We hebben 202 gasten online

Hoofdstuk 5c: De sociale toestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw in Maastricht

Gepost in Maastricht

Sphinx aardewerkfabriek

c) De beloning.

De beloning voor de geleverde arbeid was de reden dat men lange arbeidsdagen maakte. Stond deze beloning op een dusdanig niveau dat men er ruimschoots van kon rondkomen? Nee, zelfs helemaal niet. Wat betreft Regouts aardewerkfabriek zijn pas gegevens verkregen door de enquête van 1841.

Over de lonen voor 1841 is zeer weinig bekend. Men weet alleen dat uitheemse vaklieden alleen dan bereid waren om zich in Maastricht te vestigen als ze er vrij wonen en gratis behandeling van een geneesheer hadden, hun reis-en verhuiskosten vergoed kregen en een hoger loon ontvingen dan aan de buitenlandse fabriek die ze verlieten.Uit de enquête van 1841 blijkt dat de mannen welke werkzaam waren in Regouts aardewerkfabriek per dag 1 à 1,5 gulden verdienden (dat was dan wel voor eerste klas vaklieden) en dat de ongeschoolde arbeiders 50 á 60 cent per dag verdienden. Het jongensloon bedroeg er 40-50 cent, het meisjesloon 20-50 cent,terwijl de kinderen beneden de 15 jaar er 20-35 cent per dag verdienden.

Ter vergelijking: In de andere in 1841 geënquêteerde Maastrichtse bedrijven lag het dagloon voor mannen tussen 45 cent en 1 gulden -uitgezonderd de spijkerfabriek van P. en T. Regout en J.G.Lamriex,waar dit 100 a 125 cent was- voor jongens tussen de 20 en 70 cent, voor meisjes 25 á 30 cent en voor kinderen 25 á, 50 cent. In de spin- en weefwinkel van het Maastrichtse Rooms-Catholijk Armenhuis verdienden de kinderen echter slechts 3 cent per dag, waarbij men echter dient te bedenken dat zij er kost en inwoning genoten.

Vergelijkt men nu de lonen dan blijkt dat de vaklieden in de aardewerkfabriek hoge lonen verdienden, maar dat de ongeschoolde arbeiders een laag loon verdienden. Aldus de gegevens van de enquête van 1841.De jaren 1848 en 1849 zijn voor Regouts onderneming uiterst moeilijk geweest. In maart 1848 waren er 140 personen werkeloos geworden, terwijl de rest nog maar halve dagen werkte.

In de tweede helft van 1849 trad er echter een verbetering in en dat was maar goed ook want P.Regout was financieel volkomen uitgeput.Begin juli telden zijn fabrieken weer 538 arbeiders, maar doordat Regouts liquiditeitspositie precair was had dit zijn invloed op de lonen. In de aardewerkfabriek was het loon van de kinderen bijvoorbeeld gedaald van 20-35 cent tot 10-32 cent, het minimum-meisjesloon was er teruggebracht van 20 op 17 cent.

Over de ontwikkeling van de in Regouts fabrieken verdiende lonen in de jaren vijftig en zestig is nauwelijks iets bekend. In januari 1855 zou het laagste loon 23,5 cent per dag en het hoogste ƒ4,72 per dag hebben bedragen. Eind november 1855 blijkt dat men ten gevolge van de duurte - de prijzen van granen en aardappelen waren sinds 1850 verdubbeld - de arbeidslonen heeft moeten verhogen "ten einde aan de werklieden voor hen en hunne huisgezinnen brood te verschaffen."

Uit een lijst samengesteld door de enquêtecommiissie De Vries Robbé m.b.t. de Maastrichtse ambachten blijkt dat deze ambachtslieden over het algemeen hetzelfde en veelal zelfs minder verdienden dan de ongeschoolde Maastrichtse fabrieksarbeider. In de vergelijking met deze ambachtslieden blijkt wel dat de verdiensten over het algemeen niet rooskleurig waren.

Uit gegevens van de jaren 1872-1877 blijkt dat in Regouts fabrieken de lonen een stijgende tendens vertoonden. Deze stijging van de lonen was niet toe te schrijven aan gebrek aan arbeidskrachten, want sedert 1871 werd erover geklaagd dat de voorspoed Limburg,en vooral Maastricht ontvlucht was en dat de handel, landbouw en scheepvaart ernstig getroffen waren.

De loonstijging kan evenmin aan een actie van de arbeiders worden toegeschreven. Van enige organisatie van de Maastrichtse arbeiders is in de zeventiger jaren nog geen spoor te vinden: werkstakingen, spontane zowel als georganiseerde, bleven in Maastricht tot 1886 onbekend. Vermoed mag worden, dat Regout eigener beweging de lonen verhoogde, hetgeen zijn verklaring zou kunnen vinden in het feit dat ook toen weer - evenals rond 1855 - de prijzen van levensmiddelen opliepen. Als illustratie: in 1872 verdienden de leerjongens 30 cent per dag en eventueel meer als ze geschikt werden bevonden.

Wat betreft de uitbetaling van de lonen, deze had om de 2 weken plaats en soms om de maand. De maandelijkse betaling gold alleen de hoge lonen. In tegenstelling tot het tijdloon werd door P.Regout ook stukloon betaeld. De stuklonen werden per maand berekend. Eerst kreeg men een kleiner gedeelte hiervan en later op het einde van de maand volgde de definitieve afrekening.

Eind 1871 ging Regout er toe over om de lonen op donderdagavond uit te betalen. Dit had het voordeel dat de arbeider dan niet meteen in de gelegenheid werd gesteld om het weekend in de kroeg door te brengen - door welke maatregel dus het drankmisbruik werd bestreden - terwijl hij nu bovendien voordeliger zijn levensmiddelen op de markt kon inkopen, die op vrijdag en zaterdag werd gehouden. Truckstelsel (waarbij de lonen in natura werden uitbetaald) en gedwongen winkelnering kwamen in Maastricht niet voor.

Regout heeft zoals uit bovenstaande gegevens blijkt de lonen verhoogd als de prijzen stegen. Anders dan we m.b.t. de lonen bij Regout constateerden, hield men deze elders, ongeacht de hoogte van het pri jsniveau, constant ; aan de stand der bedrijvigheid paste men zich uitsluitend aan door de arbeiders te ontslaan of in dienst, te nemen.

Aangezien de prijzen der levensmiddelen in de loop van de 19e eeuw hevig fluctureerden en over het algemeen sterk stegen, moest het reële loon dus eveneens sterke schommelingen vertonen en steeds meer toenemen.

Een ding is zeer duidelijk,tussen 1820 en 1870 stegen de prijzen met ten minste 50% maar de lonen bleven gelijk of verminderden zelfs. Regout was in deze een lichtpunt in de duisternis.

Waardoor kwam het nu dat de lonen niet stegen?

Het was merkwaardig, want reeds in 1816 merkte Hogendorp op, dat de werklonen van de ambachtsman niet voldoende waren om een talrijk gezin van te onderhouden. In 1827 klaagde dezelfde Hogendorp, dat de daglonen niet of niet in evenredigheid met de duurte waren verhoogd. Maar het gekke is dat in 1869 nog werd verklaard dat de arbeider te weinig verdiende om te leven, maar te veel om te sterven.

De lonen stegen niet, omdat de gedrukte economische toestand weinig aanleiding gaf tot betaling van hoge lonen, maar daarnaast waren er nog andere oorzaken.

· De lonen bleven stabiel omdat ze weinig invloed ondergingen van de bedrijfstoestanden. Er was ook geen sprake van enige nivellering tussen het ene en het andere vak.

· Als tweede oorzaak dient genoemd te worden de bijdragen die de armenbesturen verleenden. Zij verleenden bijdragen niet alleen aan hen die door ziekte of invaliditeit waren getroffen, maar ook verleenden ze bijdragen aan arbeiders die van hun verdiende loon niet in staat waren hun gezin voldoende te onderhouden. In feite droegen de armenbesturen bij omdat het loon te laagwas. Doordat de armenbesturen dit deden werden de lonen niet verhoogd.

· De lonen stegen ook niet,omdat veel arbeiders onbekwaam waren om te werken omdat hun geestelijke en lichamelijke capaciteiten te wensen over lieten.Dat dit kwam door de miserabele leefomstandigheden zal duidelijk zijn. In de literatuur van de vorige eeuw werd de arbeider dan ook omschreven als ondervoed, krachteloos, traag en onbekwaam. Daarentegen was het wel zo,dat men aan goede vaklieden een hoog, loon betaalde. Tekenend ook voor de onbekwaamheid van de arbeiders was bijvoorbeeld dat als er bepaalde werkzaamheden moesten worden uitgevoerd men daarvoor veel arbeidskrachten aantrok uit het buitenland.

· Verder steeg het loon nietomdat de bevolking toenam. Voor ongeschoold- werk kwamen er steeds meer arbeiders bij terwijl er te weinig werk voor hen was. Doordat het aanbod van arbeidskrachten hoog was konden de lonen laag worden gehouden. Ondanks dat de lonen laag waren kreeg men toch genoeg arbeiders.

Hierin komt eigenlijk al tot uiting dat de arbeid koopwaar was. De beloning van de arbeid, de hoogte daarvan, kwam tot stand via het z.g. marktmechanisme, namelijk via vraag en aanbod. Naar deze economische wetmatigheid richtte zich dus de hoogte van de lonen.Petrus Regout nu was een man, die als de lonen reëel erop achteruitgingen ze weer optrok, daar heb ik al op gewezen.Het was alles bij elkaar ook niet zo verwonderlijk dat er in de vorige eeuw mensen naar voren kwamen, die betoogden dat de arbeider beter op latere leeftijd kon trouwen en dat men naar voren bracht dat de gezinnen beter kleiner konden zijn.

Hoofdstuk 6: Conclusies Hoofdstuk 6: De sociale toestanden in de aardewerkindustrie in de 19e eeuw in Maastricht