We hebben 290 gasten online

De strijd bij Meijel

Gepost in Geschiedenis Nederland

 

afb 1 meijel

De strijd bij Meijel

drs. J. W. M. Schuiten

luitenant-kolonel van de verbindingsdienst

Sinds het einde van de vorige week zijn de Duitsers in den tegenaanval op den Oostelijken flank van het strijdtoneel in Noord-Brabant. Zij hebben daarbij deelen gebruikt van twee Panzerdivisies die, na een hevig lucht- en artilleriebombardement, poogden de Amerikaansche linies te doorbreken. Dit werd door de Amerikanen verijdeld, die echter wel eenig terrein moesten prijsgeven. De Duitschers drongen door tot bij Liesel en Heusden, ongeveer 15 km ten Zuidoosten van Helmond. Hun aanval werd door Britsche versterkingen tot staan gebracht. De Britten drongen op 31 oktober weer in Liesel door. De Maasbruggen bij Venlo en Roermond werden herhaaldelijk gebombardeerd.

Met deze mededeling werd op l november 1944 door het blad De Vliegende Hollander ds Nederlandse bevolking in het nog bezette gebied geïnformeerd over een Duits offensief in de Peel bij Meijel.' Aan dat Duitse optreden, tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog natuurlijk niet meer dan een klein incident, is nauwelijks enige aandacht besteed. Ten onrechte. Juist tijdens de strijd bij Meijel kwam een aantal elementen van aanval en verdediging naar voren die heden ten dage zeer actueel zijn en in het centrum van de belangstelling behoren te staan.

Daarbij komt dat de kleinschaligheid van de operatie het mogelijk maakt zich op hoofdzaken te concentreren zonder daarbij het zicht op de details te verliezen. In deze studie wordt eerst ingegaan op de vraag welke omstandigheden ertoe hebben bijgedragen dat de Wehrmacht juist bij Meijel tot de aanval overging. Vervolgens worden de uitvoering van de Duitse aanval en de geallieerde reactie daarop beschreven. De beschouwing wordt afgesloten met het aangeven van enkele problemen die voor de huidige tijd van belang kunnen zijn.

Bevelvoering zoals het niet moet

Na de uitbraak uit het Normandische bruggehoofd op 21 j u l i 1944 ontstond tussen Eisenhower en Montgomery een groot meningsverschil over de te volgen militaire strategie. De geallieerde opperbevelhebber, gesteund door generaal O. N. Bradley. wilde geheel volgens de Amerikaanse militaire traditie, gebaseerd op een grote overmacht aan personeel en materieel, de vijand over een breed front aanvallen en verslaan.

Deze ,,Broad front policy" stond lijnrecht tegenover de door Montgomery voorgestane „Single concentrated thrust policy". De Britse veldmaarschalk wilde alle krachten bundelen en op een smal front naar Berlijn doorstoten. Met de uitvoering daarvan moest de 21 (BR) Army Group worden belast. Om deze operatie militair-technisch mogelijk te maken, moesten de 6 (US) Army Group en de 12 (US) Army Group zich van grote offensieve operaties onthouden teneinde de noodzakelijke logistieke steun voor de 21 (BR) Army Group veilig te stellen. Dat betekende dat niet alleen het Engelse leger de eer van het behalen van de eindoverwinning zou opeisen, maar dat Engeland tevens grote politieke invloed zou verwerven bij de onderhandelingen die ongetwijfeld na de Duitse capitulatie zouden plaatsvinden.

Van Amerikaanse zijde waren er grote bezwaren tegen het Engelse voorstel. De Amerikaanse publieke opinie eiste — en een pikante noot daarbij was dat de campagne om de herverkiezing van Roosevelt in volle gang was — een Amerikaanse eindoverwinning. Deze eis was niet onredelijk wanneer men in beschouwing neemt dat de Verenigde Staten uiteindelijk Engeland in militair opzicht volledig hadden overvleugeld.

Niet minder dan Montgomery was ook de bevelhebber van de Third (US) Army, generaal G. S. Patton, belust op het vergaren van persoonlijke roem. Met allerlei machinaties trachtte hij het leeuwedeel van de logistieke ondersteuning aan zich te trekken om zo met zijn leger tijdens de „Götterdammerung" een hoofdrol te kunnen spelen. Op de hem eigen wijze trachtte Eisenhower binnen het spanningsveld van nationale en persoonlijke tegenstellingen vast te houden aan zijn „Broad front policy". Montgomery buitte dat uit door Eisenhowers bevelen, tot op de grens van opzettelijke ongehoorzaamheid, in de door hem gewenste zin te interpreteren.

Op aandringen van Montgomery besloot Eisenhower op 22 september 1944 de vakgrens tussen de 12 (US) Army Group en de 21 (BR) Army Group naar het noorden te verleggen. Dat betekende dat de Peel tot het Amerikaanse operatiegebied ging behoren. Met de verovering ervan werd het XIX (US) Corps belast, dat op de flank van de First (US) Army opereerde. Dat legerkorps kreeg daardoor twee verschillende taken: het moest ten noorden van Aken de Westwall doorbreken en tegelijkertijd de Duitsers uit de Peel verdrijven. Montgomery had door deze manoeuvre niet alleen troepen vrij voor de verdere voortzetting van Market-Garden maar raakte tevens een hoogst onaantrekkelijk operatiegebied kwijt. Over dat laatste kan men zonder overdrijving zeggen: het perfide Albion op zijn best.

Het XIX (US) Corps kreeg voor de verovering van de Peel de 7 (US) Armored Division en de 29 (US) Infantry Division toegewezen. De bevelhebber van de First (US) Army, generaal C. H. Hodges. was echter allerminst gelukkig met deze oplossing. Hij wilde de 29 (US) Infantry Division. die hem al eerder was toegezegd, gebruiken als flankbeveiliging voor de 2 (US) Armored Division en de 30 (US) Infantry Division die zouden proberen ten noorden van Aken de Westwall te doorbreken.

Tijdens een bespreking tussen Montgomery, Dempsey en Hodges werd besloten dat de 7 (US) Armored Division met steun van de 113 Cavalry Group en de door de Engelsen ter beschikking gestelde Belgische brigade, de zg. Brigade Piron, de Peel voor haar rekening zou nemen.

Grote moeilijkheden werden daarbij eigenlijk niet verwacht: de G-2 van het XIX (US) Corps schatte de Duitse sterkte in de Peel op ongeveer 2000 a 3000 man.

De 7 (US) Armored Division verplaatste zich vervolgens door het Engelse achtergebied om uit het noorden in zuidelijke richting de Duitse troepen in de Peel aan te vallen. De Brigade Piron en de 113 Cavalry Group kregen tot taak door aanvallen bij Wessem en Sittard Duitse eenheden te binden.

Op 30 september 1944 ging de 7 (US) Armored Division tot de aanval over. Tegelijkertijd viel het XIX (US) Corps, dat de Peel als een nevenoperatietoneel beschouwde, ten noorden van Aken de Westwall aan. Voorde krijgsverrichtingen van de 7 (US) Armored Division had men daardoor weinig aandacht.

De Duitse tegenstand in de Peel was veel heviger dan verwacht en op 6 oktober 1944 liep de Amerikaanse aanval bij Overloon hopeloos vast. De Amerikanen werden door de 3 (BR) Infantry Division afgelost en kregen een beveiligende taak toegewezen langs het Kanaal van Deurne, de Noordervaart en het Kanaal van Wessem naar Nederweert; in dat verband werd het 87 Cavalry Reconnaissance Squadron Mechanized belast met de beveiliging van het gebied rondom Meijel.

Inmiddels werd ook besloten de oorspronkelijke vakgrens te herstellen en de 7 (US) Armored Division onder bevel van het VIII (BR) Corps te stellen ( 8 oktober 1944). De bij Overloon afgebroken aanval werd vervolgens door de Engelsen voortgezet.

Op 12 oktober viel Overloon na harde strijd; op 17 oktober werd Venray bevrijd. Hoewel een snelle verovering van de Peel mogelijk leek, werd de aanval op last van Montgomery afgebroken.

Onder grote druk van Eisenhower had de eigenzinnige Engelse veldmaarschalk eindelijk besloten alle aandacht te schenken aan de ontsluiting van de haven van Antwerpen. De strijd verplaatste zich naar Zeeland en West- Brabant. Op de rechterflank van de 21 (BR) Army Group beperkte de strijd zich tot geringe doch, naar later zou blijken, onvoldoende patrouilleactiviteit.

De Duitse consolidatie

Begin september 1944 stagneerde de geallieerde opmars. Dat was echter slechts voor een deel te wijten aan de logistieke problemen waarmee de geallieerden door de steeds langer wordende aanvoerlijnen te kampen kregen: naarmate zij Duitsland naderden, nam de tegenstand toe, de verdediging van de „Heimat" bleek voor vele Duitse soldaten nog een krachtige inspiratiebron te zijn.

Teneinde weer vat op de strijd te krijgen, vond aan Duitse zijde een reorganisatie van de bevelsverhoudingen plaats en er werden nieuwe eenheden geformeerd. Feldmarschall G. von Rundstedt werd op 5 september 1944 Oberbefehlshaber West.( Op 1 juli 1944was von Rundstedt als oberbefehlhaber West dir Hitler van zijn commando ontheven en evrvangen door Feldmarschall G. von Kluge) Feldmarschall W. Model, die na de zelfmoord van von Kluge op 19 augustus 1944 deze functie had waargenomen, kon zich weer geheel aan de Heeresgruppe B wijden. De 15. Armee onder bevel van General G. von Zangen trok zich onder druk van First (CAN) Army langs de kust in de richting van Zeeland terug.

Met de verdediging langs het Albertkanaal van Antwerpen tot Maastricht werd de 1. Fallschirmarmee onder bevel van Generaloberst K. Student belast. Op de linkerflank van de Heeresgruppe B opereerde de 7. Armee. Met grote moeite wist Student de opmars van de 21 (BR) Army Group aan het Maas-Scheldekanaal en het Albertkanaal tot staan te brengen. Ook langs de Westwall had het front zich inmiddels gestabiliseerd.

De aandacht van Model was hoofdzakelijk gericht op twee problemen: hij moest een Amerikaanse doorbraak bij Aken verhinderen en de geallieerden de toegang tot de haven van Antwerpen ontzeggen 9 de haven van Antwerpen wa sop 4 september 1944 onbeschadigd in geallieerde handen gevallen). De strijd, die zich vervolgens in Noord-Limburg en Noord-Brabant zou gaan ontwikkelen, moet geheel tegen de achtergrond van deze beide problemen worden gezien. Hoewel het binnen de lijn der verwachtingen lag dat de geallieerde opmars uiteindelijk pas aan de Maas zou worden gestopt, kregen de Duitse troepen opdracht onder geen enkele voorwaarde terrein prijs te geven. Dientengevolge zouden de geallieerde eenheden dusdanig worden gebonden dat de 15. Armee meer mogelijkheden kreeg de verdediging van Zeeland te organiseren.

De geallieerde luchtlandingsoperatie „Market-Garden" bracht de Duitse legerleiding slechts kort in verwarring. Na enkele dagen had zij de zaak alweer onder controle. Aangezien de geallieerde corridor naar Nijmegen het front in twee gedeelten had gesneden, werd op 20 september 1944 door Feldmarschall Model tot een nieuwe gebiedsindeling besloten (zie ook afb. 1).

De 15. Armee kreeg Zeeland en het gebied ten westen van de corridor toegewezen, en de 1. Fallschirmarmee werd verantwoordelijk gesteld voor de verdediging van de lijn Nijmegen— Roermond. Onmiddellijk na de geallieerde luchtlandingen op 17 september 1944 had het II. Fallschirmkorps opdracht gekregen de verdediging ten oosten van Nijmegen te organiseren. Ten zuiden van dat legerkorps bevond zich het LXXXVI. Armeekorps.

Aangezien het op de rechterflank van het XXX (BR) Corps aanvallende VIII (BR) Corps onvoldoende stootkracht had en bovendien, zoals eerder vermeld, de Peel aan de Amerikanen was toegewezen, konden de Duitsers zich in dit voor de verdediging bij uitstek geschikte terrein zonder grote problemen handhaven. Het LXXXVI. Armeekorps onder bevel van General von Obstfelder zou de geallieerden in de Peel nog grote moeilijkheden bezorgen.

Toen nu Montgomery onder grote druk van Eisenhower besloot zijn succesvolle aanval bij Venray op 16 oktober af te breken teneinde zich geheel op de strijd in Zeeland te gaan concentreren, besloot Feldmarschall W. Model tot het uitvoeren van de tegenaanval om zo geallieerde troepen te binden en de druk op de 15. Armee te verminderen. Als plaats van handeling werd het zogenaamde acces bij Meijel uitgekozen.

Met de uitvoering werd het Generalkommando XLVII belast, dat daartoe de 9. Panzerdivision en de 15. Panzergrenadierdivision onder bevel gesteld kreeg (Het Generalkommando XLVII met de beide onder bevel gestelde divisies vomde het XLVII. Panzerkorps). Als te bereiken aanvalsdoel werd de lijn Liesel—Asten gekozen.

Over een aanval met een beperkt doel schrijft het Duitse voorschrift Truppenfüring (H. Dv.300/1, Truppenfürung Berlijn (1936) 122)

Der Angriff mit begrenztem Ziel soll einen in seinen Ausmassen begrenzten Erfolg erringen. Gewöhnlich wird er da geführt, wo die Lage einen derartigen Erfolg erhoffen lasst. A n einer gunstigen Stelle geführt, kan n er grosse Wirkung haben. Er kann auch nur dazu dienen, den Feind aufzuhalten oderzufesseln. Die Durchführung eines Angriffs mit begrenztem Ziel unterscheidet sich nicht von der Durchführung anderer Angrijfe. Das Angriffsziel kann nahe gesteckt sein und durch schwache Krafte erstrebt werden, es kann aber auch den Einsatz aller Kräfte verlangen. Bei nahem Angriffsziel oder leichtem Angriff wird der Angreifer off auf Tiefe verzichten können. Der Angriff muss rechtzeitig eingestellt werden. Das Angriffsziel darf von der Truppe nur üherschritten werden, wenn sie hierzu ermächtigt war. Die Entscheidung über die Ermächtigung bedarf sorgfältiger Erwägung.

'Voor een juiste beantwoording van de vraag of de Duitse aanval bij Meijel succes heeft gehad, moet met het hierboven gestelde rekening worden gehouden.

De Duitse tegenaanval

Op 25 oktober 1944 werd door de Oberbefehlshaber West, Generalfeldmarschall G. von Rundstedt aan de Heeresgruppe B toestemming gegeven tot het uitvoeren van een tegenoffensief bij Meijel. Het XLVII. Panzerkorps, dat onder bevel stond van General der Panzertruppen H. von Lüttwitz, zou de aanval aanvankelijk alleen met de 9. Panzerdivision uitvoeren. De OB West gaf echter opdracht in een zo vroeg mogelijk stadium ook de 15. Panzergrenadierdivision bij de strijd te betrekken. Behalve vermindering van de druk op de 15. Armee werd tevens verwacht dat het Duitse offensieve optreden de geallieerde opmars in het gebied Nijmegen—Sittard aanzienlijk zou bemoeilijken.

Op 26 oktober nam de 9. Panzerdivision volgens plan haar uitgangstellingen achter het Kanaal van Deurne en de Noordervaart in (afb. 2).

afb 2 meijel

De 15. Panzergrenadierdivision bleef voorlopig in een afwachtingsgebied ten oosten van de Maas. De 9. Panzerdivision bestond uit de Panzergrenadierregimente 10, 11 en 33, de Panzeraufklarungsabteilung 9 en overige divisietroepen ( de personele sterkte bedroeg 12.000 man; devisiecommandant wa General-Major Frhr H. von Elberfeldt De regimenten bestonden ieder uit twee bataljons. Van Panzerregiment 33 bevonden zich de regimentstaf en een bataljon nog in St. Pölten, zodat van deze eenheid aan de strijd bij Meijel alleen door Il./Panzerregiment 33 werd deelgenomen. Het C-peloton van 87 Cav. Ren. Sq. Mecz. — sterkte 43 man - bevond zich bij Meijel op twee boerderijcomplexen, respectievelijk bij Hof en Donk.

In Meijel verschenen regelmatig Duitse verkenningspatrouilles zodat de Amerikaanse locaties aan Duitse zijde goed bekend waren. Aan waarschuwingen van plaatselijke verzetstrijders, dat er mogelijk een Duitse aanval op komst was, werd door de Amerikanen geen aandacht geschonken.

Op 27 oktober om 06.15 uur (zie ook afb. 3) werd de aanval geopend met een beschieting door de Duitse artillerie; deze bevond zich in de omgeving van America en beschikte over voldoende munitie. De eerste Duitse aanvalsechelons staken zonder problemen met drijfzakken het Kanaal van Deurne en de Noordervaart over. Er waren drie aanvalsspitsen. Panzergrenadierregiment 11, met II./Pz. Gren. Rgt. 11 op de rechter- en I./Pz.Gren.Rgt. 11 op de linkerflank, viel Heitrak aan. Om 09.00 uur liep deze aanval aan de oostelijke rand van dat oord vast.

De Amerikanen gingen onmiddellijk tot de tegenaanval over en drongen Pz.Gren.Rgt. 11 in de verdediging. Pas om 17.45 uur werd door deze eenheid contact gemaakt met het uit Meijel naar het noorden oprukkende Pz.Gren.Rgt. 10. Meijel werd, na de inleidende beschieting, aangevallen door Pz.Gren.Rgt. 10 en Pz.A.A. 9. Het Vieruiterstenbos ten noorden van Meijel werd

afb 3 meijel

Afb. 3 De geallieerde en de Duitse bevelsverhoudingen op 27 oktober 1944

om 08.00 uur bereikt. Tevens werd een brug geslagen waar het Kanaal van Deurne de weg Meijel—Beringen kruist. De Pz.A.A. 9 sloeg in de voormiddag een Amerikaanse tegenaanval af; daarbij werden vijf Amerikaanse tanks vernietigd.

In de namidag waren echter Meijel en Donk stevig in Duitse handen. Nadat bij de vernielde Roggelse brug een noodbrug was geslagen, werd het II./Pz.Rgt. 33 daarover naar Pz.Gren.Rgt. 10 gestuurd. Dat regiment, met onder bevel II./Pz.Rgt. 33, zette uit Meijel de aanval in noordelijke richting voort en maakte bij Neerkant contact met Pz.Gren.Rgt. 11.

Na het afslaan van de Amerikaanse tegenaanval hervatte de Pz.A.A. 9, met onder bevel I./Pz.Gren.Rgt. 10, de aanval in de richting Asten maar werd ongeveer 2 km ten westen van Meijel door de Amerikanen tot staan gebracht.

Ter ondersteuning van de aanval bij Meijel overschreden gevechtseenheden van de 344. Infanteriedivision bij Nederweert de Noordervaart (344 Infanteriedivision behoorde tot het LXXXVI Armeekorps). Waaskamp en Winnerstraat werden zonder al te grote moeilijkheden genomen. Door de toenemende Amerikaanse tegenstand kon daar verder weinig voortgang worden geboekt. Pas op 28 oktober zou na zware gevechten Ospel in Duitse handen vallen.

Aangezien het verloop van de aanval aanvankelijk gunstig eruit zag, kreeg op 27 oktober de 15. Panzergrenadierdivision opdracht zich naar de westelijke zijde van de Maas te verplaatsen om vervolgens het door de 9. Panzerdivision behaalde succes uit te uiten.

Op 27 oktober omstreeks 23.00 uur viel deze divisie met Pz.Gren.Rgt. 105 van Hoge Brug in de richting Hutten aan. Haar opdracht was Liesel te nemen. De vakgrens met de 9. Panzerdivision liep even ten zuiden van de weg Hoge Brug- Hutten in noordwestelijke richting.

Toen op 28 oktober de Duitse aanval werd voortgezet, bleek pas goed hoe de Amerikanen zich hadden hersteld. Ondanks twee aanvallen — om 03.45 uur en 14.45 uur — lukte het de versterkte Pz.A.A. ( vooral door de strijd bij Liessel ontstond op 29 oktober aan Duitse zijde een tekort aan artilleriemunitie) niet in de richting Asten door te dringen.

Met grote moeite konden de Duitsers Amerikaanse tegenaanvallen uit Liesel en bij Moostdijk afslaan. Duitse aanvallen uit Heitrak en Neerkant in de richting Asten liepen bij de bossen ten zuidoosten van Asten vast. Tijdens de gevechten werd zowel aan geallieerde als aan Duitse zijde veel gebruik van artilleriesteun gemaakt.

Over het verloop van de strijd op 28 oktober rapporteerde de OB West aan het OKW:

Der Angriff des röm.47. P z. Korps gewann gegen sich verstärkenden Feindwiderstand nur langsam Boden. Er wird unter Einsatz der gesamten 15. Pz.Gren.Div. mit den bisherigen Zielen Liesel und Asten am 29.10. fortgesetzt.'( Bundes Militairarchiv RH 19 IV/79 Tagesmeldung OB-West nr 9723/44G.K.dos

En:

Gegen 15.00 Uhr Feinderneut südostw. Liesel mit 15 Panzern zum Gegenangriff angetreten, erzielte einen Einbruch. Eigener gep. Gegenstoss angesetzt. Nordwestl. Meijel Pz.A.A. 9 und l Batl Pz.Gren.Rgt. 10 bei Einbruch der Dunkelheit zum Angriff angetreten. Kampfe noch im Gange.

Op 29 oktober om 11.15 uur, nog voor de aanwezigheid van de 15 Scottish Division was vastgesteld, gaf von Rundstedt opdracht de aanval af te breken." Op verzoek van Generalfeldmarschall Model werd echter toestemming gegeven de aanval tot 30 oktober voort te zetten. Na felle gevechten viel op 29 oktober ten slotte Liesel in Duitse handen. De 9. Panzerdivision, die zware verliezen had geleden, boekte op deze dag slechts weinig terreinwinst. De frontlinie was slechts „stützpunktartig" bezet. De Ie (G2) van de Heeresgruppe B rapporteerde over het verloop van de strijd op 29 oktober:

Der A ngriffdes XXXX VI. Pz, Korps trafauch am heutigen Tag nur auf die zäh kampfende 7. amerik. Pz.Dv. Heranführung starkerer feindlicher Eingreifreserven konnte bisher nicht erkannt werden, wurde aber nach einer Meldung aus sicherer Queue vermutlich am heutigen Tage eingeleitet ( Bundes-Militararchiv RH 19-IX/27. Heeresgruppe B. ICAbendmeldung vom 29. Oktober 1944. Nr. 4341744 Geh).

Aan Duitse zijde schatte men dat op 27, 28 en 29 oktober 85 Amerikaanse tanks buiten gevecht waren gesteld. In de nacht van 30 op 31 oktober ging het XLVII. Panzerkorps tot de verdediging over. Als eerste werd de 15. Panzergrenadierdivision uit de strijd genomen (31 oktober). Vervolgens brak de 9. Panzerdivision in de nacht van 1 op 2 november het gevecht af. De volgende nacht werd door deze divisie de Maas overschreden. Bij Meijel werd nog slechts een klein bruggehoofd bezet gehouden.

De Geallieerden in de verdediging (27 - 30 oktober 1944) (zie ook afb. 4)

afb 4 meijel

Op 22 oktober 1944 bevond Combat Command B van de 7 (US) Armored Division zich bij het Kanaal van Deurne ter hoogte van Griendsveen waar een klein bruggehoofd was gevormd. Het 87 Cav.Sq.Mecz. voerde langs het Kanaal van Deurne en het Noorderkanaal tussen Liesel en Nederweert een beveiligende taak uit. In Meijel bevond zich van deze eenheid het C-peloton.

Ten zuiden van Nederweert lag het Combat Command A in voorste lijn. Het Combat Command R was divisiereserve en bevond zich ten westen van Asten, halverwege tussen Eindhoven en Nederweert. Op 25 oktober zou Combat Command b door Combat Command R worden afgelost (Volgens het A fier Act ion Report van 7 (US) Armored Division was deze aflossing op 25 oktober voltooid. Uit het verloop van de strijd blijkt echter dat dit niet het geval was. Vermoedelijk heeft men op 25 oktober de opdracht tot aflossing gekregen en was deze op 27 oktober nog niet of nauwelijks aangevangen.

Behalve patrouilleactiviteiten werd door de divisie een oefenprogramma afgewerkt, waarbij de nadruk lag op de individuele gevechtstraining en het tactische optreden van kleine eenheden (groeps-, pelotons- en compagniesniveau).

Er werden weinig vijandelijke activiteiten gemeld. Daaraan kwam op 27 oktober om 06.15 uureen abrupt einde door de Duitse inleidende artilleriebeschieting bij Meijel. Het C-peloton werd door de aanvallende Duitsers, die na afloop van de artilleriebeschieting het kanaal overstaken, snel in westelijke richting uit Meijel verdreven. Een poging met steun van het B-peloton vervolgens Meijel te hernemen, werd door de Duitsers, die het bruggehoofd snel uitbreidden, verijdeld. Bij Heitrak werd het Dpeloton van de Amerikaanse verkenningscompagnie aangevallen. Ook daar moest onder Duitse druk worden teruggetrokken. Door het Combat Command R werd met Task Force Wemple steun aan het D-peloton verleend.

In opdracht van de commandant van het VIII (BR) Corps werd Combat Command B door de 11 (BR) Armoured Division afgelost opdat de Amerikanen door middel van een tegenaanval de Duitsers zouden kunnen verdrijven. Deze aflossing was op 27 oktober om 20.45 uur voltooid.

Op 28 oktober zou vervolgens Combat Command B uit Liesel tegelijk met Combat Command R uit Asten, in de richting Meijel aanvallen.

Het A-peloton, dat zich in de sector bij Nederweert bevond, werd op 27 oktober in westelijke richting teruggedrongen. Tegen de avond werd deze eenheid door Combat Command A gesteund met Task Force Nelson. De tegenaanval, die door 7 (US) Armored Division vervolgens op 28 oktober werd uitgevoerd, kwam vrij snel tot stilstand. Task Force Wemple (CCB) kwam niet veel verder dan de weg van Liesel naar Hoge Brug. Task Force Chappuis (CCR) halverwege Asten—Meijel en Task Force Nelson (CCA) liepen bij Horik in het vijandelijke vuur vast. Het initiatief werd weer overgenomen door het XLVI1. Panzerkorps. De Amerikanen werden op 29 oktober uit Liesel verdreven. Met behulp van artilleriesteun kon nog net worden verhinderd dat ook Asten moest worden prijsgegeven.

De slechte begaanbaarheid van het terrein speelde overigens geen onbelangrijke rol. De geallieerden besloten de 7 (US) Armored Division af te lossen door de 15 Scottish Division. Deze aflossing was op 30 oktober om 02.00 uur voltooid.

Combat Command B loste vervolgens Combat Command A af. Combat Command R werd divisiereserve terwijl Combat Command A zich gereed maakte voor de tegenaanval die, uitgevoerd in samenwerking met de 15 Scottish Division, de Duitsers uiteindelijk weer uit Meijel en omstreken zou moeten verdrijven.

De commandant van de 7 (US) Armored Division, generaal-majoor L. M. Silvester, werd op 30 oktober van zijn commando ontheven en vervangen door brigade-generaal R. W. Hasbrouck.

Op 27 oktober 1944 werd Tilburg door de 15 Scottish Division en de 6 Guards Tank Brigade bevrijd. Nadat daar op 28 oktober de laatste Duitse weerstandsnesten waren opgeruimd, maakten de Schotten zich gereed in het bevrijde Tilburg aan de feestelijkheden deel te nemen. Daarvan kwam echter weinig terecht toen de divisie opdracht kreeg de Duitse tegenaanval bij Meijel af te slaan. Op 28 oktober om 12.00 uur ontving de 227 (Highland) Brigade, met onder bevel 3 Armoured Scots Guards, de opdracht zich te verplaatsen. In de vroege ochtend van 29 oktober bereikten zij Asten waar zij zich ter verdediging inrichtten. Het 131 Field Regiment R.A. was al eerder gearriveerd en had bij Heusden samen met 25 Field Regiment R.A. stelling genomen en het vuur op de vijand geopend ( 25 Field Regement R.A. was al op 28 oktober door generaal OÇonnor, de commendant van VIII (BR) Corps, ter ondersteuning van het 7 (US) Armoured Division ingezet).

Zo ontstond de merkwaardige situatie dat twee afdelingen artillerie voor de eigen frontlijn de strijd met de vijand aanbonden. Omstreeks dezelfde tijd ging de 44 (Lowland) Brigade ten zuiden van Deurne in de verdediging (Tijdens deze operatie was de 44 (Lowland) Brigade tijdelijk onder operationeel bevel van de 1 (BR) Armoured Division gesteld).

Voor de geallieerden was de toestand somber en uiterst verward. De 7 (US) Armored Division scheen verslagen en de Duitsers bedreigden Liesel. Tijdens een bespreking te Someren, die op 29 oktober 1944 om 06.00 uur tussen de commandanten van het V I I I (BR) Corps, 7 (US) Armored Division en de 15 Scottish Division werd gehouden, besloot men de gehele Schotse divisie in de strijd te werpen. Gevreesd werd dat, als de Duitsers eenmaal Liesel zouden hebben veroverd, zij via de weg Liesel—Asten de 227 (Highland) Brigade zouden afsnijden. Daarop werd de 44 (Lowland) Brigade, behalve de 7 King's Own Scottish Borderers die al langs de weg Deurne—Liesel ontplooid waren, uit Deurne naar Asten gestuurd; de 46 (Highland) Brigade nam het vak bij Deurne over ( De 46 ( Highland) Brigade kreeg de 7 King's Own Scottish Borderes onder bevel en stond het 2 Glasgow Highlanders af aan de 44 (Lowland) Brigade).

Op 29 oktober om 18.00 uur hadden de 8 Royal Scots en 6 Royal Scots Fuseliers de zuidelijke rand van het ten zuiden van Liesel gelegen bos bezet. De 2 Glasgow Highlanders nestelden zich in de noordoostrand van dat bos. Met het bezetten van de lijn Asten—Leensel— Deurne had de 15 Scottish Division de mogelijke opmarswegen van het XLVII. Armeekorps afgegrendeld en nu kon worden begonnen met het terugdrijven van de vijand. De 7 (US) Armored Division doorschreed de 15 Scottish Division en betrok een verzamelgebied ten noorden van Nederweert om zich voor te bereiden op de aanval die ten slotte de Duitsers weer zouden verdrijven.

De volgende morgen (30 oktober) vielen de Duitsers uit Slot de posities aan van de Glasgow Highlanders, waarvan het voorste pelotonssteunpunt snel verloren ging. In de bossen ten zuiden van Leensel ontwikkelde zich een verward gevecht. Door twee compagnieën van de Royal Scots en een eskadron van de 4 Armoured Grenadier Guards werden de Duitsers in de namiddag uit dat oord verdreven. Vervolgens gingen de Royal Scots Fuseliers uit het noordwesten in de richting van Liesel tot de aanval over, die door de Duitsers werd afgeslagen. In de avond ten slotte sloegen de Royal Scots Fuseliers met behulp van de voorste aanvalsechelons van de 46 (Highland) Brigade, die naar Liesel oprukten, nogmaals een Duitse tegenaanval af.

De 46 (Highland) Brigade had. na de King's Own Scottish Borderers te hebben doorschreden, zonder direct gevechtscontact met de vijand op 30 oktober met de 7 Seaforth Highlanders Loon bereikt. De 9 Cameronians vielen uit het noorden op de linkerflank aan. Het hevige Duitse afweervuur bracht echter de 46 (Highland) Brigade tot staan, juist ten noorden van Liesel. De 7 Seaforth Highlanders maakten op hun rechterflank contact met de Royal Scots Fuseliers, hielpen dezen bij het afslaan van de eerder genoemde Duitse tegenaanval en groeven zich vervolgens in.

De Geallieerden in de aanval (31 oktober - 5 november) (zie ook afb. 5)

afb 5 meijel

In de nacht van 30 op 31 oktober werd de 15. Panzergrenadierdivision uit de strijd genomen en vervangen door het Fallschirmjagerregiment Hubner. Op 31 oktober veroverde de 46 (Highland) Brigade Liesel en Slot. De aanval op Liesel vond plaats met twee bataljons in voorste lijn. Na een inleidende beschieting vielen de Seaforth Highlanders met twee compagnieën aan; één compagnie volgde de weg Loon—Liesel terwijl de andere zich door het open terrein ten oosten van Liesel naar voren vocht. De Royal Scots Fuseliers ondersteunden deze aanval door uit het westen Liesel aan te vallen. Toen Liesel was genomen, werd de aanval door de King's Own Scottish Borderers met twee compagnieën in de richting van Slot voortgezet. Op 31 oktober om 15.00 uur doorschreden zij, samen met een eskadron van de 4 Armoured Coldstream Guards, de stellingen van de 7 Seaforth en rukten op naar Slot met twee compagnieën in voorste lijn aan weerszijden van de weg. Na twee Duitse tanks te hebben vernietigd, gingen zij even ten zuiden van Slot in de verdediging. Het verkenningspeloton van de Coldstream Guards stootte even voorbij Hutten op de Duitse verdedigingslinie, die van Kleine Heitrak naar Hoge Brug liep. De Schotse aanval werd echter afgebroken.

Gedurende de nacht vonden zware Duitse artilleriebeschietingen op Liesel en Slot plaats zodat de daar gelegerde Schotten weinig rust kregen. Op 1 november werd Hutten genomen door de King's Own Scottish Borderers, zonder vijandelijke tegenstand te ontmoeten. Verder gebeurde er op deze dag niet veel. Het aanvalsdoel van de 44 (Lowland) Brigade voor 2 november was Moostdijk. Om 09.30 uur werd de aanval door de Glasgow Highlanders op de rechter- en de Royal Scots Fuseliers op de linkerflank ingezet.

Een Churchill- en drie vlegeltanks gingen door mijnen verloren. Nadat om 10.30 uur Heitrak was heroverd, werden de Glasgow Highlanders uit de strijd genomen en weer onder bevel van de 46 (Highland) Brigade gesteld. Hun posities werden overgenomen door de Royal Scots, terwijl de Royal Scots Fuseliers door de King's Own Scottish Borderers werden afgelost. Bij Moostdijk kwam de aanval tot stilstand. De 46 (Highland) Brigade had inmiddels defensieve posities ingenomen langs het Kanaal van Deurne in de huurt van de weg Slot—Hoge Brug.

Door het Duitse afweervuur van de oostelijke oever van het kanaal en vanwege het vlakke terrein moest men op ongeveer een kilometer afstand van het kanaal blijven. In het frontgedeelte van de 227 (Highland) Brigade, die in de verdediging bleef, vonden op deze dag alleen kleine schermutselingen met Duitse patrouilles plaats. De volgende dag. 3 november, werd door de 44 (Lowland) Brigade besteed aan het beveiligen van de startlijn voor de beslissende aanval die op 4 november zou plaatsvinden (Deze startlijn bevond zich bij Schelm. met de beveiliging ervan waren de King's Own Scottish Borderers belast).

Aangezien veel hinder werd ondervonden van het Duitse vuur ten oosten van het Kanaal van Deurne. werd besloten langs dat kanaal een rookgordijn te leggen. De aanval werd daarom naar 5 november verschoven om voldoende rookgranaten te kunnen aanvoeren. Het weer was gedurende deze dagen buitengewoon slecht. De vele regen maakte het terrein nog onbegaanbaarder. Ten slotte begon op 5 november om 07.30 uur de aanval. Het No. 2 Squadron van 4 Armoured Grenadier Guards probeerde met een omvattende beweging uit Schelm om het Vieruiterstenbos heen in Meijel te komen. Bij de noordoostpunt van het bos liep deze aanval echter hopeloos vast in de modder en de mijnenvelden.

Om 08.45 uur vielen de Royal Scots Fuseliers met steun van het No. 1 Squadron van de 4 Armoured Grenadier Guards uit Schelm aan in de richting van Schans. Ook deze aanval liep snel dood. De divisiecommandant gaf om 12.30 uur opdracht de aanval af te breken. Het was onmogelijk gebleken Meijel te heroveren. De Royal Scots Fuseliers werden vervolgens divisiereserve. De voorste lijn werd bezet door de King's Own Scottish Borderers en de Royal Scots. De 6 Guards Armoured Brigade werd uit de strijd genomen en voor herstel naar Helmond gestuurd.De 4 Armoured Guards Brigade verloor op 5 november 23 van haar 48 tanks. De persoonlijke verliezen daarbij waren gering: niet vijandelijk vuur. maar mijnen en modder waren de hoofdzaken.

Na de hergroepering kreeg de 7 (US) Armored Division opdracht tegelijk met de 15 Scottish Division de Duitse posities in Meijel aan te vallen. Daartoe moest eerst het gebied tussen de Zuid- Willemsvaart, de Noordervaart en de Grote Peel worden heroverd. Vervolgens moest in zuidoostelijke richting, tussen de Grote Peel en de Noordervaart, Meijel worden aangevallen. Die taak zou worden uitgevoerd door Combat Command A. ( Combat Command B was divisiereserve. Cobat Command R verleende vuursteun aan Combat Command A uit zijn posities ten westen van de Zuid-Willemsvaart). Op 2 november om 10.00 uur begon de aanval. Task Force Fuller opereerde ten oosten van de Zuid-Willemsvaart. Op de linkerflank viel Task Force Brown aan. De voortgang van Task Force Fuller werd door de vele mijnen die moesten worden geruimd, aanzienlijk vertraagd . Vooral van Horik werd veel vijandelijk vuur ontvangen. Dat leidde ertoe dat Task Force Brown, die weinig vijandelijke tegenstand ondervond moest vertragen om op een lijn met Task Force Fuller te blijven. In opdracht van de divisiecommandant werd, teneinde de aanval te bespoedigen, meer artilleriesteun gegeven. Om de vijand te demoraliseren werd tevens een luchtaanval op Horik uitgevoerd.

Tegen de avond waren de Amerikanen tot vlak voor dat oord gevorderd. De volgende ochtend, 3 november, werd van 06.00-06.45 uur eerst een artilleriebeschieting op Horik uitgevoerd. Om 06.50 uur werd de aanval door Task Force Fuller en Task Force Brown hervat. De vijandelijke tegenstand was gering. Het eerste aanvalsdoel, de weg Kreijel—Waatskamp werd om 12.30 uur bereikt. Nadat enkele hergroeperingen waren doorgevoerd, werd de aanval om 15.05 uur in de richting Meijel voortgezet. Op 4 november werd ondanks extra Engelse artilleriesteun weinig voortgang geboekt. In nauwe samenwerking met de 15 Scottish Division zou op 5 november ten slotte Meijel worden aangevallen.

Door het moeilijke terrein, de vele mijnen en de Duitse tegenstand verliep deze aanval zeer moeizaam. Toen om 13.00 uur de Amerikanen het bericht ontvingen dat de Schotten hun aanval hadden afgebroken, hielden zij het verder voor gezien. De Amerikaanse divisie ging tot consolidatie van de veroverde posities over.

De 7 (US) Armored Division werd vervolgens door de 51 (Highland) Division afgelost( Op 7 november om 23:45 was de aflossing voltooid); zij keerde terug naar de 12 (US) Army Group waar zij onder bevel van het X I I I (US) Corps werd gesteld. Na bij de strijd om Aken te zijn betrokken geweest, zou de 7 (US) Armored Division ten slotte grote roem vergaren tijdens het Duitse Ardennenoffensief door een zeer groot aandeel te leveren bij de strijd om St. Vith. De strijd in de Peel was voor de Amerikanen allerminst gelukkig verlopen. Na onder de ogen van de toekijkende Britten bij Overloon te zijn vastgelopen, kregen zij bij Meijel een Duitse tegenaanval te verduren die slechts met grote moeite tot staan kon worden gebracht.

De afwezigen

Tijdens de gevechtshandelingen worden de moeilijkheden waarmee de frontsoldaat te kampen heeft zelden over het hoofd gezien. Zijn optreden is daarvoor te luidruchtig. Toch verschijnt hij maar zeer bescheiden in de geschiedschrijving. Alleen in de oorlogsromans is nog plaats voor hem. Deze verwijdering uit het geschiedenisbeeld begint al tijdens de gevechten. Op de militaire staven worden de activiteiten van de soldaten die het werkelijke gevecht voeren, vertaald in robuuste pijlen op de overzichtskaarten. Het aanvalsdoel dat moet worden bereikt, heeft de belangstelling. Het gaat om divisies, brigades, bataljons en bij uitzondering een compagnie. De frontsoldaten zijn niet meer dan het decor op de achtergrond waartegen de activiteiten van de generaals en hun stafofficieren zich afspelen. Deze bepalen hoe de strijd eruit ziet en hoe deze voor het nageslacht eruit zal moeten zien. Zij zijn de belangrijkste leveranciers van documenten voor de historici.

Indien men de strijd bij Meijel nader in ogenschouw neemt en in het bijzonder let op de vele aanvallen en tegenaanvallen die werden uitgevoerd, de geringe afstanden die daarbij werden afgelegd en de vele tijd die dat alles kostte, moet men wel tot de conclusie komen dat de gevechtshandelingen niet zo eenvoudig verliepen als de literatuur ons wil doen geloven. De Engelse korpsgeschiedenissen van de eenheden die aan de strijd bij Meijel hebben deelgenomen, verschaffen ons hierover nadere informatie. Voor het Duitse optreden is het ..Mitteilungsblatt der Kameradschaft der schnellen Division des ehemaligen österreichischen Bundesheeres" een belangrijke bron.

Voorzichtigheid is echter geboden. Het gaat in deze literatuur vooral erom. de heldendaden van de eigen eenheid goed te doen uitkomen. De vijand die wordt verslagen, is bijna altijd overmachtig en de hem toegebrachte verliezen zijn zeer groot. Aangezien deze werken echter in eerste instantie zijn geschreven voor hen die tot de betrokken eenheid hebben behoord, worden velen met hun kleine en grote belevenissen erin vermeld. Op deze wijze is het toch mogelijk enig inzicht te krijgen in wat soms - onjuist — de ..petite histoire" van de oorlogsvoering wordt genoemd.

Tijdens de strijd bij Meijel hebben het weer en het terrein een grote rol gespeeld. De vele regen en het moerassige Peellandschap maakten het terrein buiten de verharde wegen vrijwel onbegaanbaar. Grondnevels vormden nog een extra handicap. De Duitsers hadden bij de verdediging van hun stellingen op zeer ruime schaal gebruik gemaakt van antipersoneels- en antitankmijnen zodat voor iedere aanval eerst doorgangen in de mijnenvelden moesten worden gemaakt.

afb 6 meijel

Het opsporen van landmijnen ( foto Heemkundevereniging Meijel)

Dat geschiedde meestal door de vlegeltanks die, met behulp van roterende kettingen, de mijnen tot ontploffing brachten. Aangezien de Duitsers hun mijnenvelden met mitrailleurs en antitankgeschut onder vuur hielden, was het ruimen van de mijnen geen eenvoudige zaak. Ging een van de partijen tot de aanval over, dan werd deze voorafgegaan door een inleidende artilleriebeschieting: logistieke problemen, zoals stagnerende aanvoer van munitie, speelden derhalve vaak een vertragende rol. Zo moest de Engelse aanval op Meijel van 4 november worden uitgesteld naar 5 november omdat men over onvoldoende rookgranaten beschikte.

Steeds weer opnieuw wordt in de korpsgeschiedenissen de grote rol die de bossen bij Leensel en Meijel hebben gespeeld, naar voren gebracht. Ook blijkt dat de eenheden maar vrij korte tijd in de frontlijn verbleven. Zij werden steeds weer afgelost om in het achtergebied op verhaal te kunnen komen. Als wordt gesproken over een aanval stelt men zich vaak onbewust een charge voor als die van de ..Light Brigade", met soldaten die naar voren stormen om de vijand te vernietigen.

Het zag er bij Meijel allemaal anders uit . De gevechtenbestonden uit een lange aaneenschakeling van incidenten. Kleine groepjes soldaten die, gesteund door een of twee tanks, zich behoedzaam voortbewogen. Zo gauw vuur op hen werd uitgebracht, gingen zij in dekking. Pas nadat met steun van de zwaardere wapens de vijand was verdreven, gingen zij verder.

Slechts weinigen voelden ervoor hun leven ondoordacht in de waagschaal te stellen. Veel tijd werd verloren doordat de tanks in de bagger bleven steken. Na op 27 oktober enkele bruggehoofden te hebben gevormd, gebruikten de Duitsers vrijwel de gehele dag voor het slaan van bruggen over het Kanaal van Deurne en de Noordervaart.

Het geheel kreeg door dat alles een traag verloop. De werkelijke strijd bij Meijel duurde van 27 oktober tot 5 november. Op drie dagen van die periode vonden geen gevechten van enige betekenis plaats. Op de dagen dat wel werd gevochten, gebeurde dat slechts enkele uren. Van de bij de strijd betrokken onderdelen deden slechts enkele eenheden tegelijkertijd aan de gevechten mee. Dat alles betekende dat het aantal soldaten dat metterdaad gericht vuur op de vijand uitbracht, veel geringer was dan men zich in de diverse commandoposten voorstelde. Over de werkelijk door beide partijen geleden verliezen zijn weinig betrouwbare gegevens bekend.

Enig houvast geven de After A ctions Repons van de 7 (US) Armored Division. Gedurende de oktobermaand had deze divisie 125 gesneuvelden, 734 gewonden en 364 vermisten te betreuren. Aan voertuigen gingen 28 lichte tanks, 52 zware tanks en 101 andere voertuigen verloren. Daarbij dient in beschouwing te worden genomen dat een deel van de verliezen tijdens de aanval bij Overloon werd geleden. November kwam de 7 (US) Armored Division op 88 doden, 225 gewonden en 31 vermisten te staan. Aangezien in deze maand behalve bij Meijel niet direct aan gevechtsacties werd deelgenomen, moeten deze verliezen hoofdzakelijk aan de strijd bij Meijel te wijten zijn geweest. De 7 (US) Armored Division heeft daar de zwaarste klappen gekregen. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat de verliezen van de 15 Scottish Division, de 9. Panzerdivision en de 15. Panzergrenadierdivision geringer zijn geweest. In hoeverre men de verliezen zwaar of licht wil noemen, is zeer arbitrair. Uit de literatuur blijkt dat na de strijd bij Meijel de betrokken eenheden door hun commandanten inzetbaar werden geacht. De geleden verliezen werden derhalve kennelijk niet „zwaar" geacht.

Operatie „Nutcracker" (afb. 7)

afb 7 meijel

Nadat op 5 november de geallieerde aanval bij Meijel was afgebroken, keerde aan het front in de Peel een betrekkelijke rust terug. Met de verovering van Walcheren op 8 november 1944 was ten slotte de toegang tot de haven van Antwerpen voor de geallieerden ontsloten( Het zou tot28 november duren voor de Westerschelde weer bevaarbaar was en d eeerste bevoorradingsschepen de haven van Antwerpen bereikten). Montgomery kon zijn volle aandacht nu weer wijden aan de operatiën op de oostflank van de 21 (BR) Army Group. Het eerste wat te doen stond, was de vijand uit de Peel verdrijven. Daartoe werd de operatie ..Nutcracker" voorbereid. Uitgebreide hergroeperingen van legeronderdelen vonden plaats. Werd aanvankelijk één Amerikaanse pantserdivisie voldoende geacht om de Duitsers te verslaan, nu werden twee legerkorpsen, het V I I I (BR) Corps en het XII (BR) Corps ermee belast. Het XII (BR) Corps zou het kanaal Wessem—Nederweert overschrijden en vervolgens ten oosten van de Noordervaart naar Blerick doorstoten. Het V I I I (BR) Corps, bestaande uit drie divisies en een pantserbrigade zou de op 16 oktober afgebroken aanval uit Venray in de richting Blerick voortzetten. De 7 (US) Armored Division keerde op 8 november 1944 naar de 12 (US) Army Group terug.21 De 15 Scottish Division bleef in haar stellingen voor Meijel liggen.

Op 14 november gingen de beide Engelse legerkorpsen tot de aanval over. Op dezelfde dag ontdekte een patrouille van de King's Own Scottish Borderers dat Meijel door de Duitsers was verlaten.Een verkenningspatrouille van de Highland Light Infantry, die in de nacht van 14 op 15 november uit Asten naar Meijel was gezonden, ontdekte dat zich aan de oostelijke rand van Meijel nog Duitsers bevonden. De patrouille kreeg opdracht bij de kerk van Meijel in de verdediging te gaan. Bij de brug over het Kanaal van Deurne werd door de Duitsers nog een klein bruggehoofd vastgehouden; nadat de 51 (Highland) Division op 18 november Panningen had genomen, ontruimden de Duitsers het. Hetzelfde gebeurde bij de Hoge Brug waar zij tot die dag toe hadden standgehouden. Toen op 19 november de 15 Scottish Division bij Mariahoeve over het Kanaal van Deurne een brug had geslagen en contact had gemaakt met de uit Beringen komende 152 Brigade, was de strijd bij Meijel definitief ten einde.

afb 8 meijel

De vernielde Hoge Brug (foto Heemkundevereniging Meijel)

Van Meijel zelfwas niet meer dan een rokende puinhoop overgebleven. Met de andere divisies nam de 15 Scottish Division vervolgens deel aan de aanval op Blerick. Pas op 3 december 1944 viel deze plaats in geallieerde handen en was de vijand uit de Peel verdreven. Aan de volgende fase van de geallieerde opmars, de slag om het Rijnland, kon worden begonnen.

Slot

De Engelse oorlogscorrespondent John d'Arcy- Dawson schreef over de Duitse tegenaanval bij Meijel:

Our armour was advancing towards the Maas between 's-Hertogenbosch and Tilburg, squeezing out the enemy. The enemy reaction to this danger was a swift counter-attack on our right flank at Deurne and Meijel with the object of drawing off our troops from Tilburg. We held the Deurne attack, white giving a linie ground at Meijel, but the enemv failed lt divert a single man. The thrust against our pocket on the Meuse was supported by two Panzer Divisions, but Scottish and British troops drove them back bitter fighting in this fogridden, bleak land.( J. d'Arey-Dawson — European Viclon: Londen (1945) pt 230).

Deze beschrijving van de strijd bij Meijel kan representatief worden genoemd voor de Engelse opvattingen over deze gebeurtenis: het opvangen van de Duitse tegenaanval en het terugslaan van het XLVII. Panzerkorps zou een exclusieve Engelse aangelegenheid zijn, de 7 (US) Armored Division werd zonder veel omhaal onder de tafel gewerkt. Een nadere beschouwing van de strijd bij Meijel leert evenwel dat het juist de 7 (US) Armored Division is geweest die de Duitse tegenaanval heeft opgevangen. De Amerikanen mag misschien worden verweten dat zij zich aanvankelijk door de Duitsers hebben laten verrassen, toen zij zich eenmaal van de eerste schrik hadden hersteld, namen zij zeer krachtige maatregelen.

Toen in opdracht van Feldmarschall G. von Rundstedt de Duitse aanval werd afgebroken, waren de Engelsen nog niet op het strijdtoneel verschenen. De Duitse aanvallen die zij te verduren kregen, hadden te maken met het Duitse afbreken van het gevecht en vormden geen wezenlijke bedreiging meer.

De actie van de Engelsen naar Meijel was geen eenvoudige zaak, en hun inzet mag niet worden gekleineerd, maar toch moet worden gesteld dat er meer sprake was van een achtervolging door de Engelsen van de zich volgens plan terugtrekkende Duitsers. Toen deze laatsten bij Meijel tot de hardnekkige verdediging overgingen, slaagden de Engelsen ondanks alle inspanningen niet erin hen te verdrijven. Een van de redenen waarom de Duitsers zich in de Peel zo lang konden handhaven, was de geallieerde zorgeloosheid en onderschatting van de vijand. Nationale en persoonlijke tegenstellingen verhinderden dat de 7 (US) Armored Division van het begin af onder bevel van het V I I I (BR) Corps kwam te staan. Tegen alle regels van een goede bevelvoering in kreeg het XIX (US) Corps daardoor twee verschillende taken opgedragen. Het verleggen van de vakgrens tussen de 21 (BR) Army Group en de 12 (US) Army Group was — dat moge thans duidelijk zijn - niet zo'n onschuldige activiteit als Montgomery deed voorkomen.

Hoewel de geallieerden één gemeenschappelijke vijand hadden, is op hun bondgenootschappelijke samenwerking wel het een en ander aan te merken. De oorlog werd er onnodig door verlengd. In theorie is dat tegenwoordig allemaal veel beter: of dat in de praktijk ook zo is. moet worden afgewacht. Het lijkt mij. met de herinneringen aan de strijd in de Peel in het achterhoofd, niet ongewenst meer aandacht te besteden aan de problematiek van de vakgrenzen tussen de diverse legerkorpsen die samen de huidige Northern Army Group vormen.

De Duitse tegenaanval bij Meijel was alleen mogelijk door de soepele wijze waarmee aan Duitse zijde onder-bevelstellingen plaatsvonden. Een legerkorpsstaf kreeg zonder meer enkele divisies toegevoegd en kon na enkele dagen al tot actie overgaan. Aan geallieerde zijde vonden beneden het legerkorpsniveau veel wijzigingen in onderbevelstelling plaats waardoor men zich ten slotte toch aan de gevechtssituaties kon aanpassen.

Of dat in de huidige tijd nog het geval is. is een grote vraag. De onvoldoende standaardisatievormt daarbij vermoedelijk een grote belemmering. Er is echter meer. Sedert tientallen jaren staan de legerkorpsen van de Northern Army Group naast elkaar langs het Uzeren Gordijn. Het heeft er meer de schijn van dat men is teruggekeerd naar de statische verdediging van de Eerste Wereldoorlog dan naar. wat men zo gaarne met de mond belijdt, de moderne beweeglijke oorlogvoering onder nucleaire omstandigheden. Mag men zich fysiek sneller kunnen verplaatsen dan in het verleden, de bevelvoering is misschien meer verstard dan men zich realiseert.

Aan Duitse zijde had men steeds een goed inzicht in de geallieerde slagorde. Daardoor was men in staat het mogelijke geallieerde optreden goed te voorzien. De gegevens over de geallieerde eenheden werden hoofdzakelijk verkregen door het veelvuldig uitvoeren van verkenningspatrouilles en het ondervragen van krijgsgevangenen. Dat laatste geschiedde zeer oppervlakkig. Indien men de eenheid had kunnen vaststellen waartoe de betrokkenen behoorden, was men al tevreden. De meer geschoolde ondervragingsteams bevonden zich meer in het achterland.

De waarde van de door deze teams verzamelde inlichtingen was zeer gering omdat zij meestal door de tijd waren achterhaald. De vraag kan daarom worden gesteld of. aangezien tegenwoordig het oorlogsverloop vermoedelijk sneller is dan tijdens de Tweede Wereldoorlog, het nog wel zin heeft veel tijd en moeite te besteden aan het trainen van officieren, kader en soldaten om ondervragingen door de vijand te kunnen weerstaan.

De Duitse tegenaanval bij Meijel werd geheel in overeenstemming met het Duitse voorschrift ..Truppenführung" uitgevoerd. Het is nuttig de huidige opvattingen over de aanval met een beperkt doel daarmee te vergelijken. De Duitse tegenaanval bij Meijel werd te laat uitgevoerd om het verloop van de strijd op de rechtervleugel van de Heeresgruppe B nog wezenlijk te beïnvloeden.

De 15 Scottish Division had haar operaties immers op 27 oktober bij Tilburg reeds beëindigd. Toch rapporteerde de Heeresgruppe B dat de aanval bij Meijel volledig aan de verwachtingen had voldaan. De OB West zag op 29 oktober al weinig heil in voortzetting van de aanval. Daarbij moet worden aangetekend dat von Rundstedt op 24 oktober op de hoogte was gebracht van het ophanden zijnde Ardennenoffensief.

In welke mate dat gegeven bij de besluitvorming over het afbreken van de aanval een rol heeft gespeeld, blijkt niet uit de Duitse stafstukken. De Duitse tegenaanval bij Meijel was geen uitzondering. Gedurende de gehele terugtocht van het Duitse leger naar de Westwall zijn dergelijke lokale offensieven uitgevoerd. Desondanks lieten bij Meijel de geallieerden zich verrassen. Het onderschatten van de kracht van de tegenstander was daarvan de voornaamste oorzaak.

Literatuur

L. F. Ellis - Victory in the West, dl 2 - The defeat of Germany. H. M. Stationary Office. Londen (1968).

P. Forbes — The Grenadier Guards in the war of 1939- 1945. Gale and Polden Ltd. Aldershot (1949).

P. Forbes — 6ih (iaards Tank Brigade. Londen (z.j.).W. Haupt — Rück:ug im Westen 1944. Motorbueh Verlag. Stuttgart 1978).

M. Howard en J. Sparrow — The Coldstream Guards1920-1946. Oxford University Press. Londen (1951).

G. S. Jackson — Operalions Eighth Corps. H.M. Stationary Office. Londen (1948).

B. Koning — Bevrijding van Nederland. Cuilenbach. Nijkerk (z.j.).

C. B. MacDonald — The Siegfried-Line campaign. Dept of the Army. Washington DC(1963).

H. G. Martin — The historv of the Fifteenth Scottish DiYision 1939-1945. Blackwood & Sons Ltd. Londen ( l 948).

B. L. Montgomery — Normandy lo the Baltic - Victorv. Transworld Publishers. Londen (1974).

J. North - Nonh-We.st Europe 1945. The achievementof 21st Army Group. H. M. Stationary Office. Londen (1977).

C'. Wilmot — The struggle for Europe. Collins. Londen (1959).

Eerder verschenen in Militaire Spectator 1982 pagina 5 t/m 20