We hebben 239 gasten online

Weg uit Irak: Er valt wel iets te leren uit de geschiedenis

Gepost in Irak

Henry A Kissinger

Minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten van 1973 tot 1977. Oprichter en voorzitter van Kissinger Associates, een internationaal consulting bedrijf

Er is iets te leren van de manier waarop de terugtrekking uit Vietnam verliep. Hoe laat men een land achter, als een eenheid of als een strijdtoneel? Hoe staan de burgers tegenover elkaar? En belangrijk: zonder internationale steun en diplomatie gaat het niet.

Generaal George Casey, de bevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten in Irak, heeft verklaard dat de Verenigde Staten voornemens zijn om spoedig nadat de beoogde verkiezingen in december tot een constitutioneel bewind zullen hebben geleid, te beginnen met een ,,tamelijk substantiële'' terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Irak. Andere bronnen hebben aangeduid dat het zou gaan om 30.000 militairen, oftewel zo'n 22 procent van het totale aantal Amerikaanse militairen in Irak. De terugtrekking zou mogelijk zijn geworden doordat de veiligheidssituatie is verbeterd en doordat vooruitgang is geboekt met de opleiding van de Iraakse troepen die de Amerikaanse moeten vervangen.

Maar hoe meet je dat? Wat betekent een adempauze in een oorlog zonder fronten - een succes voor jou, of een strategische beslissing van de tegenstander? Wanneer het aantal vijandelijke aanvallen afneemt, betekent dat dan dat de vijand uitgeput raakt, of is het een welbewuste strategie om zijn krachten te sparen en de Amerikanen ertoe te bewegen zich terug te trekken?

Voor iemand als ik, die van nabij de benarde toestand onder Kennedy en Johnson heeft meegemaakt toen de Verenigde Staten in Vietnam verwikkeld raakten, en die later, onder de regering-Nixon, betrokken was bij de besluitvorming over de terugtrekking, riep de verklaring van generaal Casey schrijnende herinneringen op. Het besluit om, terwijl de oorlog voortduurt, een flink deel van de Amerikaanse strijdmacht terug te trekken, kan namelijk grote gevolgen hebben. Het zal zowel de plannen van de opstandelingen als die van de regeringstroepen beïnvloeden, met als gevolg dat een oordeel over wat vooruitgang is, bijna net zo zeer een psychologische als een militaire aangelegenheid wordt. Iedere volgende soldaat die wordt teruggetrokken betekent een percentueel grotere vermindering van het restant. Het aanvalsvermogen van de resterende troepen slinkt. Wanneer dat proces eenmaal op gang is gebracht, dreigt het meer te worden bepaald door zijn eigen vaart dan door strategische overwegingen, en het wordt steeds minder omkeerbaar.

Ondanks dergelijke bezwaren is het besluit om tijdens de oorlog in Vietnam Amerikaanse troepen te vervangen door inheemse troepen - de zogenaamde `vietnamisering' - vanuit veiligheidsoogpunt bezien over het geheel genomen een succes gebleken. Tussen 1969 en eind 1972 zijn meer dan een half miljoen Amerikaanse militairen teruggetrokken. Sinds begin 1971 waren er geen Amerikanen meer betrokken bij de strijd te velde. Het aantal Amerikaanse slachtoffers daalde van zo'n vierhonderd per week in 1968 en begin 1969 naar zo'n twintig per week in 1972.

Die maatregelen waren mogelijk geworden doordat na het mislukken van Hanoi's Tet-offensief in 1968 het guerrillagevaar goeddeels was uitgeschakeld. Saigon en alle andere stedelijke centra waren veel veiliger dan de grote steden in Irak thans. Amerikaanse militairen konden vrijwel ongewapend en zonder begeleiding over straat lopen. Saigon had ongeveer 80 procent van het land in zijn macht, met relatief duidelijk afgebakende frontlijnen. Vietnamese legereenheden waren steeds beter in staat aanvallen van de geregelde troepen van Hanoi af te slaan. Toen het Vietnamese leger - met substantiële luchtsteun van de Amerikanen, maar zonder Amerikaanse landstrijdkrachten - in 1972 afrekende met het grootscheepse offensief van de Noord-Vietnamezen, mocht de vietnamisering als geslaagd gelden. Kort daarop gingen de Noord-Vietnamezen akkoord met voorwaarden die zij vier jaar lang hadden afgewezen. (Waarmee niet de vraag is beantwoord of het bij een ander tempo van terugtrekking - sneller, langzamer, of helemaal niet totdat er een overeenkomst gesloten was - eerder zover had kunnen komen.)

Drie jaar later keerden de kansen, niet als gevolg van gewelddadig optreden van binnenuit, maar door een aanval van buitenaf door de conventionele strijdkrachten van Hanoi, waarmee alle bepalingen van de overeenkomst van Parijs werden geschonden. Doordat de oorlog voor Amerika een psychische uitputtingsslag was geworden - waar de binnenlandse perikelen van Watergate nog bijkwamen -, was de economische en militaire hulp aan Vietnam met tweederde verminderd, en het Congres had militaire steun aan de belegerde bondgenoot, zelfs door de lucht, verboden. Geen van de landen die zich voor de overeenkomst garant hadden gesteld, was bereid op diplomatiek gebied ook maar een vinger uit te steken.

Uit dit alles kunnen twee principes worden afgeleid die van toepassing zijn op Irak: militaire successen zijn moeilijk vol te houden als ze niet vanuit het moederland worden gesteund. En er moet worden gewerkt aan een internationaal kader waarbinnen het nieuwe Irak zijn plaats kan krijgen.

De geschiedenis herhaalt zich uiteraard nooit exact. Vietnam was een slagveld van de Koude Oorlog; Irak is een episode in de strijd tegen de radicale islam. In de Koude Oorlog ging het, zo meende men, om het politieke voortbestaan van de onafhankelijke landen rond de Sovjet-Unie die bondgenoten waren van de Verenigde Staten. Bij de oorlog in Irak gaat het niet zozeer om geopolitiek als wel om een botsing van ideologieën, culturen en religieuze overtuigingen. Doordat het islamistische gevaar zulke verregaande implicaties heeft, wordt de afloop in Irak van nog grotere betekenis dan die in Vietnam. Als er in Bagdad of waar dan ook in Irak een Talibaanachtig regime of een radicale, fundamentalistische staat tot stand zou komen, zou dat schokgolven door de islamitische wereld jagen. Radicale krachten in thans islamitische landen en islamitische minderheden in niet-islamitische landen zouden er moed uit putten voor hun aanvallen op de heersende regimes. De veiligheid en interne stabiliteit van alle samenlevingen binnen het bereik van de militante islam zouden gevaar lopen. Daarom zijn velen die het níét eens waren met het besluit om de oorlog te beginnen, het wél eens met de stelling dat een catastrofale afloop wereldwijd zeer ernstige gevolgen zou hebben - en dat is een fundamenteel verschil met het debat over Vietnam. Anderzijds is de militaire situatie in Irak minder helder. Inheemse Iraakse troepen worden opgeleid voor een volslagen andere strijd dan de traditionele oorlogvoering te land uit de laatste fase van de oorlog in Vietnam.

Er zijn in Irak geen frontlijnen, het slagveld is overal. Wij staan tegenover een schimmige vijand, die vier hoofddoelen nastreeft: 1) de buitenlanders uit Irak te verdrijven; 2) de Irakezen die met de bezetters samenwerken te straffen; 3) een chaos te creëren, waaruit een islamitische regering van hun islamistische kleur tevoorschijn zal komen als voorbeeld voor andere islamitische landen; 4) Irak te maken tot een opleidingsbasis voor de volgende fase van de strijd, waarschijnlijk in gematigde Arabische landen als Egypte, Saoedi-Arabië of Jordanië.

De Noord-Vietnamese troepen beschikten over zware wapens, konden zich terugtrekken in aangrenzende landen, en telden ten minste een half miljoen getrainde mensen. De Iraakse opstandelingen zijn met tienduizenden, en lichtbewapend. Zelfgemaakte explosieven zijn hun doeltreffendste munitie, zelfmoordaanslagen hun doeltreffendste vorm van actie, en ongewapende burgers hun frequentste doelwit.

De Iraakse bevolking heeft deze weloverwogen, systematische slachting buitengewoon gelijkmoedig ondergaan. Hoe zij een en ander ervaart, zal uiteindelijk evenveel gewicht in de schaal leggen als de militaire situatie. De bevolking zal weten hoe veilig zij is, en zij zal uitmaken tot welke offers zij bereid is.

In wezen is de oorlog in Irak een krachtmeting over wie het gelijk aan zijn kant zal krijgen. De opstandelingen gokken erop dat zij, door slachtoffers te maken onder de aanhangers van de regering en de mensen die collaboreren met Amerika, een steeds groter aantal burgers zo bang kunnen maken dat dezen zich op z'n minst afzijdig houden en zo de regering ondermijnen en door niets te durven doen de opstandelingen helpen. De Iraakse regering en de Verenigde Staten rekenen op een ander soort uitputtingseffect. Zij houden het erop dat de opstandelingen vooral bloedbaden onder de burgerbevolking aanrichten, omdat het aantal opstandelingen betrekkelijk klein is, waardoor zij zich genoopt zien zuinig te zijn op hun mensen en dus geen harde doelen kunnen aanvallen. Als dat zo is, zou de opstand geleidelijk aan kunnen worden bedwongen. Gezien het axioma dat guerrillastrijders winnen zolang zij niet verliezen, is een patstelling onaanvaardbaar. De Amerikaanse strategie - inclusief een proces van terugtrekking - staat of valt niet met het handhaven van de bestaande veiligheidssituatie, maar met de vraag of de VS de capaciteit om daar verbetering in te brengen, weten te vergroten.

Van cruciale betekenis wordt de kwaliteit van het inlichtingenwerk. Met name de volgende kwesties verdienen de aandacht. Hoe bepalen wij de gevechtskracht van de opstandelingen en hun strategie? In welke mate moeten de aanvallen op de burgerbevolking afnemen, en hoe lang moet dat zo blijven, voordat een provincie gepacificeerd mag heten? Hoe effectief zijn de Iraakse veiligheidstroepen werkelijk in de strijd, en tegen welke gevaren? In welke mate hebben zich opstandelingen binnen de gelederen van de Iraakse strijdkrachten genesteld? Hoe zal die vijfde colonne hun effectiviteit in de strijd beïnvloeden? Hoe zullen de Iraakse troepen reageren op chantage door de opstandelingen - bijvoorbeeld met de ontvoering van een zoon van een generaal? Welke rol speelt infiltratie vanuit buurlanden, met name Syrië en Iran? Wat valt daartegen te doen?

De ervaring in Vietnam wijst erop dat de effectiviteit van inheemse strijdkrachten sterk afhankelijk is van de politieke context. Zuid-Vietnam had ongeveer elf divisies: twee in elk van de vier korpsgebieden en dan nog drie als reserve. In de praktijk waren de reservedivisies de enige die in het hele land werden ingezet. De divisies die de provincies verdedigden waaruit zij gerekruteerd waren, deden dat vaak heel effectief. Zij hebben bijgedragen tot de overwinning op het grootscheepse Noord-Vietnamese offensief in 1972. Wanneer zij echter naar een ander korpsgebied werden overgebracht, waarmee zij niet vertrouwd waren, bleken ze veel minder solide te zijn; dat was een van de oorzaken van de ramp van 1975.

Het Iraakse equivalent daarvan zou weleens de etnische en religieuze vijandschap tussen de soennieten, de sjiieten en de Koerden kunnen zijn. In Vietnam hing de effectiviteit van de strijdkrachten af van hun band met de streek, maar de provincies beschouwden elkaar niet als tegenstanders. In Irak daarentegen beschouwt elk van de diverse etnische en religieuze groeperingen de overige als onverzoenlijke vijanden, misschien zelfs doodsvijanden. Elke groepering heeft min of meer haar eigen, in een bepaald gebied geconcentreerde militie. Zo wordt in het Koerdische gebied de interne veiligheid gehandhaafd door Koerdische troepen, terwijl het nationale leger er tot een minimum beperkt wordt, of zelfs helemaal wordt geweerd. Hetzelfde geldt in aanzienlijke mate voor het sjiitische territorium.

Kun je dan eigenlijk wel van een nationale strijdmacht spreken? De Iraakse strijdkrachten bestaan thans merendeels uit sjiieten, terwijl de opstand vooral geconcentreerd is in van oudsher soennitische gebieden. Dit is een voorbode van een terugkeer naar het aloude conflict tussen soennieten en sjiieten, maar met een omkering van de machtsverhoudingen. Misschien zullen deze strijdkrachten meewerken aan het neerslaan van de soennitische opstand. Maar zullen zij, ook na een adequate opleiding, bereid zijn om uit naam van de natie sjiitische milities aan te pakken? Wie gehoorzamen zij, de ayatollahs - met name Sistani - of de nationale regering in Bagdad? En als die twee feitelijk op hetzelfde neerkomen, kan het nationale leger dan zijn gezag doen gelden in niet-sjiitische gebieden, anders dan als repressief instrument? En blijft het dan mogelijk om een democratische staat te handhaven? Doorslaggevend voor de vooruitgang zal uiteindelijk dan ook zijn in welke mate de Iraakse strijdkrachten - althans tot op zekere hoogte - een afspiegeling vormen van de etnische verscheidenheid van het land, en in welke mate zij door de bevolking als geheel worden aanvaard als representatief voor de natie. Een belangrijk element van een strategie tegen de opstand is dat er soennitische leiders bij het politieke proces betrokken moeten worden. Lukt dat niet, dan zou de vorming van veiligheidstroepen weleens de opmaat kunnen worden tot een burgeroorlog.

Is het mogelijk dat in Irak langs constitutionele weg een echte natie ontstaat? Het antwoord op die vraag zal bepalen of Irak een baken wordt voor een hervormd Midden-Oosten, dan wel de kern van een steeds verder om zich heen grijpend conflict. Om die reden zou de planning voor de terugtrekking gepaard moeten gaan met een of ander politiek initiatief dat aanstuurt op een internationaal kader voor de toekomst van Irak. Sommige van onze bondgenoten zouden het liefst toeschouwers blijven, maar hun veiligheid is daarmee niet gediend. Hun medewerking is vereist, niet zozeer voor de militaire als wel voor de politieke taak, die bovenal zal uitmaken in hoeverre het Westen de politieke bekwaamheid bezit om een mondiaal bestel tot stand te brengen dat aansluit bij zijn behoeften.

artikel gepubliceerd in de NRC van 27 augustus 2005