We hebben 299 gasten online

Maastricht uit Serie Steden en hun Verleden

Gepost in Maastricht

Maastricht Vrijthof 

De eerste Nederlandse dichter Hendrik van Veldeke (circa 1170) gaf in zijn versie van de Sint-Servaaslegende de volgende beschrijving van de ligging van Maastricht: 

In eynen dall scoen ende liecht

Effen ende wael ghedaen,

Daer twee water tsamen gaen

Eyn groot ende eyn cleyne

Claers schoen ende reyne:

Dats die Jeker ende die Mase

Dit gedicht vestigt de aandacht op de vestigingsfactor die hiervóór reeds meermalen ter sprake kwam: de ligging aan het water. Belangrijker nog dan de ligging aan het water was de ligging aan de Romeinse weg tussen Boulogne en Keulen, die op deze plek de Maas kruiste. In het Romeinse Rijk waren landwegen zowel voor het handelsverkeer als voor de militaire organisatie van groot belang.

In de eerste eeuw en begin tweede eeuw, toen het Romeinse Rijk zijn grootste omvang kende, werd de noordwestelijke uithoek (waar Maastricht lag) ontsloten met behulp van zogenaamde heirbanen.
De weg tussen Boulogne en Keulen behoorde tot de belangrijkste verbindingswegen in deze contreien. Op de plaats waar de weg de Maas kruiste, werd omstreeks 100 na Chr. een houten brug gebouwd, die nog tot in de dertiendeeeuw dienst heeft gedaan. Pas nadat zij tijdens een processie in 1275 was ingestort, zou zij door een stenen brug (de huidige Sint-Servaasbrug) worden vervangen. Eeuwenlang zou deze brug de meest noordelijke oeververbinding over een van de grote rivieren aan de oostkant van de lage landen blijven. Deze plek was dus ideaal voor een aanvankelijk nog zeer bescheiden handelsnederzetting.

In de vroege geschiedenis van Maastricht. speelde nog een vestigingsfactor een grote rol. Toen in de loop van de tweede en derde eeuw de noordwestelijke grenzen van het Romeinse Rijk ernstig verzwakten en de grensvestingen langs de Rijn geen voldoende zekerheid tegen invasies meer boden, werden ook op enige afstand van de grens versterkte nederzettingen (met garnizoenen) opgezet.

romeins castellum Maastricht

Het castellum van Maastricht is daarvan een sprekend voorbeeld.Castellum en handelsnederzetting werden in de loop van de vierde eeuw ook een christelijk kerkelijk centrum. Het is vooral deze omstandigheid, die ervoor heeft gezorgd dat Maastricht vanaf de eerste eeuw een voortdurende bewoning heeft gekend.

Maastricht begin Jaartelling

De nederzetting (1)waar de weg van Tongeren naar Keulen (2) de rivier kruiste, kreeg de naam Trajectum. In de vierde eeuw werd door de bewoners midden in het woongebied een versterking aangelegd (3). Tussen de weg en de Jeker lag een grafveld waar Sint servaas werd begraven (4).

Maastricht groeide vanaf die tijd uit tot een bedevaartsoord ter ere van Sint-Servaas. In zijn ambtsperiode had Servaas zijn bisschopszetel van Tongeren naar Maastricht verplaatst, omdat eerstgenoemde plaats een Romeinse civitas, een bestuurlijk centrum was en geen versterkte nederzetting. Het leek Servaas veiliger om het beter verdedigbare castellum Maastricht als domicilie te kiezen.

In de Sint-Servaaslegende wordt die verhuizing verklaard aan de hand van het verzet van de Tongerse christenen tegen de strenge maatregelen die de bisschop tegen hun zedeloze levenswijze nam. De legende over het leven vande heilige heeft overigens een veel belangrijkere rol gespeeld in de geschiedenis van Maastricht dan het feitelijke leven van Servaas, waarover nauwelijks iets bekend is. Na zijn dood werd de bisschop begraven op de net buiten
het castellum gelegen begraafplaats.

Al snel werd zijn graf een plaats van bijzondere verering, omdat er wonderen zouden gebeuren. Terwille van deze verering liet bisschop Sint-Monulfus in de tweede helft van de zesde eeuw een`magnum templum' (grote stenen
kerk) boven het graf van zijn vereerde voorganger bouwen. De resten daarvan zijn nog onder de huidige Sint-Servaaskerk te zien. Aldus kreeg Maastricht zijn tweede kerk, want al in de vierde eeuw was aan de zuidzijde van het castellum een kerkje gebouwd op de plaats waar thans de Onze Lieve Vrouwekerk staat. Dit was tot ongeveer 710 de bisschopskerk toen Hubertus de bisschopszetel definitief van Maastricht naar Luik verplaatste.Deze verhuizing
bracht het bestaan van Maastricht niet in gevaar, De nederzetting was door de gunstige ligging niet afhankelijk van de aanwezigheid van de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder.
Bovendien hadden de beide kerken reeds een dermate stevige positie binnen de kerkelijke organisatie dat ze onafhankelijk van de bisschoppelijke zetel konden blijven functioneren, te meer omdat de Sint-Servaaskerk zich tot
een befaamde pelgrimskerk ontwikkelde.

romaanse stijl olv mstr

Onze Lieve Vrouwekerk

Belangrijk is ook dat Maastricht bij het kernbezit van de Karolingen lag: de streek tussen Aken, Luik en Maastricht. Vanuit hier wisten de Karolingen, eerst als hofmeiers en later - vanaf 751 - als koningen hun macht in het
Frankische Rijk te vestigen. Al onder hun Merovingische voorgangers bevond zich een palts (een koninklijke residentie waar de vorst enige tijd verbleef en recht sprak) in de buurt van de Sint-Servaaskerk.

Tweeherigheid

In de Karolingische periode ligt ook de oorsprong van de befaamde tweeherigheid van Maastricht. Daarmee wordt het verschijnsel aangeduid waarbij twee landsheren, namelijk de prins-bisschop van Luik en de hertog van Brabant tegelijkertijd wereldlijke macht uitoefenden over de stad en de stedelingen. De hertog was eigenlijk de opvolger van de Karolingische koningen. Hoewel deze situatie pas in 1284 in de 'Alde Caerte', een van de oudste bewaard gebleven oorkonden met Maastrichts stadsrecht, werd omschreven, was zij een logisch uitvloeisel van de ontstaansgeschiedenis van de stad.

Maastricht: Die Oude Caerte

Met de Alde Caerte werden in 1284 regels voor de jurisdictie over de stad Maastricht vastgelegd. De prins-bisschop en de hertog oefenden daardoor tegelijkertijd wereldlijke macht uit over de stad. Zij bezaten rechtsmacht over
respectievelijk de burgers van Luikse en Brabantse afkomst.

Een ander voor de Maastrichtse geschiedenis zo kenmerkend verschijnsel met eveneens wortels in de Karolingische tijd was de machtspositie van het kapittel van de Sint-Servaaskerk.

Om deze beide verschijnselen en daarmee de Maastrichtse stadsgeschiedenis goed te begrijpen, moet men zich eerst realiseren dat een bisschop niet alleen kerkelijke maar ook wereldlijke macht had en dus kon optreden als
landsheer. Het onderscheid tussen kerkelijke en wereldlijke zaken was nog niet zo scherp. Toen de bisschopszetel van Maastricht naar Luik werd overgebracht, bleven de wereldlijke rechten van de bisschop onverlet bestaan. Die rechten golden met name het tolrecht en het gezag over een gedeelte van het latere stadsgebied van Maastricht, namelijk het oude castellum, de daaraan grenzende agglomeratie rond de Onze Lieve Vrouwekerk, het
aanpalende Sint-Pieterdorp, dat bovendien het bisschoppelijke munthuis herbergde, en het stadsdeel Wijk aan de overzijde van de Maas.

Daarnaast ontwikkelde zich een vestigingsgebied rondom de Sint-Servaaskerk. Deze kerk stond sterk onder invloed van de wereldlijke vorsten, de Karolingers en hun opvolgers. De eerste vermelding van een gemeenschap van
geestelijken van de Sint-Servaaskerk dateert uit de Karolingische tijd. Men sprak aanvankelijk van een klooster of abdij en vanaf de dertiende eeuw van een kapittel. De leden van dit kapittel woonden oorspronkelijk bij elkaar,
maar hadden sinds 1232 eigen, vaak zeer indrukwekkende woningen. De heren haalden hun rijkdom uit de kerkelijke bezittingen. Het Sint-Servaaskapittel telde tot de opheffing in 1798 ongeveer veertig leden, kanunniken
genoemd. Het Servaaskapittel heeft een belangrijk stempel gedrukt op de Maastrichtse geschiedenis en het stadsbeeld. De Servaaskerk zelf en de imposante huizen van de kanunniken aan of bij het Vrijthof illustreren de
gewichtige positie van het kapittel.

Het prestige van het kapittel en ook de vorstelijke invloed op het kerkelijke leven blijkt ook uit het feit dat personen als Alcuin van York, een van de belangrijkste geleerden uit de achtste eeuw en Einhard, de beroemde biograaf van Karel de Grote, abt zijn geweest van het Servaaskapittel.Het kapittel bezat niet alleen zeer veel land, maar had ook in de onmiddellijke omgeving van de Sint-Servaaskerk alle rechten, waardoor dit gebied volledig losstond van welk wereldlijk gezag dan ook. Het was een enclave midden in het - latere - stadsgebied van Maastricht.

De Karolingische vorsten, hun nakomelingen de Lotharingse hertogen en hun rechtsopvolgers de Duitse koningen en keizers hebben zich voortdurend met Maastricht bemoeid - hetgeen overigens het belang van deze stad nog eens onderstreept. Vooral de Sint-Servaaskerk legt daar getuigenis van af. Keizer Hendrik II wordt als de bouwheer vermeld en was ook persoonlijk bij de wijding in 1039 aanwezig. Maar hoe sterk ook de betrokkenheid van de hoogste Duitse vorsten was, voor de stadsgeschiedenis van Maastricht zijn de directe landsheren van veel grotere betekenis. De bisschoppen van Luik hebben hier zonder onderbreking hun wereldlijke gezag doen gelden. Zij waakten tegen al te grote invloed van de hertogen en de kapittelheren.

Tegen het einde van de tiende eeuw kreeg ook de Onze Lieve Vrouwekerk een kapittel dat echter, anders dan het Servaaskapittel, rechtstreeks onder het gezag van de bisschop viel en ook geen eigen gebied bezat.De twee heren — de hertog en de bisschop - hadden ook ieder hun eigen onderdanen. Kenmerkend is dat de onderdanen van de bisschop werden aangeduid als de `familia' van Onze Lieve Vrouw en Sint-Lambertus, de patroonheilige van de Luikse bisschopskerk. De onderdanen van de Brabantse heer noemde men de `familia' van Sint-Servaas, waaruit de verbondenheid van de beide groepen Maastrichtenaren met deze kerken

In een oorkonde uit 1132 werden geschillen tussen het kapittel van Onze Lieve Vrouwe en dat van Sint-Servaas bijgelegd. In dat charter werd tevens vastgelegd, dat de bestaande families hun rechten en plichten behielden, maar dat nieuwkomers, vreemde immigranten dus, tot de familia van de Sint-Servaas gerekend zouden moeten worden tenzij zij al onderdanen van de Luikse bisschop waren. Het behoren tot een familia liep via de moeder (het moederschap staat immers altijd onomstotelijk vast). Als leden uit verschillende families' met elkaar trouwden, bleef elk der echtelieden tot de eigen familia behoren, maar kwamen de kinderen in de familia van de moeder.

moge blijken. Dat de onderdanen van de hertog juist tot Sint-Servaas werden gerekend, kwam omdat dit kapittel 'rijksonmiddellijk' was, dat wil zeggen qua wereldlijke rechten onmiddellijk onder de Duitse koning/keizer (en dus de Brabantse hertog) viel. In geestelijk opzicht bleef het kapittel rechtstreeks onder de paus vallen.

Het gevolg van deze ingewikkelde situatie was, dat de stedelijke gemeenschap van Maastricht te maken had met twee landsheren. Voor de stadsrecht-verlening en stedelijke uitbreiding heeft dat echter geen nadelig effect gehad. Wat de ene heer toestond, kon de ander heer immers niet weigeren. In de praktijk beperkte het effect van de tweeherigheid zich tot de hogere stedelijke bestuurs- en rechtelijke organen. Binnen de stedelijke gemeenschap namen de gilden vanaf het midden van de veertiende eeuw een sleutelpositie in; zij bepaalden in belangrijke mate het beleid.De wereldlijke macht van beide landsheren strekte zich uit over het hele stadsgebied en was dus ongedeeld.

symbolische voorstelling tweeherigheid

Symbolische voorstelling van de tweeherigheid - het wapen van de prins-bisschop van Luik en de hertog van Brabant.

Detail uit: de kaart Traiectum ad Mosam van Braun and Hogenberg: Civitatis Orbis Terrarum II. Keulen 1575.

Toen de Brabantse hertog in 1229 de Maastrichtenaren toestemming gaf om hun stad door de bouw van een stenen muur te beschermen, betekende dit het begin van de aanleg om de hele agglomeratie, inclusief het bruggehoofd Wijk op de oostelijke Maasoever. Deze ommuring markeert het begin van de vestingsfunctie van de stad, die door de latere, veertiende-eeuwse ommuring en vooral door de in de loop van de zestiende eeuw naar Italiaans voorbeeld daarbij aangelegde vestingwerken nader vorm kreeg.

Tot ca 1565 aangelegde Fortificaties

Gezicht op Maastricht met de tot ca 1565 aangelegde fortificaties

Eerste ommuring:

1) Jekertoren; 2) Helpoort; 3 Looierspoort; 4 Lenculenpoort; 5 Borchgraeve; 6 Tweebergerpoort; 7 Grote Poort; 8 Leugenpoort; 9 Veerlinxpoort; 10 O.L. vrouwenpoort.

Ommuurde Nieuwstad:

11) De Vijf Koppen; 12) De Laek; 13) Haat en Nijd.

Tweede ommuring:

14) Sint-Pieterpoort; 15) De Reek; 16) Lange Toren; 17) Tongersepoort; 18) Merkat; 19) Hackenkamer; 20) Sint-Servaasbolwerk; 21) Brusselsepoort; 22) Boenentoren; 23) Lindenkruispoort; 24) Boschpoort; 25) Bolwerk der Schonenvaarders; 26) Mariatoren.

Encietes Wyck:

27) Sint-Maartenspoort; 28) Sint -Maartenspoort a.d. Rechtstraat; 29) Sint-Maartenspoort a.d. Wycker Grachtsraat; 30 ) Voorwal; 31) Mariabolwerk; 32) Hoogbruggepoort; 33) Bloemendael; 34) recentoren; 35) Lambrechtsrondeel; 36) Estacade

De strategische waarde van de vesting is herhaaldelijk bewezen, zowel in de Tachtigjarige Oorlog als in andere krijgsbedrijven waarin de Republiek in de zeventiende en achttiende eeuw werd betrokken. Afgezien van twee Franse bezettingen tussen 1673-1678 en tussen 1748-1749 bleef de stad sinds de beroemde verovering door Frederik Hendrik in 1632 in bezit van de Republiek.

capitulatieverdrag 1632

Frederik Hendrik en het capitulatieverdrag van 1632

De Staten Generaal van de Republiek volstonden met het militaire oppergezag. De bestuurlijke en rechterlijke situatie werd intact gelaten. Wel oefenden de Staten Generaal te Maastricht de rechten uit van de Brabantse hertog; dat wil zeggen: zij gaven de protestanten het Brabantse gezag, maar de bisschoppelijke rechten bleven onaangetast.Het eigenlijke stadsbestuur was dan wel ongedeeld, maar de (hoge) rechtspraak was persoonsgebonden. Over een Luiks burger oordeelde dus de Luikse rechtbank en over een Brabants burger een Brabantse rechtbank. Beide landsheren hadden ook ieder hun eigen vertegenwoordiger. Er was dus een Luikse en een Brabantse schout. Dit systeem van twee rechtbanken bestond zeker al in 1224.Toen hielden de rechtbanken zich nog met alle bestuurlijke en juridische zaken bezig. Later zouden ze zich beperken tot de hogere rechtspraak.

Al kort na 1224 bleek namelijk dat de stedelijke gemeenschap ook een eigen organisatie had gevormd, die meer en meer zowel bestuurlijke als juridische bevoegdheden wist te verwerven. In een oorkonde uit 1243 wordt gesproken over een gemeentehuis (domus communitatis), dat op gemeenschappelijke kosten was gebouwd en waar naast de `gemeentelijke' bestuurders ook de Brabantse en Luikse bestuurders verbleven. De bestuurders van de stedelijke gemeenschap maakten geen onderscheid tussen Brabantse en Luikse burgers.

Vanaf 1377 beschikten de Brabantse en Luikse gezagsdragers over een eigen gebouw, dat een eeuw later door het thans nog bestaande Dinghuis werd vervangen. In het Dinghuis werd op woensdag Luiks en op vrijdag Brabants recht gesproken. De bestuurders van de stedelijke gemeenschap hadden ondertussen ook hun eigen gebouw, namelijk de Lanscroon, waarvan nu nog slechts een gevelsteen rest. In de zeventiende eeuw kwamen allen weer onder één dak. Het stadhuis op de Grote Markt, ontworpen door de beroemde bouwmeester Pieter Post, werd in 1664 in gebruik genomen. Het gebouw weerspiegelt nog steeds de tweeherigheid van Maastricht, met aan de ene zijde de Brabantse bestuurders en aan de andere kant de Luikse.

Het stedelijk leven

Maastricht was vooral een regionaal handels- en nijverheidscentrum, dat door zijn ligging aan de Maas ook enigszins een interregionaal karakter kreeg. Na de Frankische periode ontwikkelde zich langs de Jeker een nijverheidscentrum waarvoor het Jekerwater van vitaal belang was. Al in 1096 worden er twee watermolens bij de Jeker vermeld en vóór 1229 werd de Jeker afgetakt ten behoeve van nog andere molens. Een deel van het stroomgebied van de Jeker werd opzettelijk binnen de oudste ommuring getrokken. De zuidelijke Jekertak vormde de natuurlijke begrenzing van het oudste ommuurde gebied. Het bewaard gebleven ge-deelte van die ommuring, met de zo karakteristieke Helpoort, laat duidelijk zien hoe de kunstmatige Jekertak binnen de stad is gehaald.

Thans resteren nog een paar molens die de herinnering aan de functie van het riviertje levend houden. De molens dienden vooral voor het malen van graan ten behoeve van bakkers en bierbrouwers. In 1294 wordt ook een zogenoemde volmolen (de oudste in Nederland) vermeld, waaruit blijkt dat in dit stadsdeel ook wat lakennijverheid bestond. In de vijftiende eeuw werd de binnenmuurse Jeker in drie gelijke stromen geleid, waarvan de middelste door de thans gedempte Grote en Kleine Looier-straat liep. Hieruit blijkt de functie van het water voor de plaatselijke leerlooierij.

De nijverheid was, zoals gezegd, vooral in het stadsdeel bij de Jeker geconcentreerd, terwijl het oude castellum met het aanpalend gebied ten noorden daarvan vooral tot handelscentrum uitgroeide met aanlegplaatsen langs de Maas, pakhuizen en marktpleintjes. Daar kreeg ook de bisschoppelijke muntslag zijn plaats. In de buurt woonden tevens de geldwisselaars, onmisbaar in een zich ontwikkelende handelsstad. Via de Maas werd immers vanuit het noorden en zuiden een groot assortiment goederen aangevoerd, die niet alleen in Maastricht zelf werden verhandeld, maar ook via Maastricht over land in de wijde omgeving werden afgezet.

De oudste ommuring omsloot een gebied van ongeveer 36 hectare. Ondanks de betrekkelijk geringe omvang van het ommuurde stadsgebied bleef toch nog ruimte over voor onder meer een groot open plein, het Vrijthof. De herkomst van de naam en de oorspronkelijke bestemming blijven een raadsel. In de loop der eeuwen is het plein voor allerlei doeleinden gebruikt en is thans nog steeds een van de mooiste stadspleinen van Nederland.

Verder bood het stadsgebied ruimte aan kerkelijke stichtingen, waarvan vanaf de dertiende eeuw het franciscaner klooster in het Jekerkwartier en het dominicaner klooster even ten noordwesten van het Vrijthof de belangrijkste waren. Deze stichtingen bevestigen het stedelijke karakter van Maastricht en het belang van de stad. Immers, elke middeleeuwse stad van enige omvang had een bedelordeklooster binnen de muren. De nieuwe stichtingen accentueerden tevens de functie van Maastricht als kerkelijk centrum. In een kapel van de franciscaner kerk werd omstreeks 1400 een fraai Madonna-met-kind beeld geplaatst dat vanaf de zestiende eeuw werd vereerd.

OLV Sterre der Zee

Dit beeld is sinds 1837 in de Mérode-kapel bij de Onze Lieve Vrouwe-kerk geplaatst en trekt nog steeds vele gelovigen.

noodkist St Servaas mst 13noodkist St Servaas mst 14

Bij de afbeeldingen: Noodkist van St.Servaas vervaardigd circa 1160 . In tijden van nood werd dit schrijn door de stad gedragen.

Maar vooral dank zij het gebeente van Sint Servaas was en bleef Maastricht een bedevaartsoord van Europees belang. Vanaf de elfde eeuw werd de Sint-Servaaslegende meer en meer uitgewerkt en gepropagandeerd. De band met het Duitse Rijk bleef daarbij van grote betekenis. Mensen die een bedevaart naar Aken en Kornelimunster maakten, deden namelijk vaak ook Maastricht aan.Het belang van de Sint-Servaasverering werd nog beklemtoond door de (thans nog bestaande) zevenjaarlijkse Heiligdomsvaart naar het graf van de heilige. Sinds de veertiende eeuw konden de daarbij aanwezige gelovigen een volle jubelaflaat verdienen. Aanwezigheid bij de Heiligvaart was daarmee vergelijkbaar met een bezoek aan het Heilig Graf in Jeruzalem of aan Rome.

Ten behoeve van de pelgrims werden speciale voorzieningen getroffen. Volgens de overlevering werd al in de tiende eeuw het Sint-Servaasgasthuis gesticht op de plaats van de voormalige Merovingische koningspalts aan de zuidwestkant van het Vrijthof Vlak daarbij verrees in de dertiende eeuw een ander gasthuis, speciaal bestemd voor pelgrims op de weg naar Santiago de Compostela in Noordwest Spanje, dat zich sinds de elfde eeuw tot het belangrijkste Europese bedevaartsoord naast Jerusalem en Rome had ontwikkeld. Beide stichtingen hebben ook voor de armenzorg en bijstand in bijzondere noodsituaties hun betekenis gehad, zeker toen het Jacobsgasthuis met dat van Sint-Servaas werd samengevoegd. De bij het Jacobsgasthuis behorende kapel was zo groot, dat zij na 1632 als parochiekerk kon dienen in plaats van de Sint-Janskerk, die toen aan de protestanten moest worden overgedragen. Even ten noorden van de oudste ommuring ontstond in de dertiende eeuw ook een speciaal gasthuis voor Jerusalemgangers, gewijd aan Sint-Catherina van Alexandrië, wier gebeente in het Catherinaklooster in de Sinaï was begraven: een belangrijk nevendoel van de pelgrims naar het Heilig Land.

In de Onze Lieve Vrouwekerk werden de stedelijke oorkonden bewaard en de stedelijke ambachtsgilden hadden daar hun altaren. Vanaf 1205 kon de kerk zich ook als pelgrimskerk manifesteren, omdat zij toen dank zij de Duitse koning Filips van Zwaben de belangrijkste Byzantijnse kruisrelieken ontving. Deze waren een jaar tevoren door de deelnemers van de vierde kruistocht buit gemaakt nadat zij Constantinopel hadden veroverd. De aantrekkingskracht van deze relieken bleek zo groot, dat de beheerders van de Sint-Servaas circa 1490 een replica van de reliekhouder lieten maken, waarin zij hun eigen kruisrelieken toonden om de gelovigen ervan te overtuigen dat een bezoek aan de kruisrelieken van de Onze Lieve Vrouwekerk overbodig was. Daarvóór — in 1440 — had het Servaaskapittel al weten te bewerkstelligen dat de Onze Lieve Vrouwekerk geen relieken mocht tonen. Pelgrims konden daardoor alleen in de Sint-Servaas aflaten verdienen.Uit dit alles blijkt dat Maastricht zich voorspoedig ontwikkelde. Bloei en groei worden ook weerspiegeld door de bouw van de Sint-Janskerk vlak naast de Sint-Servaas. De in de dertiende eeuw gebouwde Sint-Janskerk moest de taak van de Sint-Servaas als parochiekerk overnemen. De parochiale functie legde teveel beslag op de Sint-Servaaskerk, zo vonden de kapittelheren. Een parochiekerk was namelijk niet alleen een kerk waar de parochianen rustig ter kerke gingen, maar vooral ook een gemeenschapsruimte met alle drukte van dien.

Waren de Onze Lieve Vrouwe en de Sint-Servaaskerk prachtige voorbeelden van romaanse bouwkunst, de nieuwe Sint-Jan werd een fraaie gotische kerk, waarvan de toren naar het voorbeeld van de Utrechtse domtoren zou worden gebouwd. Uit de bouwwerken op zichzelf blijkt al de culturele centrumfunctie van Maastricht, maar deze werd ook op andere gebieden duidelijk, vooral op het gebied van de edelsmeedkunst. De schatten van beide oudste kerken laten nog steeds zien dat edelsmeden heel wat kerkelijke opdrachten kregen. In dit verband moet voor alles de zogenaamde Noodkist van Sint-Servaas worden vermeld, een der fraaiste voorbeelden van twaalfde-eeuwse edelsmeedkunst.

 

De verplaatsing van de bisschopszetel naar Luik werkte nadelig voor de kwaliteit van het Maastrichtse onderwijs. Niet Maastricht maar Luik werd het Athene van West-Europa. Wel had Maastricht op onderwijsgebied een regionale centrumfunctie. In de achttiende eeuw had Maastricht gedurende korte tijd in samenwerking met de Leidse universiteit een medische opleiding (vooral ten behoeve van het leger), waarvan de anatoom zich professor mocht noemen. De twee kapittels verzorgden bovendien `middelbaar' onderwijs.

De groei van de stad vereiste al snel na de eerste ommuring een uitbreiding van het verdedigbare stadsgebied. Aan de noordzijde van de oudste ommuring was een uitgebreid en levendig centrum ontstaan, waar vooral de lakennijverheid floreerde. Ook waren hier verscheidene pottenbakkerijen. In de loop van de veertiende eeuw kreeg de uitbreiding van het omwalde stadsgebied haar beslag, al is niet bekend wanneer Het nieuw ommuurde gebied van 114 hectare zou tot in de negentiende eeuw voldoende ruimte blijven bieden. Vooral aan de westzijde van de stad bleven aanvankelijk veel plekken open. Deze werden gedeeltelijk door nieuwe, religieuze stichtingen ingenomen. Het noordelijke deel van de stad was echter wel dichtbevolkt. Al in 1298 had men hier een eigen kerk. In de Onze Lieve Vrouwe-parochie gebeurde hetzelfde als eerder in de Sint-Servaasparochie: circa 1340 verrees de Sint-Nicolaaskerk als parochiekerk naast de Onze Lieve Vrouwekerk. Uit de naamgeving van deze nieuwe kerk blijkt het handelskarakter van dit deel van Maastricht. Sint-Nicolaas was immers de beschermheilige van schippers en handelaren.

maquette Maastricht 1750

Macquette Maastricht 1750

Binnen het stadsgebied verrezen onophoudelijk nieuwe gebouwen, terwijl er ook bijna voortdurend werd gewerkt aan de bestaande gebouwen, met name aan de kerken en dan vooral aan de SintServaas. Daarnaast behielden grote gedeelten hun agrarische karakter. Dit blijkt bijvoorbeeld nog uit straatnamen als de Bogaardenstraat. Het stratenpatroon is in de latere stadsuitbreiding veel minder dicht dan in het oude stadsdeel.Kerkelijke instellingen en maatschappelijke zorg waren nauw met elkaar verweven, ook al valt dit in het huidige stadsbeeld niet meer zo op. Maastricht kende de opbloei van telkens nieuwe religieuze orden zoals, behalve de franciscanen en dominicanen, de augustijnen, de franciscanessen (het Faliezusterklooster), de antonieten, de kruisheren, de sepulchrijnen (het Bonnefantenklooster), de jezuïeten en de cellebroeders. De laatstgenoemden hebben zich vooral verdienstelijk gemaakt in hun zorg voor de pestlijders. Ook lekenbewegingen als die der begijnen en begarden hebben hun sporen nagelaten. Van de speciale particuliere hofjes resteren alleen de uit 1713 daterende Sint-Maartenshuizen aan de Looiersgracht en van de vele gasthuizen is alleen het zeventiende-eeuwse Sint-Gillesgasthuis in Wijk overgebleven. Vermeldenswaardig zijn verder het rooms-katholieke armenhuis De Nieuwenhof, het grote rooms-katholieke armenhuis aan de Grote Looierstraat en het protestantse weeshuis dat in 1690 vlak bij het rooms-katholieke weeshuis werd gebouwd.De godsdienstige beroeringen van de zestiende eeuw hebben ook Maastricht niet onberoerd gelaten. Toch is de stad een rooms-katholiek bolwerk`gebleven.

groei bebouwing Maastricht 400 - 1795

Het protestantisme kreeg pas een kans na de verovering van 1632. Toen werden twee kerken gevorderd. Bovendien kregen ook de Waalse en Lutherse gemeenten hun eigen kerk. De tweeherigheid garandeerde echter een vreedzame samenleving van protestanten en rooms-katholieken. Soms was er een rooms-katholieke garnizoenscommandant (de gouverneur) en werden elders in de Republiek voor niet-Hervormden ontoegankelijke overheidsfuncties door rooms-katholieken vervuld. Zeker in hogere kringen kwamen gemengde huwelijken geregeld voor. Dat neemt niet weg dat de franciscanen en de jezuïeten in 1638 uit de stad werden verdreven, omdat zij weigerden een eed van trouw aan het Staatse bewind af te leggen. Zij keerden pas terug in 1673, toen de Franse legers de stad veroverden. Zij hoefden na de teruggave van de stad in 1678 Maastricht niet opnieuw te verlaten. Wel moesten de franciscanen een nieuwe kerk annex klooster bouwen.

De verzorging van geestelijkgestoorden ofwel 'zinnelozen' had te Maastricht aanvankelijk vooral plaats in kloosters, met name bij de Faliezusters (zo genoemd vanwege hun zwarte 'falie'= sluier) en de Cellebroeders.' De laatsten verpleegden ook andere personen, zoals kinderen die door hun ouders naar het klooster waren gebracht vanwege losbandigheid, homosexualiteit, drankmisbruik, en vrouwen die hun echtgenoten voor vergelijkbare zaken lieten behandelen. In de achttiende eeuw vond verpleging van psychisch gestoorden ook plaats in particulier geëxploiteerde zinnelozenhuizen. Een van deze exploitanten maakte het echter zo bont dat hij in 1779 wérd aangeklaagd onder meer omdat hij toeliet dat de geconfineerden van beyde sexen van zig saemen met syne nigte op een geyle en onbeschaemde wyze omging, haer kussende en verdraegende te zitten op syne beddeplank' en omdat `het in de beklaegdens huyshouden omging als in een hoerenhuys.'

Als garnizoensstad en centrum voor een wijde omgeving bleef Maastricht in de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke functie vervullen. Daarbij zijn vooral de Franse invloeden opvallend. In de Sint-Servaas werden bijvoorbeeld voor de rooms-katholieken ook preken in het Frans gehouden. De Maastrichtse bourgeoisie had een grote liefde voor Franstaligheid. Namen van hotels, straten en later zelfs de kranten waren in het Frans.

Maastricht was in de zeventiende en achttiende eeuw behalve garnizoensstad vooral een woonstad met, zoals dat nu heet, een verzorgings- of dienstenfunctie. Van de woonfunctie leggen vele monumentale bouwwerken ook nu nog getuigenis af. Op Amsterdam na is er geen stad in Nederland met zoveel oude gevels als Maastricht. Een wandeling door de stad biedt een rijke schakering van vooral zeventiende- en achttiende-eeuwse woonhuizen.