We hebben 222 gasten online

Het vermogen van de Oranjes

Gepost in Geschiedenis Nederland

Over het actuele particuliere belegde vermogen van de koninklijke familie worden geen inlichtingen verstrekt. In ons land geldt immers het principe dat ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen informatie over particuliere vermogens hoeft te worden verschaft. Dit beginsel geldt voor alle Nederlanders en dus ook voor leden van de koninklijke familie.

Een uitzondering hierop vormt de Wet Melding Medezeggenschap (1992) die openbaarmaking van meer dan 5 procent aandelenbezit in een beursgenoteerde onderneming verplicht stelt. Op grond van deze wet is vast te stellen dat geen der leden van de koninklijke familie meer dan 5 procent van de aandelen in beursgenoteerde ondernemingen bezit.

In de geschiedenis van het familievermogen van de Oranjes vormde in de 19de eeuw het overlijden van Koning Willem II een belangrijk moment. Willem II stierf in 1849 onder achterlating van aanzienlijke schulden. Zijn weduwe, Koningin Anna Paulowna, moest zelfs haar eigen vermogen aanspreken om alle schulden te kunnen aflossen.

Koning Willem III liet in 1890 aan zijn dochter Wilhelmina een belegd vermogen van 5,5 miljoen toenmalige guldens na (dus exclusief roerende en onroerende goederen).
De jonge koningin had in 1884 al een erfenis van haar halfbroer Alexander gekregen van 1,5 miljoen aan belegd vermogen (exclusief roerende en onroerende goederen).
De verkoop van Luxemburgse particuliere domeinen (bij de dood van Willem III verviel het Groothertogdom aan een andere tak van de Nassau’s) bracht voor Wilhelmina nog eens 1,8 miljoen gulden op.
Het totale belegde vermogen van Koningin Wilhelmina bedroeg aan het eind van de negentiende eeuw ca. 9 miljoen gulden (Vgl. C. Schmidt in De Gids, 1988, nr. 1).

Na 1898 kocht Koningin Wilhelmina in Nederland grond aan, waaronder het landgoed De Horsten bij Wassenaar en verspreide percelen grond op de Veluwe die later een belangrijk deel van het kroondomein Het Loo zouden vormen. Ook werd geïnvesteerd in de aankoop van huizen in Den Haag, de bouw van het Koninklijk Huisarchief en de modernisering van Paleis Het Loo.
Ten slotte nam zij na haar huwelijk met Prins Hendrik middels een hypotheek deel in de financiering van het landgoed Dobbin in Mecklenburg.
Na het begin van de Eerste Wereldoorlog daalde de waarde van haar voornamelijk in obligaties belegde vermogen gestaag. Pas vanaf 1925 werden met enige regelmaat ook aandelen gekocht. Het betrof hier beleggingen in Amerikaanse spoorwegen en enkele grote Nederlandse en Indische ondernemingen (Vgl. C. Fasseur, Biografie Wilhelmina, deel 2, pp.202-203).

Toen het vermogen van de koninklijke familie in juli 1941 in beslag werd genomen, viel de verwachte rijkdom van de Oranjes de Duitse bezetters nogal tegen: 12 miljoen gulden (waarvan 2 miljoen aan effecten, bijna 9 miljoen aan onroerend goed en ruim 1 miljoen aan roerend goed). Bij haar vertrek naar Engeland had Wilhelmina ca. 3 miljoen aan effecten kunnen meenemen. Haar Amerikaanse beleggingen werden geschat op 1,2 miljoen. Het totale Oranjevermogen bedroeg dus in 1941 ca. 16 miljoen gulden (Vgl. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 5, eerste deel, pp. 150-151).

Na de Tweede Wereldoorlog bleven hardnekkige geruchten circuleren over de omvang van het vermogen van de Oranjes. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd op last van de regering grondig onderzoek gedaan naar het financieel beheer van het Koninklijk Huis. Daaruit bleek dat het inkomen van de Koningin onvoldoende was om de kosten van de uitoefening van haar functie als staatshoofd te dekken. Als gevolg daarvan waren structurele tekorten ontstaan, die Koningin Juliana moest aanvullen uit het particuliere vermogen, dat ze van haar moeder had geërfd. Deze tekorten waren echter hoger dan de inkomsten die zij ontving uit dit vermogen. Dit hield in dat Koningin Juliana daarop moest interen.

Het onderzoek heeft geleid tot de Wet Financieel statuut van het Koninklijk Huis (1972, aangevuld in 1980) waarin de huidige inkomensregeling is vastgelegd. Besloten werd om het inkomen van Koningin Juliana aanzienlijk te verhogen.

Bij de indiening in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel in de zomer van 1966 verklaarde minister-president J. Cals in het NTS-journaal dat uit het onderzoek was gebleken dat de geruchten over de rijkdom van de Oranjes schromelijk overdreven waren: “De Koningin zou miljarden bezitten! Dat is gewoon een sprookje (…). Zij zou tenminste honderden miljoenen bezitten; ook geen sprake van, dat kan ik U verzekeren. Zij zou de rijkste vrouw van Europa zijn; er zijn alleen al verschillende Nederlanders die een groter vermogen hebben dan de Koningin” (Vgl. ook A.Vondeling, Nasmaak en voorproef, p. 43-44).

Wat het bezit van onroerend goed betreft moet allereerst worden vastgesteld dat de koninklijke paleizen Huis ten Bosch, Noordeinde, en Het Loo niet aan de koninklijke familie toebehoren. Deze paleizen zijn al in 1795 bij de vestiging van de Bataafse Republiek door onteigening in eigendom van de Staat overgegaan. Het Koninklijk Paleis Amsterdam is altijd overheidsbezit geweest. Paleis Soestdijk met omliggende gronden is in 1970 door Koningin Juliana aan de Staat verkocht voor 4.288.000 gulden. Paleis Lange Voorhout werd door Prinses Juliana in het begin van de jaren negentig voor 4,4 miljoen gulden verkocht aan de Gemeente Den Haag. Het gebouw van het Koninklijk Huisarchief is in 1993 door Prinses Juliana om niet overgedragen aan de Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau met daarbij een som van 3 miljoen gulden onder de verplichting dat de genoemde stichting nieuwe depots voor het archief en de collecties zou bouwen.
Het kroondomein van Het Loo is in 1959 door Prinses Wilhelmina geschonken aan de Staat met de bepaling dat de economische exploitatie is voorbehouden aan de Kroondrager en dat restitutie van het geschonkene plaatsvindt aan de familie indien de monarchie zou worden afgeschaft.

Het huidige bezit aan onroerend goed van de meest vooraanstaande leden van het Koninklijk Huis is als volgt:

H.K.H. Prinses Juliana:

  • het landgoed De Horsten te Wassenaar en Voorschoten (ca 380 ha), met verschillende opstallen en verpacht land
  • een particulier domein bij Paleis Soestdijk met inbegrip van woningen, twee boerderijen en verpacht land (ca 170 ha)
  • zes woonhuizen, vrijwel alle verhuurd aan medewerkers of oud-medewerkers van het Kroondomein, alsmede een verpachte boerderij te Apeldoorn en een verpachte boerderij te Hoog Soeren
  • Gronden te Wenum, 70 ha verpacht
  • Garderenseveld, 87 ha heidegrond verpacht als militair oefenterrein
  • Het Vosseveld, heidegrond, 16 ha, onverpacht
  • Zeilmeer en Lage Veld, wildakkers en bos, 87 ha

H.M. de Koningin:

  • Kasteel Drakensteyn, Lage Vuursche/Baarn
  • Een woonhuis te Den Haag en een woonhuis te Leidschendam voor huisvesting van medewerkers


N.B. het vakantiehuis in Tavernelle, Italië is gezamenlijk eigendom van de prinsen Willem-Alexander, Johan Friso en Constantijn.

Z.K.H. de Prins van Oranje:

  • Woonhuis aan het Noordeinde in Den Haag

H.K.H. Prinses Margriet:

  • Huis Het Loo, Apeldoorn
  • vakantiehuis in Wiesing, Oostenrijk

Z.K.H. Prins Bernhard:

  • drie woonhuizen te Soest t.b.v. huisvesting medewerkers
  • vakantiehuis in Porto Ercole, Italië

Juwelen, schilderijen en andere historische roerende goederen zoals tafelzilver en serviezen hebben een niet renderende waarde. Zij staan in de meeste gevallen ten dienste van de uitoefening van de koninklijke functie en ten nutte van culturele belangen. Deze goederen zijn ondergebracht in aparte stichtingen.

http://www.koninklijkhuis.nl/NL/monarchie/monarchie.html?financien.html