We hebben 167 gasten online

'Eigen meester, niemands knecht' Het leven van Pieter Sjoerds Gerbrandy' Cees Fasseur

Gepost in Geschiedenis Nederland

eigen meester, niemands knecht Cees Fasseur'Eigen meester, niemands knecht' is de door Cees Fasseur geschreven biografie over het leven van Pieter Sjoerds Gerbrandy, de Minister-President van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Cees Fasseur heeft al eerder biografieën geschreven zoals over koningin Wilhelmina: 'Wilhelmina de jonge koningin' en 'Wilhelmina krijgshaftig in een vormeloze jas', en nadat na deze publicaties nieuwe brieven opdoken, ontving hij honderden reacties en anekdotes die Fasseur aanleiding gaven om het boek 'Wilhelmina Sterker door strijd' te publiceren. Daarnaast schreef Cees Fasseur ook het boek:' Juliana & Bernhard Het verhaal van een huwelijk'. De jaren 1936-1956. Het was dus aan Fasseur wel toevertrouwd om een biografie over minister-president Gerbrandy te schrijven (1885-1961).

Gerbrandy was minister-president van 1940-1945 van een regering die zich niet in Nederland bevond, maar in Engeland, omdat ons land door Nazi-Duitsland was bezet en de toenmalige regering onder leiding van de Geer, uitweek naar Engeland. Door de Duitse bezetting kon het parlement haar taak niet vervullen en was er sprake van het feit dat parlementaire controle op de regering dus onmogelijk was. Democratische controle ontbrak en dat zou gedurende de oorlogsjaren een steeds sterkere rol gaan spelen, vooral doordat het staatshoofd Wilhelmina een steeds grotere rol voor zichzelf zag weggelegd in het naoorlogse Nederland. Wilhelmina had graag de plaats van de volksvertegenwoordiging ingenomen. Wilhelmina kwam in Londen vele malen in aanraking en aanvaring met Gerbrandy. Een man volgens Fasseur groot en onbuigzaam van karakter, koppig en eigenzinnig. Het leek Fasseur dus een logische stap om na een biografie van Wilhelmina er ook een over Gerbrandy te schrijven.Die zou onder meer een nieuw licht kunnen werpen op het in de loop van de oorlog escalerende conflict tussen hen beiden. Al in zijn inleiding wordt door Fasseur gesteld dat Gerbrandy zijn leven lang een dwarsligger en een vat vol tegenstrijdigheden was.

 

Van huis uit streng gereformeerd kwam hij als 'rode advocaat' vanwege zijn progressieve ideeën over zaken als medezeggenschap van werknemers en het vrouwenkiesrecht in conflict met zijn partij, de Antirevolutionaire Partij (Arp), en haar leider, vijfvoudig minister-president Colijn. Tijdens zijn hoogleraarschap van de Vrije Universiteit ontstonden er problemen over zijn nevenfunctie als voorzitter van de Radioraad. Gerbrandy mocht in vele opzichten ouderwets overkomen maar Fasseur stelt dat Gerbrandy goed het grote belang inzag van het grote nieuwe communicatiemiddel. In 1939 leek niets er op te wijzen dat hij minister zou worden en een jaar later zelfs minister-president. Want aldus Fasseur: 'Met leiderscapaciteiten was hij niet ruim bedeeld. Daarvoor was hij te solistisch, te eigengereid en te rechtlijnig in zijn denken. Oog voor nuances of het compromis had hij niet en hij was bepaald geen schoolvoorbeeld van politieke tact'. 

Door de talloze verwijzingen naar de vaderlandse geschiedenis en het veelvuldig gebruik van Bijbelteksten leek het soms of hij in zijn radiotoespraken vanuit Londen, naast de oorlog tegen nazi-Duitsland, nog een andere oorlog uitvocht:de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. Desondanks is Fasseur van mening dat niemand in 1940 geschikter was  dan Gerbrandy om als leider van het Nederlandse oorlogskabinet op te treden.

Voor Fasseur was het de spanning tussen aanleg, karakter, godsdienstige gedrevenheid, maatschappelijke positie en politieke loopbaan die hem intrigeerde bij het schrijven van 'Eigen meester, nieuwe knecht'. Daarbij heeft hij zich niet al te zeer in theoretische vraagstellingen verdiept omdat hij van mening is dat een goede biografie zichzelf schrijft met het beschikbare bronnenmateriaal en de voorhanden literatuur als kompas. Verder wil Fasseur aantonen dat ondanks hetgeen De Jong schreef over Gerbrandy er toch niet alles geschreven is over Gerbrandy. Juist een biografische aanpak maakt het echter mogelijk nieuwe verbanden te leggen en nieuwe vragen te stellen aan het bronnenmateriaal, dat nog overvloediger is dan waarover De Jong ter beschikking had dertig jaar geleden. Het gaat erom volgens Fasseur de hoofdpersoon in zijn tijd te plaatsen en zo te schetsen dat die in zijn overwegingen en handelen kenbaar en herkenbaar wordt voor de lezer van nu. Daardoor zal de biograaf het verleden moeten analyseren en begrijpelijk maken. Dat doet hij door het geven van een wetenschappelijk verantwoord relaas, zonder fictie of nodeloos gepsychologiseer, liefst in boeiende, althans leesbare vorm geschreven. 

Gerbrandy heeft het Fasseur tot op zekere hoogte makkelijk gemaakt. Niet alleen werd het grootste deel van zijn persoonlijk archief na zijn dood bij het Nationaal Archief in den Haag gedeponeerd, maar aan het einde van zijn leven zette hij zich aan het schrijven van zijn memoires. Maar deze bleven onvoltooid en zouden nooit verschijnen.

Gerbrandy groeide op in Friesland en ondanks economische tegenwind boerde vader Gerbrandy niet slecht. Hetgeen is op te maken uit het feit dat hij drie van de vier zoons uit eigen middelen in staat stelde te studeren. Naast de economische crisis en de politieke tegenstellingen was het vooral de scheuring binnen de Nederlands Hervormde Kerk die een grote rol zou spelen. Gerbrandy behaalde het gymnasium diploma en schreef zich in voor de rechtenstudie aan de Vrije Universiteit in het najaar van 1904. In de zomer van 1910 behaalde Gerbrandy zijn meestertitel en promoveerde op 27 januari 1911. Op 18 mei 1911 trouwde hij met Betsy Sikkel en werd achtereenvolgens advocaat in Leiden en Sneek waarbij een sterk rechtvaardigheidsgevoel en de overtuiging dat onrecht bestreden moest worden, hebben daarbij volgens Fasseur het handelen van Gerbrandy tot het einde van zijn leven bepaald.Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte voorlopig een einde aan het prille Sneker advocatenbestaan. Gerbrandy werd gedeputeerde in Friesland en was een overtuigd calvinist en een sociaal voelend man. Voor hem vloeide het laatste uit het eerste voort. 

De oplossing van bestaande problemen was volgens Gerbrandy alleen te vinden in de introductie van andere maatschappijvormen, dat wil zeggen een nieuwe vorm van bedrijfsorganisatie en medezeggenschap van de werknemer. Maar Gerbrandy slaagde er daarbij volgens Fasseur niet in duidelijk te schetsen hoe die (privaatrechtelijke) bedrijfsorganisatie van de toekomst eruit moest zien. Hij was 'christelijk sociaal'. Gerbrandy kwam in conflict met Colijn en de ARP. Gerbrandy sprak zich uit voor het vrouwenkiesrecht, zowel actief als passief en werd daarmee een buitenbeentje in zijn partij.  Hij bekritiseerde het optreden in 1923 van Colijn als minister van Financiën omdat diens bezuinigingsprogramma vergaande gevolgen kon hebben voor de landsverdediging en de vloot. In zijn partij werd Gerbrandy door zijn afwijkende politieke meningen een controversiële figuur. 

Op 6 mei 1928 wordt Gerbrandy als hoogleraar van de juridische faculteit van de VU voorgedragen, maar door zijn pleidooi voor nieuwe maatschappijvormen en de medezeggenschap van de arbeider leidde ertoe dat de benoeming niet doorging. Uiteindelijk zou hij toch op 7 mei 1930 worden voorgedragen en verhuisde het gezin naar Amsterdam waar hij op 26 september 1930 zijn oratie uitsprak.

Maar steeds meer nevenbetrekkingen vroegen meer tijd en vooral het lidmaatschap en het voorzitterschap van de Radioraad en de daaruit voortvloeiende bemoeienis met het radiobestel vroegen steeds meer tijd en leiden tot steeds meer kritiek vanuit Universitaire kring. Voor het uitoefenen van bezoldigde nevenfuncties had Gerbrandy eigenlijk toestemming nodig van de directeuren van de VU. Maar daar had Gerbrandy niet naar gevraagd. Het conflict liep hoog op maar het was de landspolitiek die een door niemand voorziene uitkomst bracht.

Het vijfde kabinet Colijn viel op 27 juli 1939 door een motie van afkeuring in de Tweede Kamer, twee dagen nadat het was aangetreden. Het was het christelijk-historische Tweede Kamerlid en gewezen minister-president  jhr. D.J. de Geer die door koningin Wilhelmina die met de formatie van een nieuw kabinet werd belast. De Geer streefde naar een kabinet van de breedst mogelijke samenstelling, een zogenaamd 'nationaal kabinet, waarin ook de vanaf 1918 uitgesloten sociaal-democraten, deel van zouden uitmaken. De Antirevolutionairen weigerden echter uit woede voor de val van Colijn medewerking. De Geer opmerkzaam gemaakt op Gerbrandy, die bekend stond als uitgesproken progressief in antirevolutionaire kring en vermoedelijk een deelname van de sociaal-democraten aan een kabinet niet zou afwijzen, nodigde Gerbrandy uit om toe te treden tot zijn kabinet als minister van justitie. Gerbrandy zou de enige antirevolutionair zijn die gehoor gaf aan de lokroep van de Geer bij diens streven naar de vorming van een vrijwel alle partijen omvattend kabinet. Gerbrandy besloot de uitnodiging aan te nemen zonder enig vooroverleg met zijn partij. Dit tot grote ergernis van zijn partijgenoten. Maar Gerbrandy was de universiteit ontgroeid en voor het ministerschap trotseerde hij graag de woede van zijn partij. Fasseur is van mening dat het vaderland zich gelukkig mocht prijzen met Gerbrandy, drie weken voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en dat het land een regering kreeg dat op grote politieke steun in de Staten-Generaal kon rekenen, een verdienste van De Geer. Gerbrandy was een minister zonder politieke partij.

Vaststaat dat Gerbrandy zich vanaf het begin af aan weinig illusies maakte dat Nederland buiten de oorlog kon blijven, zoals in de Eerste Wereldoorlog. Wel koesterde hij een overdreven verwachting van de weerstand die Nederland zou kunnen bieden aan een Duitse inval. door de Duitse inval zou het leven van Gerbrandy een totale nieuwe wending nemen. Nadat het staatshoofd al naar Engeland was gevlucht besloot ook het kabinet naar Engeland te gaan. Van daaruit wilde men de strijd tegen nazi-Duitsland voortzetten. 

Vanaf het begin af aan was duidelijk dat De Geer, de minister-president, weinig voor zijn taak in oorlogstijd berekend was en hij blijk gaf van grenzeloze naïviteit toen hij in zijn eerste (en enige) radio-uitzending uit Londen, op 20 mei 1940, de Nederlandse autoriteiten aanspoorde om met de Duitsers samen te werken. Dat was 'hun plicht'. De positie van De Geer kwam steeds meer onder druk te staan en de in de ministerraad opgelaten proefballonnen om bij de Duitsers te informeren naar hun vredesvoorwaarden, luidden zijn ondergang in. Hij driegde zelfs als het kabinet zijn voorstel niet zou volgen met aftreden. Dat aftreden liet hij vallen maar het was duidelijk dat De Geers positie in het kabinet onhoudbaar was geworden. Toen De Geer aankondigde om gezondheidsredenen voornemens was op vakantie te gaan naar het neutrale Zwitserland, kwam zijn einde als minister-president in zicht.  Op 23 augustus 1940 werd hem door koningin Wilhelmina ontslag aangezegd, wat eigenlijk op gespannen voet stond met de Grondwet. Voor Wilhelmina stond het vast wie De Geer als minister-president zou moeten opvolgen: Gerbrandy. Deze stemde pas na herhaald verzoek toe. Volgens Fasseur was Gerbrandy de onwrikbare figuur die het vaderland in oorlogstijd nodig had, hoe steil gereformeerd, eigenzinnig, weinig diplomatiek, hoe weinig 'man van de wereld', soms eigenaardig in de omgang in velerlei oog.

De Geer bleef niet alleen als minister-president in oorlogstijd een omstreden figuur. Hij ging tegen de uitdrukkelijke wens van de regering in begin februari 1941 terug naar Nederland. Nadat hij op weg naar Nederlands-Indië een tussenlanding maakte in Portugal vroeg hij toestemming aan de Duitse autoriteiten om naar Nederland te mogen terugkeren. Door voor het bezette Nederland te kiezen boven het vrije Londen, bracht hij de Nederlandse zaak een zware slag toe. De woede in Londen was groot. Volgens Fasseur was na de krachteloze en defaitistische De Geer vóór alles behoefte aan een strijdlustige minister-president, die van geen overleg of compromis met de vijand wilde weten en die het gehavende Nederlandse prestige kon herstellen. Gerbrandy was die man.

Maar Gerbrandy was een Einzelganger. Het was moeilijk met hem samen te werken. Hij was driftig van aard en opvliegend. Hij liep in de eerste jaren van zijn premierschap sterk aan de leiband van koningin Wilhelmina. Later stelde hij zich tegenover haar zelfstandiger op. Maar volgens de diplomaat  jhr. Vredenburgh stond daar veel tegenover. 'In de eerste plaats was dat Gerbrandy's onverzettelijkheid, een voor een oorlogsleider onmisbare eigenschap, en zijn afwijzen van ieder compromis met de vijand. Hij blaakte van vaderlandsliefde. Zijn eenvoud maakte hem tot een sympathieke persoonlijkheid die niet was verstoken van humor of zelfspot'. Gerbrandy maakte duidelijk dat er na de Geer nog een ander en strijdlustiger Nederland bestond. Tot genoegen van Churchill. Gerbrandy was gewend voor zijn mening uit te komen. Het was een eigenschap die in zijn functie van minister-president vaak minder goed van pas kwam.

Wilhelmina en Gerbrandy konden in de eerste jaren van de oorlog goed met elkaar overweg. Zijn volstrekte loyaliteit haar en de Nederlandse zaak waren boven iedere twijfel verheven. Met hem smeedde zij op strikt persoonlijke titel haar eerste staatkundige vernieuwingsplannen. Hij moest een stel overgangsbepalingen ontwerpen voor de eerste periode na de bevrijding van Nederland. Haar onbehagen over de vooroorlogse situatie was groot. Maar de koningin wilde in een veel hoger tempo dan Gerbrandy en zijn kabinet wenselijk vond bepaalde staatkundige vernieuwingen doorvoeren. Hierin lag de aanzet tot het hoogoplopende conflict dat de verhouding tussen staatshoofd en ministers in de laatste oorlogsjaren grondig zou bederven.

Gerbrandy was als voorzitter van de ministerraad geen samenbindende figuur. Hij kon scherp uitvallen tegen ambtgenoten die het niet met hem eens waren. Maar bij de start van het eerste kabinet-Gerbrandy leken de verhoudingen nog redelijk harmonieus. Maar hem werd verweten dat hij informatie waarover hij beschikte voor de ministerraad achterhield. Volgens Fasseur soms wel maar niet altijd terecht. Maar vooral zijn rechtlijnigheid en gebrek aan leiderscapaciteiten braken volgens Fasseur bij herhaling Gerbrandy op bij het voorzitten van de ministerraad. Over zijn eigen schaduw heen springen kon hij niet. Hij was daarvoor te rechtlijnig of te fantasieloos. Dit gebrek aan verbeeldingskracht zou hem in zijn latere politieke carrière nog geducht parten spelen.

Het was de kwestie Dijxhoorn, minister van defensie- deze had betoogd dat hij er niets in zag de strijd tegen Duitsland voort te zetten na de capitulatie van Nederland en hij was ervan overtuigd dat een Duitse invasie van Engeland zeer succesvol zou zijn - dat uiteindelijk tot diens ontslag leidde omdat Wilhelmina geen enkel vertrouwen meer had in zijn beleid. Fasseur is van mening dat Gerrbandy's optreden bij het ontslag van Dijxhoorn de toets van de kritiek in redelijkheid kan doorstaan. Maar Fasseur is van mening dat Gerbandy uiterst  ongelukkig manoeuvreerde bij zijn poging het sinds 1 juli 1941 demissionair kabinet te reorganiseren en om te vormen tot een soort War Cabinet naar Brits model.

Voor Gerbrandy ging het maar om één ding. Dat was de voortzetting van de strijd op leven en dood tegen Hitler-Duitsland met als doel de bevrijding van Nederland en de totale nederlaag van de vijand. In tegenstelling tot de Jong geeft Fasseur aan dat er sprake is van twee kabinetten Gerbrandy en niet drie. 

De opmars van de Japanners in het verre Oosten leidde er uiteindelijk ook toe dat Nederlands-Indië bezet werd. Maar al veel eerder, na Pearl Harbour, had de Nederlandse regering in Londen al de oorlog aan Japan verklaard. 

 Batavia en Londen dachten dat de Indonesiërs, of beter de inlanders conform het koloniale spraakgebruik, niets liever wensten dan een leven onder Nederlands bestuur. Dat dit volgens Fasseur een illusie was, een koloniale mythe, bleek al snel toen de Japanners op Java waren geland. Van pro-Nederlandse gevoelens viel onder de inheemse bevolking weinig te bespeuren. Integendeel, de Japase troepen werden geestdriftig verwelkomd. Militair gezien was de Nederlandse regering in Londen machteloos.

Op termijn zou blijken dat Gerbrandy weinig oog had voor het dekolonisatieproces en na de Tweede Wereldoorlog zou hij de grote kampioen worden van de Rijkseenheidsgedachte.

Via radio Oranje werd Gerbrandy de woordvoerder van Nederland. In zijn toespraken ging het Gerbrandy niet alleen om een strijd voor de vrijheid maar ook en vooral een strijd van recht tegen onrecht.

Een andere rode draad in de toespraken van Gerbrandy was de verbondenheid van het Nederlandse volk met het Oranjehuis. Naarmate hij zijn ambt langer vervulde en de onderlinge verstandhouding met Wilhelmina verslechterde, anders en minder positief gaan denken over Wilhelmina's machtige, persoonlijke invloed. 

Een steeds terugkerend thema in de radiotoespraken van Gerbrandy was zich te onthouden van gewelddadig openlijk verzet. Dit sloot echter passief verzet niet uit. De luisteraars werden aangespoord hun eigen leven en dat van onschuldige medeburgers niet in gevaar te brengen door op eigen initiatief verzets - of sabotagedaden te plegen. Noch bij de Februaristaking van 1941 noch bij de April/meistakingen van 1943 werd de Nederlandse bevolking aangespoord zich openlijk tegen de Duitse autoriteiten te weer te stellen.

Opvallend is dat Gerbrandy lange tijd niet op de hoogte is geweest van het bestaan van de zogeheten Aanwijzingen die in 1937 door de Nederlandse regering waren uitgevaardigd. Het betrof een ambtelijk stuk met gedetailleerde instructie aan het Nederlandse overheidspersoneel hoe te handelen bij een vijandige bezetting. Ook bleek dat vrijwel geen enkele minister in Londen er weet van had.

Hoewel Gerbrandy was opgegroeid in de traditie en de geest van Abraham Kuyper nam hij diens antisemitisme niet over. Gerbrandy tekende al drie maanden na de machtsovername door Hitler het 'Manifest over de Jodenontrechting in Duitschland'. En in 1935  nam Gerbrandy het op voor de Joodse vluchtelingen die uit Hitler-Duitsland naar Nederland kwamen. Gerbrandy vergeleek de Joodse vluchtelingen met de hugenoten die in de zeventiende eeuw naar Nederland vluchtten. 

In Londen ging in 1940 en het grootste deel van 1941 de aandacht nog nauwelijks uit naar de Jodenvervolging in bezet Nederland. Bij aansporingen tot hulpverlening en onderduik en dergelijke  werd toen en later geen onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen van de bevolking. Er werd geen rekening gehouden met de vervolging waaraan de Joodse bevolkingsgroep blootstond. De reeks anti-Joodse maatregelen, vooral op juridisch vlak, bleef in Londen niet onbekend. Maar bijzondere consequenties, afgezien van verbale protesten, werden daaraan niet verbonden. Wel werden de Nederlandse ambtenaren bij herhaling erop gewezen dat zij geen medewerking mochten verlenen aan zulke maatregelen. Gerbrandy was zich aanvankelijk weinig bewust van het doodsgevaar waarin zijn Joodse landgenoten. 

Aan de Februaristaking, mede als protest tegen de Jodenvervolging werd al aandacht gegeven door de BBC in een uitzending op 26 februari 1941, terwijl Radio Oranje tot 29 maart zweeg over de staking. Waarom dat zo was weet Fasseur niet. Ook niet over het aandeel van Gerbrandy daarin.

Wat wist men in Londen van de Holocaust? 

In het boek van Walter Laquer Het verschrikkelijke geheim schreef deze dat al in de loop van 1942 de eerste berichten over de Joodse genocide Engeland en Amerika bereikten. (Zie daarvoor ook Inhoudsopgave De Holocaust). Zijn stelling is dat de feiten over de 'Endlösung' al in een vroeg stadium aan de geallieerde regeringen bekend waren , maar dat die feiten lange tijd  niet van groot belang of als overdreven werden beschouwd. Men kon en wilde ze vaak niet geloven. De Holocaust, de systematische en planmatig opgezette uitmoording van miljoenen mensen, ging eenvoudig het menselijk begrip te boven. 

De massaslachtingen in Oost-Europa werden bevestigd door de geallieerde regeringen in een op 17 december 1942 uitgegeven gemeenschappelijke verklaring. Veel deed men er overigens niet me. Volgens Fasseur leek het wel alsof de geallieerde regeringsleiders meenden zich met dit protest voldoende van hun taak te hebben gekweten. In latere verklaringen werd nog nauwelijks naar de Holocaust verwezen.

Volgens Fasseur werd van het bombarderen van de spoorlijnen naar Auschwitz en andere vernietigingskampen om allerlei, niet altijd duidelijke redenen afgezien. Bovendien golden de Joden in de publieke opinie in de geallieerde landen niet altijd als een even sympathieke minderheid. In sommige Nederlandse kringen leefde dit antisemitisme eveneens. De gruwelijke berichten over wat de Poolse Joden was overkomen, werden niet rechtstreeks in verband gebracht met de ongelukkigen die uit Nederland waren gedeporteerd. 

Wanneer besefte Gerbrandy ten volle de omvang van de Holocaust?

Uit toespraken blijkt dat een relatief gewicht aan de Jodenvervolging werd toegekend. Het was een afschuwelijk drama, maar slechts een van de vele Duitse schanddaden. In een latere toespraak wees Gerbrandy wel nog op de rol van de Joodse Raad die bevorderlijk was geweest om zoveel Joodse burgers naar de ondergang te voeren. 

Presser stelt zich de vraag of Gerbrandy in oktober 1943, toen hij voor Radio Oranje sprak, werkelijk dacht, dat een (groot) deel van de gedeporteerden nog in leven was en zou terugkeren 'aan de Nederlandse haarstede'? Het valt bijna niet aan te nemen, aldus Presser.

Tijdens de verhoren van de Enquêtecommissie zei Gerbrandy dat 'het lang geduurd heeft vóór wij in Londen zekerheid hadden over de wijze waarop onze Joodse landgenoten werden omgebracht'. Of Gerbandy al tijdens zijn toespraak van 21 oktober op de hoogte was 'dat de Joden op zo'n vreselijke manier door middel van gasovens werden uitgemoord', kon hij zich niet meer herinneren. 

Het oordeel over de houding van Gerbrandy

Het heeft lang geduurd voor de gruwelijke betekenis van de Holocaust in haar volle omvang tot hem doordrong. de houding van Gerbrandy en de Nederlandse regering lijkt die van andere regeringen in ballingschap niet veel te ontlopen. Dat laat volgens Presser de vraag onverlet of zij niet eerder en krachtiger had moeten protesteren tegen de vernietiging van het Joodse volk en meer hulp hadden moeten bieden aan de vervolgden waar dit kon. Het antwoord op deze vragen is nu niet twijfelachtig, maar het volstaat niet om ons daartoe te bepalen.

Het winnen van de oorlog stond in de beleving van de geallieerde leiders centraal, ook in die van Gerbrandy. Daaraan werden in de oorlogsjaren alle andere zaken en belangen ondergeschikt gemaakt. Allen vanuit dit perspectief stelt Presser, kan de houding van Gerbrandy en zijn tijdgenoten tegenover de Jodenvervolging worden begrepen. Onze later verworven kennis, die zij niet of slechts onvolledig bezaten, mag niet de maatstaf zijn waaraan hun handelen wordt getoetst. Het heden annexeert dan het verleden en berooft het van zijn eigen, tijdgebonden karakter, dat het verleden maakt tot wat het is.

-----------------

Geen ander onderwerp heeft de gemoederen in Londen zo beziggehouden als de rol van de volksvertegenwoordiging na afloop van de militaire fase van de bevrijding. Daarbij kwam dat aanhoudende meningsverschillen tussen Wilhelmina en haar ministers vanaf het midden van 1942 zorgden voor toenemende spanningen. Daarnaast miste Gerbrandy het vermogen zijn kabinet tot een eenheid te smeden en riep zijn solistisch optreden verzet op.

In het Nieuwe Nederland van Wilhelmina was geen plaats voor de vooroorlogse partijen. De inmenging van de koningin zou tot een onherstelbare breuk leiden tussen haar en Gerbrandy. Haar wantrouwen in zijn competentie en die van zijn ambtgenoten moet volgens Presser hem diep hebben gegriefd. Wilhelmina meende haar handen vrij te hebben bij de formatie van een nieuw kabinet na de bevrijding.

Een andere steen des aanstoots voor het kabinet was de wijze waarop de koningin zich rechtstreeks over de toestand van het vaderland liet informeren door pas aangekomen Engelandvaarders.

Uiteindelijk dolf Wilhelmina in het hoog opgelopen conflict over de instelling van een voorlopig bewind het onderspit. Op 30 april 1943 kwam het tot een heftige woordenwisseling tussen Gerbrandy en Wilhelmina waarbij de laatste uiteindelijk moest toegeven. Maar de verstandhouding tussen Gerbrandy en Wilhelmina was grondig verstoord en tussen beiden zou het niet meer goed komen.

Al had Wilhelmina de afspraak dat het kabinet tot zijn terugkeer in Nederland zou aanblijven moeten accepteren, legde zij zich daar geestelijk niet bij neer. Naarmate de oorlog vanaf eind 1942 steeds gunstiger verliep voor de geallieerden, werden de tegenstellingen tussen staatshoofd en ministers alleen maar groter. Het liefst had Wilhelmina haar ministers plaats zien maken voor een 'noodkabinet'van een vijftal ministers, dat  binnen een of twee etmalen na de bevrijding zou moeten optreden.

Nu de oorlog in een eindstadium leek te komen, wilde Wilhelmina eigenlijk van Gerbrandy af. Hij geloofde niet langer in haar ideaal van politieke en maatschappelijke vernieuwing, zo hij daarin ooit geloofd had. ook hij behoorde  voortaan tot 'het oude stel'en was daarmee afgeschreven.

De ontstane drievoudige ministercrisis had het eerste halfjaar van 1944 beheerst. Presser stelt dat Gerbrandy aan de oorzaken van de crisis weinig kon doen.

Door de uiteindelijk gefaseerde bevrijding van Nederland zou het bestuur in het bevrijde zuiden worden uitgeoefend door het militair gezag. Zolang de strijd om Nederland duurde kon Gerbrandy niet worden gemist omdat hij een toegevoegde waarde was in het overleg met de bondgenoten. De  goodwill in geallieerde kringen voor Gerbrandy was groot. Pas de vrede maakte hem, de oorlogspremier, overbodig.

De periode van eind september 1944 tot de definitieve bevrijding van Nederland op 5 mei 1945 was bepaald niet de gelukkigste uit Gerbandy's Londense jaren. De meningsverschillen met de koningin vergalden het leven van Gerbrandy, in het bijzonder haar hardnekkige weigering de regeling van het noodparlement te ondertekenen. Haar overspannen streven naar politieke en maatschappelijke vernieuwing, stond haaks op het standpunt van het kabinet dat deze vernieuwing, wat ze ook precies mocht inhouden, vooral een zaak was van en nieuwe regering na de bevrijding. Daarbij liepen de spanningen hoog op.

Het onderhuidse en soms openlijke conflict tussen Gerbrandy en Wilhelmina, dat zich vanaf de zomer van 1942 had gemanifesteerd, kwam in 1945 tot ontlading in een kabinetscrisis die tegelijk een crisis tussen koningin en kabinet was.

Uiteindelijk had Wilhelmina geen keus en vroeg Gerbrandy om toch met de formatie van zijn tweede kabinet over te gaan. Gerbrandy moet het volgens Presser als een enorme nederlaag hebben ervaren dat zij in het eerste oorlogsjaar gevormde kabinet in het zicht van de haven was gestrand. De koningin was in zijn ogen de hoofdschuldige aan deze mislukking. Niets had zij in de verstreken maanden en jaren nagelaten om zijn gezag en dat van 'het stel', het kabinet, te ondermijnen. Gerbrandy was zich bewust van het feit dat zijn kabinet maar een zeer beperkte levensduur had en bij de bevrijding zou aftreden.  Gerbrandy is  na de formatie van zijn nieuwe kabinet hard aangevallen op het feit dat daarin socialisten ontbraken. 

 Presser is van mening dat de ondergang van zijn oorlogskabinet Gerbrandy's mede zijn schuld is geweest.  Als leider en coördinator van zijn kabinet schoot hij tekort. Hij was en bleef de solist, te impulsief, te grillig, te onvoorspelbaar. Zijn eigengereidheid en gemakkelijke ontvlambaarheid en ongenuanceerde benadering van e problemen zouden zich na de oorlog opnieuw doen gelden. Alleen zijn persoonlijke opvatting van wat hij juist en rechtvaardig vond, telde.