We hebben 290 gasten online

Hoofdstuk 5b: De sociale arbeidstoestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw in Maastricht

Gepost in Maastricht

Sphinx aardewerkfabriek

b) De kinderarbeid en de arbeidsduur.

Heden ten dage staat de kinderarbeid in een kwaad daglicht. Het stuit ons allen tegen de borst als men berichten hoort,dat men in de vorige eeuw kinderen uitbuitte door ze lange arbeidsdagen te laten maken.

Op de eerste plaats dient dan ook gesteld te worden dat de kinderarbeid zeker niet bijdroeg tot een gezonde fysieke en psychische ontwikkeling.

Waar kwam het vandaan dat kinderen meewerkten in het produktieproces?

Als we naar het buitenland kijken, dan blijkt,dat vooral in Engeland voorbeelden te zien waren van het gebruiken van kinderen in o.a. de kolenmijnen. De term misbruiken was hier eerder op zijn plaats dan gebruiken.

In Nederland zijn voor de gegevens van de arbeid van kinderen in de vorige eeuw vooral van belang de enquêtes die zijn gehouden in 1841 en 1860. De gegevens omtrent deze enquêtes zijn pas in 1922 gepubliceerd. Verder zijn nog van belang gegevens welke in later tijd zijn gepubliceerd over de kinderarbeid.

De hierboven aangehaalde enquêtes geven geen voldoende informatie over toe - of afname van de kinderarbeid. Men kan zich daarover dus geen gedetailleerd beeld vormen.

De vraag die gesteld kon worden m.b.t. de kinderarbeid is, of deze kinderarbeid al bestond voor de opkomst van de grootindustrie of dat deze een gevolg was van de opkomst van de grootindustrie. H

et is niet waar dat de kinderarbeid pas opkwam toen de groot-industrie zich ging ontwikkelen. Het is alom bekend dat in de landbouw veel kinderen werkzaam waren. Het waren goedkope arbeidskrachten en hoe meer kinderen men had hoe beter het voor het boerenbedrijf uitkwam. Verder dient er ook op gewezen te worden dat in de toen gebezigde huisarbeid veel kinderen werkzaam waren. De aantallen van deze kinderen zijn niet bekend. Eenvoudigweg niet omdat de enquête van 1841 zich enkel richtte op zodanige bedrijven van zekere omvang, waar de arbeid gedeeltelijk en soms geheel of grotendeels door aankomende jongens en meiden en door kinderen verricht werd en waar het aangeduide kwaad (dat zijn de misbruiken en misstanden bij kinderarbeid) reeds in enige mate aanwezig kon zijn of bij verdere uitbreiding zou kunnen geboren worden en wortel schieten.

Bij de enquête van 1860 was het zo dat men het onderzoek beperkte tot die fabrieken en werkplaatsen waarin het aantal kinderen en aankomende jongens en meisjes meer dan tien bedroeg. Doordat men door deze enquêtes geen totaal beeld kreeg van de werkelijke aantallen kinderen die werkzaam waren, verkrijgt men een enigszins vertekend beeld.

Keren we nu terug naar de situatie in Maastricht. Allereerst dienen we dan te bedenken, dat er in Maastricht niet sprake was van veel huisarbeid. Daardoor krijgt men echter wel een duidelijk beeld van de situatie.

Allereerst weer een citaat van Prof.Brugmans,waarin hij het heeft over de kinderarbeid te Maastricht.

"Een plaats waar toestanden werden aangetroffen, die veel geleken op de beruchte Engelse, is Maastricht geweest, dat zoals wij zagen, in industrieel opzicht verder was voortgeschreden dan enige andere stad in Nederland. Van hun negende jaar af werkten hier kinderen in de glasblazerijen en aardewerkfabrieken; een arbeidsdag van 12 uren was geen zeldzaamheid. Wat men hier ook, anders als elders aantreft is nachtarbeid door kinderen. In de genoemde fabrieken gingen de kinderen pas te middernacht of twee uren later naar huis, om door anderen van hun leeftijd te worden vervangen", aldus Prof.Brugmans.

Het staat natuurlijk buiten kijf, dat het mensonterende toestanden zijn als kinderen zulke arbeidstijden moeten maken. Maar was dit nu enkel en alleen het geval in Maastricht of kwam dit in Nederland meer voor?

Uit de enquête van 1841 blijkt, dat in allee geénquteerde Maastrichtse bedrijven (inclusief Regouts fabrieken) in totaal 571 arbeiders werkzaam weren, waaronder minstens 116 personen beneden 15 jaar. Zij maakten dus 20,3% van het totale aantal arbeiders uit. In datzelfde jaar bestond het personeel in de Friese textielfabrieken voor 27,5% uit kinderen. In een Enschedese katoenspinnerij was 33,5 % van de werklieden jonger das 15 jaar, in een Lonnekers textielbedrijf 46% . Van de arbeiders der Limburgse textielindustrie was 27% jonger dan 13 jaar. De overige Limburgse industrieën telden 17% kinderen (meest jonger dan 13 jaar). In de Zeeuwse calicotbedri jven was dit percentage zo en in de Utrechtse textielindustrie 11%. In de Utrechtse kleiindustrie was 18,5% jonger dan 12 jaar, 21% der Leidse katoenfabrieksarbeiders was beneden de 13 jaar.De Haar1emse textielfabrieken telden 13% kinderen tot 14 jaar.

Houdt men rekening met de aangenomen leeftijdsgroepen, dan moet worden geconcludeerd, dat in 1841 Regouts fabrieken een vergelijking op het gebied der kinderarbeid goed konden doorstaan. Als men Regouts fabrieken vergelijkt met andere Maastrichtse bedrijven m.b.t de relatieve omvang van de kinderarbeid,dan blijkt dat Regout met 18,8% er gunstiger opstaat dan de andere bedrijven, want hun personeelsbestand bestond voor 22,5% uit kinderen beneden de 15 jaar.

Het is dus onjuist om de aardewerk- en glasindustrie wat dit betreft verwijten te maken of als exceptioneel geval af te schilderen. Het blijkt dat overal in Nederland kinderarbeid voorkwam. En een singalering van dit feit is al schrijnend genoeg. Het feit dat men enquêtes ging voeren om hierover enkele gegevens te verzamelen, geeft al aan dat men het probleem langzamerhand van overheidswege ging onderkennen.

Er iets aan doen was nog iets heel anders.Het zou nog tot 1874 duren voordat de eerste wettelijke maatregelen werden genomen. Ondernemers uit die tijd worden nu vaak gezien als een soort beulen die met nietsontziende winsthonger zelfs kinderen exploiteerden. Ook hier kan men van overdrijving spreken. Voor de meeste kinderen was immers het deelnemen aan de huisarbeid een normale bezigheid.Voor menig kind betekende het binnengaan van de fabriekspoort een verbetering van de toestand. Vele werkzaamheden waren er lichter en eenvoudiger geworden en in verschillende gevallen kon de stoommachine er arbeid verrichten, die voorheen door jeugdige mensenkracht werd geleverd. Vooral wat de omgeving betrof ,waarin gewerkt werd - en dit gold uiteraard voor alle arbeiders - waren de fabrieken verre te prefereren boven de miserabele ruimten waarin de huisarbeiders vertoefden. In het algemeen waren ook de werktijden in de fabrieken korter dan in de huizen, al kwamen ook in de fabrieken nog abnormaal lange arbeidsdagen voor.Uit gegevens over het personeelsbestand ven Regouts bedrijven in 1849 blijkt dat er geen kinderen meer beneden de 10 jaar werkten.

Op een totaal van 538 werklieden werden er 54 kinderen beneden de 15 jaar aangetroffen. In 1841 was dit percentage nog 18,8 terwijl dit in 1849 was teruggebracht tot 10%. Beneden de 12 jaar - de norm die door het kinderwet je van 1874 werd ingevoerd - kwamen er slechts 7 kinderen of 1,3% van het totaal aantal arbeiders voor.

Uit bovenstaande gegevens komt naar voren, dat het misbruik van arbeid voor kinderen afnam. Dat dit zo was blijkt ook uit de gegevene van de enquéte uit 1860. Uit deze enquête blijkt dat de Maastrichtse bedrijven, inclusief die van Regout, nog voor 12,2% arbeidskrachten hadden die uit kinderen bestonden.

Ter vergelijking: textielindustrie in Friesland 19%, in Drente 20%, in Overi j sel 13, 4%, in Gelderland ruim l5%, in Limburg 9%, in N.Brabant 8%, in Noord-Holland ruim 16% en in de Zeeuwse calicotindustrie 5%. Bij de N.Brabantse tabaksindustrie kwam zelfs nog 23% voor.

Uit deze gegevens blijkt toch wel dat de Maastrichtse bedrijven een niet ongunstige plaats innemen. Wat toch niet wil zeggen dat het kwaad van de kinderarbeid nog altijd aanwezig was. Men was al een aantal jaren bezig om op deze mistoestanden te wijzen, maar men nam geen maatregelen. Men zag toendertijd de kinderarbeid als een onderdeel van het armoedevraagstuk. En het was niet de taak van de overheid om hierin regelend op te treden.

Ondanks dat er in 1860 een ministriële enquête werd ingesteld veranderde er weinig. Het zou nog 14 jaar gaan duren. De grote oorzaak van de kinderarbeid was hierin gelegen dat de vader zo weinig verdiende om van te leven,dat het loon van het kind een welkome aanvulling was waar men niet buiten kon. Men kreeg zo al te weinig voedsel en dat was al erg genoeg. Vooral ook de belasting op de eerste levensgoederen maakte dat b.v. brood luxe was voor een arbeider. Om de ellende te kunnen ontvluchten zocht men zijn toevlucht in de drank, met alle gevolgen van dien.

Was het voor de volwassen arbeiders ronduit abominabel, het was het zeker voor de kinderen. Ze kregen te weinig voedsel, wat ook niet bevordelijk was voor hun fysieke gezondheid, maar moesten dan ook nog lange arbeidsdagen maken. Naar de gezondheid hebben de enquêtes nooit een onderzoek ingesteld, maar het feit dat de toenmalige arbeiders niet veel ouder werden dan 35 jaar is tekenend genoeg. Dat deze hele situatie de psychische ontwikkeling en uitgroei schaadde hoeft geen verwondering te wekken. Het kon gewoon niet anders of dit moest schadelijk zijn.Een ding had men bereikt. Door de enquêtes begon men zich steeds meer met misbruik van kinderarbeid bezig te houden. Er verschenen een aantal brochures en geschriften die het in deze verdedigende vrijheidsbeginsel in twijfel trokken. Maar de regering deed niets.

Enkele fabrikanten namen zelf maatregelen zoals o.a. Regout,die op het mededelingenbord aan de fabriekspoort een schrijven liet hangen dat luidde:

“Voor 't vervolg zullen gene kinderen in de fabriek aangenomen worden,welke de Eerste H. Communie niet gedaan hebben."

De Gelderlander schreef daarover het volgende:

" De heer Regout,fabrikant te Maastricht, is de Twentsche confraters ver voor met zijn eisch,dat de kinderen hun Eerste H.Communie moeten gedaan hebhen,voor zij in zijne fabrieken kunnen werken."

Zoals al werd betoond deed de staat niets. Thorbecke gaf in 1871 nog te verstaan dat hij van een wettelijke regeling afkerig was.

Een man die voor de bescherming van het kind streed was J.H. Wijnen.Hi j was kapelaan van de St.Matthiasparochie. Deze was gelegen in de Boschstraat waar zich ook Regouts fabrieken bevonden. In zijn brochure "De arbeid der kinderen in fabrieken onder godsdienstig,zedelijk en stoffelijk oogpunt beschouwd" schrijft hij over de gevolgen van de kinderarbeid:

"Verstomping des geestes, idiotisme, zedelijk bederf en losbandigheid, onverschilligheid en verwaarlozing der christelijke plichten, verzwakking des lichaams, vroegtijdige dood, zwak en ziekelijk nakroost. De "oorzaken in de laagte" van de kinderarbeid waren volgens hem gelegen in onachtzaamheid en slordigheid van de moeder, in losbandigheid en dronkenschap van de vader.

Uiteindelijk werd op 19 september 1874 het kinderwetje van Van Houten aangenomen, waarbij slechts de arbeid van kinderen beneden de 12 in fabrieken verboden werd. Het was niet veel wat hij bereikte, maar hem komt de eer toe de stoot te hebben gegeven tot het nemen van wettelijke maatregelen om de sociale toestanden te verbeteren.

M.b.t. de arbeidsduur is het moeilijk om een juist beeld te verkrijgen. De arbeidsduur was nogal verschillend i.v.m. het soort fabrieken waar men werkte.De arbeidsduur was over het algemeen zeer lang en er kwamen zelfs werkdagen voor van 16 en meer uren. Vooral in de kleiindustrie schijnt dit te zijn voorgekomen. Bij de textielindustrie in Twente werd 12 uur of langer gewerkt. Als lichtpunt in deze kan worden opgemerkt dat niet voor alle categorieën der arbeiders de arbeidsdag even lang was; vaak werd door vrouwenmeisjes, jongens of kleine kinderen korter gewerkt. M.b..t de nachtarbeid, deze kwam voor in seizoensbedrijven, bedrijven die om technische redenen continu moeten draaien met nachtarbeid als overwerk in tijden van abnormale of seizoensdrukte.

Als we nu zien wat de werktijden bij P.Regout waren dan zien we dat vanaf 1851 tot 1870 een werktijd heeft gegolden van 11 uur per dag. En vanaf 1870 werd er in de aardewerkindustrie van P.Regout gewerkt van 7 uur 's morgens tot 17.30 met 1,5 uur pauze.Dit betekende een werkelijke werkdag van 9 uur.

Daar de glasfabriek continudienst vroeg kwam het hier voor dat jongens nachtarbeid verrichtten. Dat dit niet goed kon zijn voor de ontwikkeling van deze kinderen, daar hebben ik al op gewezen. Maar het is gemakkelijk om daar nu over te oordelen. Toen was het voor degenen,die er mee te maken hadden,minder gemakkelijk. Men bepaalde zijn oordeel veelal niet zelf; dat werd door de omstandigheden bepaald. Daar moet nog bij worden gezegd, dat de arbeid van deze jongeren in de glasfabricage niet zwaar genoemd kon worden, maar dat hoeft nog geen reden te zijn om ze 's nachts te laten werken. De oorzaak was ondermeer hierin gelegen, dat men bij de glasfabricage veel leerjongens nodig had en daar de glasfabricage een continu bedrijf was, werkten deze jongens ook 's nachts.

Gaat men de arbeidstijden vergelijken met andere arbeidstijden die in Nederland werden gemaakt,dan blijkt dat in P.Regouts fabrieken over het algemeen korter werd gewerkt. Ook in dit geval blijkt dat de keramische industrie een gunstige indruk achterlaat.

Hoofdstuk 5c: de beloning Hoofdstuk 5c: De sociale toestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw in Maastricht