We hebben 142 gasten online

De Dominikanen in Maastricht deel 1 en deel 2

Gepost in Maastricht

 

graaf van den berch mstrdominikanerkerk Mstr

De Dominikanen in Maastricht De geschiedenis van hun kerk en klooster.

 

Oorspronkelijk verschenen in Limburger Koerier 13 mei 1938 en 17 mei 1938, dr.J.Ploeg O.P.

Aan geen enkelen Maastrichtenaar is de schoone z.g. Dominikanenkerk zijnei stad onbekend, maar van de geschiedenis dier kerk en het ermee verbonden klooster heeft hij meestal zelfs geen vermoeden meer. Het is daarom de bedoeling van schrijver dezes, oud-stadgenoot, door enkele regels in dit blad de herinnering aan een groot verleden weer wakker te roepen.

De Dominikanenorde was door St. Dominicus in 1216 gesticht met de bedoeling een orde van priesters te schenken, die, na zichzelf geheiligd te hebben door de beoefening van het religieuze leven en na zich door studie de noodige kennis te hebben verworven, de ware leer der Kerk overal zouden verkondigen en tegen de bestrijders ervan verdedigen. Dit deden zij dan ook door woord en geschrift, door prediking en onderricht. Ze verschenen op de kansels van steden en dorpen zoowel als op de leerstoelen der universiteiten. Spoedig breidde de orde zich uit en telde bij den dood van haar heiligen stichter al een groot aantal kloosters.

In 1229 was ze reeds vertegenwoordigd te Luik en spoedig daarna ook te Maastricht. Wanneer de Dorninikanen daar precies gekomen zijn, is niet erg duidelijk; het juiste jaartal was in vroeger eeuwen reeds omstreden en kan ook nu nog niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Er is veel voor te zeggen, dat reeds in 1231 enkele paters te Maastricht zijn geweest, al is het niet zeker, of ze er zich toen reeds blijvend gevestigd hebben en een geordend kloosterleven zijn begonnen. Er zijn geschiedkundigen die aan 1254 of zelfs aan 1261 denken als de eigenlijke stichtingsdatum van het klooster, maar ook dat staat niet vast. Wat hier ook van zij: de Dominikanen waren in de 13de eeuw reeds zeer vroeg in de stad aanwezig en ziin er tot hun vertrek altijd op dezelfde Plaats blijven wonen.

De overlevering weet te verhalen, dat de toenmalige „voogd", dat is bevelhebber der stad, een zekere Adam, heer van Borghaeren, die zijn functie uitoefende in naam van den hertog van Brabant, aan de paters bij hun komst in 1231 gastvrijheid aanbood in zijn huis in de Spilstraat. Het lag dicht bij de tegenwoordige markt en de toenmalige oude stadsmuur die langs de Groote Gracht liep. Dit huis bleef in bezit van de kloosterstichting, totdat het in 1635 werd afgebroken.

De eerste prior (d.w.z. overste) was, weer volgens" dezelfde overlevering, een zekere Guinandus. een Duitscher. waarvan een oud schrijver der orde, Thomas van Cantinnré. in zijn beroemd „Bieënboek" zelfs wonderen weet mee te deelen. Nu kan men in dat „Bieënboek" de ongelooflijkste wonderverhalen kritiekloos bijeen vinden, maar omtrent onzen Guinandus heeft de schrijver toch vrij nauwkeurige berichten en verhaalt er liet volgende van: „

De broeders van de orde der Predikheeren te Maastricht hebben mij verteld, dat hun prior Guinandus, dien ik zelf gekend heb, na het middagmaal naar het gastenverblijf ging en tot den procurator zeide: kom, breng de broeders en mij een glas wijn, als ge kunt. Deze antwoordde: het vat wijn is al drie dagen lang geheel leeg. Wat te doen? Op bevel van den prior ging de procurator naar het wijnvat, vond het vol en kon nog lang daarna, ter vergrooting van het wonder, de broeders ervan bedienen."

Heeft het wonder werkelijk plaats gehad, of hebben de „broeders van Maastricht" aan hun Leuvenschen medebroeder wat te veel verteld? In ieder geval was de eerste prior een heilig man en is hetgeen Thomas van Cantinpré over hem schreef, door verschillende andere geschiedschrijvers overgenomen. Hij stierf in 1235 en van zijn grafsteen bezitten we nu nog een afbeelding.

Al vroeg begon men met het optrekken van enkele kloostergebouwen en in 1267 werd begin gemaakt met de tegenwoordige kerk. Op de plaats, waar men "wilde bouwen, n.l aan de St. Jorisstraat, de tegenwoordige Groote Staat, stond een kapel, gewijd aan St. Joris en toebehoorend aan het kapittel van St. Ser-Eenige verdiensten of inkomsten waren er niet aan verbonden, maar toch wilden de kanunniken haar aan de Dorninikanen niet afstaan. Zelfs toen Paus Clemens IV in 1268 een breve aan het kapittel richtte met het verzoek, de Dominikanen in dezen terwille te zijn, gaven de kanunniken nog niet toe. Eerst in 1617 werd het terrein, waar de kapel, in 1567 door de beeldstormers verwoest, gestaan had door den proost van het kapittel aan de Dorninikanen geschonken.

In 1275 was de kerk voltooid en werd toegewijd aan St. Paulus, den grooten predikapostel. On 29 September 1294 werd ze plechtig geconsacreerd door „Broeder Franciscus, van de orde der Predikbroeders", bisschop van Solumbrië en vlcesgerens van den bisschop van Luik, die zelf de bisschoppelijke waardigheid niet bezat. Een beschrijving der kerk moge hier achterwege blijven, ieder Maastrichtenaar kent haar immers. Het was een van de eerste gothiek-kerken in onze streken, in zeer zuiveren stijl ongetrokken uit witte mergel.

Later zijn er nog twee kapellen aan toegevoegd: die van O. L. Vrouw van den H. Rozenkrans aan de rechter- (zuid-) zijde van het priesterkoor, die men nu nog duidelijk kan zien en die van de H. Catharina, Maagd en Martelares, aan de linkerzijde. De sacristie bevond zich links van de Catharinakapel en net klooster sloot zich daarbij aan. Het bestond in hoofdzaak uit een groot vierkant gebouw met een kloostergang en een hof in het midden, zooals men op bijgaande teekening, die uit 1717 dateert, duidelijk kan zien. In het noordelijk pand, zoo ver mogelijk van de kerk af lag de refter, waar men de maaltijden gebruikte. Aan den westkant laverschillende bijgebouwen: werkgelegenheden. ontvangkamers, ziekenkamers, enz. Rond den middelsten bouw lag de kloostertuin, waarvan de oostelijke muur langs de Spilstraat liep.

Het huis was groot genoeg en bood plaats voor vele kloosterlingen: toen het in 1796 werd opgeheven moeten het er 3a geweest zijn. In 1330 zou een generaal kapittel der orde gehouden worden te Keulen. Het was in den tijd. dat een hevige strijd woedde tusschen den gekozen Duitschen keizer Lodewijk van Beieren en Paus Joannes XXII. De Dorninikanen hadden de zijde van den Paus gekozen en waren daarmee Lodewijk's vijanden geworden. Deze liet zich niet onbetuigd en beraamde een aanslag tegen de afgevaardigden der Orde, die te Keulen in, kapittel biieen waren. Maar, zoo luidt het verhaal van de Maastrichtsche kroniekschrijvers, St. Servatius verscheen in een droom aan een zuster Dominikanes. deze waarschuwde op haar beurt de paters, die Keulen haastig verlieten en het generaal kapittel der orde te Maastricht hielden.

De waarheid van bovenstaand verhaal is wel aangevochten, maar een feit is het, dat sindsdien de orde het feest van St. Servatius altijd bijzonder heeft herdacht en in de kerkelijke getijden zijn wonderbare hulp dankbaar gedenkt. Zoodat, terwijl het feest van St. Servatius buiten Limburg en Maastricht bijna nergens bestaat, het in de Dorninikanen en Dominikanessenkloosters van de 1ste, 2de en 3de orde overal ter wereld gevierd wordt en daar den naam van Maastricht en van diens patroonheilige bekend doet zijn. In 1316 kreeg men de geestelijke leiding van een begijnhof, gesticht door een zekeren Wiric Borneke en in 1350 over het begijnhof, dat pas gesticht was aan de tegenwoordige Begijnenstraat De Dorninikanen traden op, als raadgevers van de burgerij en de namen van hun prioren vindt men vermeld op officieele stukken naast die van de schepenen der- stad en andere hoogwaardigheidsbekleders. Zoo nam men in het leven der stad een vooraanstaande en belangrijke plaats in.

In een volgend artikel zullen we iets zien van de verdere lotgevallen van kerk en klooster.

De Dominikanen in Maastricht Hoe zij uit de stad verdwenen.

In ons vorig artikel hebben we het een en ander gezegd over de stichting en de vroegste geschiedenis van kerk en klooster. In deze regels zullen we de verdere geschiedenis volgen tot het einde. Langzamerhand waren de tijden voor paters ongunstig geworden, de inkomsten van het klooster waren sterk achteruit gegaan en men had soms nauwelijks genoeg om van te kunnen leven. Ook was de kloostertucht verslapt, maar was in 1494 hersteld geworden. De tijden bleven evenwel slecht, zoo slecht, dat men zelfs algemeene ontheffing verzocht van het verbod om vleesch te eten, omdat, zoo zegt de kroniekschrijver, men van gebrek bijna omkwam. De gevraagde vrijstelling werd verleend in 1545. Ondertusschen was de Hervorming ook in de Nederlanden doorgedrongen en brak in 1566 de beeldenstorm los, waaronder ook Maastricht te lijden heeft gehad. In Januari 1567 werden kerk en klooster der Dominikanen er door getroffen. De Dominikanen hadden overal een groot aandeel in de zoozeer gehate inquisitie en daarom is het niet te verwonderen, dat de woede van het volk zich bijzonder tegen hen richtte. In hetzelfde jaar 1567 bezette evenwel het Spaansche leger de stad en keerde voor de kloosterlingen de rust weer, maar toen in 1578 de Spanjaarden wederom af moesten trekken, begon de ellende opnieuw. Weer woedde men tegen de Dominikanen, de inhoud van kerk en klooster werd vernield, het tabernakel opengebroken, de kostbare bibliotheek verbrand, ja zelfs ontzagen sommige burgers zich niet, de graven open te breken om de daarin gevonden doodsbeenderen te gebruiken bij het vervaardigen van kruit!

De paters moesten naar alle kanten de wijk nemen, twee ervan werden zelfs vermoord. Het lot van Maastricht was in die dagen echter wisselend, in 1579 moest de stad weer overgegeven worden aan de Spanjaarden en konden de nog overgebleven paters, naar hun klooster terug keeren. Dat nam evenwel niet weg, dat ze nog jaren lang groote ellende moesten verduren.

In 1621 ging van Maastricht 'n nieuwe kloosterstichting uit. De Maastrichtsche Dominikaan Jac. Frederix was in 1621 door het kapittel van Susteren benoemd tot pastoor te Sittard, alwaar men in 1626 een klooster begon. In 1627 werd te Maastricht 'n noviciaat gevestigd, wat nieuwen bloei met zich mede moest brengen. Toen evenwel in 1632 de stad werd ingenomen door Prins Frederik Hendrik, vreesden de paters, door vroegere ondervindingen geleerd, het ergste en bereidden er zich al op voor, de stad te kunnen verlaten. Tot dat doel kocht men in Tongeren een huis, dat later een klooster werd en dat men dan als toevluchtsoord wilde gebruiken.

De vrees voor de Staatschen bleek ditmaal echter ongegrond, men kon rustig blijven waar men was, zonder overlast te verduren te hebben. Een beroemd zoon van net klooster uit de 17de eeuw was de leekenbroeder Franciscus Romanus. Geboren te Gent in 1646 trad hij te Maastricht in de orde en deed aldaar professie. Hij was architect van beroep en herstelde in 1684 den eersten boog (aan den kant van de stad) van de in vervallen toestand verkeerende oude Maasbrug.

Om zijn groote bekwaamheid riep koning Lodewijk XIV van Frankrijk hem naar Parijs en benoemde hem tot koninklijk architect en algemeen inspecteur van bruggen en kanalen". Hij stierf te Parijs op hoogen ouderdom, in 1735.

Ook op geestelijk terrein onderscheidden zich de zonen van St. Dominicus. Ze voerden de gewoonte in om op alle Zondagen in hun kerk preeken te houden, waarin de geloofsleer der Kerk tegenover de Protestanten werd uiteengezet, een gebruik, dat tot opheffing van het klooster heeft voortgeduurd. Daarmee zetten zij de traditie voort, waar St. Dominicus reeds mee begonnen was, toen hij onbevreesd tegen de kettersche Waldenzen en Katharen was te velde getrokken met het wapen van het apostolische woord.

Het einde van het klooster naderde evenwel. In Frankrijk was een revolutie uitgebroken, die 't aanschijn van Europa en daarmee dat der wereld zou veranderen. Ook in Nederland deed zich de invloed ervan voelen. Op 4 November 1794 , trokken Fransche troepen Maastricht binnen, na een beschieting waarvan o.a. ! ook kerk en klooster der Dominikanen veel te lijden hadden gehad.

Reeds, spoedig, in 1796, kregen de verschillende kloostergemeenschappen der stad van de Fransche commissarissen aanzegging, hun huizen te ontruimen. De Dominikanen deden dit 5 December 1796, na 5 eeuwen in de stad geweest te zijn en daar gestrekt te hebben tot zegen , van de burgerij.

Ze protesteerden en onderteekenden gezamenlijk een plechtige verklaring, dat ze slechts weken voor geweld. Het protest werd voor kennisgeving aangenomen en de Fransche politie-commissaris voegde aan het stuk een verklaring toe, dat het uitsluitend was gegeven om het geweten der protesteerenden te ontlasten. Dit was dan de toepassing der leuze: vrijheid, gelijkheid, broederschap!

Aanstonds werd door de Franschen beslag gelegd op alle roerende en onroerende goederen van het klooster. Het archief werd naar Parijs gebracht en de boeken der bibliotheek, samen niet minder dan 30.000 banden!, bij stapels verkocht. De verkoop bracht netto de luttele som op van nog geen 2000 francs!

De kloostergebouwen werden aan de stad gegeven, die ze liet gebruiken voor het geven van onderwijs. De kerk zelf werd, met verandering van haar naam, op 25 Januari 1797 in gebruik genomen als parochiekerk van St. Jan de Dooper en bleef dat tot 1805, toen de zetel der parochie overgebracht werd naar Sint Servaas.

Daarheen bracht men ook veel waardevols van den inhoud der kerk. Het grafmonument van den graaf van den Berch 's-Heerenberg (1669), bevelhebber der stad Maastricht, en van diens gemalin (1683), werd van de Rozenkranskapel, waar het meer dan een eeuw gestaan had, verplaatst naar de linkerzijbeuk van het dwarsschip van St. Servaas, waar men het nu nog ziet.

Ook de eikenhouten gebeeldhouwde biechtstoelen werd naar die kerk overgebracht, ook het kostbare tabernakel van het Mariaaltaar verdween tezamen met een verzameling schilderijen van Dominikaansche heiligen en nog veel meer.

De kerk zelf, waar eens de zegenende hand van den consacreerenden bisschop langs was gegaan, waar eeuwen lang kloosterlingen God hadden gediend en God zelf had gewoond, werd gebruikt als magazijn, ja zelfs eens als paardenstal.

Het klooster werd langzamerhand afgebroken. In 1804 verdwenen de oost- en zuidvleugel van het kloostervierkant, die resp. langs de kerk en langs de Spilstraat liepen. De rest werd in gebruik genomen als koninklijk atheneum.

Van wat er nog over was gebleven Is later het grootste deel ook nog afgebroken om plaats te maken voor het nieuwe gebouw van Gymnasium en H.B.S. aan de Helmstraat. Van alles, wat er eens was, is weinig meer overgebleven dan de kerk, die daar staat als „schaduw van een grooten naam", wijzende op een grootsch verleden.

Een Dominikaan is tegenwoordig in het Maastrichtsche stadsbeeld een vreemde. Een vreemde in de stad, waar hij 5 eeuwen heeft thuisgehoord en met welks geschiedenis hij is samengegroeid.