) Blancs tactiek was gericht op vreedzame verovering van de staats­macht via algemeen kiesrecht en parlementaire democratie, niet via klassenstrijd. Als zodanig was hij de eerste sociaal-democraat en reformist . Blanc had een grote invloed op de februari-revolutie van 1848 in Frank­rijk, waarin Louis-Philippe van Orleans afstond deed van de troon. Frank­rijk werd een republiek. Om de arbeiders, die zo'n groot aandeel in de revolutie hadden gehad te vriend te houden, werden gelden ter beschik­king gesteld ter verwezenlijking van Blancs ideeën..

Helaas voor hem werden zijn "ateliers sociaux" niet op de juiste wijze opgezet en na een half jaar weer gesloten door de liberale regering. Blanc wees de arbeidersklasse vooral de democratische weg, maar zijn invloed op het Franse socialisme was naderhand beperkt.

Veel groter daarentegen werd de invloed van Pierre-Joseph Proudhon ' (1809-1865), die eveneens in 1848 een rol speelde, 'maar vooral daarna op het Franse socialisme een sterke' invloed uitoefende.

Deze invloed was tweeslachtig, half socialistisch en half anarchistisch! Proudhon valt door zijn vele tegenstrijdigheden trouwens moeilijk in een hokje te brengen. Hij pleitte voor een samenleving, waarin gelijkheid, rechtvaardigheid, evenwicht en harmonie zouden heersen. Proudhon streefde naar een beperking van het eigendomsrecht. De eigen­domsverhoudingen, waarin de ene mens tot knecht van de ,ander gemaakt zou volgens hem leiden tot staatseigendom en daarmee weer tot een grote staatsmacht. Daarom zette:hij zich­ af tegen Blancs staatsaanvaarding en tegen elk dirigisme

Zijn ideaal was een federatie van onafhankelijke gemeenschappen zonder enig centraal gezag, waarin elkaars producten tegen de arbeidswaarde werden geruild. De banken zouden gratis krediet verschaffen, waardoor ook minvermogenden bedrijven zouden kunnen oprichten. Proudhon wilde de macht van het geld breken door spreiding van het bezit. Met zijn vage anarchisme meende hij de ontwikkeling van een socialistische staatsmacht te kunnen vermijden en de gevaren van het egoïstische kapi­talisme en individualisme te kunnen omzeilen. Proudhon was tegen revolutie maar hoe zijn ideaal door te voeren was zonder revolutie was ook hem niet helemaal duidelijk. Marx typeerde Proudhons socialisme als klein­burgerlijk en bestreed het dan ook scherp.

c. Het wetenschappelijk socialisme of het Marxisme

karl marx

marxisme

KarlMarx. meer realist dan de Utopisten, zag duidelijk dat macht alleen met macht kon worden bestreden. De macht van het kapitalisme kon bestreden worden door de macht van proletariaat, slachtoffers van het kapitalisme internationaal te bundelen.

Marx, (1818-1883), zoon van een Joods advocaat te Trier, studeerde in Berlijn filosofie en rechtswetenschappen, en had veel belang­stelling voor de geschiedenis. Na zijn studie werd hij redacteur van de Rheinische Zeitung in Keulen, een liberaal blad, waarin hij met zijn kritische artikelen zozeer' de ergernis van de overheid opwekte, dat hij tenslotte Duitsland moest verlaten. Na een verblijf in Parijs, Brussel en opnieuw Parijs, vertrok Marx weer naar Duitsland. In 1849 moest hij echter Duitsland voor de tweede keer verlaten. Na een kort verblijf in Parijs, vertrok hij tenslotte naar Londen waarhij de rest van zijn leven vrijwel onafgebroken heeft geleefd.

Financieel moest hij van verschillende kanten gesteund worden. Door zijn degelijke, langzame manier van werken bracht zijn medewerking aan kranten als de New York Tribune hem weinig op. Bovendien besteedde hij een groot deel van zijn tijd aan economische studies in de bibliotheek van het British Museum. Vooral van zijn vriend Friedrich Engels (1820-189: ondervond hij veel steun. Engels was de zoon van een Duits industrieel, eigenaar van een katoenspinnerij te Barmen in het Ruhrgebied.

Zijn vader stuurde hem, na voltooiing van zijn diensttijd in het leger, naar Manchester, het centrum van de Engelse katoenindustrie en katoenhandel. Daar raakte hij hevig geïnteresseerd in de ontwikkeling van de industriële samenleving. Tijdens Marx' verblijf in Parijs raakte deze bevriend met Engels.

Theorie

In zijn studietijd in Berlijn was Marx onder invloed gekomen van de filosoof Hegel. Volgens Hegel was de drijvende kracht in de ontwikkeling van de wereld de tegenspraak. Tegen alles is wel wat in te brengen en deze opwerpingen zijn ook noodzakelijk en vruchtbaar. Een Frans spreekwoord zegt: “Uit de strijd der rneningenspringt de waarheid naar voren”. Hegel zag de geschiedenis als een geestelijk groeiproces. Het menselijk denken bepaalt de geschiedenis. Deze ontwikkeling zag hij als een dialectisch proces d.w.z. als een botsing van tegendelen. Stelt men ter verklaring van een verschijnsel, daad of stelling (these) een theorie op, dan ontstaat vroeg of laat een tegenwerping (antithese) en uit die strijd der meningen ontstaat een nieuwe mening, die these en antithese opneemt en samenvat, de synthese. Deze synthese kan dan weer uitgangspunt worden (als these optreden) voor een nieuwe dialectische ontwikkeling. Zo gaat het proces van these – antithese – synthese tot het oneindige door, waardoor de ontwikkeling steeds verder gaat. Gemaakte fouten kunnen in het vervolg vermeden worden.

Als doel van dit proces ziet Hegel het absolute weten. Dat zal pas worden bereikt als alle tegenstellingen zijn opgeheven.

In tegenstelling tot Hegel, die van de geest uitging, stond de filosoof Feuerbach, die van de materie uitging. Van hem is de uit­spraak afkomstig: "Der Mensch ist (is) was er iszt (eet)".

Marx keerde nu als het ware het systeem van Hegel om en bracht Feuerbach erin. Marx behield van Hegel het dialectisch proces maar zag evenals Feuerbach de materie als grondslag van alles.

1)Historisch materialisme

Volgens Marx wordt de geschiedenis bepaald door economische (dus materiële factoren, niet door ideeële. De economische factoren, zoals het bezit van productiemiddelen (grond, geld, fabrieken e.d.) vormen de onderbouw., De instellingen en opvattingen op sociaal, politiek en geestelijk ter­rein (bestuursvorm, wetten, maatschappelijke regels e.d) vormen de boven­bouw

De bovenbouw wordt in vorm en inhoud bepaald door de bezitters van de productiemiddelen, die deze bovenbouw gebruiken om zich te handhaven tegenover de niet-bezitters, de onderdrukte klasse.(b.v. de Kerk predikte gehoorzaamheid t.o.v. het gezag, onderwerping van de boeren aan de edelen de standenmaatschappij enz. omdat God dit zo had gewild, evenals het bestaan van rijkdom en armoede. Had God dit niet gewild, dan had Hij de wereld ook anders geschapen!)

2. De Klassenstrijd

Marx ziet de geschiedenis als een voortdurende strijd tussen de heersen­

de klasse en de onderdrukte. zoals vroeger adel en kerk overheersten, maar opgevolgd werden door de bourgeoisie als heersende klasse, zo zal eens het nu onderdrukte proletariaat de heersende klasse worden.

Volgens Marx was dit een onontkoombaar en onvermijdelijk proces!!! Wel was daarvoor noodzakelijk dat het proletariaat zich internationaal verenigde! Dan zou het mogelijk zijn dmv. een revolutie de macht over te nemen en sneller een nieuwe maatschappijvorm tot stand te brengen.

3. Meerwaarde

De bezitters van de productiemiddelen, met name de ondernemer, maakten enorme winsten doordat de afgewerkte producten een meerwaarde hadden boven de aanmaakkosten, 'het aan de arbeiders betaalde loon en datgene, wat aan de ondernemers rechtens toekomt. Deze meerwaarde of pure winst kwam dan aan de bezitters van de productiemiddelen in de vorm van een arbeidsloos inkomen door uitbuiting van de arbeiders.

Om aan dit alles een eind te maken zullen en moeten de arbeiders zelf de productie in handen nemen, de kapitalisten verjagen en het bestuur over de staat krijgen. De arbeiders zouden zich bewust moeten worden van hun situatie, van de heersende klassenstrijd en op grond daarvan zich moeten verenigen, internationaal. Als deze vereniging voltooid zou zijn, dan was het slagen van een arbeidersrevolutie zeker.

Op grond van het bovenstaande zag Marx de toekomst als volgt:

1. Door het concurrentiestelsel( eigen aan de liberale economische opvattingen) zullen zwakke bedrijven samensmelten met de grote.

Concentratietheorie

2. Daardoor zal het kapitaal (productiemiddelen) in handen komen van een steeds kleiner wordend groepje kapitalisten.

Cumulatietheorie

3. Door de onderlinge concurrentie van de grote bedrijven worden econo­mische crises veroorzaakt. Overproductie vindt makkelijk plaats.

Dat leidt tot productiebeperking, loonsverlaging en werkeloosheid.

Crisistheorie

4. Het aantal proletariërs zal steeds talrijker worden (zie punt 2) en hun omstandigheden steeds ellendiger (zie punt 3)

Verelendungstheorie

5. Door zich internationaal te organiseren, zal de mogelijkheid worden geschapen dat het proletariaat d.m.v. een revolutie de macht overneemt.

6. Als het proletariaat de macht heeft overgenomen, dan treedt als over­gangsfase de dictatuur van het proletariaat in.

7. In deze overgangsfase zal het klassenverschil worden opgeheven. De staat, die als instrument van de heersende klasse tot taak heeft, volgens Marx,de onderdrukten klein thouden, word dan overbodig vorming van d klasseloze maatschappij, het einddoel bereikt. In deze klasseloze maatschappij zou iedereen in gelijkheid werken voor het belang van de Gemeenschap. Egoïsme en sociale tegenstellingen zouden tot het verleden behoren.

Het laatste dialectisch proces van de geschiedenis zou' zijn synthese vin­den in een maatschappij, waarin vrijheid, gelijkheid en broederschap einde­lijk feiten zouden zijn. Voor het eerst sinds de prehistorie, waarin de culturen ook "klasseloos" waren, zou er geen sprake meer zijn van uitbui­ters en uitgebuiten. Deze opvatting van Marx en zijn vriend Engels werden neergelegd in werken als “Het Communistisch Manifest” (1848) en het hoofdwerk van Karx " Das Kapital" (dl.1, 1867; dl. 2 en 3 verschenen in 1883 na de dood van Marx. Het werd onder leiding van Engels samengesteld uit reeds door Marx voltooide gedeelten en nagelaten aantekeningen.)

Praktijk

Volgens Marx was het aan de macht komen van het proletariaat onvermijdelijk, wel was daarvoor vereniging van de arbeiders noodzakelijk.

Een eerste poging hiertoe was de Eerste Internationale,Londen 1864. Ofschoon in elk land de vorm van de strijd door de verschillende omstandigheden anders was, werd de strijd in eigen land als een onderdeel van een grote, gezamenlijk gevoerde strijd van, de gehele internationale ar­beidersklasse beschouwd. Het sterkst vertegenwoordigd waren de Engelse vak­bonden. Karl Marx werd namens de Duitsers in het bestuur gekozen. Als secretaris werd hij al spoedig de voornaamste leider. Erg lang bestond de Eerste Internationale overigens niet. Toen in 1867 in Engeland het kiesrecht werd uitgebreid, zodat de meest welvarende arbeiders, (die juist het meest georganiseerd waren) ook aan de verkiezingen konden deeinemen, nam de steun van de Engelse vakbonden sterk af. Twisten over theorie en praktijk ondermijnden de bond verder. Tenslotte werd op een congres in Den Haag in 1872 besloten het bestuur van de bond te ver­plaatsen naar New York. Daarmee hield de bond eigenlijk op te bestaan. Haar grote betekenis is geweest:een grotere eenheid in de arbeidersbeweging op het Europese vasteland en verspreiding van de inzichten van Marx en diens vriend Engels.

De tweede Internationale werd in 1889 opgericht in Parijs, ter gelegen­heid van de honderdjarige herdenking van de Franse--Revolutie. Op dit congres werd besloten voortaan éénmaal per jaar in alle landen tegelijk te demonstreeren en zo het internationale karakter van 'de strijd der so­cialistische beweging te tonen: de 1 mei viering. Als voornaamste praktische leus voor deze demonstratie werd de 'eis van de wettelijk vastgestelde achturige werkdag aanvaard. Al spoedig ontstonden tegenstellingen tussen de orthodoxe Marxisten, die vasthielden aan het revolutionaire standpunt en degenen, die langs wettige weg, dus via het parlement het doel wilden bereiken en directe sociale voordelen wilden behalen. Om de klasséntegenstelling zo onverzoenlijk mogelijk te houden en daarmee de revolutie te bespoedigen, was Marx altijd een tegenstander geweest van een sociale wetgeving. Deze zou de situatie voor de arbeiders dragelijker maken, maar tevens de felle tegenstellingen verzwakken. Marx wilde, en met hem de orthodoxe Marxisten,juist verscherping van deze tegenstellingen.

4) De 20e eeuw

Omstreeks 1900 ontwikkelde zich een stroming in de Tweede Internationale, die minder waarde hechtte aan voorbereiding en doorvoering van de prole­tarische revolutie. De hervormingen, die vakbonden en partijen .op vreed­zame wijze tot stand wisten te brengen, waren voor haar het belangrijkste

In tegenstelling tot de revolutionaire 'richting werd deze de reformistische genoemd (réforme : hervorming) Daarbij sloot zich een andere stroming aan, die niet alleen voor het reformisme pleitte, maar zich ook inzette voor een revisie (= herziening) van de leer van Marx, die volgens haar woordvoerder Eduard Bernstein (1850-1932) op verschillende punten onjuist was gebleken. Deze richting ( wordt dan ook Revisionisme genoemd. Volgens Bernstein klopte de "Verelendungstheorie niet ~ de arbeiders kregen het beter - en de verwachtte ineenstorting van het kapitalisme bleef uit. Tevens verwierp hij het fundament van de Marxistische geschiedbeschouwing: het historisch materialisme dat volgens hem teveel waarde hechtte aan economische factoren.

De hele toekomstverwachting van Marx, uitlopend op een revolutie, werd door Bernstein als strijdig met de feiten geacht. Niet door revolutie maar door evolutie zou de maatschappij hervormd worden en daarom pleitte het revisionisme, evenals het reformisme,voor het algemeen kiesrecht dat het proletariaat langs wettige weg de meerderheid in het parlement zou verschaffen!

  1. a. Socialisme

In 1903 kwam het op een congres in London tot een scheuring tussen Mensjewiki (reformitisch en revisionistisch) en Bolsjewiki (revolutionair en orthodox) van welke laatste groep Lenin de grote man werd.

De meeste sociaal-democratische partijen van West Europa, - in Nederland voor 1940 de S.D.A.P.,na 1946 Partij van de Arbeid – waren reformistisch/ revisionistisch en alleen in naam bleven zij Marxistisch.

Het socialisme, verzwakt door de tegenstelling reformisten – orthodox Marxisten en sinds 1914 ook nog verdeeld door nationale tegenstellingen kreeg het na de Russische Oktober Revolutie nog zwaarder te verduren.

Na1917 maakten de orthodox Marxisten zich overal los uit de socialistische beweging en vormden een eigen communistische partij. In 1919 kwamen afgevaardigden van deze partijen uit allerlei landen op een Congres in Moskou bijeen, waar besloten werd tot oprichting van een nieuwe Internationale, welke de Communistische of Derde Internationale genoemd wordt, Als Komintern kwam deze geheel onder Russische leiding. De aangesloten partijen noemden zich sinds die tijd meest communistische partijen.

Na de tweede Wereldoorlog profiteerden de linkse partijen, socialisten en communisten van de sociale vernieuwingsdrang en de in de oorlog ontstane saamhorigheid. Ook de armoede dreef velen in de armen van deze partijen. Het toeneming van de welvaart en door de koude oorlog( 1948-1957) neigde het socialisme steeds meer tot samenwerking met de niet-communistische partijen.

Spoedig viel bij hen van de marxistische ideologie niets meer te bespeuren.

In het algemeen richtten de socialisten zich op verhoging van de welvaart, volledige werkgelegenheid en een "rechtvaardige" verdeling van het nationaal inkomen door middel van loonsverhogingen, voor de laagstbetaalde groeperingen, ouderdomsuitkeringen en nivellering van hogere inkomens o.a. door progressieve belastingen. het socialisme heeft zich dus tamelijk ver van Marx verwijderd, maar dit geldt tevens voor het communisme.

b. Communisme

Hoewel Lenin in 1903 de grote man werd van de revolutionair Marxisten, heeft hij toch vele Marxistische opvattingen gewijzigd of zelfs laten vallen. Vandaar dat ook gesproken wordt over Leninisme (evenals later 'Maoïsme en Castroïsme)

Met Lenin begon het communisme - in - engere zin. Het gaf niet alleen het ideaal van een snelle socialisering van de hele wereld op, maar legde ook de nadruk op een blijvende sterke Staatsmacht, geleid door een machtige partij-elite.-

.leninisme

Hoewel Lenin vasthield aan de illusie van de dictatuur van het proletariaat, was hij in feite reeds in 1902 ervan overtuigd dat het proletariaat het op eigen kracht niet ver zou brengen. Alleen een streng geselecteerde en gedisci­plineerde partij van geschoolde revolutionairen zou op doelmatige wijze de macht kunnen. uitoefenen. De gelijkheidsgedachte werd dus losgelaten, al wilde hij graag de partij zien als directe vertegenwoordiger van het proleta­riaat. De gelijkheidsgedachte in het communisme werd van toen af een mythe: in werkelijkheid sloeg het Leninisme definitief de weg op van een hiërarchische maatschappij structuur.

Voor de Eerste Wereldoorlog was Lenin er nog van overtuigd dat 'Rusland met zijn betrekkelijk geringe industrie -- dus met een zwakke bourgeoisie en proletariaat - eerst een burgerlijke revolutie zou moeten doormaken. Deze zou de macht van de adel breken en gevolgd worden door een liberale periode. Tijdens de Eerste Wereldoorlog veranderde hij echter van mening:de proletarische revolutie zou snel op de burgerlijke kunnen volgen. Dat gebeurde dan ook: de februarirevolutie in 1917 werd gevolgd door de oktoberrevolutie. Ook hierin week Lenin van Marx af. Deze meende reeds in 1848 dat in die landen waar de adel nog een overheersende positie had, de macht van de adel moest worden gebroken door 'een burgerlijke revolutie, gevolgd door een liberale regeringsperiode.

Na de oktoberrevolutie van 1917 openbaarde zich nog een verschil. Lenin had gehoopt dat de revolutie in Rusland elders op grote schaal zou wor­den nagevolgd. Toen dit niet gebeurde, beperkte hij het doel van de par­tij -- voorlopig -- tot verwezenlijking van het communisme in Rusland.

Dit "nationale" communisme was strijdig met de opvattingen van Marx, die een proletarische revolutie internationaal had gedacht.

Wel meende Lenin sommige vormen van dwang te kunnen opheffen. Zijn stre­ven naar vrijheid hing samen met zijn opvatting dat in een communistische staat elk individu in de eerste plaats vrijwillig de belangen van de gemeenschap zou dienen. Zo werden o.a de echtscheidingsmogelijkheden verruimd: met het losser maken van de huwelijksbanden zou wellicht een einde komen aan het gezinsegoïsme dat als een kenmerk van de kapitalistische maatschappij werd beschouwd.

Al deze vrijheden werden echter weer spoedig afgeschaft. Ook de arbeiders sowjets, die na de oktoberrevolutie de leiding van de fabrieken en de spoorwegen hadden overgenomen. --gekozen door het personeel -- bestonden slechts kort. Reeds in juni 1918 werd bepaald dat voortaan sosowjets door de regering zouden worden benoemd. Mede door de gevaarlijke binnen­landse oppositie ( tsaristen,liberalen en sociaal-democraten) en doorinterventie van buitenlandse troepen.-(Engelsen, Fransen,Polen en Ja­panners) werd het machtsapparaat steeds straffer georganiseerd, wat voor

Rusland niet nieuw was. In feite was de tsaristische macht vervangen door die van een dictator, de hofkliek door het Centrale Comité, dé adel door de Communistische Partij, de geheime Tsaristische politie door de Rode geheime politie.

Politiek andersdenkenden, voorstanders van vrijheid van meningsuiting en van onafhankelijke vakbewegingen werden de mond ge­snoerd. Het Centrale Comité kreeg de bevoegdheid om partijleden met een afwijkende mening te royeren. Later, onder Stalin, werden deze royementen soms -- in bepaalde perioden vaak-- gevolgd door processen met als von­nis de dood. Zo werd alles gedaan om de ideologische zuiverheid en de saam­horigheid van de partij te verzekeren.

Na de dood van Lenin in 1924, wist Stalin langzamerhand zich van al zijn rivalen, van wie Trotski de belangrijkste was, te ontdoen en vrijwel alle staatsmacht aan zich te trekken. Ook na 1924 behield Trotski, meer ideoloog en theoreticus dan de overwegend praktische Stalin, veel invloed. Hij was meer internationaal georiënteerd en bleef doorhameren op het principe van de wereldrevolutie. Dat bracht Stalin ertoe zich voorstander te verklaren van het "socialisme in één land". Wat echter leek op een ideologische strijd was echter voor een belangrijk deel persoonlijke strijd om de macht. In 1929 werd Trotski uitgewezen uit de Sovjet-Unie. In 1940 werd hij in Mexico vermoord, waarschijnlijk in opdracht van Stalin.

stalinisme

Onder Stalin is het hiërarchische karakter van de Sovjet-staat steeds sterker geworden. Vooral na de Tweede Wereldoorlog ontstonden grote verschillen in levensstandaard. Dit werd niet alleen veroorzaakt door de toenemende verschillen in salariëring, maar ook door bevoorrechting van partijleden en hoge ambtenaren, die b.v. gebruik konden maken van speciale winkels, waar schaarse -- voor gewone mensen niet verkrijgbaar -- goederen tegen betrek­kelijk lage prijzen konden worden gekocht. Ook het herstel van het erfrecht heeft de welstandsverschillen vergroot. Duidelijk is ook dat de kinderen van de communistische elite worden bevoorrecht.

Drie jaar na de dood van Stalin, op het 20e Partijcongres in 1956 in de Sovjet-Unie, werd de destalinisering ingeluid. Chroèstjow keerde zich tegen de persoonsverheerlijking, die van Stalin, "vader der volkeren", een soort halfgod had gemaakt. De bevoegdheden van de geheime politie werden vermin­derd, werkkampen (waar dwangarbeid werd verricht) werden opgeheven, kortom de Sovjet-Unie ging een soepeler koers varen! Misschien werd het geïnspi­reerd door het grote aantal intellectuelen dat de Sovjet-Unie telt, maar het werd zelfs mogelijk in bescheiden mate kritiek op de partij uit te oefenen.

Op het 2le Partijcongres in 1959 kondigde Chroestjow het begin aan van het afsterven van de staat, wat volgens Marx de communistische maatschappij inluidde en het einde zou betekenen van de dictatuur van het proletariaat

Strafvervolging van "politieke vergrijpen” werd afgeschaft, voortaan zou men werken met morele overredin Deze verburgerlijking van de Sovjet-Unie verscherpte vooral met China de toch al precaire betrekkingen. Dit leidde in ieder geval tot 2 soorten, communismen nl. het Russisché en Chinesemodel

Voor de communistische partijen in andere landen was hierdoor de moeilijkheid ontstaan welke partijen zij moeten volgen: die van Moskou of die van Peking.

Communisme elders

De communistische partijen in andere landen namen belangrijk toe tijdens de crisisjaren na 1929. Dit was wel begrijpelijk. De Sovjet-Unie was toen

vrijwel het enige land zonder crisisverschijnselen. Integendeel: terwijl in de hele wereld produktiecijfers, prijzen en lonen daalden, stegen deze juist in Rusland. Logisch:Stalin had de Sovjet-Unie afgesloten van de buitenwereld en was in hoog tempo bezig Rusland tot een industriële natie op te bouwen. Daarbij had Rusland ,genoeg grondstoffen van eigen, bodem en was op dat moment praktisch volledig autarkisch, dwz kon bijna geheel in eisen. behoeften voorzien. Rusland had anderen niet nodig, was volledig afgeslo­ten van de buitenwereld en kon dus ook niet de, invloeden van deze ondergaan! Sympathisanten zagen wel over het hoofd dat Stalin deze opbouw van de Sov­jet-Unie bereikte met middelen,die men in Europa als "uitbuiting" had gezien: prikkeling van de wedijver door stukloon,premies en stopwatch-controle.

Voor velen echter was dit het bewijs van de juistheid van het communisme als economisch stelsel. Daarbij waren ook velen gevoelig voor een leer,die kor­daat met het oude had afgerekend en het aardse geluk centraal stelde~ juist nu de traditionele godsdiensten aan het verbleken waren. In de commu­nistische dogmatiek vond men nieuwe zekerheid en in de partij saamhorigheid. Bovendien leek het communisme de enige beweging te zijn, die ernst maakte met het oude liberale gelijkheidsbeginsel zowel in sociaal als raciaal opzicht. Voor intellectuelen gold bovendien nog dat de Sovjet-intelligentsia anders dan in kapitalistische landen, een bevoorrechte positie innam. Rusland werd voor velen het land van belofte. Onafhankelijke communistische' partijen ontstonden dan ook nauwelijks. Wat Rome was voor de katholieken, werd Moskou voor de communisten: de hoofdstad van de heilige leer.

Een tweede groeiimpuls ontstond na de Tweede Wereldoorlog, toen velen ver­langden een "nieuwe wereld" op te bouwen. Het communisme bood een nieuw maatschappijbeeld en had tevens aan prestige gewonnen door de verbetenheid waarmee oorlog gevoerd was tegen Hitler en diens trawanten. Later zwakte dit weer af door de "Koude Oorlog".

Hoe het ook zij, hoewel het pure marxisme nauwelijks meer voorkomt, zijn de erfenissen van Marx - soms onherkenbaar vervormd - nog bijna overal ter wereld actief Communisme en anti-communisme hebben dAaarbij een ding gemeen: het geloof aan de mythe van de proletarische revolutie.