We hebben 194 gasten online

Deel 2 van Burcht tot Waterlinie

Gepost in Geschiedenis Nederland

De Nieuwe Hollandse Waterlinie

nieuwe hollandse waterlinie

In 1815 werd wederom besloten Utrecht binnen de waterlinie te brengen. Daartoe werd een nieuwe linie aangelegd, die als de „Nieuwe Hollandse Waterlinie" werd aangeduid en die ook Utrecht omvatte doordat zij ten oosten en ten zuiden van de stad kwam te liggen. Sindsdien werd de vroegere versterkte lijn Muiden—Woerden—Schoonhoven betiteld als „Oude Hollandse Waterlinie" .

het beloop van de drie waterlinies

Het beloop van de drie Waterlinies, in de jaren 1629, 1672 en 1815

De Nieuwe Hollandse Waterlinie liep van Naarden via Utrecht en Vreeswijk naar Culemborg en zette zich voort over Gorinchem en door het land van Altena om ten slotte aan te sluiten tegen de Biesbosch.

Met de aanleg van de verschillende inundatiesluizen werd de grootst mogelijke spoed betracht omdat de internationale situatie allesbehalve rooskleurig eruit zag nadat Napoleon kans had gezien van Elba terug te keren op het vasteland.

De onderwaterzettingen werden in het laaggelegen westen begrensd door kaden en dijken (oostelijke Vechtdijk, kaden en dijken beoosten Utrecht, oostelijke dijk van de Vaartsche Rijn). Aan de oostzijde van de te inunderen gebieden bevonden zich hoger liggende terreingedeelten die het onder water te zetten land zodanig afsloten dat het een eventuele vijand niet mogelijk zou zijn de inundaties te gaan aftappen. De breedte van de te stellen waterhindernis bedroeg 5 a 6 kilometer, en daarbij was rekening gehouden met de destijds te verwachten reikwijdte van de vijandelijke artillerie.

Zodra de inundaties moesten worden verricht, zou ervoor moeten worden gezorgd dat het water enkele decimeters hoog boven het terrein zou komen te staan zodat sloten, waterwegen, e.d., aan het zicht zouden worden onttrokken; de waterhoogte zou beletten dat de vijand te voet de strook zou kunnen doorwaden, en anderzijds zou ook bevaren niet mogelijk zijn, zelfs niet met platboomde vaartuigen.

vesting Naarden

Naarden, een vesting met gebastioneerde fronten met ravelijnen (voorwerken), aangelegd volgens het Nieuw-Nederlandse stelsel van 1675 tot 1685

De stelling Utrecht

de stelling van Utrecht

De Stelling Utrecht na 1879 A Fort de Klop, B Fort de Gagel, C Fort Blauwkapel, D Fort de Bilt, E Fort Vossegat, F Lunetten, G Fort Jutfaas, W verbindingswanen, l Fort Ruigenhoek, II Fort Voordorp, III Fort Rijnauwen, IV Fort Vechten, V Fort Hoofddijk, VI Fort 't Hemeltje

Langs deze linie werden nu tussen 1816 en 1826 forten aangelegd waarvan het bastion de grondvorm was. Deze forten waren bedoeld om een vijand de toegang te bemoeilijken en hem op zodanige afstand te houden dat de stad Utrecht vrij zou blijven van artilleriebeschietingen. Het voornaamste deel van deze linie was de Stelling Utrecht; de volgende forten maakten daarvan deel uit: Fort de Klop (1821), Fort de Gagel (1821), Fort Blauwkapel (1818), Fort de Bilt (1816/19; Fort Vossegat (1817/19), de Lunetten (1822/1826) en Fort Jutfaas (1820). Deze gedetacheerde forten werden aangelegd in een nagenoeg rechte of gebogen lijn, waarvan de bolle zijde naar voren was gekeerd. De onderlinge afstand bedroeg 2500 a 3000 meter, soms echter 5000 a 6000 meter, hetgeen van het terrein afhing. De locatie werd zodanig gekozen dat de bezetting vrij zicht had uit het fort tot op een afstand van 1000 a 1500 meter.

In de periode 1840-1860 werden de meeste werken van de linie voorzien van bomvrije gebouwen. Voor wat betreft de belangrijkste forten waren dat grote, ronde torens met meer verdiepingen, waarvan de bovenste verdieping boven de kruin van de omwalling van het fort uitstak.

De eerste toren werd in 1841 in Fort Honswijk gebouwd. Hij had drie verdiepingen, waarop een gronddekking met open batterij. De rivierdijk kon worden bestreken met 6 vuurmonden, waarvan 3 in de bovenste verdieping en 3 in open opstelling op de toren. Belangrijk is nog te vermelden dat op 21 december 1853 de zg. Kringenwet in werking trad, die de basis vormde voor het aanwijzen van een object tot vestingwerk. Bovenal legde het beperkingen op aan bebouwing en beplanting in de directe omgeving van vestingwerken.

Ontwikkelingen door invoering van het getrokken geschut

In 1860 werd bij verschillende legers nieuw geschut ingevoerd, dat een getrokken loop had. Dit type belegeringsgeschut, dat een aanzienlijk grotere dracht had dan het vroegere gladde geschut en bovendien een sterk verbeterde trefzekerheid demonstreerde, werd voor het eerst in 1864 gebruikt, bij de aanval op de Dybbölerschansen nabij Kopenhagen. Niet alleen voor de aanval en de verdediging, maar zeker ook in niet mindere mate voor de vestingbouw werd daarmee een nieuw tijdperk ingeluid: de invoering van het getrokken achterlaadgeschut, met de daaruit te verschieten cilindrische granaten, betekende de ondergang voor de toenmaals bestaande forten en vestingen.

Om te voorkomen dat de boven de wallen uitstekende torens zouden worden getroffen door rechtstreekse treffers van het vlakbaangeschut, werd in een aantal gevallen de bovenste verdieping van de toren weer afgebroken. In de Frans-Duitse oorlog van 1870-'71 werden door de Duitsers ervaringen opgedaan met het door hen ingezette getrokken geschut. Op de vesting Straatsburg bijvoorbeeld werden in de periode van 28 augustus tot 27 september 1870 uit 241 vuurmonden 193.722 granaten afgevuurd met als resultaat dat de verdedigingswerken volkomen werden vernield.

De uit die oorlog getrokken lessen misten hun uitwerking niet. De waarde van ook elders als onaantastbaar beschouwde verdedigingssystemen moest wel worden betwijfeld; herbezinning op bestaande stelsels was geboden. In Nederland had men dat al eerder beseft omdat de vergrote dracht van het geschut ertoe had geleid dat de linie om Utrecht al niet meer aan alle eisen voldeed: de vijand zou met zijn artillerie veel te dicht bij de stad in stelling kunnen komen. Om hem nu te dwingen in voorkomend geval op grotere afstand te blijven zodat zijn geschut — gelet op de maximumdracht — de stad niet zou kunnen beschieten, werd besloten een nieuwe fortenlinie aan te leggen ten oosten van de bestaande. de in die linie, de zg. '3750-meterlijn"gebouwde nieuwe forten waren Fort Ruigenhoek (1867-'1870; fort Voordorp (1867-'70), Fort Rijnauwen (1868-'72) en Fort Vechten (1870).

De Vestingartillerie

Aangezien de hoofdbewapening van deze forten veelal bestond uit speciaal geconstrueerde vuurmonden lag het voor de hand daarvoor nieuwe organieke eenheden op te richten en die onder te brengen in het Wapen der Vestingartillerie. Zo ontstonden in 1848 het 1 e en 2e Regiment van dat wapen, in 1852 werd het 3e Regiment opgericht en ten slotte in 1881 nog het 4e Regiment. (Het 2e Regiment, dat 12 compagnieën telde, was speciaal bestemd voor het bezetten van de Stelling Amsterdam, het 4e Regiment kreeg later tot taak de kustverdediging te bemannen.)

In de forten had men geschutsoorten opgesteld voor verschillend gebruik. Zo hadden de lange kanonnen tot doel vuur af te geven over grote afstanden tegen colonnes, op naderingswegen, e.d. (kanon 12 en 15 cm lang, afb. 13). Vuurmonden voor de artilleriestrijd waren het kanon 15 cm kort en de 15 cm mortier. Als groot-flankementsgeschut werd het kanon van 10 cm gebezigd, alsmede later de in 1904 ingevoerde zeer goede veldvuurmond van 7 cm, die in de oude forten op een veldaffuit en in de nieuwe forten op een kazemataffuit kon worden gebruikt (afb. 14). Verder had men vuurmonden beschikbaar voor de nabijverdediging en voor het bestrijken van de grachten (kanonnen van 12 cm kort achterlaad, 8 cm kort brons, 8 cm staal, 6 cm en een l O cm mortier).

Fort Rijnauwen

fort rhijnauwen

Fort Rijnauwen, volgens het polygonale stelsel aangelegd van 1867 tot 1869

Van de nieuwe forten werd Fort Rijnauwen aangelegd volgens het polygonale of caponnièrestelsel. Fort Rijnauwen was het grootste fort, een zg. sperfort dat tot hoofdtaak had de toegang tot een niet inundeerbaar acces (naderingsweg) in de Nieuwe Hollandse Waterlinie te versperren. Het fort was gebouwd voor de volgende doeleinden:

1. onze troepen die in het voorterrein stelling hadden genomen, ondersteunen;

2. de vijand dwingen zijn veldbatterijen verder van Utrecht op te stellen;

3. eventueel terugtrekkende troepen aan vervolging onttrekken, opnemen en in staat stellen te hergroeperen;

4. vuur uitbrengen op en achter de stukken bos ten westen van de Bilt om aanvallen op de Forten de Bilt en Voordorp te bemoeilijken;

5. Fort Vechten krachtig flankeren en eventuele aanvalswerken tegen dat fort helpen bestrijken;

6. het werk aan de Hoofddijk flankeren;

7. de overgang over de Kromme Rijn bemoeilijken.

Omdat wij hier te maken hebben met een van de belangrijkste forten gaan wij wat dieper in op de inrichting daarvan.

Zo'n fort als Fort Rijnauwen behoorde aan bepaalde eisen te voldoen en diende te zijn voorzien van het volgende.

— Een starmvrije hoofdwal van grote hoogte (8 a 10 m) en aanzienlijke diAkte, voorzien van cavaliers (vluchtwegen), traversen, bomvrije schuilplaatsen, remises (dwarswal, bedoeld voor dekking), magazijnen en logementen. Bij het bepalen van de dikte moest men rekening houden met het in te zetten vijandelijke getrokken geschut van na 1860. De zandborstweringen moesten ten minste 8 meter dik zijn want Pruisische puntgranaten van 9 cm, op 300 meter afstand afgeschoten, drongen in vaste grond (zand met klei vermengd) ongeveer 7,5 mdiep.

— Metselwerk, dat tegen vernieling moest worden beschut door gronddekking tegen en voor muren en op gewelven.

— Een moeilijk te overkomen gracht met onvernielbaar flankement. Daartoe werden op het buitentalud van de hoofdwal op onderlinge hoogteverschillenvan 3 tot 5 meter bermen aangelegd die vervolgens met heggen of doornenhagen werden bezet. Voor poorten en schietgaten groef men nog extra diepe delen in de gracht, de zg. diamantgrachtjes, die een driehoekige vorm hadden en tot doel hadden de vijand te bemoeilijken juist op die punten verder door te dringen.

— Een bedekte weg met glacis, waarin puin werd verwerkt zodat een vijand moeite zou hebben daarin graafwerkzaamheden te verrichten.

— Een reduit voor de binnenverdediging en tot verhoging van het moreel.

Rijnauwen heeft een keelfront dat naar binnen is gebogen en de gracht ervoor wordt uit het reduit geflankeerd. Zo'n reduit diende ertoe de verdediging te kunnen voortzetten wanneer het een vijand was gelukt het fort binnen te dringen en fungeerde tevens voor het legeren van de bezetting van het fort. Het reduit heeft de vorm van een vijfhoek, met uitbouwen aan de hoekpunten, en wordt geheel omringd door een smalle natte gracht, die uit de uitbouwen wordt geflankeerd.

Het voorfront van het fort is sterk gebroken en voorzien van een caponnière, waaruit naar twee zijden vuur kon worden afgegeven door 2 X 4 vuurmonden, opgesteld in de geschutskazematten. De escarpgalerij (binnenboord van de gracht) achter de caponnière is voorzien van schietsleuven en diende voor de verdediging van de poterne (de onderaardse verbindingsweg door de hoofdwal) en de gracht tegen een vijand die wellicht 0m de caponnière, over het water zou kunnen binnendringen.

De zijfronten van het fort zijn enigszins buitenwaarts gebroken. Zij werden geflankeerd door twee gekazematteerde stukken geschut die in elk van de flankbatterijen stonden opgesteld, behalve één flankbatterij die van drie stukken was voorzien. De schietgaten konden met luiken worden afgesloten tegen de weersinvloeden; zij lagen een meter boven de waterspiegel van de gracht.

In de geschutkazematten waren in het gewelf rookgaten aangebracht waardoor de rook zou kunnen wegtrekken, en in de muren en het gewelf waren ringen en haken gemetseld waaraan kettingen of kabels konden worden bevestigd die konden dienen om de terugloop van de affuiten tot een minimum te beperken.

Aan elke kant van de keelborstwering ligt een open remise, elk voor acht stukken geschut, en daarin bevonden zich de hijsplaatsen die tot het inwendige van het fort toegang gaven en bestemd waren om projectielen, e.d., naar de geschutemplacementen te vervoeren.

Om het hele fort lag een bedekte gang en in het fort was ook geschut aanwezig dat buiten het fort in stelling kon worden gebracht .

Omstreeks 1880 bestond de bezetting uit 19 officieren, 32 onderofficieren en 515 manschappen, en in totaal bevonden zich 105 vuurmonden op het fort, waaronder bv. het kanon brons glad 9 cm kort uit 1823 waarvan de zg. rolschootsverheid 1725 meter bedroeg (afb. 19).

verklaring rolschootsverheid

Verklaring van de rolschootsverheid; deze was zo groot mogelijk door: kleine elevatie, schieten met grote lading en harde bodem

Verdedigingsmaatregelen in forten

Voorzag men een belegering dan werden op de benedenhelft van het talud de jonge takken van de beplanting afgesneden en de dikkere werden aangepunt; om de stronken werd ijzerdraad gespannen om een beklimming te bemoeilijken. Op de hooggelegen punten van het fort werden schildwachten geplaatst voor het bewaken van het voorterrein, omdat de verbinding met het voorterrein zo lang mogelijk behouden moest blijven om vandaar uitvallen te kunnen doen tegen vijandelijke aanvalswerken en batterijbouw. Daartoe diende bv. de weg die rechts van fort Rijnauwen naar voren is aangelegd.

Op de wallen werden voor de infanterie en artillerie zo goed mogelijk ingerichte stellingen voorbereid om een stormaanval te kunnen afslaan. Werd onverhoopt een bres in de wal geslagen dan trachtte de bezetting met worpvuur een vijand buiten het fort te houden. Verder hechtte men voor een goede verdediging zeer veel waarde aan een hoog moreel van de bezetting.

Om 's nachts een verrassingsaanval te voorkomen, werden gedurende de nacht het voorterrein en de grachten met vuurpijlen verlicht. Ook richtte men in het voorterrein voorposten in ten behoeve van de patrouilledienst en wanneer de inundaties waren bevroren liet men de postenketen uit ervaren schaatsenrijders bestaan. Bij vriesweer kon de zg. stormvrijheid worden bevorderd door het begieten van de borstweringstaluds en ook werden geulen gekapt in de bevroren grachten. Op de naderingswegen naar het vestingwerk werden gedetacheerde onderofficiersposten achter brede versperringen geplaatst; zulke posten werden ook ingericht in schuiten die zich in de inundaties bevonden.

Aanval op een fort rond 1870

Wat de toegepaste tactiek bij een aanval op een fort betreft: een vijand zorgde allereerst ervoor dat hij door een nauwkeurige verkenning de toestand van de aan te vallen werken goed kende. Was hij daarvan goed op de hoogte dan werden de voorposten van de verdedigers verdreven en zette de vijand zich vast in het voorterrein. Buiten geweerschotsafstand werden vervolgens emplacementen gebouwd om het geschut aldaar in stelling te kunnen brengen en zodra dit was geschied, werd gelijktijdig door alle batterijen het vuur geopend om de verdediger te verdrijven en het flankerende geschut te demonteren. Nadat door het geschutvuur de verlangde uitwerking was verkregen, werden tirailleurs vooruitgeschoven alsmede een genieofficier met mineurs om eventueel geplaatste mijnen onschadelijk te maken.

De volgende golf bestond uit arbeiderscolonnes die waren voorzien van schoppen, aksen, handbijlen, pikhouwelen en verder fascines, gevulde zandzakken, hooibundels, buskruit met ontstekingsmiddelen en stormladders. Deze uitrusting was bestemd om hindernissen te vernielen, het overschrijden van grachten voor te bereiden, de muren te kunnen beklimmen en de schietgaten van flankkazematten te kunnen dichten. Was dat geschied dan rukten de stormcolonnes op om de geslagen bressen aan te vallen. Daarachter volgden ten slotte de reserves en een detachement artillerie om veroverd geschut te vernagelen of tegen de verdediger te gebruiken.

Gelukte het in het fort te komen dan trachtte men een of meer poorten te openen om de reserves binnen te laten. Een belangrijk doel moest nu nog worden aangevallen, namelijk het reduit. Dat diende zo snel mogelijk te worden uitgeschakeld omdat anders de verdediger van daaruit de aanvaller nog gevoelige verliezen kon toebrengen en mogelijk kon proberen de sterkte alsnog te heroveren.

De Vestingwet van 1874

Tijdens de mobilisatie van midden juli tot medio september 1870 werden onder meer de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie bezet en voorbereidende inundatiemaatregelen getroffen. Als gevolg van daarbij opgedane ervaringen werden de forten na goedkeuring van de Vestingwet van 18 april 1874, Stbl. 64, verbeterd.

'Men legde aan:

— meer bomvrije gebouwen;

— remises voor bescherming van geschut;

- traversen op de wallen ten einde de uitwerking van treffers te beperken.

Verder werden in 1875 in de Stelling Utrecht verbindingswallen aangelegd en tevens werden ten behoeve van de flankbeveiliging van de forten Rijnauwen en Vechten nog twee nieuwe forten gebouwd, en wel Fort Hoofddijk (1877) en Fort 't Hemeltje (l 877/1879).

Gevolgen van invoering van de brisantgranaat

1885 was het jaar dat de jonge C.J.Snijders vernam dat in Duitsland proeven werden genomen met de brisantgranaat. Hij was tijdelijk gedetacheerd bij een wapenfabriek vanwege een levering aan Nederland. Het jaar 1885 mag voor de forten zonder meer het rampjaar worden genoemd. Toen werd bij de verschillende legers namelijk de brisantgranaat ingevoerd met het gevolg dat de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie op slag hun betekenis als opstellingsplaats voor vestinggeschut verloren. De bestaande bomvrije gebouwen waren niet bestand tegen de uitwerking van de brisantgranaat en het geschut moest verder, gespreid en aan het gezicht onttrokken, in batterij worden opgesteld om met kans op succes tegen een vijand te kunnen worden ingezet.

De Stelling van Amsterdam

stelling amsterdam

Na 1885 zijn in ons land toch nog vele forten gebouwd, echter van een ander type. De Stelling Amsterdam werd gecompleteerd met vestingwerken tot een totaal van maar liefst 46 forten en batterijen, aangelegd op een afstand van 13 tot 20 km vanaf de Dam en ingericht naar de eisen des tijds. In Nederland was men inmiddels nauwkeurig op de hoogte van de uitwerking van de projectielen van zwaar belegeringsgeschut. In 1889 nl. werd in het Duitse leger een 21 cm mortier ingevoerd, die toen tot het zwaarst bestaande belegeringsgeschut behoorde.

Op het tot stand komen van de forten van de Stelling Amsterdam heeft deze mortier een zeer grote invloed gehad. Om erachter te komen hoe dik dekkingen moesten zijn en hoe zij het beste konden worden ingericht, kocht ons land van Krupp een 21 cm mortier waarmee kort na 1890 uitgebreide proeven werden genomen in de duinen bij Schoorl tussen 1890 en 1892. Mede aan de hand van de aldus verkregen gegevens kon de Stelling Amsterdam worden gebouwd.

Van deze stelling maakten o.a. deel uit het Pantserfort Fort aan het Pampus, Fort bij Edam, Fort aan de Jisperweg en Fort bij Penningsveer. Deze forten, die ook door natte grachten waren omgeven, waren dus bestand tegen de uitwerking van de brisantgranaat uit die tijd. Het type was zeer eenvoudig. De kern van het fort werd gevormd door een gebouw van bijna 2 meter dik beton, een bomvrije kazerne, waarin woonlokalen, burelen, munitiebergplaatsen, keukens, privaten, e.d., waren gesitueerd. Die borstwering kan grotendeels uit de bomvrije gebouwen gedekt worden bereikt (o.a. via poterne) door de infanteristen. In de schouderhoeken van deze forten werden kleine hef koepels aangebracht, bewapend met een kanon voor de nabijverdediging. Bereik ca. 1 km. het zware geschut van 12-15 cm werd tussen de forten opgesteld. een groot verschil met de NHW waardoor de forten kleiner en moeilijker trefbaar werden.

inwendige hefkoepel

Het inwendige van een hefkoepel

Die koepel stak in het geheel niet boven het werk uit zolang hij „gedoken" was, en kon dan ook uit de verte met lang geschut in het geheel niet en met kort geschut zeer moeilijk worden vernield. Naderde de vijand tot ongeveer 1000 meter dan werd de koepel geheven en kon een krachtig vuur worden afgegeven.

Aan de achterzijde van deze forten vindt men twee uitgebouwde kazematten die door het lichaam van het fort zelf geheel tegen frontaal vuur waren gedekt. Uit de naar buiten gekeerde schietgaten van die kazematten kon met kanonnen van 7 en 10 cm een krachtig groot-flankementsvuur worden afgegeven tot voor het nevenfort. Uit de naar binnen gerichte schietgaten kon flankerend vuur worden afgegeven in de keel van het fort en op de brug met mitrailleurs. Van dit type fort zijn verschillende variaties gebouwd, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden. Behalve deze forten werd dwars door de Haarlemmermeer ook ten behoeve van de Stelling Amsterdam aangelegd de Slaperdijk, die moest dienen als steunkering voor de inundatie en als verbindingswal tevens lijn van weerstand voor de infanterie. merendeels werden bestaande polderdijken als komkeringen gebruikt, maar op zeven locaties werden zogenaamde geniedijken aangelegd. Niet alleen in de Haarlememermeer.

Luik, augustus 1914

Hoe mogelijk een aanval zou hebben kunnen plaatsvinden op forten van de Stelling Amsterdam van het type van na 1890, kan worden getaxeerd aan de hand van de gebeurtenissen bij Luik in de aanvangsfase van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914.

Luik werd gedekt door twaalf forten, aan elke kant van de Maas zes. De afstand tussen de forten en de stad bedroeg 6700 a 9000 meter. Het warensperforten, bewapend met in koepels opgesteld zwaar geschut waarmee de forten elkaar konden dekken en onderlinge steun verlenen. De Stelling Luik stond onder bevel van de 64-jarige generaal Léman.

Op 5 augustus 1914 openden de Duitsers hun aanval. Zij volgden daarbij de methode die was ontwikkeld door generaal von Sauer, wiens theorie luidde: „Voor de snelle vermeestering van forten moet de aanval plotseling en continu plaatshebben; hij moet dag en nacht duren en steeds worden hervat. In massa's moeten de aanvallers tegen de versterkingen oprukken om de bezetting daarvan in korte tijd uit te putten".

De Belgische soldaten van het 9e Linieregiment vochten als leeuwen en wierpen de Duitsers terug. Om de tegenstand van de Belgen te breken rukten de Duitsers in gesloten gelederen op. Bataljon na bataljon werd door hen in formatie in de strijd geworpen, de theorie van von Sauer volgende. Met regelmatige tussenpozen klonk het doffe gedonder van het geschut uit de pantserkoepels en de projectielen van de zware kanonnen suisden door de lucht. De forten hielden stand, hoewel Luik zelf zich op 7 augustus overgaf. Het 53e Infanterieregiment had als eerste de stad weten te bereiken door een wig te drijven in de fortengordel die de Duitsers links hadden laten liggen totdat zij in de volgende fase hun zware 42 cm mortieren gingen inzetten. De forten waren tegen deze beschieting niet bestand. Elk fort werd met enkele schoten verbrijzeld en het pantserstaai en beton vlogen door de lucht. Eén enkel schot ging met gemak door tien voet dikke betonwanden, zware betonmuren barstten open . Afb. 24 Belgisch fort bij Luik, in 1914 vernietigd door Duits 42 cm mortiervuur

De koepel van het pantserfort Loncin werd getroffen door een 42 cm projectiel dat in de kruitkamer terechtkwam en daar explodeerde. Dientengevolge vloog het hele fort in de lucht en de bezetting van 800 man werd op 6 na gedood. Elke tussenlinie vielen de Duitsers aan met 17.000 man, waarbij in de nacht gebruik werd gemaakt van zoeklichten. Fort Loncin was door Generaal Léman uitverkozen om daarin met een aantal dapperen tot het laatste stand te houden. De aanstormende Duitsers vonden hem, nadat het fort was bezweken, onder de puinhopen. De Duitse generaal von Emmich liet hem zijn degen behouden omdat hij als Commandant van Luik zijn plicht tot het laatste had vervuld. Omstreeks half augustus waren alle forten in Duitse handen.

Verdun, september 1916

De verdediging van Verdun van februari tot september 1916 kan daarentegen als voorbeeld dienen hoe een fortenreeks in die tijd tegen een vijand met succes kon worden verdedigd mits de opperbevelhebber een grote invloed had op het moreel van de troep. Tijdens die strijd sneuvelden 15.000 Fransen in een heldenstrijd onder leiding van maarschalk Pétain.

Dat dergelijke vestinggordels echter anderzijds tot een gevaarlijk dwaallicht konden worden — een gevolg van een overdreven vertrouwen op de 3 V's: Vauban - Verdun - Victoire — bleek op 16 juni 1940 toen het opperbevel van de Duitse Weermacht kon bekendmaken dat Verdun met al zijn forten zonder tijdverlies was veroverd dank zij de toegepaste verticale omvatting met behulp van luchtlandingstroepen.

De Waterlinie, nu historie

In de jaren 1914-'18 werd de Nieuwe Hollandse Waterlinie in staat van verdediging gebracht. In die tijd werden schuilplaatsen van gewapend beton, aansluitende loopgraven en kleinere werken aangelegd, en in deze periode werd de linie bezet door het Ie Regiment Vesting Artillerie, bestaande uit 16 compagnieën die de zg. veiligheidsbezetting vormden; de landweer-vestingartillerie vulde dit regiment aan. De benodigde infanterie werd geleverd door de landweerinfanterie. Ook de Stelling van Amsterdam was volledig bemand en stond in 1918 onder commando van de energieke generaal-majoor W. L. Overduyn. In maart 1918 nam Overduyn het commando over, zijn voorganger was Ophorst.

Als gevolg van de lessen die werden getrokken uit de ervaringen van de in 1918 geëindigde Eerste Wereldoorlog daalde de strategische en tactische waarde van de linie geleidelijk steeds meer. Er werden hier en daar nog wel mitrailleurkazematten bijgebouwd en in de mobilisatiemaanden 1939/40 werd de linie nog eenmaal in staat van verdediging gebracht. De forten om Utrecht — deel van het Oostfront van de Vesting Holland — waren toen bezet door de brigade „D", deel uitmakende van zeven reserveregimenten die de veiligheidsbezetting vormden van het Oostfront van de Vesting Holland. Uit deze periode resteren nog de vele kleine, onvoltooid gebleven, in het tussenterrein verspreide schuilplaatsen van gewapend beton.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft de Nieuwe Hollandse Waterlinie haar betekenis geheel verloren. De Kringenwet uit 1853 werd ingetrokken bij de wet van 28 november 1963, Stbl. 541, waardoor de forten hun betekenis als vestingwerk definitief hebben verloren, de woorden van Prins Maurits ten spijt.

Verder wil ik graag verwijzen naar:

www.stelling-amsterdam.nl

www.forten.info

www.forten.info/catalogus/nhw

Met dank aan René Ros voor zijn aanvullingen.

Literatuur

K. Eland — Beginselen van de duurzame versterkingskunst, 4e dr. Breda (1877).

W. J. G. van der Veur — Vesting en kustartillerie. Knierum, Gorinchem (1887).

jhr. G. A. A. Alting von Geusau — Onze weermacht te land. Ipenbuur & van Seldam, Amsterdam (1907).

W. A. T. de Meester — Gedenkboek van den Europeeschen Oorlog in 1915. Sijthoff, Leiden (1916).

W. H. Schukking — De oude vestingwerken van Nederland. Allert de Lange, Amsterdam (1943).

jhr. E. O. M. van Nispen tot Sevenaer — Nederlandse kasteelen. Allert de Lange, Amsterdam (1949).

V. I. Tsjoeikov — Stalingrad. West-Friesland, Hoorn (zj). Atlas van historische vestingwerken in Nederland. Stichting

Menno van Coehoorn (zj).

Van burcht tot Waterlinie is oorspronkelijk verschenen in Militaire Spectator 1979 pagina 219 t/m 233