We hebben 152 gasten online

De rol van de politie in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog

Gepost in Geschiedenis Nederland

Zonder de Nederlandse politie was het de Duitsers nooit gelukt zoveel joden weg te voeren.

     Jodenjacht ad van liempt jan van kompagne  De jacht op het evrzet

Het is J.Hofman die in zijn proefschrift ´De collaborateur´, een sociaalpsychologisch onderzoek naar misdadig gedrag in dienst van de Duitse bezetter, dat verscheen in 1981, aandacht besteed aan de collaboratie in de politiële sfeer. 

De Duitse bezettende macht beschikte echter ten ene male niet over voldoende eigen middelen en mankracht om een uniforme en overeenkomstig de eisen van het systeem gemodelleerde gedragscode te bewerkstelligen, afwijkingen op te sporen  en om strenge controle te kunnen uitoefenen  op de gedragingen van de individuele burger. De Sicherheitsdienst bestond in ons land uit niet meer dan vierhonderd Duitse medewerkers zodat zij voor haar functioneren volledig afhankelijk was Nederlandse hulpkrachten.

Geen wonder dat men van Duitse zijde probeerde in het bijzonder de politie aan haar zijde te krijgen c.q. dienstbaar te maken aan haar bedoelingen. Helaas is dit haar in verregaande mate gelukt en daarmee werd de Nederlandse politie een groot gevaar voor tallozen , die als gevolg van de bijzondere tijdsomstandigheden niet mochten rekenen op de bescherming van de in die periode aanwezige machthebbers (p.52).

Hoewel de meegaande houding van de politie niets anders was dan een afspiegeling van de houding van het Nederlandse overheidsapparaat als geheel, waren de gevolgen van haar optreden meer direct herkenbaar. Naarmate de bezettingsjaren voortschreden, deed zich bij de politie een merkwaardige ontwikkeling voor. Enerzijds werd zij een steeds onbetrouwbaarder apparaat, omdat het aantal ´foute elementen´ binnen haar gelederen toenam, anderzijds nam het aantal gevallen van individueel verzet toe, vooral na de april-meistakingen van 1943 (p.52)

In het woord vooraf van de ´Zwarte politie 1940-1945´ staat vermeld:

´Er is geen systeem te bedenken of er zijn mensen die het willen uitvoeren´  De Nederlandse politie van 1940, arm gehouden en gehoorzaam opgevoed, volgde plichtsgetrouw het boven haar gestelde gezag. Zo schrijven  Bert Huizing en Koen Aartsma in hun voorwoord. Hun boek verscheen in 1986.

De jacht op mensen is in volle gang. En de Nederlandse politie is erbij betrokken.  Aan alle misverstand over het wel of niet optreden van de Nederlandse politie bij het arresteren van joden maakt mr Broersen, de gevolmachtigde voor de reorganisatie van de Nederlandse politie, een eind: ´Ten einde alle twijfel op te heffen bepaal ik dat aan opdrachten van bevoegde Duitse autoriteiten tot arrestatie, transporten, voorgeleiding van joden, gijzelaars en andere personen door de politie gevolgd dient te worden gegeven, waarbij zo nodig van ten dienste staande hulpmiddelen gebruik kan worden gemaakt´(p.141).

En zo staan op verschillende plaatsen in Nederland ´s nachts de treinen gereed voor het vervoer van mensen richting Westerbork.

Maar het is niet alleen bij arresteren en wegleiden van joden gebleven. De criminaliteit van de Nederlandse politie tegen de joodse burgers was omvangrijk geworden. De Amsterdamse commissaris van politie K.H.Broekhof na de oorlog:

´ Het aantal Nederlandse politieagenten dat de vingers niet thuis kon houden als zij in een verlaten joodse woning kwamen is ontstellend groot geweest(...)´(p.144).

Het overbrengen van gearresteerde joden naar het kamp Westerbork werd bijna uitsluitend uitgevoerd door niet- NSB ´ers (p.145). Jodenjagers waren ook op het platteland te vinden: politiemensen met een plichtsbetrachting die zo aansloot bij de nazie-ideeën dat joden voortdurend bevreesd waren voor de Zwarte politie of gendarmerie die afgingen op de vaak anonieme meldingen dat ergens onderduikers verbleven. Er zijn ook politiemensen die zich de bijverdienste van een ´koppengeld´ niet laten ontgaan. Naast hun salaris kregen ze voor elke gearresteerde een bedrag uitbetaald. In 1943 werd het besluit bekend gemaakt dat het premiestelsel ook voor de politie zou gelden.

De Bijzondere Raad van Cassatie tijdens de Zuivering:

 ´Ook als men rekening houd met de moeilijke omstandigheden waaronder zij haar taak had te verrichten, is de Nederlandse politie in het algemeen gedurende de bezettingstijd zeer tekort geschoten´. Het is de Raad steeds duidelijker geworden dat ´in vele politiekorpsen, ook in de hoogste rangen, zwaar tegen het vaderland en zijn bevolking is gezondigd door te grote meegaandheid tegenover de bezetter ( ...) en - wat het ergste is - door afwenteling van de eigen verantwoordelijkheid als meerdere voor de handelingen die de bezetter wenste, op ondergeschikten die tenslotte het vuile werk te doen kregen´. (p.246)

Langemeijer advocaat-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie over de arrestatie van de joden: ´Lang niet alle politieambtenaren zijn daarvoor gestraft en van diegenen die wel gestraft zijn, zijn soms de chefs die de oorspronkelijk van de Duitsers afkomstige orders doorgaven, vaak ongestraft gebleven´. 

 

In 1999 verscheen het proefschrift van Guus Meershoek ´Dienaren van het gezag´ De Amsterdamse politie tijdens de bezetting. In het boek zoekt G. Meershoek naar een verklaring waarom gewone agenten onder leiding van gewone inspecteurs een maand lang in september 1942, veelal met grote tegenzin maar zonder daadwerkelijk verzet, zesduizend joden uit hun huizen haalden en uitleverden aan de Duitsers. De belangrijkste verklaring is volgens Meershoek  dat vanaf 1934 de gezagsverhoudingen veranderden bij de politie. De leiding van het korps werd gecentraliseerd, de verantwoordingsplicht bij de gemeenteraad afgeschaft en de individuele agent strenger gecontroleerd. In dat klimaat konden steeds scherpere anti-joodse maatregelen beter gedijen. Alle 2.400 politiemensen tekenen de Ariërverklaring. Verder wilde men niet gaan. Maar de Februaristaking van 1941 leidde tot het ontslag van het college van B&W en de hoofdcommissaris van politie. De wisseling van de wacht is een keerpunt. De nieuwe burgemeester Voûte  en de nieuwe korpschef Tulp  werken wel mee als de Duitsers in de zomer van 1942 laten weten dat het korps moet helpen bij het ophalen van joden. Burgemeester Voûte had maar twee woorden nodig:´Het moet´.

Korpschef Tulp laat aan Rauter weten:´Hier in Amsterdam geht alles wohl und sind wir fertig zu einer glatten Durchfürung der Judenmassnahmen´.

Op zondag 5 juli 1942 brengen Amsterdamse agenten voor het eerst aanzeggingen bij joden die zich moeten melden voor tewerkstelling in Duitsland. Als de methode niet genoeg joden oplevert gaan de agenten de oproep aan de joden uitreiken waarop deze een koffer moeten pakken en ze dan meteen meenemen. Men werkte dus gewoon mee om een en ander soepel te laten verlopen.

Des te indringender is dan de vraag naar het waarom. Waarom hielp het hele korps dan toch, met tegenzin maar nauwgezet, mee aan de vervolging van de tachtigduizend Amsterdamse joden?  Uit het feit dat de leiding van het korps gecentraliseerd was konden in dat klimaat  de steeds scherpere anti-joodse maatregelen gedijen. Korpschef Tulp wordt door zijn mannen op handen gedragen. Hij doet geen enkele poging het korps de nazi-ideologie op te dringen. Maar door zijn populariteit en zijn aanwezigheid bij het uit huis halen van joden, geeft hij zijn ondergeschikten het idee dat ze moeten gehoorzamen. Met Tulp beschikte het politiekorps over een chef die in een reactie op de abrupte Duitse interventie zelfstandig ging ijveren voor de doorvoering van maatregelen. Het zijn dienaren van het gezag de Amsterdamse agenten en dus a-politiek. Als Tulp in oktober 1942 overlijdt is het snel afgelopen met de inzet van gewone burgers.

Een inspecteur verklaart na de oorlog ´Omdat het toch niet tegengehouden kon worden, besloot men de opdrachten aan te nemen, om zodoende het werk zo soepel mogelijk uit te kunnen voeren´. En dus worden 80.000 joden uiteindelijk weggevoerd. De enige die onmiddellijk weigerde joden uit hun huizen te halen, inspecteur Jan van de Oever, werd terstond ontslagen. Hij kwam na de oorlog weer in dienst, maar vertrok binnen anderhalf jaar omdat hij werd weggekeken door collega´s.

In 2008 publiceerde Frank van Riet het proefschrift ´Handhaven onder de nieuwe orde´ De politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In de eerste jaren na de bevrijding werd de Nederlandse en daarmee ook de Rotterdamse politie(nog) niet als ´fout´ beschouwd. Dit was een uitvloeisel van het algemene beeld over de houding van Nederlanders gedurende vijf jaar van onderdrukking, waarbij het nationaalsocialisme als ´fout´ en het andere als ´goed´ werden bestempeld. Deze opvatting bleef lang gehandhaafd en tot in de jaren zestig van de vorige eeuw ondersteund door de vakliteratuur. Door het verschijnen van Pressers ´Ondergang´ veranderde dat beeld. Zij die tijdens de bezetting intensief met de bezetter te maken hadden gehad, en zo vuile handen hadden gemaakt waren nu de boosdoeners. Ook de Nederlandse politieman ontkwam niet aan die beeldvorming. In nieuwe studies werd vooral aandacht besteed aan de medewerking van het Nederlandse politieapparaat bij het ophalen van de joodse Nederlanders. Dit gold zeker voor de wetenschappelijke publicaties.

Van Riet is van mening dat de vraag van  Meershoek, waarom gewone agenten onder leiding van gewone inspecteurs een maand lang samen met het Politiebataljon Amsterdam joden uit hun huis haalden en aan de bezetter uitleverden door Meershoek zeer zorgvuldig is beantwoord, maar hij is naar zijn mening niet diep genoeg ingegaan op de achtergronden, sociale omstandigheden en de bijzondere moeilijke positie van de individuele politiefunctionaris.

Het boek van Van Riet wil niet anders dan een complete geschiedenis van het Rotterdamse politiekorps zijn. Het is hier niet de plaats om het hele boek te bespreken. Ik beperk mij tot de rol die de politie vervulde en de betrokkenheid bij het ophalen van joodse burgers. Waarbij Van Riet stelt dat een andere benadering van de bezettingsgeschiedenis in zijn ogen wenselijk is.

 Dat werd al door prof. Blom al in zijn inaugurele rede in 1983 naar voren gebracht. Blom sprak de wens uit dat historici zich aan de ban van het aan politiek-morele vraag naar goed en fout gekoppelde perspectief van collaboratie en verzet zouden weten te ontworstelen.

Van Riet omarmt al in zijn inleiding het begrip ´accommodatie´. Dit door prof. Kossman gehanteerde begrip  zou volgens prof. Blom een zinvol hulpmiddel kunnen zijn om een onderwerp als samenwerking met de bezettende macht anders te benaderen. Kossman was van mening dat bepaalde vormen van contact, overleg en samenwerking met de bezetter duidelijk verschilden van de op politieke overtuiging, machtsstreven of materieel winstbejag stoelende collaboratie.

In Hoofdstuk 9 van het boek wordt de Jodenvervolging beschreven.

Tijdens de eerste interviews werd het beeld geschapen dat de Rotterdamse politie op bescheiden wijze betrokken is geweest bij het ophalen en vervoeren van de Rotterdamse joden. Sterker er was weinig over de Rotterdamse situatie bewaard gebleven. In de dag- en nachtrapporten is niets terug te vinden over de hulp van de politie bij ophaalacties c.q. razzia´s. De vraag op welke manier de Rotterdamse politie had meegewerkt werd gedeeltelijk beantwoord door gegevens uit een aantal dossiers uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging.      

Voordat het vertrouwen in de politie in de tweede helft van de bezetting afnam, kon de bezetter rekenen op de medewerking van nagenoeg het gehele Rotterdamse politieapparaat (Van Riet p.706). Tijdens en na de zuivering maakte men onderscheid tussen ´goed´ en ´fout´ of tussen verzet en collaboratie. Ging men bij dit laatste uit van de letterlijke betekenis van het woord dan zou geconcludeerd kunnen worden dat nagenoeg alle (Rotterdamse) politiefunctionarissen met de bezetter gecollaboreerd hebben, omdat iemand die in de oorlogstijd opzettelijk met de bezetter meegewerkt heeft volgens de definitie een collaborateur is.

Nadat de totale isolatie van de joden voltooid was, kregen eind juli, begin augustus 1942, zesduizend Rotterdamse joden een oproep. Verspreid over 3 dagen moesten ze zich melden bij het centrale verzamelpunt. De bereidheid om zich te melden nam met de dag af en werden nieuwe maatregelen afgekondigd.  Joodse mannen moesten verplicht naar werkkampen. In de avond en nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden achtergebleven gezinsleden tijdens een ´grote´ actie opgehaald. Zonder opgaaf van redenen kregen driehonderd manschappen van de Rotterdamse politie bericht om zich om 20:00 uur te melden, velen dachten dat het een alarmoefening was, maar kregen te horen dat ze die avond joden van huis moesten halen.  Uit een vergadering van inspecteurs, die kort na de eerste ophaalactie plaatsvond blijkt dat saamhorigheid, die voor een collectieve weigering een belangrijke voorwaarde is, er niet was.  Slechts acht van de zeventig inspecteurs toonden zich bereid om bij een volgende opdracht te weigeren. Onder het motto ´allen of niemand´ werd het voorstel terzijde geschoven.(p. Van Riet p. 383).

 De volgende opdracht kwam al binnen een week op donderdag 8 oktober 1942. In plaats van melden bij een centraal meldpunt moesten de deelnemende politiefunctionarissen zich melden bij de eigen afdeling, waar ze de instructies kregen vooral de oudere joden op te halen. Bij deze actie werden hoofdzakelijk de joden in de leeftijdscategorie tussen de zestig en negentig jaar opgehaald.

Tijdens de eerste actie gebeurde de uitvoering door geüniformeerd personeel van verschillende diensten en afdelingen, tijdens de tweede actie onder leiding van de afdelingscommandanten door personeel van de afdelingen en de tijdens de derde actie door de recherche.

Na de tweede grote ophaalactie van 8 oktober bleef het betrekkelijk rustig. Dit hield niet in dat alle joden uit Rotterdam weg waren. Op kleine schaal vonden er nog steeds arrestaties plaats en vooral Groep 10 (een geheimzinnig, niet geüniformeerde onderdeel)ging zich steeds meer bemoeien met de Jodenmaatregelen. Uit een overzicht van Van Riet blijkt dat door Groep 10 vanaf maart 1942 tot en met februari 1944 3.732 mensen gevangen nam waaronder 857 joden.

De rechercheurs van de politieke dienst waren verantwoordelijk voor de arrestatie van ten minste tien procent van de Rotterdamse joden. Bij de beoordeling moet rekening gehouden worden met het feit dat voor het eind van 1942 ook en vooral overige onderdelen van het Rotterdamse Korps betrokken zijn geweest bij het ophalen en transporteren van joden.

Op 26 februari 1943 werden drie joodse instellingen leeggehaald. Ruim tweehonderd bewoners en eenenzestig personeelsleden van het joodse ziekenhuis aan de Schietbaanlaan, het Israëlisch Oude Lieden Gesticht aan de Claes de Vrieselaan en het Israëlitische weeshuis aan de Mathenesserlaan werden weggevoerd.

De derde laatste grote actie waarbij de politie betrokken was vond plaats op vrijdag 9 april 1943. Daarbij zouden in totaal achthonderd joden zijn opgepakt.

Onder begeleiding van Rotterdamse politieagenten vonden vanaf begin augustus 1942 tot half maart 1944, in ieder geval negentig geregistreerde transporten plaats. De door de politie opgehaalde joden werden met behulp van personeel en materieel van de RET naar de verzamelplaats gebracht.

De vraag of de Rotterdamse politiefunctionarissen met betrekking tot het ophalen van de joden in meer of mindere mate hebben meegewerkt dan hun collega´s van andere korpsen, is moeilijk te beantwoorden (Van Riet p. 397).

De gemeentepolitie van Rotterdam had na de oorlog een zeer slechte naam en de oorlogstijd was geen bespreekbaar onderwerp. Deze slechte reputatie was mede het gevolg van de betrokkenheid van de politie bij het ophalen van Joodse burgers. Van de 8.368 geregistreerde Joden uit Rotterdam werden er 6.790 opgepakt en weggevoerd en er keerde na de oorlog 23,6% terug uit kampen of onderduikadres. In vergelijking met de meeste andere grote steden en het landelijk gemiddelde dat lag tussen de 27,1 en 29,6 is dat aanzienlijk lager (Van Riet p. 425).

Niet in de laatste plaats werd de politie geïdentificeerd met het optreden van leden van de Inlichtingendienst en de zogenaamde “Groep 10” die beide uit sympathisanten met het nationaalsocialisme bestonden. Het is niet verwonderlijk dat de burgerbevolking het gehele korps associeerde met deze toegewijde handlangers van de bezetters. Na de oorlog bleek zelfs dat leden van die Groep 10, in Duits uniform nota bene, hadden deelgenomen aan executies in maart 1945 (waarbij er drie politie agenten onder de slachtoffers waren).

Dat de politie volgens Van Riet werd gezien als een van de belangrijkste schakels is begrijpelijk , maar zonder de andere instanties had de jodenvervolging in Nederland niet zo succesvol kunnen zijn (p.711).

Naar mijn idee laat dat onverlet dat de Rotterdamse politie, door samen te werken bij de uitvoering van de verwijdering van joden uit de Rotterdamse samenleving, een schuld op zich geladen heeft. Verwijzen dat ook anderen ´in de fout gingen´, is geen rechtvaardiging van de door de Rotterdamse politie gekozen ´accommodatie´. Orde handhaven is  iets anders dan definitief verwijderen uit de samenleving.

 In Hoofdstuk 6 ´De Nederlandse politie´,  van hun in 2004 verschenen proefschrift  ´Gif laten wij niet voortbestaan´ schrijven Marnix Croes & PeterTammes:

´ Een van de belangrijkste bijrollen in de Jodenvervolging in Nederland werd gespeeld door de Nederlandse politie. De politie wordt hier gerekend tot de ´medeplichtigen´. Niet omdat de agenten achter de maatregel van de bezetter zouden hebben gestaan, maar omdat zij in de praktijk op uitvoerend niveau in hoe mate bij het ophalen en afvoeren van joden naar de doorgangskampen Westerbork en Vught waren betrokken´.

De overlevingskans van joden hing volgens  Croes en Tammis niet samen met het percentage lokale NSB-aanhangers of het al dan niet aanwezig zijn van een pro-Duitse burgemeester. Wel met de radicaliteit van het regionale bureau van de Duitse Sicherheitspolizei, de aanwezigheid van ´foute´ Nederlandse agenten en de lokale mate van verzuiling.

De conclusie van Croes en Tammis:

´Gezien het geringe percentage Nederlandse agenten dat lid was van de NSB, lijkt de medewerking niet terug te voeren te zijn op een door ideologie ingegeven instemming met de verwijdering van de joden uit Nederland. Het voorbeeld van de hogere leiding, die zich nauwelijks tegen de vervolging verzette en genoegen nam met een regeling die de aansprakelijkheid beperkte, de traditie van gezagsgetrouwheid en de bedreigingen van de Duitsers met ontslag en concentratiekamp wijzen op andere processen´.

De hypothese dat gemeenten met staatspolitie een lager percentage joodse overlevenden hadden, aangezien in deze gemeenten speciale rechercheafdelingen bestonden, die betrokken waren bij de opsporing van ondergedoken joden, en er politiebataljons waren gestationeerd die eveneens bij de vervolging werden ingeschakeld, wordt door de onderzoeksresultaten ondersteund.

De hypothese dat wanneer in een gemeente relatief veel  ´foute´ agenten waren het percentage joodse overlevenden lager zal zijn geweest wordt ook door de onderzoeksresultaten ondersteund.

Jodenjacht ad van liempt jan van kompagne

 Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn van de 140.000 Nederlandse Joden meer dan 100.000 Joden het slachtoffer geworden van de uitwerking van de Endlösung. Lang werd de vraag uit de weg gegaan hoe het mogelijk is geweest, dat zo´n hoog aantal van de in Nederland levende Joden, in de vernietigingskampen zijn omgekomen.

Een vergelijking met andere landen in Europa, zoals met België (40.000 joden werden gedeporteerd) en Denemarken, maakt duidelijk dat het aantal omgekomen Joden in Nederland veel hoger is geweest. Een van de factoren die daarbij een rol speelde was het feit dat de Nederlandse politie een grote rol speelde bij het opsporen en arresteren van ondergedoken Joden in Nederland. Al eerder zijn er in Nederland boeken over dit onderwerp geschreven. In 2006 publiceerden Marnix Croes & Peter Tammes ´Gif laten we niet voortbestaan´, Een onderzoek naar de overlevingskansen van joden in de Nederlandse gemeenten. In 2008 verscheen van de hand van Frank van Riet ´Handhaven onder de nieuwe orde´ De politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Guus Meershoek schreef in 1999 het boek ´Dienaren van het gezag´, De Amsterdamse politie tijdens de bezetting.

Sytse van der Zee schrijft in zijn boek ´Vogelvrij´ De jacht op de Joodse onderduiker´ Laat ik vooropstellen dat de Duitsers verantwoordelijk waren voor de Holocaust. Wat niet wegneemt dat toch voornamelijk de gewone Nederlandse politie - met inbegrip van de marechaussee - in de eerste fase de grootste bedreiging vormde voor de Joodse gemeenschap.

In zijn boek ´Kopgeld´, Nederlandse premiejagers op zoek naar Joden, beschrijft Ad van Liempt de rol van de Colonne Henneicke.

Onlangs heeft Ad van Liempt samen met Jan H.Kompagnie het boek ´Jodenjacht´, De onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog gepubliceerd. In ´Jodenjacht´ wordt de handel en wandel van de Nederlandse politie onderzocht aan de hand van meer dan 250 strafdossiers van politieagenten die zich met de Jodenjacht hebben beziggehouden. Uit hun onderzoek blijkt dat het vooral haat was tegen de Joden, die hen dreef. De meesten uit volle overtuiging, waarbij niet minder dan 96% van de onderzochte politiemensen, lid bleek te zijn van de NSB. Maar ook geld speelde een grote rol (kopgeld). Uit de beschrijving van de auteurs blijkt echter ook dat de politie niet alleen veel geweld gebruikte, maar dat er vaak ook sprake was van roof en diefstal. Na de oorlog had men weinig spijt en probeerde men zelfs, aan de bijzondere rechtspleging te ontkomen, door te stellen dat men een ´ambtelijk bevel´ had uitgevoerd en niet wist dat de Joden hun vernietiging tegemoet gingen. De onthutsende rol van de Nederlandse politie, zelfs de Duitsers vonden het soms te ver gaan, blijkt meer dan 66 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, pas nu eerst goed duidelijk te worden. Dat had al veel eerder dienen te gebeuren. 

De jacht op het evrzet

De jacht op het verzet is een vervolgstudie op ´Jodenjacht´De onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog. Vijf onderzoekers die aan dit omvangrijke project hadden meegewerkt, zijn verder gegaan in een nog uitgebreider onderzoek: naar de manier waarop afdelingen van de Nederlandse politie, onder regie van de Sicherheitsdienst en de Sicherheitspolizei, tijdens de oorlog het verzet bestreden. In meer dan tweehonderd strafdossiers van veroordeelde oorlogsmisdadigers, Duitsers en Nederlanders, hebben zij ook de namen opgezocht van de slachtoffers van die jacht: mensen die in de oorlog werden gearresteerd voor activiteiten die de bezetter onwelgevallig waren.

De ´Jacht op het Verzet´beoogt een overzichtelijk beeld te geven van de manier waarop de Sicherheitsdienst, met behulp van speciale politie-eenheden en ook organsaties als de Landstorm, het verzet in Nederland probeerde te onderdrukken. Wat daarbij opvalt is de enorme escalatie van geweld, die zich vanaf de april-meistaking van 1943 aftekent. De Duitse terreur wordt steeds harder. Op het laatst, vanaf het najaar van 1944, overschrijdt de bezettingsmacht alle grenzen van menselijkheid. Daarnaast blijkt uit de strafdossiers dat de wandaden gepleegd werden in totale drankenschap. In het boek worden een aantal van de leiders van de Duitse terreur nader uitgelicht, die het leven van de medemens ondergeschikt maakten aan hun drang naar macht. Het boek beschrijft een uitgesproken zwarte bladzijde uit de vaderlandse geschiedenis: de krachtsinspanning van het Duitse terreurbewind en zijn Nederlandse handlangers in een niet te winnen strijd, de strijd tegen de mensen die het op de een of anderemanier niet pikten dat hun vrijheid was afgeschaft. ´De jacht op het verzet´ levert daarmee een waardevolle bijdrage aan de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog.

Dinsdag 28 mei 2013

Jo Swaen