We hebben 199 gasten online

Hoofdstuk 5a: De sociale toestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw in Maastricht

Gepost in Maastricht

Sphinx aardewerkfabriek

a) De woonsituatie van de werknemers.

Zoals bij de werkgelegenheid al is gebleken speelde ook bij de woonsituatie mee dat Maastricht een vestingstad was. Juist doordat Maastricht een vestingstad was, was men wat m.b.t de bouwruimte gebonden aan de ruimte binnen de stadswallen. Dit betekende dat de bebouwing praktisch niet toenam.

Dat dit tot toestanden leidde wordt duidelijk als men bedenkt dat de bevolking van Maastricht van 1777 tot 1851 toenam met 58,6 % , 8798 personen, maar het woningbestand gelijk bleef. Dit betekende dat het gemiddeld aantal bewoners per huis steeg van 5,5 in 1777 naar 8,8 in 1851. Er waren maar 2719 huizen beschikbaar voor 22.600 inwoners.

Er is vaak beweerd dat met de ontwikkeling van de grootindustrie ook de woontoestanden van de arbeiders verslechterden. Niets is minder waar. De woontoestanden verslechterden al sinds 1777 en werden steeds slechter.

Het volgende moge dit illustreren In het Maastrichtse weekblad Veritas (jaren 1938-1941) verscheen een studie van de oud -wethouder Nafzger, over de huisvesting van de Maastrichtse arbeiders in de 19e eeuw. In deze studie komt naar voren dat in het jaar 1863 in de Raamstraat gemiddeld 18 personen per huis woonden, in de Antoniusstraat gemiddeld 16 en in de Grachtstraat gemddeld 14. Dit betekende dat de gemiddelde bevolking per huis sinds 1816 verdubbeld was.

Uit de studie blijkt verder dat de meeste huizen daar niet groot waren en bestonden uit krotten en vervallen patriciërshuizen.In het verslag der gemeente Maastricht over het jaar 1862 werd betreffende de arbeiderswoningen het volgende gememoreerd:

"Dat de arbeiderswoningen in Maastricht schaarsch worden, en dat er in de mindere volksklasse met moeite en slechts aan prijzen huisvesting kan bekomen, die, in evenredigheid met de huurprijzen der andere huizen,te hoog zijn. Men kan zelfs zeggen,dat er aan arbeiderswoningen, in den volsten zin des woords, gebrek bestaat; hetgeen te meer te betreuren is, omdat de openbare gezondheid het anders vordert."

Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat de woontoestanden allerellendigst waren. Petrus Regout die deze toestanden niet dadenloos kon accepteren, besloot in 1863 zelf over te gaan tot de z.g. Cité Ouvrière aan de St. Antoniusstraat. Over deze Cité Ouvrière zijn al veel fabeltjes verteld. Woorden als mensenpakhuis en dergelijke spreken voor zich.

Prof.Brugmans heeft het er ook over in zijn boek “De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw”. Het zegt het volgende:

"Het streven van de werkgevers, om door het stichten van aangename woonverblijven het levensgeluk der werklieden te vergroten, bestond in deze tijden nog niet. Dat blijkt ook uit het grote mensenpakhuis, dat de aardewerkfabriek in 1864 liet bouwen. In dit toenmaals met de weidse naam: Cité Ouvrière betitelde kazernegebouw woonden ongeveer 70 gezinnen,die er één gemeenschappelijke uitgang hadden. Het samenwonen van zovele gezinnen in één huis gaf tot ruzie, onzedelijkheid en dergelijke aanleiding. Bovendien hield de ondernemer de huurprijs - die volgens sommigen te hoog was - van het loon af, waardoor de arbeiders in een des te afhankelijker positie kwamen."

Aldus Prof. Brugmans. Brugmans heeft naar 20e-eeuwse maatstaven gelijk. Maar dit moet men niet gaan beoordelen met een 20e eeuws inzicht op een woonsituatie. Gezien in het licht van die tijd, waarin het gebouw ontstond, was de bouw van dit woningcomplex echter een sociale daad van grote allure.

Dit moge blijken als 30 jaar later door een enquêtecommissie, ingesteld door de Geneeskundige Raad van Limburg en oostelijk Noord-Brabant geoordeeld wordt dat:

"hoewel aan het gebouw de nadelen kleven der blokhuizen in het algemeen, zo mag het beschouwd worden als de beste onder de Maastrichtse kazernewoningen en zou het onder de gegeven omstandigheden niet kunnen gemist orden”.

Ik heb er al eerder op gewezen dat terwijl de bevolking met 58,6 % toenam het aantal woningen constant bleef. In dit licht gezien moet ik naar voren brengen, dat uit een aantal maatregelen, die Petrus Regout nam om de woonomstandigheden van zijn werknemers te verbeteren blijkt, dat Petrus Regout begaan was met de woonomstandigheden van zijn arbeiders. Ook voor de bouw van de Cité 0uvrière was hij wat dat betreft al actief.

Reeds in 1835 had Petrus Regout ten behoeve van zijn buitenlandse werknemers voor huisvesting moeten zorgdragen. Op last van de militaire autoriteiten moesten deze tesamen wonen. Hij richtte daartoe een gebouw op, dat plaats bood aan 200 personen, terwijl hij ook in zijn eigen huis, dat daarvoor was gelegen, een aantal werklieden onderbracht. Rond de jaren vijftig kocht of bouwde hij bovendien meerdere panden tot huisvesting van zijn arbeiders.

In een request van Regouts hand aan de minister van oorlog en financiën, waarin Regout aan de minister een stuk grond te koop vraagt, waarop hij dan woningen voor zijn werklieden kan bouwen, zegt Petrus Regout:" Er komt hier meer en meer behoefte aan geschikte woningen voor werklieden.

De wijze waarop ik deze zal inrichten zal grotendeels ten behoeve van de arbeiders zijn." Als motief van zijn handelen gaf Petrus Regout op, dat de stedelijke overheid een onverschilligheid aan de dag legde om voor een goede kazernering zorg te dragen.

Het idee van een behoorlijke woningvoorziening liet Petrus Regout niet los. Dit blijkt bijvoorbeeld hieruit dat Regout op 20 maart 1861 een vergunning aanvroeg om langs de rijksweg bij Vaeshartelt enkele huisjes, geschikt voor woning van invalide werklieden, te laten bouwen. Petrus Regout liet omstreeks 1867 de eerste eengezinswoningen voor arbeiders bouwen te Maastricht. Petrus Regout ging zelfs zover dat hij in 1868 aan de gemeente verlof vroeg om op zijn kosten de Dries - voor de door hem nieuw gebouwde arbeiderswoningen - te mogen bestraten. Hij achtte dit nodig

"daar de zuivering der straten en pleinen zoveel toedraagt aan de gezondheidstoestand,die vooral niet uit het oog moet worden verloren, op zodanige plaatsen waar meedere huishoudens tesamen wonen, en de lucht dus des te meer verversching nodig heeft".

Uit dit alles moge blijken dat het Regout echt wel te doen was om de woonsituatie, in zoverre dit in zijn macht lag, te verbeteren. Bij dit alles dient men ook te bedenken dat men toendertijd het als een normaal en goed financieel beleid zag om 20% rente te trekken uit een geraffineerde krotwoning-exploitatie.

Dat Petrus Regout zich heeft ingespannen om de hygiënische toestanden te verbeteren daar is al op gewezen. In het begin van de 19e eeuw waren de hygiënische toestanden in Maastricht erbarmelijk, zoals overigens overal in Nederland. Midden in de overbevolkte buurten, met hun smalle straatjes, stegen en sloppen, waar in de dicht op elkaar staande vochtige en uitgewoonde huizen licht noch lucht konden doordringen, lagen de gemeentevuilnisbelten.

Rondom de huizen die dikwijls geen privaat rijk waren, was de grond verontreinigd door f aecaliën en doordrenkt van ziekteverwekkende stoffen. Slecht functionerende beerputten en open beerkuilen, vaak vlak naast de waterput gelegen, verontreinigden de atmosfeer zo mogelijk nog meer. Waterleiding was een onbekende luxe; het vloeibaar vuil werd door open goten geloosd.

Eerst in 1873 kwam er een gemeenteverordening, waarin werd bepaald, dat hoogstens zes bij elkaar gelegen woningen een gemeenschappelijk secreet mochten hebben. In plaats van een secreet kon ook volstaan worden met een draaghaar secreetvat. Met die zes woningen waren dan wel huizen bedoeld, dus inclusief alle daarin wonende gezinnen. Deze bepaling werd in 1893 vernauwd tot één secreet op dertig personen, en één secreetvat op tien personen.

Petrus Regout heeft, voor zover dit bij de afwijzende houding der overheid in zijn vermogen lag, tegen deze mistoestanden hardnekkig gevochten. Het belang van zijn arbeiders was zijn belang. Hij kwam in het geweer toen zijn arbeiders bij hem kwamen klagen dat de gemeente de stadswaterpomp had afgebroken. Hij zelf diende toen een verzoekschrift in voor het aanleggen van waterleidingpompen.

In 1866 kwam het zelfs zover dat hij bij deurwaarders-exploit burgemeester Pijls, die altijd zijn tegenstrever is geweest, aansprakelijk stelde voor alle kwade gevolgen, veroorzaakt door de vuilnisbelt op de Bogaardeplaats, nadat hij al jaren lang had aangeboden om deze op zijn kosten op te ruimen. Al met al is duidelijk dat de erbarmelijke woonomstandigheden niet ontstonden door de opkomst van de grootindustrie in Maastricht. Regout is zoals gebleken niet stil blijven zitten en heeft gedaan eraan wat hij kon. Eerder is het aan het college van B. en W. te wijten dat men een en ander niet aanpakte.

De gemeente Maastricht constateerde in 1862 wel : “dat er aan arbeiderswoningen ,in den volsten zin des woords, een gebrek bestaat; hetgeen te meer te betreuren is,omdat de openbare gezondheid het anders vordert”,

maar toch liet burgemeester Pijls in 1863, om twijfelachtige redenen, een groot aantal huizen, die tot de huisvesting van arbeiders dienden, afbreken. Het was de politiek van B. en W. die er voor zorgde dat men geen woningen kon bouwen, omdat men vergunning voor het verkrijgen van bouwgrond van de hand wees. Het is dan ook onjuist om Regout te verwijten dat hij er te weinig aan deed, want zonder de medewerking van het stadsbestuur kon hij niets.

Zie voor hoofdstuk 5b: Hoofdstuk 5b: De sociale arbeidstoestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw in Maastricht