We hebben 260 gasten online

De belegering van Maastricht in 1579

Gepost in Maastricht

De belegering van Maastricht in 1579

Enkele krijgskundige aspecten

dr. C. M. Schuiten

hoofd Sectie Krijgsgeschiedenis Landmachtstaf

beleg van Maastricht door Parma 1579

Sinds 1555 was het verzet in de Nederlanden tegen de politiek van Filips II van Spanje toegenomen en langzamerhand uitgegroeid tot openlijke rebellie en opstand. Na de woelige jaren (1567, 1573, 1576) van Alva en Requesens was don Juan van Oostenrijk, een natuurlijke zoon van Karel V, landvoogd geworden. Toen hij in 1578 onverwacht overleed, werd hij in die functie opgevolgd door Alexander Farnese (1545-1592), prins — later hertog — van Parma. De nieuwe landvoogd had een aantal kwaliteiten die er zijn mochten.

Hij was, als neef van de koning, van hoge afkomst en had zich een bekwaam veldheer en begaafd diplomaat getoond. Met politieke en militaire middelen probeerde hij het verloren terrein terug te winnen.

Zijn eerste grote militaire succes als landvoogd was de verovering van Maastricht in 1579. Daarmee verwierf hij zich een belangrijk strategisch steunpunt op de weg naar de herovering van de opstandige gewesten. Het beleg, dat vier maanden duurde, hield de aandacht van velen gevangen en ook in latere tijden werd de herinnering aan dit krijgsgebeuren in allerlei geschriften levendig gehouden.

Niet onbegrijpelijk overigens, want evenals veldslagen lenen belegeringen zich goed voor boeiende vertellingen. Immers, de handeling voltrekt zich in een redelijk snel tempo, is kleurrijk en tragisch tegelijk. Onverwachte wendingen en staaltjes van moed voldoen aan de behoefte naar avontuur en spanning. Met de overwinning valt het doek over het krijgstoneel.

Deze omstandigheden kunnen tot gevolg hebben dat essentiële aspecten van militaire gebeurtenissen worden versluierd of weggestopt in een hoofdstukje dat dan de titel van „voorspel" krijgt toebedeeld.

Toen de troepen van Parma op 8 maart 1579 voor Maastricht verschenen, ging ogenschijnlijk het doek voor het eerste bedrijf op, maar in feite was de „plot" al vastgesteld, waren de rollen verdeeld en lagen de rekwisieten klaar. En, om de beeldspraak voort te zetten, het vermogen tot improvisatie en de onvoorspelbaarheid van het succes waren factoren die het verloop van de gebeurtenissen konden beïnvloeden.

Voor een goed begrip van de gebeurtenissen in en om Maastricht anno 1579 is het noodzakelijk zich te realiseren dat het krijgsbedrijf werd uitgeoefend tegen een decor en met middelen die geheel verschilden vandie uit onze tijd.

Het krijgswezen in het begin van de Tachtigjarige Oorlog

Wie nu met de auto langs de Maas of door de Kempen rijdt, moet bedenken dat de geografische gesteldheid van de Nederlanden in de zestiende eeuw geheel anders was. Natuurlijk, er waren land- en waterwegen die reizen en handeldrijven mogelijk maakten, maar de schaarste aan en de geringe capaciteit van de landwegen waren mede bepalend voor de omvang van de militaire operaties.

Ten aanzien van de waterwegen dient men te bedenken dat een rivier als de Maas in perioden van droogte voor de scheepvaart niet bruikbaar en als zodanig van beperkte betekenis was. De veldheren voelden dat overigens niet als een beperking, maar beschouwden het als een gegeven waarmee zij rekening hielden bij het maken van hun plannen.

Het wisselvallige weer en natuurlijke hindernissen als rivieren, bossen, heidegebieden en moerassen maakten het vervoer en de verpleging van troepen te velde tot een ingewikkelde bezigheid.

Voor wat betreft de rivieren is het wellicht nuttig op te merken dat zij doorgaans minder diep waren dan wij nu gewend zijn. Zij stroomden ook niet zo snel, hetgeen kwam door het ontbreken van kribben. Desondanks was een rivierovergang geen geringe opgave, zodat brugslagmateriaal deel uitmaakte van de uitrusting van legers met offensieve bedoelingen en de militaire schrijvers vermelden het slaan van bruggen ook steeds met nadruk.

Er bestonden niet alleen natuurlijke hindernissen, maar ook door mensenhand geschapen barrières, zoals versterkte steden en kastelen die de omliggende gebieden beheersten. Waren deze plaatsen in handen van de vijand, dan vormden zij een voortdurende bedreiging van de aanvoerlijnen. Daarentegen was het bezit ervan onontbeerlijk voor de verpleging en beveiliging van de eigen troepen. De snelle ontwikkeling van de vestingbouwkunst had tot gevolg dat een versterkte plaats op den duur slechts moeilijk stormenderhand kon worden genomen, hetgeen resulteerde in belegeringen van korte of lange duur.

De logistiek stelde duidelijke grenzen aan de omvang van een veldleger, dat werd gevolgd door een menigte aan vrouwen, kinderen, bedienden, ambachtslieden en bedelaars. Voor de instandhouding van een dergelijk leger was een geregelde toevoer van voedsel een absolute voorwaarde. De beschikbaarheid van grote korenvoorraden alleen was niet voldoende, het graan moest ook nog tot meel worden vermalen en het meel weer tot brood gebakken.

Bovendien had een bevelhebber te zorgen voor de aanvoer van paardenvoeder. Zoals bekend, zijn paarden uiterst kwetsbaar en minder dan de mens bestand tegen ontberingen. Konden de soldaten zich in de winter nog wel behelpen met koolstronken, een paard was afgeschreven wanneer het geen haver en hooi kreeg. De zomer bracht in dat opzicht geen oplossing, want „een paard leeft niet van gras alleen". Het al of niet aanwezig zijn van voedsel voor mens en dier bepaalde in belangrijke mate het verloop van menige veldtocht.

Toen Montecucculi in 1629 de Veluwe binnendrong en Amersfoort had bereikt, werd hij tot de terugtocht gedwongen omdat zijn bevoorradingscentrum Wezel in Staatse handen viel. Meer dan eens zag een veldheer zich gedwongen zijn troepen te verplaatsen naar gebieden waar voedsel was te vinden voor mens en dier. Kenmerkend is in dit opzicht wat er gebeurde bij Empel in 1585. Toen immers probeerden 4000 Spanjaarden te overwinteren in de Bommelerwaard, omdat dit gebied, naar verwachting, voldoende voedselvoorraden bevatte en in handen van de rebellen was. Deze poging „op kosten van de tegenstander" te leven werd de Spanjaarden bij Empel trouwens bijna noodlottig. Voorts was het „leegeten" van een gebied een tactische bezigheid, want daardoor ontnam men de vijand de mogelijkheid zich in dat gebied te begeven.

Iets dergelijks beoogde Frederik Hendrik, toen hij in 1629 de Langstraat liet leeghalen; een Spaans leger kon daarna niet meer van die zijde optrekken om het belegerde 's-Hertogenbosch te hulp te komen.

Binnen het logistieke systeem speelde het geld altijd een essentiële rol, want de soldaten betaalden zelf voor hun directe levensbehoeften. De militaire overheid schiep voor particuliere ondernemers wel de mogelijkheid drank en voedsel aan te voeren, waarbij zij probeerde de prijzen in de hand te houden, maar het distributiesysteem bleef daarbij in handen van de burgers. Wanneer de soldaten niet over klinkende munt beschikten, waren zij gedwongen over te gaan tot afpersing en roof. Dat verklaart het aanmaken van noodgeld binnen belegerde steden zoals Haarlem (1573) en Alkmaar (1573). Maastricht vormde dus geen uitzondering, toen de Staten-Generaal op 16 maart 1579 aan de gouverneur van die stad toestemming gaven noodgeld te slaan voor het uitbetalen van de soldaten, kanonniers en schanswerkers.

De troepen, die onder erbarmelijke omstandigheden in het veld kwamen, waren zeer vatbaar voor allerlei ziekten. Veel soldaten hadden weinig weerstand, want van menigeen liet de lichaamsconditie veel te wensen over. De keuring geschiedde immers met een „timmermansoog" —armen en benen aanwezig, dus goedgekeurd! — zodat ook mensen met een zwakke gezondheid werden aangenomen. Niet alleen de laagsten in rang werden gemakkelijk het slachtoffer van ziekten, ook aan de bevelhebbers ging de oorlog zeker niet ongemerkt voorbij, zoals mag blijken uit

Parma's ziekte tijdens het beleg.

Behalve de ziekten eisten — zij het in geringere mate — de gevechtshandelingen hun tol aan mensenlevens. Vermoedelijk waren de schotwonden fataler dan steekwonden, omdat zij oorzaak waren van inwendige bloedingen, botversplintering en bloedvergiftiging. Tijdgenoten vonden het normaal dat 25 tot 30% van de soldaten het leven liet ten gevolge van ziekte of verwonding.

Bij al dat verlies aan mankracht moet men ook nog de veel voorkomende desertie tellen. Het in stand houden van een leger te velde was op zich reeds een formidabele prestatie.

Het operationele gebruik van een leger stelde de veldheer voor ontzaglijke problemen. Het ontbreken van stafkaarten dwong hem tot het benutten van duidelijk herkenbare marsroutes. Het dirigeren van welke troepenmacht dan ook over slechte en smalle wegen was steeds opnieuw een grote opgaaf. De legertros sukkelde vaak achter het leger aan, hoewel die toch zo belangrijk was en het een ramp zou zijn wanneer leger en tros werden gescheiden. Een veldheer kon tevreden zijn, wanneer zijn troepen twintig kilometer per dag aflegden.

De aanvoering bij gevechten was een hachelijke onderneming, omdat eenmaal ingezette onderdelen niet meer konden worden teruggenomen. Eskadrons ruiterij, die in galop waren overgegaan, vielen niet te stoppen. De kans op wanorde en verwarring was voortdurend aanwezig, zodat de afloop van het gevecht altijd moeilijk voorspelbaar bleef. Was een veldheer van zins een slag aan te gaan en bevonden zijn troepen zich in de juiste opstelling, dan was het nog de vraag of zijn tegenstander dezelfde mening was toegedaan.

De lage marssnelheid sloot een verrassingsaanval vrijwel uit. Schermutselingen van kleine omvang daarentegen kwamen regelmatig voor.

Bij belegeringen lagen de zaken anders. In de eerste plaats was, zoals eerder werd aangetoond, het bezit van vestingen van groot belang. De belegering zelf viel binnen de tactische mogelijkheden,omdat de veldheer zijn onderneming degelijk kon voorbereiden, de tegenstander geen kans had de strijd te ontwijken en de strijdende eenheden gemakkelijker onder controle waren te houden. Kenmerkend voor de gevechten was het handgemeen dat nog steeds een overheersende plaats innam.

De invoering van handvuurwapens als pistolen, musketten en haakbussen had in dat opzicht weinig verandering gebracht. Een ruiter moest zijn Pistool nagenoeg tegen het lichaam van zijn tegenstander drukken om deze te kunnen uitschakelen, zodat de term een „welgemikt schot" hier een wel heel eigen betekenis had. De dracht van haakbussen wordt geschat op 150 meter, die van musketten op 200 meter. Het effect was op die afstand gering, want richtmiddelen waren zeer primitief.

De vuursnelheid bedroeg een schot per drie minuten, zodat het niet vaak voorkwam dat een soldaat tweemaal op een zelfde naderende vijand kon schieten; die tweehonderd meters waren immers snel afgelegd. Omdat de vuurwapens voorladers waren, moesten zij door de schutters staande worden geladen. Musketiers gingen dan ook niet schuil in het terrein maar stonden duidelijk zichtbaar naast de piekeniers. Trouwens, bij het afgaan van het schot ontwikkelde zich zoveel rook dat ook daardoor de schutter niet verborgen bleef. Uiteraard hadden de kanonnen een grotere dracht, maar zij werden toen vrijwel nog niet tegen personeel ingezet. Het was de taak van het geschut, versterkingen te bevuren en bressen in een wal te schieten. Bij belegeringen hadden het langzame verloop van de actie en de korte afstand waarop het gevecht werd gevoerd tot gevolg dat de betrokkenen de gebeurtenissen goed konden volgen.

Wanneer de aanvaller een naderingsloopgraaf of een onderaardse gang naar een wal groef, wist de verdediger reeds lang van te voren wat het bedreigde punt was en kreeg ruimschoots de kans zijn tegenmaatregelen te nemen. Deze bestonden uit het doen van een uitval om de vijand uit het aanvalswerk te verjagen, het aanleggen van een nieuwe wal achter het bedreigde punt en, in uiterste nood, het gooien van stenen en brandende hoepels en het uitstorten van de bekende kokende olie.

Anders dan in onze tijd was er een visueel en verbaal contact. Beledigingen, en uitlokking tot verraad en overlopen, kwamen regelmatig voor. Het ophangen van krijgsgevangenen en het mutileren en bespotten van heiligenbeelden in het zicht van de Spanjaarden bracht de woede van deze laatsten tot het kookpunt.

In zijn Essais beveelt Montaigne deze „stimuleringsmiddelen" met nadruk aan. Volgens hem heeft het tarten en beledigen van de tegenstander tot gevolg dat de eigen partij in een dwangpositie wordt gebracht. Immers, de kansen tot onderhandelen worden zo tot een minimum teruggebracht en alleen de overwinning kan nog maar uitkomst brengen.

Tijdens het beleg van Maastricht nam Tapijn zijn toevlucht tot een dergelijke algemeen aanvaarde methode. De Spaanse geschiedschrijver Alonso Vazquez geeft daarvan de volgende beschrijving:

. . . , maar Tapin, die zooals wij gezegd hebben de verdediging leidde, had een zeer scherpzinnige list bedacht en deze onverschrokken en sluw ten uitvoer gebracht. Hij had namelijk twintig Spanjaarden, die in een vroegere schermutseling gevangen waren genomen, uit den kerker laten halen en had hen toen ten aanschouwen van alle burgers met een strop om den hals en gewichten aan den voeten in de Maas laten werpen. Zijn bedoeling hiermede was zijn manschappen tot den uitersten tegenstand aan te vuren omdat zij nu wisten dat zij, na deze gruweldaad, geen medelijden van de Spanjaarden te wachten hadden. Sébastien Ta pin kende den onverzettelijken moed der Spanjaarden en wist dat zij na deze gruweldaad naar wraak zouden dorsten.

De veldtocht van Parma in 1578-1579

Bestand:Vaenius - Alexander Farnese.png

Alexander Franese, hertog van Parma. Hij was een zoon van de landvoogdes Margaretha van Parma

In december 1578 brak Parma zijn winterkwartieren te Bouges bij Namen op en bracht zijn leger in beweging. De winter was echter een ongunstig seizoen voor het beginnen van een campagne. Het koude en gure weer vormde een zware belasting voor de gezondheid van mens en dier. De drassige wegen belemmerden het vervoer en de korte dagen beperkten de operatiemogelijkheden. Dat Parma desondanks toch in het offensief ging is te verklaren uit de politieke en militaire situatie. Een overwinning zou de politieke ontwikkeling te zijnen gunste beïnvloeden. Bovendien was de toestand in het permanente kamp te Bouges kritiek geworden. Bevoorradingsproblemen en slechte hygiënische omstandigheden maakten het ongewenst dat grote eenheden langdurig in dit kamp verbleven.

De keuze van Maastricht als strategisch doel was logisch, want de verovering van de stad zou een uitbreiding betekenen van het gebied dat Parma reeds onder controle had en een afgrendeling van de verbindingswegen tussen de rebellen en Duitsland.

Het bezit van Maastricht garandeerde de Spanjaarden een gunstig uitgangspunt voor een veldtocht in noordelijke richting, terwijl Luik zich wel tweemaal zou bedenken zich niet naar Parma's wenken te schikken.

Het plan van Parma was drieledig: in de eerste plaats wilde hij de streek rond de stad onder zijn controle brengen, ten tweede zijn tegenstanders de mogelijkheid ontnemen een ontzettingsleger in te zetten, en ten derde de stad aanvallen. Daarbij had hij het voordeel van het initiatief.

Voor de uitvoering van zijn plannen beschikte Parma over bekwame bevelhebbers met een grote ervaring zoals Christobal de Mondragon, Lope de Figueroa, Hannibal Altemps, Karel van Mansfeld, Francisco Valdes en Gilles de Berlaymont om er maar enkelen te noemen. Vermelding verdienen ook zijn militaire ingenieurs Giovanni Battista Plato en Propercio Barozzi, wier vakkennis onontbeerlijk was. Door de hoge vlucht die de versterkingskunst had genomen kregen de militaire ingenieurs een vooraanstaande plaats toebedeeld. Bij aanval en verdediging ontwierpen zij de versterkingen. Zij waren het die talloze kunstgrepen bedachten. Tijdens het beleg speelden aan beide zijden de vestingbouwkundigen een rol van betekenis.

De sterkte van het leger van Parma wordt geschat op 34.000 man. Bij dat getal zouden nog moeten worden opgeteld de vrouwen, kinderen, bedienden en schansgravers, waardoor een heel wat groter cijfer uit de bus komt. Zelf zet ik in ieder geval een vraagteken, want het bijeenhouden van een dergelijke mensenmassa lijkt mij de krachten van Parma te boven te gaan. Wellicht is dit getal een indicatie van alle troepen (veldleger en troepen in garnizoen gelegen) waarover hij de beschikking had.

Eind 1578 verplaatste Parma dus zijn hoofdkwartier van Bouges naar Visé. Christobal de Mondragon kreeg opdracht met een voorhoede de verbindingslijn tussen Maastricht en het Duitse achterland te verbreken. Hij maakte zich meester van het versterkte kasteel Kerpen ten westen van Keulen. Daarna kwam Erkelenz aan de beurt.

Ook de ommuurde steden Gelder en Stralen kregen een Spaanse bezetting. Met die inleidende acties schiep Parma zich gunstige voorwaarden voor de bevoorrading van zijn leger. Op 18 januari verliet hij Visé, trok oostelijk langs Maastricht en stak op 2 februari ten noorden van Roermond, dat in Spaanse handen was, de Maas over. Kort daarna viel het sterke kasteel van Weert in zijn handen. Zijn troepen doorkruisten ten slotte het gebied tussen Eindhoven, Helmond en Weert en raakten in de buurt van Aerschot in een fel gevecht met een afdeling Staatse ruiterij.

Wanneer men bedenkt dat deze operaties plaatsvonden in de stromende regen en dat geldgebrek ieder ogenblik muiterij kon veroorzaken, zal men bewondering hebben voor Parma's kwaliteiten als legeraanvoerder. Toen hij van zijn spionnen vernam dat de Staatse infanterie geconcentreerd was in winterkwartieren te Borgerhout in de buurt van Antwerpen, besloot hij zijn tegenstanders daar aan te vallen en te verstrooien.

De opmars van Parma naar Antwerpen verontrustte Willem van Oranje en aartshertog Matthias, die zich in die stad bevonden. Was dan toch Antwerpen, waar het gistte, het doelwit, of had Parma de steden Lier of Herenthals op het oog? Een andere mogelijkheid was dat het Spaanse leger op zoek was naar nieuwe bevoorradingsgebieden, want het vraagstuk van de ravitaillering en fouragering was, zoals reeds gezegd, enorm groot. Het is dus begrijpelijk dat ook Parma uitgebreide voorzorgen trof om zijn bevoorrading veilig te stellen.

Met drie regimenten zette Parma de aanval in op zijn tegenstanders die zich in Borgerhout hadden verschanst. Na een fel gevecht, waarbij aan Staatse zijde 200 man en aan Spaanse zijde 50 tot 60 man sneuvelden, trok de Staatse infanterie zich op Antwerpen terug. De Spanjaarden plunderden de ontruimde plaats en staken de huizen in brand. Daarmee had Parma twee van zijn doelstellingen reeds bereikt: de ruime omgeving van Maastricht had hij onder controle en hij had voorlopig weinig meer te duchten van aanvallen van buiten af. Vervolgens gaf hij het sein tot de aftocht en trok naar Maastricht waar hij op 8 maart aankwam. Het beleg begon.

De belegering

maastricht 1579

De Spanjaarden richtten allereerst hun kwartieren in, wierpen een aantal schansen op en brachten hun geschut in stelling. Bovendien liet Parma bij Borgharen en Heugem schipbruggen aanleggen voor de verbindingen tussen de diverse legereenheden.

De militaire gouverneur van Maastricht was Melchior van Schwartzenberg tot Heerlen. Hij werd bijgestaan, en in zekere zin overvleugeld, door dt vestingbouwkundige Sebastien Tapijn. Diens rol tijdens het beleg illustreert te meer hoe belangrijk de zogenaamde „dode weermiddelen" waren. Tapijn had het voordeel te kunnen beschikken over veel mankracht voor de graafwerkzaamheden, waardoor hij in staat was de defensieve kracht van de vesting op peil te houden.

Daarbij kwam de gunstige omstandigheid dat de Spanjaarden niet precies de ligging en gesteldheid van de vestingwerken kenden. Verschillende Spaanse aan voeders waren weliswaar vóór 1579 in de stad geweest, maar zij hadden verzuimd de omgeving in zich op te nemen. De geschiedschrijver Alonso Vazquez zegt tenminste:

Ieder die er prijs op stelt een goed soldaat te zijn, moet in iedere plaats waar hij zich bevindt, de ligging en gesteldheid der vestingwerken in oogenschonw nemen omdat hem dit later te pas kan komen, en ook om, als zijn meerderen hem om inlichtingen vragen, dan ter zake te kunnen antwoorden met goede gegevens.

Als Don Hernando de Toledo en de vroegere commandant van Maastricht, Montesdoca, daaraan gedacht hadden, zou Alexander Farnese nu niet dagenlangin den blinde hebben behoeven te zoeken.

Het garnizoen van de stad bestond uit 1200 Franse, Engelse en Schotse militairen, versterkt met ongeveer 4000 gewapende burgers en boeren. De stad was goed voorzien van levensmiddelen, wapens en munitie, en bovendien bestond hoop op de komst van een ontzettingsleger. In het recente verleden was al vaker sprake geweest van een succesvolle hardnekkige verdediging, zoals in Alkmaar en Leiden.

De Staten-Generaal gaven duidelijk te kennen dat zij de stad niet in de steek wilden laten, maar geld en soldaten ontbraken. Een van de hoogtepunten in het beleg was de bestorming van de Bossche en de Tongerse poort op 8 april. Parma was in tijdnood, want hij had vernomen dat er kans was dat er op korte termijn een algemene wapenstilstand zou worden gesloten. Bovendien verwachtte hij niet vóór 15 april de komst van een ontzettingsleger.

Een stormloop tegen een goed bevestigde stad hield echter grote risico's in, zoals de Spanjaarden in 1573 bij Alkmaar hadden ondervonden toen hun aanvallen op twee bressen uitliepen op een nederlaag. Desondanks waagde hij het. De aanval concentreerde zich slechts op twee punten, daar het technisch gezien niet mogelijk was op meer plaatsen aan te vallen.

Het liep echter anders dan verwacht. De bressen in de muur bleken te smal te zijn. De geestdriftvan de aanvallers was wel groot, maar gevechtsdiscipline ontbrak ten enenmale. Een wanordelijkeuitvoering dus, terwijl de verdedigers een hardnekkigeverdediging voerden. Bij de Bossche poort werd in het heetst van de strijd met geschut gevuurd uit een toren, een mogelijkheid waarmee de Spanjaarden geen rekening hadden gehouden.

De aanval liep vast en de verliezen waren groot. De Nederlandse geschiedschrijver Bor vertelt dat Parma 2000 doden te betreuren had, maar dit aantal lijkt te hoog. Men kan zich namelijk afvragen of het mogelijk is zoveel mensen in eeukorte tijd op een beperkte ruimte te doen sneuvelen.

Van de andere kant was het verliespercentage ongetwijfeld hoger dan in onze tijd. Hoe het ook zij, Parma kreeg een stevige klap te incasseren. Opgeven wilde hij niet, want daarvoor was de stad van een te groot strategisch belang.

Parma liet vervolgens de stad volledig omringen door veldversterkingen en legde zo een insluitingslinie aan die door de krijgshistoricus Wijn wordt beschouwd als een van de eerste van dit soort.

Er ontwikkelde zich een belegeringsoorlog die klassiek zou worden. Loopgraven, mijngangen, beschietingen en uitvallen, en dat alles op zeer korte afstand.

De stad was inmiddels geïsoleerd van de buitenwereld. Slechts een enkele boodschapper of een enkele postduif slaagde erin dat isolement te doorbreken. Beide partijen raakten uitgeput. Parma werd geveld door ziekte. Tapijn liep een verwonding op, maar de strijd ging verder. Op 29 juni 1579 kwam het einde. De troepen van Parma slaagden erin de stad binnen te dringen. Na een beleg van vier maanden was Maastricht in Spaanse handen.

plundering Maastricht 1579

Conclusie

Voor het succesvolle verloop van deze veldtocht was een goede voorbereiding een absolute voorwaarde geweest, want de aantallen troepen die werden ingezet waren relatief groot. Dat Parma te zijner tijd ook Antwerpen wilde heroveren stond buiten kijf. In 1579 was het echter voor een dergelijke onderneming nog te vroeg.

Maastricht daarentegen was wel een haalbaar doel. De stad lag niet ver van het uitgangsgebied. Langs de Maas konden uit Bouges geschut en materiaal worden aangevoerd. Parma zorgde ervoor dat hij zijn tegenstander lang in onzekerheid hield over zijn bedoelingen. Hij dekte zich tegen aanvallen uit Duitsland en het Gelderse. Een felle stoot in de richting van Antwerpen verstrooide zijn tegenstanders.

Gebieden waar zijn troepen waren doorgetrokken, hadden aanzienlijk ingeboet aan logistieke bruikbaarheid. Door het maskeren van zijn bedoelingen, het inrichten van steunpunten, het scheppen van een logistiek vacuüm en het verstrooien van vijandelijke troepenconcentraties schakelde hij de mogelijkheid van het optreden van een ontzettingsleger uit. De belegering zelf was daarna slechts een zaak van afwikkelen. Hoewel de feitelijke strijd om de stad een statisch karakter had, valt de totale operatie te betitelen als een bewegingsoorlog: de basis van de verovering van Maastricht werd gelegd vóór de insluiting van de stad.

Niet voor niets typeerde later Montgomery de prins van Parma als volgt: „Parma, a master of economie strategical manoeuvre, as well as siegecraft and engineering."

Militaire Spectator 1980 pagina 386 t/m 392

Literatuur

W. Berlin — Geschiedkundig overzicht van het muntwezen in Nederland. Amsterdam (1882).

J. Brouwer (ed) — Kronieken van Spaansche soldaten uit het begin van den Tachtig jarigen Oorlog. Zutphen (1933).

L. van der Essen — Alexandre Farnèse. Prince de P arme. Gouverneur General des Pays-Bas (1545-1592). Brussel (1934).

L. J. Morreau — Bolwerk der Nederlanden. Assen (1979).

G. Parker — Spain and the Netherlands 1559-1659. Londen (1979).

G. Parker — The army of Flanders and the Spanish road 1567-1659. Cambridge (1972).

W. H. Schukking — Het beleg van Maastricht door Parma in 1579. Publications (1952/53)75-95.

I. L. Uijterschout — Beknopt overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandsche krijgsgeschiedenis van 1568 tot heden. Breda (1935).

J. W. Wijn — Het krijgswezen in den tijd van Prins Maurits. Utrecht (1934).