We hebben 343 gasten online

Hoofdstuk 4: De sociale toestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw in Maastricht

Gepost in Maastricht

Sphinx aardewerkfabriek

De sociale arbeidstoestanden in de aardewerkindustrie te Maastricht tijdens de 19e eeuw.

Zoals ik al eerder betoogde was Maastricht m.b.t. zijn werkgelegenheid afhankelijk van het garnizoen en zijn vesting. Verder ook van de handel en de verzorgende functie van de streek rondom Maastricht.

Toen de Belgische opstand uitbrak had dit voor de arbeidssituatie desastreuze gevlogen. De sociaal-economische positie van de arbeidende klasse was gewoonweg ellendig te noemen. De sociale wantoestanden waren talrijk en van ernstige aard:

· een afzichtelijk pauperisme had van de volksklasse bezit genomen;

· huisvesting, voeding, hygine en medische verzorging lieten alles te wensen over;

· de arbeidsdagen waren veel te lang en de lonen te laag;

· behalve de vrouw was ook het kind in het produktieproces ingeschakeld, soms zelfs met nachtarbeid.

Het is een veel verbreid misverstand, dat dit gehele complex van wantoestanden eerst in de loop van de 19e eeuw ontstond en de wrange vrucht was van liberalisme en modern kapitalisme. Als voorbeeld hiervan moge het volgende dienen: in 1638 had de stad Leiden 50.000 inwoners. Van deze 50.000 inwoners leefden er 20 000 in de diepste armoede en kregen van het stadsbestuur enige tegemoetkoming. Dit geval stond niet op zichzelf want een groot gedeelte van de bevolking moest toedertijd bedeeld worden. Niemand kon daar veel aan veranderen en tot het midden van de 19e eeuw was de houding van de bezittende klasse er een van gelatenheid.

Het ingrijpen van de staat was zeer beperkt. In de grondwet van 1815 stond, dat de gemeenten tot een jaarlijks verslag van de armenzorg verplicht waren aan de Staten-Generaal. In 1818 werd dat uitgebreid met de bepaling dat de gemeente, waarin de behoeftige geboren was, voor zijn onderstand moest zorgen. Dit betekende geenszins,dat iedereen daar recht op zou hebben.

Tot de jaren '40 bepaalde men zich vooral tot een afwachtende houding als het de armenzorg betrof. Dit wil niet zeggen dat men geen pogingen deed om oplossingen naar voren te brengen. Veel van deze oplossingen waren echter veel te fantastisch om uitgevoerd te worden. Er werd veel over het armenprobleem geschreven en gedacht, temeer omdat het gezien werd als een ernstige bedreiging voor de status quo.

Een typerende uitspraak uit 1822: “ Armoede, die verschrikkelijke bron van allerlei ondeugden, blijft de verpestende kanker der maatschappij. Zïj is een gevaar voor de staat die veiligheid moet verzekeren, want gebrek leidt tot misdaden en kan naar oproer sturen. (De Vrankrijker-" Een groeiende gedachte").

In de 19e-eeuwse literatuur werd een scherpe indeling gemaakt in de soorten armen: invaliden (gebrekkigen, ouden van dagen en weduwen met kinderen) die recht op ondersteuning hadden.Validen werden weer onderverdeeld in werkwïlligen, mensen die buiten hun schuld werkeloos geworden waren en recht hadden op ondersteuning in de vorm van werkverschaffing en niet-werkwilligen, "luiaards en aan. drank verslaafden", die uit de maatschappij gebannen moesten worden voor een heropvoeding.

Veel opgang deed in Nederland de theorie van Thomas Maltus ("Essay on the Principle of Population").Volgens Maltus was de Groei van de bevolking niet evenredig aan de groei van de levensmdddelenproduktie. Daarom ontstaat er altijd armoede,ellende, honger en nood.De schuld werd ook vaak aan de armen zelf gegeven. Hun eigenschappen zouden zijn: luiheid, traagheid, wïspelturigheid, zucht tot verkwisting etc.

Ondersteuning zou bovenstaande eigenschappen alleen maar versterken en in de hand werken. Bovendien verzwakte ondersteuning de prikkel tot arbeid, zoals van Alpen,lïd van de Tweede Kamer het in 1820 uitdrukte: "De mens is ten kwade geneigd. Gebrek aan werklust behoort tot zijn slechte eigenschappen waarmee hij de basis legt voor armoede, de gerechte straf voor verwaarlozing varn het goddelijk gebod om zich in te spannen". (De Frankrijker-“Een groeiende gedachte”).

De fabriek en het grootbedrijf zijn niet als moden kapitalistische vindingen uit de lucht konen vallen, doch waren het produkt van een langdurige evolutie, dat zijn oorsprong vond in de huisindustrie, het zogenaamde “ Verlag-systeem”.

De huisindustrie, Verlag, was een vorm van gedecentraliseerd grootbedrijf. Vele honderden huisarbeiders waren werkzaam voor één Verleger,die hetzij direct,hetzij middels een tussenpersoon, de sweater, contact met de arbeiders onderhield. Uit deze huisindustrie groeide in de loop van de 17e eeuw de manufactuur: de eerste vorm van industrieel grootbedrijf waarbij de arbeiders onder de technische leiding van de ondernemer in één bedrijfsruimte werden gecentraliseerd.

De manufactuur was de voorloopster van de fabriek; zij onderscheidde zich van de laatste doordat zij geen eigenlijke arbeidsverdeling kende, en door gemis aan machines. Huisindustrie, manufactuur en fabriek hebben in de vorige eeuw nog lange tijd naast elkaar bestaan. Vooral door het drukken van de lonen wisten de –arbeidsintensieve - huisindustrie en manufactuur zich nog geruime tijd te handhaven naast de fabriek, die in de loop van de 19e eeuw in ons land opkwam en haar tenslotte geheel verdrong.

Toen Regout in 1836 de Gedeputeerde Staten verzocht hem vergunning te verlenen voor het plaatsen van een aardewerkoven "in hetzelfde etablissement waar zich thans zijne kristale slijperij met de daartoe nodige stoommachine bevinde",vermeldde hij ook nog in het rekest dat hij de fabriek gaarne in de loop van de zomer nog in volle werking zou zien," en op die wijze in de stad Maastricht “ eenen nieuwen tak van nijverheid, te doen bloeien, welke weder aan onderscheidene inwoonders een voordelig bestaan zal kunnen opleveren”.Reeds bij resolutie van de Provinciale Raad van Limburg, van 3 juni 1836, werd R.egouts verzoek ingewilligd, zodat inderdaad nog in de zomer van datzelfde jaar de nieuwe fabriek in werking kon treden.

Tekenend was hier ook weer dat de vaklieden uit het buitenland moesten komen.De kennis was hier in ieder geval niet aanwezig.Het aantal arbeiders, dat in de eerste jaren van haar bestaan in de aardewerkfabriek was tewerkgesteld, is niet met zekerheid bekend.

Medio maart 1837 zouden er 62 personen, nl. 28 vreemdelingen en 34 Maastrichtenaren, werkzaam zijn geweest tegen 45 personen aan het einde van het jaar. In september 1839 telde de aardewerkfabriek 30 werklieden, maar is er ook sprake van 120 “afwisselde” werklieden, die dan weer in de ene dan weer in andere fabriek werkten.Reeds enige maanden na het in bedrijf stellen van de aardewerkfabriek meldde Regout, dat zij "volkomen aan de verwachtingen beantwoordde en eet goed debiet had in l Nederland en Duitsland”.

In augustus 1841 werkten in de aardewerkfabriek 59 personen en dit was in januari 1846 reeds opgelopen tot 177, terwijl einde 1848 er 295 personen waren tewerkgesteld. De aardewerkindustrie groeide na 1850 zeer voorspoedig wat moge blijken uit het feit dat in 1878 22 aardewerkovens in gebruik waren en in de kristal-, glas- en aardewerkfabrieken 2573 mensen werk vonden.

Zoals uit het bovenstaande blijkt was de groei van Regouts fabrieken voorspoedig. Een andere vraag was of er ook een merkbare verbetering in de levensomstandigheden kwam van diegenen die in zijn fabrieken werkzaam waren. Allereerst dient gesteld te worden, zoals ik al eerder aangaf, dat aan het eind van de vroeg-kapitalistische periode de sociale toestanden erbarmelijk waren.

Wantoestanden, die reeds eeuwen lang bestaan hadden, werden als zodanig niet meer onderkend doch sinds lang als normaal ervaren. De volksklasse was geheel en al verpauperd en leefde in doffe berustig .God zelf had immers de standen gewild en ook de armen.

Stond niet in het evangelie: “Armen zult gij altijd bij U hebben”? Gedachtig dit woord zocht men de oplossing van het armenprobleem niet in het uitzoeken van de armoede, maar in het bedenken van middelen om het getal armen zo beperkt mogelijk te houden en in het lenigen van armoede. Het gold als een voorname deugd tevreden te zijn in zijn stand en te weten wat daarin volgens vaderlandse zeden paste. Dankbaar en met ontzag behoorde de arme op te zien tegen de standen die de weldoeners der lagere waren.

De fabrikant,die werk verschafte en kinderen in dienst nam, beschouwde men als een prijzenswaardig filantroop, die het zijne ertoe bijdroeg om het pauperisme te beteugelen.

Nog in het midden der 19e eeuw waren deze ideeën gemeen goed in ons landen en ook in Maastricht dacht men er niet anders over. Vooral de kerk hield haar gelovigen voor dat ze maar moesten berusten, enkele uitzonderingen daargelaten.Tekenend in dit verband is het nog alom bekende gezegde in Maastricht: “Hou jij ze stom, dan hou ik ze arm”, aldus een fabrikant tijdens een gesprekje met een pastoor.

Tussen 1850 en 1870 voltrok zich in ons land de overgang van vroeg tot modern kapitalisme. Wanneer omstreeks 1850 de bevrijding van de arbeidende klasse uit het pauperisme begint, dan is dit niet te danken aan de verouderde vroeg-kapitalistische ondernemingen, die zeer arbeidsintensief waren en alleen hun bestaan konden rekken door een zware druk op het loonniveau uit te oefenen. Het waren de moderne ondernemingen die een einde maakten aan de langdurige structurele en massale werkeloosheid en nieuwe werkgelegenheid creëerden voor de door de landbouw afgestoten arbeidskrachten en de snel aangroeiende bevolking. Acctereenvolgens kijken we naar: a) de woonsituatie van de werknemers b) de kinderarbeid en de arbeidsduur c) de beloning.

Zie voor Hoofdstuk 5a: de woonsituatie Hoofdstuk 5a: De sociale toestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw in Maastricht