We hebben 300 gasten online

Deel 2 De geschiedenis van Irak

Gepost in Irak

 Deel 2 De geschiedenis van Irak: Van Babylonische Nebucadnezar tot Saddams dictatuur

 isthar poort pergamon museum

Ishtarpoort van Babylon in het Pergamonmuseum, Berlijn

Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog sympathiseerden veel Irakezen met Nazi-Duitsland. Dat had deels te maken met het groeiend nationalisme en toenemende anti-Britse sentimenten. De Engelsen hadden nog steeds behoorlijk veel troepen in Irak gelegerd. In 1941 vond er een staatsgreep plaats. De nieuwe machthebbers flirtten met Nazi-Duitsland.

amin al hoesseini

Mufti Haj Amin al Hoesseini

Eén van de figuren achter de staatsgreep was de Palestijnse mufti (geestelijke) Sjeik Haj Amin al-Hoesseini, een openlijke bondgenoot van de nazi's en een groot bewonderaar van Hitler en Himmler. Voor Engeland waren de nieuwe machthebbers volstrekt onacceptabel. De in Irak gelegerde Britse troepen en de luchtmacht kregen bevel in actie te komen. Sjeik Haj Amin al-Hoesseini stookte daarop de Islamitische geestelijkheid tegen de Britten op waarna deze in een speciale boodschap aan het Iraakse volk de jihad (heilige oorlog) uitriep. Al na enkele maanden wisten de Engelsen de nieuwe machthebbers te verdrijven. De hulp vanuit Nazi-Duitsland bleek onvoldoende. De regent keerde naar Bagdad terug. De man die tussen 1930 en 1958 de Iraakse politiek domineerde heette Nuri al-Said, een man met een gematigd pro-westerse oriëntatie maar met autocratische trekken. In die 28 jaar was hij zeven maal premier en als hij geen premier was, speelde hij doorgaans een belangrijke rol op de achtergrond.

1945-1958

Na de Tweede Wereldoorlog probeerde Nuri het instabiele Irak, waar Koerden streefden naar onafhankelijkheid en Sjiïeten hun invloed probeerden te vergroten, bijeen te houden en te moderniseren. De bovenklasse en de officieren in het leger bestonden grotendeels uit soennieten. Nuri richtte een eigen politieke partij op, de Constitutionele Eenheidspartij.
Het jaar 1948 was een kritiek jaar. Toen riep Israël de onafhankelijkheid uit, direct gevolgd door een massale militaire actie van de Arabische wereld tegen de pasgeboren Joodse staat. Irak stuurde bijna 18.000 soldaten naar het front. Maar het werd een groot fiasco. In Irak zelf werd wraak genomen op de Joodse gemeenschap van wie een groot deel naar Israël uitweek. Tegen 1952 waren er bijna geen joden meer in Irak.

Na 1950 kwam het accent te liggen op economische ontwikkeling en grotere inkomsten uit oliewinning.

nuri al said

Nuri al Said

Maar Nuri al-Said verzette zich met succes tegen plannen van anti-Britse nationalisten om, net als Iran, de oliebronnen te nationaliseren. In het leger begon het te gisten: vooral de jongere officieren waren nog steeds verontwaardigd over de nederlaag tegen Israël.
In 1953 trad Abd al-Ilah, de regent, terug te gunste van de nieuwe koning Faisal II. Op de achtergrond bleef de ex-regent als "kroonprins" en adviseur van de onervaren koning een dominante rol spelen. Verschillende regeringen wisselden elkaar af, pogingen het land verder te hervormen stuitten op verzet van conservatieven en landeigenaren. In toenemende mate werd ook olie een factor van betekenis. In 1952 werd afgesproken dat de Iraakse staat 50 procent van de winst van de Iraakse Aardolie Maatschappij (IPC) mocht opstrijken. De productie ging sprongsgewijs omhoog. In 1955 sloten Irak, Turkije en Engeland het zogenaamde Pact van Bagdad, dat zich onder meer keerde tegen de Sovjet-Unie. Engeland gaf de twee luchtmachtbases die het nog bezat aan Irak terug, maar zegde toe Irak in geval van gewapende aanval te hulp te zullen schieten.

Militairen aan de macht

1958: staatsgreep

De pro-Britse oriëntatie van Nuri al-Said wekte irritatie op bij jongere nationalistische officieren in het leger. Zij vonden steun bij de groeiende linkse oppositie. Nuri was ook tegen pan-Arabische ambities van hen die geloofden dat soennitische Arabieren over de grenzen heen één natie vormden. De Egyptische president Nasser was hun grote voorbeeld.

nasserDe door Nasser geprovoceerde Suezcrisis van 1956 versterkte deze pan-Arabische gevoelens nog. De Arabische "natie" voelde zich diep vernederd nadat Engeland en Frankrijk, bijgestaan door nota bene Israël, Nasser op de knieën dwongen. In de grote steden kwam het tot massale demonstraties en Nuri haastte zich solidair te verklaren met de rest van de Arabische wereld. Maar hij had z'n langste tijd gehad. De oppositie bundelde zich in 1957 in het "Verenigde Nationaal Front". Daarin zat een nieuwe politieke groepering die zich Baath Partij noemde. In het leger hadden de dissidente jonge officieren zich gebundeld in de beweging van "Vrije Officieren". Met steun van de oppositie pleegden die in 1958 een militaire staatsgreep. De koning, de ex-regent en Nuri werden doodgeschoten. De monarchie werd afgeschaft en de republiek werd uitgeroepen. Waren de Britten, net als in 1941, nog in de positie geweest militair in te grijpen, dan zou Irak voor veel onheil zijn behoed. Zo'n ingrijpen zou overigens toch zijn afgedaan als westers "kolonialisme" en "imperialisme". Na 1958 werd Irak een totalitaire staat waar via men alleen militaire coups president kon worden. Het Bagdad Pact werd al snel na de coup van 1958 door Irak opgezegd.

1958-1963: generaal Qasim

Na de coup van 1958 werd de sterke man in Irak generaal Abd al-Karim Qasim, die president werd.

generaal quasim

Generaal Kasim

De tweede sterke man was kolonel Abd al-Salam Arif, die premier werd. Al spoedig kwam het tussen Qasim en Arif tot een breuk. Arif was een typische pan-Arabist en een bewonderaar van de Egyptische president Nasser. Qasim moest daar niets van hebben. Verder speelde persoonlijke rivaliteit tussen beiden een rol. Ook waren degenen die Qasim in het zadel hadden geholpen niet te spreken over diens toenadering tot de communistische partij. Het conflict werd vooralsnog beslist ten gunste Qasim die Arif in de gevangenis liet zetten. Qasim botste ook met de Baath partij. Deze had in 1959 geprobeerd een aanslag op Qasim te plegen. Bij het complot was ook de toen nog geheel onbekende 22-jarige Saddam Hoessein nauw betrokken. Na de mislukte aanslag dook hij een tijdje in Syrië en Egypte onder. De Baathpartij ging daarop ondergronds. Een ander probleem voor Qasim was de opstand van de Koerden in het noorden die de militaire machthebbers maar niet konden neerslaan.
Onder Qasim maakte Irak in 1961 ook aanspraak op het zojuist onafhankelijk geworden Koeweit. De Irakezen betoogden dat Koeweit in de Ottomaanse tijd een district was geweest van de provincie Basra. De Britten stuurden direct troepen naar Koeweit om de soevereiniteit van de nieuwe staat te garanderen, later werden die troepen vervangen door troepen van de Arabische Liga.
Arif werd in 1962 vrijgelaten. Hij ging al spoedig tegen zijn belangrijkste rivaal complotteren. In het leger had zich een kern van de Baathpartij gevormd waarin generaal Ahmad Hassan-al-Bakr een leidende rol speelde. Al-Bakr was een oom van Saddam Hoessein.

1963-1968: de gebroeders Arif

In 1963 kwam het tot een staatsgreep waarbij Qasim werd gedood.

Arif werd president, al-Bakr werd premier. Er werd een nieuwe elite-eenheid gevormd die de machthebbers in het vervolg tegen staatsgrepen moest beschermen: de Nationale Garde. Arif was een bewonderaar van Nasser en diens pan-Arabische idealen. Hij experimenteerde ook een tijdje met het socialisme door diverse nationalisaties door te voeren die echter niet leidden tot meer welvaart. Arif werd in zijn streven gehinderd door de opstandige Koerden in het noorden en de onrustige Sjiïeten in het zuiden die geen enkele affiniteit met de dominante soennitische Arabische minderheid - laat staan met pan-Arabische eenheid - en met het "socialisme" hadden. Ook de Baathpartij was intern nogal verdeeld. Met de benoeming van een burgerpremier (de bekwame technocraat Abd al-Rahman al-Bazzaz) in 1965 probeerde Arif het tij te keren. Hij kwam in 1966 plotseling om bij een helikopter ongeluk waarna hij werd opgevolgd door zijn broer Abd al-Rahman Arif. Deze had niet gezag en de invloed van zijn omgekomen broer. Premier al-Bazzaz haalde zich het ongenoegen van het leger op de hals en moest aftreden. In de oppositionele Baathpartij hadden Hassan al-Bakr en Saddam Hoessein de macht steeds meer naar zich toegetrokken. Saddam had in de partij een geheim veiligheidsapparaat opgezet. In 1964 werd Saddam na een mislukte poging tot een staatsgreep gevangengezet. In de gevangenis werd hij opvallend goed behandeld. Na twee jaar wist hij te ontsnappen waarna hij zich wederom toelegde op de vorming van conspiratieve cellen. De jonge Saddam had overigens geen militaire achtergrond.. Zijn oom al-Bakr slaagde er met andere vertrouwelingen uit de Baathpartij in Atif in 1968 af te zetten.

Zie verder deel 3 Deel 3 De geschiedenis van Irak