We hebben 251 gasten online

Het einde van de KVP 1945-1980 Deel 5

Gepost in Politiek

Naar het CDA

1963 KVP 1967 kvp 1971 kvp 1972 kvp
1963
1967
1971
1972

De partijraad van 8 en 9 december '67 te Arnhem leek het conflict op te lossen: bijna eensgezind besloot men voor samenwerking met AR en CH in een partij op christelijke grondslag met een consequent vooruitstrevend beleid. Een vondst. De radicalen eisten nu voor Bogaers c.s. enkele plaatsen op in dagelijks- en partijbestuur ter garantie van de toegezegde radicaleninbreng. Kandidaat-voorzitter Van der Stee verlangde echter een homogeen dagelijks bestuur. Niet dit werd de aanleiding voor de uittocht van een deel van de radicalen, maar de „Samen uit-samen thuis"-verklaring van Schmelzer, Biesheuvel en Mellema voor de TV op 14 februari '68, waarmee de christendemocratische samenwerking werd losgekoppeld van elke programtoetsing.

1971 ppr 1971 ppr 1972 ppr 1977 ppr
1971
1971
1972
1977
       

De partij ontstond in 1968 als afsplitsing van de KVP). In de KVP had zich een groep 'radicalen' gevormd, die tegen voortzetting van de centrum-rechtse coalitie van KVP, ARP, CHU en VVD in het kabinet-De Jong was. Samen met de 'spijtstemmers' binnen de ARP en CHU vormden zij de 'Américaingroep', vernoemd naar de bijeenkomsten in hotel Américain te Amsterdam.

Directe aanleiding voor de afsplitsing was een televisie-uitzending waarin de fractievoorzitters van ARP, CHU en KVP hun samenwerking bekrachtigden. De uitgetreden KVP-radicalen richtten de PPR op, waarbij zich enkele uitgetreden leden van de Anti-Revolutionaire partij (ARP) voegden.

     
       
       

Op 27 februari '68 besloten de radicalen de breuk met de KVP te verkiezen. Uit de Kamerfractie splitsten zich Aarden, Van Doorn, Janssen en mevrouw Kessel af die als groep-Aarden, vervolgens als Radicalen, tenslotte als PPR verdergingen. Schmelzer in het partijbestuur: „Wat onder water voer, is boven water gaan varen"; hij vond het 'beter zo'. Een kleine groep radicalen, onder wie Cals, bleef in de KVP en kreeg in partij- en dagelijks bestuur plaatsen aangeboden. Het DCN kreeg te horen dat Couwenberg adviserend lid van het partijbestuur mocht worden. Het bestuur-Van der Stee (maart '68) wilde de partij verder bijeenhouden en snel doorstromen naar de christendemocratische samenwerking.

Die samenwerking maakte tot de volgende verkiezingen weinig vorderingen. Dat was niet verwonderlijk: de protestanten hadden geen haast, want hun positie was niet bedreigd. De ARP had in '67 twee zetels gewonnen; de CHU had er één verloren. Alleen de KVP had haast. De drie partijen leken wel bereid de samenwerking toch te laten slagen, op de lange duur, omdat men de aanhang een eigen vorm van partijvernieuwing wilde bieden die de aanhang blijvend kon binden.

De rapporten van de „18" werden wel aanvaard, maar de christelijke inspiratie bleek het grootste verschilpunt tussen KVP en AR en CH. Omdat D'66 er al was, oordeelde het partijbestuur in '69, was het onmogelijk vanuit de KVP een Algemene Volkspartij op te richten, terwijl een Algemeen Christelijke Volkspartij met een open karakter vanuit de ,drie' onaanvaardbaar was voor de AR en CH. De christelijke grondslag en het protestantse overwicht in de formules moest de KVP voor lief nemen, aldus Van der Stee. Zelf gaf hij in '70 in onderhandelingen met het DCN (dat in '72 na de Nota van de Contactraad de KVP zou verlaten) toe dat de christen-humanistische volkspartij de toekomst had, maar dat men eerst de eenheid moest bereiken, dus op het christelijk beginsel.

Na de verkiezingen van '71 brak tumult uit in de KVP. Amersfoortse radicalen (Beugels, De Zeeuw, Van Zeil) vroegen om een partijvernieuwing in progressieve richting; Steenkamp verklaarde in interviews dat Rome en Genève gepasseerde stations waren en dat er voor een confessionele partij geen plaats meer was. Het partijbestuur onderkende dat de polarisatie van de PvdA (anti-KVP-resolutie) succes had opgeleverd en dat de ontzuiling doorzette.

De anti-KVP-motie

Andere Tijden 20 mei 2003

Nu het speciaal ingelaste D’66-partijcongres de formatie van een kabinet met VVD en CDA heeft goedgekeurd, zijn de rooms-rode kansen voor deze verkiezingsronde definitief bekeken. Dit keer was het het CDA dat niet wilde. Het is wel eens anders geweest. Ruim dertig jaar geleden, in de roerige jaren zestig, paste de PvdA voor samenwerking met de Katholieke Volkspartij. Ze stelden er zelfs een motie voor op.

Inleiding

Versie Lammers, versie Den Uyl

6 maart 1969. De Prins Willem-Alexanderzaal van het Haagse Congresgebouw is tot de nok toe gevuld met rumoerige PvdA-ers. Het twaalfde partijcongres is net begonnen.

Han Lammers, van de ‘radicale’ groep Nieuw Links in de PvdA, beklimt het spreekgestoelte en houdt een vurig pleidooi tegen de Katholieke Volkspartij, dan de grootste en machtigste partij in Nederland. Hij beschuldigt de KVP van onduidelijkheid jegens de kiezer en van een consequent conservatieve koers waar men zegt progressief te zijn. De PvdA heeft niets bij zo’n partij te zoeken. Lammers beëindigt zijn betoog met een motie: ‘Het congres van de Partij van de Arbeid spreekt uit dat de P.v.d.A. vóór de komende kamerverkiezingen niet met de K.V.P. een stembusakkoord zal aangaan; en dat de P.v.d.A. aansluitend aan de komende kamerverkiezingen geen regeringssamenwerking met de KVP zal aangaan.’

Dit voorstel tot een ‘anti-KVP-motie’ wordt met gejuich en applaus begroet. Het partijbestuur is er minder gelukkig mee. Zal de PvdA door deze vijandige taal niet voorgoed in oppositiebanken zitten? Joop den Uyl, dan fractievoorzitter, vraagt om een amendement op de motie: het woord ‘huidige’ dient toegevoegd worden. Zo is samenwerking met de KVP niet voor altijd van de baan. André van der Louw, destijds prominent lid van Nieuw Links: ‘We hebben uiteindelijk Den Uyl het woordje ‘huidige’ toe laten voegen, zodat het net leek of het een product van hem was. Dat was hem gegund, en zo maakten we in ieder geval samen een vuist.’ Hoewel minder fel wordt de aangepaste resolutie met een overweldigende meerderheid aangenomen. Maar wat hield die motie eigenlijk in? En, belangrijker, heeft hij enig effect gehad?

Anti-KVP

Keuzes maken

Nieuw Links is vanaf 1966 de luis in de pels van de PvdA. Middels radicale standpunten – onder meer erkenning van de Vietcong, afschaffing van de monarchie, uittreding uit de NAVO en verlaging van het defensiebudget – willen ze een verandering teweeg brengen in de Nederlandse politiek. Nieuw Links staat daarin, zeker in die tijd, niet alleen. Studenten, provo’s, D’66, de christen-radicalen: allemaal proberen ze de maatschappelijke of politieke status-quo in Nederland te doorbreken.

Den Uyl heeft het in eerste instantie niet zo op Nieuw Links en hun ‘radicale democratisering op alle niveaus’ en ‘meer inspraak voor de burger.’ Die inspraak geldt namelijk ook de partijleden, en daar is de partijtop niet helemaal aan gewend. De ongestructureerde, maar felle aanvallen van Nieuw Links op de partij leiden regelmatig tot, om met Den Uyl te spreken, ‘ontplofsituaties’. Partijscheuringen worden altijd op het laatste nippertje voorkomen, maar Nieuw Links en de PvdA staan, tot de opheffing van Nieuw Links in 1971, nog vaak lijnrecht tegenover elkaar: bij de Maagdenhuisbezetting, met de studentenprotesten in Berlijn en Parijs en over de erkenning van de DDR.

De provocerende anti-KVP-motie ligt precies in de lijn van verandering die Nieuw Links wil doorvoeren. Marcel van Dam, destijds lid van Nieuw Links, is aanwezig bij het opstellen van de resolutie: ‘Han Lammers had een concept gemaakt. Voor het congres kwamen we samen in café Le Perroquet op het Plein. Hij had een heel A4-tje volgeschreven, met allerlei mitsen en maren. Ik heb een pen gepakt en heb alles onder de eerste drie zinnen weggeschrapt. Dat was duidelijk genoeg.’ Lammers licht in een interview op 8 maart 1969 de noodzaak van de motie toe: ‘Ik beschouw de KVP als een conservatieve, liberale, op confessionele basis, club van belangengroepen, die wel een beetje aan politiek doen, maar waar geen progressief beleid te voeren is. Ik wilde met deze motie de illusie bij de kiezer weghalen, dat hij, als hij een progressieve politiek wil in Nederland, bij de KVP moet zijn.’ Van Dam: ‘De KVP was zó onduidelijk, net een pot gluton, een scheet in een netje: je kon het nooit vastpakken. Die onduidelijkheid vertaalde zich in onbetrouwbaarheid: de KVP was de vleesgeworden onbetrouwbaarheid. Daar moest maar eens een eind aan komen, vonden wij.’

De motie is een reactie op de verslechterde verhouding tussen de PvdA en de KVP. Tijdens de Nacht van Schmelzer in 1966 viel het kabinet Cals/Vondeling over een financiële kwestie die Schmelzer met zijn financieel woordvoerder Notenboom had aangedragen. Van Dam: ‘We leefden allemaal met het trauma van die nacht. Die nacht was een typische uiting van de volstrekte onbetrouwbaarheid van de KVP. Het kabinet viel over een pietluttig bedrag als 150 miljoen gulden, dat was op de totale Rijksbegroting peanuts. Dat betekent dat de KVP gewoon een stok zocht om het kabinet naar huis te sturen. Dat gedrag vonden we vreselijk.’

Van der Louw: ‘Dat was voor ons een typisch voorbeeld van hoe de KVP altijd rechts tegen links uitspeelde. Wij wilden op dat moment duidelijkheid in de politiek brengen, polariseren heette dat toen, partijen zich duidelijk laten uitspreken over hun positie – links, rechts – en ze daar ook aan houden.’

Het doel van de motie is in eerste instantie om een scheiding der geesten onder het electoraat tot stand te brengen. Van Dam: ‘We wilden een eind maken aan de krankzinnige situatie dat je voor de verkiezingen in Nederland niet weet welk kabinet je na afloop zult krijgen. Dat mensen voortaan wisten ‘de PvdA gaat niet regeren met de KVP, dus als ik de PvdA in de regering wil, moet ik op een progressieve partij stemmen.’ Van der Louw vult aan: ‘We hoopten zo ook de arbeidersvleugel van de KVP te bereiken. Dat, als de KVP zich niet zou uitspreken voor een progressieve lijn, de KVP-arbeiders zich toch beter thuis zouden voelen bij de PvdA.’ Daarnaast was de motie een opsteker voor de radicalen binnen de KVP en de Politieke Partij Radikalen, de groep katholieke radicalen die zich in 1967 van de partij hadden afgescheiden. Lammers, in een interview met Achter het Nieuws in maart 1969: ‘Die scheiding der geesten, dat vonden we ook nodig uit solidariteit met de PPR. Toen die groep ontstond hebben we staan juichen, we vonden het allemaal heel dapper: dan moet je je natuurlijk duidelijk voor zo’n samenwerking uitspreken.’Aarden, destijds voorzitter van de PPR-fractie, in een interview uit die tijd: ‘Ik ben blij met die uitspraak. Wij wilden een bundeling van vooruitstrevende krachten en zagen dat niet voor mogelijk in de KVP, dus we gingen eruit. Ik vind de uitspraak van de PvdA een bevestiging van dit standpunt te komen tot een progressieve samenwerking.’

De KVP reageert

‘Politieke kinderkamer’

‘Lammers: “Samenwerken met de KVP is broedermoord op de radicalen.”’

‘Congres PvdA wijst samenwerking met KVP af.’

‘Vooral door afwijzing KVP: politiek Nederland geschokt door Nieuw Links-coup.’

De kranten staan die dagen in maart bol van het chaotische PvdA-partijcongres en de besluiten die er worden genomen. Ook de anti-KVP-motie wordt uitgebreid behandeld. Andere politieke partijen staan verdeeld tegenover de motie: de Christen-Historische Unie betreurt de uitsluiting van de KVP, en vreest een isolement voor de PvdA. De VVD ziet de eigen positie versterkt door het besluit en D’66 vreest dat de motie, bedoeld als breekijzer in de politieke verhoudingen, in feite het effect zal hebben van een consolidatie van de beginnende samenwerking tussen de christelijke partijen. De ARP betreurt het dat de PvdA haar kracht gaat zoeken in het isolement. De KVP ondertussen zwijgt.

Pas op de partijraad in Arnhem, op 14 en 15 maart, wordt een echte verklaring afgelegd, door fractievoorzitter Schmelzer. Hij trekt fel van leer tegen de PvdA. De anti-KVP-motie wordt afgedaan als een nietszeggend lachertje, een uitspraak die in zijn ‘negatieve bedoelingen gedoemd is volledig te falen’: ‘Het besluit na de komende verkiezingen niet met de KVP te regeren brengt de Partij van de Arbeid in een onvruchtbare positie en verschaft aan de Nederlandse kiezer niet meer duidelijkheid.’ Voor zover het besluit een manoeuvre was om de KVP in de conservatieve hoek te drukken, verwijst de KVP, aldus Schmelzer, ‘deze poging naar de politieke kinderkamer’. Het zal geen enkel positief resultaat behalen, en is zo’n ‘forse slag in de lucht geweest, dat deze PvdA er daardoor zelf met een doffe dreun in de diepte van het isolement is getuimeld.’ De KVP ondertussen zal vasthouden aan het consequent vooruitstrevend beleid waartoe de partijraad eerder heeft besloten. Ook het maandelijkse partijblad, KVP, reageert schamper op de motie en het partijcongres als geheel. Snerend vraagt het zich af waar het met de partij naar toe moet, of het congres niet het begin van het einde was en of een splitsing binnen de partij niet tot de onvermijdelijkheden behoort. Het is een congres geweest dat door emoties werd beheerst, dus wat is eigenlijk de waarde van de gedane uitspraken? Als uitsmijter stelt het blad: ‘Velen verlieten ten slotte dan ook het congres met het gevoel, dat zij hun partij in volledige ontbinding hadden achtergelaten.’

Harry Notenboom, destijds financieel woordvoerder van de KVP en nauw betrokken bij de gebeurtenissen in de Nacht van Schmelzer stelt het nu zo: ‘Het was een vijandige daad. Ik was wat boos, maar ik vond het ook wel begrijpelijk in het licht van de Nacht van Schmelzer. Mensen van de katholieke vakbeweging daarentegen waren echt ziedend. Zij hadden altijd als eerste optie samenwerking met de PvdA voor ogen gehad. Maar er waren ook mensen die het als een cadeautje zagen, die wilden helemaal niet met de PvdA samen.’ Op de opmerking dat Nieuwlinksers de KVP onbetrouwbaar vonden, reageert Notenboom laconiek: ‘Wij zaten in de comfortabele positie dat we het met verschillende partijen konden proberen. Dat vonden de zusterpartijen, om het maar eens vriendelijk te zeggen, niet leuk. Daar werden we om benijd. En Nieuw Links, dat was natuurlijk rampzalig, een gevaarlijke vleugel. Daar had Joop den Uyl toen veel last van. Maar dat was toen zo in Nederland, een echt radicaliserende periode.’

Van Dam heeft de reactie van de KVP anders beoordeeld: ‘De KVP werd er niet echt vrolijker van. In die tijd was de KVP namelijk vreselijk op z’n retour, ze zaten echt in een vrije val. Ze waren bang dat de motie ertoe zou leiden dat ze buitenspel gezet zouden worden.’

Tot slot

Nog eens?

De motie begint na verloop van tijd toch te knellen – niet meer regeren met de KVP bindt de handen toch erg – en op het partijcongres van 1971 wordt hij weer ingetrokken. De eersten die daar op aandringen zijn overigens Marcel van Dam en Han Lammers, de geestelijk vaders van de motie.

Ondanks het feit dat de motie een middel was, en geen doel kon zijn, en ondanks de intrekking ervan in 1971, heeft de motie toch wat betekend voor de Nederlandse politiek, zo vinden de betrokkenen.

Van der Louw stelt dat de motie heeft geleid tot een grotere duidelijkheid. ‘Het heeft de PvdA zeker geen windeieren gelegd, omdat we aan de kiezers onze houding duidelijk maakten en met de motie stelden dat we ons aan onze beloften zouden houden. Daarnaast heeft het ook gezorgd voor de totstandkoming, in 1973, van het meest progressieve kabinet in Nederland ooit, dat van Den Uyl.’ Van Dam: ‘De motie heeft heel veel discussie losgemaakt, over de vraag hoe de kiezer meer invloed krijgt op de regeringsvorming. Daar zijn we nog lang niet uit, maar het blijft een terugkerend punt.’

En een anti-CDA-motie nu, zou dat misschien een goed idee zijn voor Wouter Bos? Van der Louw: ‘Nee, hij moet gewoon proberen met een heel subtiel spel het CDA naar links te krijgen.’ Van Dam: ‘Ik ben nu geen voorstander van een motie. Toen was het ook een beetje Spielerei, wij wisten ook wel dat die motie niet het eeuwige leven had. Als ons huidige politieke bestel niet radicaal verandert, plaats je jezelf met een strakke handhaving van zo’n resolutie voorgoed buiten regeringsverantwoordelijkheid.’

Research en tekst: Judith Amsenga

Samenstelling: Paul Ruigrok

Nog maar 51% van de katholieken stemde KVP. De partijtop (Laan, Frans Andriessen die Veringa in de fractie was opgevolgd) bevestigde tegenover de ongerust geworden AR en CH dat de KVP een verband tussen evangelie en praktijk aanvaardde als basis voor de christendemocratische samenwerking (augustus '71). De top had geen andere uitweg gezien: het partijbestuur was onaangenaam verrast. Toch was hiermee de basis gelegd voor de Contactraad van de drie, onder leiding van dezelfde Steenkamp, die in '72 het rapport Op weg naar een verantwoordelijke maatschappij uitbracht, waarin het evangelie de grondslag bleef en de basis voor program en eenheid (voorzien in '75) tussen de 'drie' werd gelegd.

In '73 besloten de drie partijraden tot oprichting van het CDA; in '74 werden de statuten van het CDA door de drie goedgekeurd; begin '75 volgde in Woudschoten de beslissing van de CDA-top over de congressamenstelling (KVP 600; ARP 390 CHU 240 en 70 rechtstreekse CDA-leden) en over de grondslag. Onder het evangelie zou de hele bijbel worden verstaan. Het CDA-congres van 23 augustus '75 aanvaardde daarna dat het evangelie richtsnoer is voor het politiek handelen van het CDA en van de CDA-vertegenwoordigers. Hiermee was de controverse over de grondslag van het CDA met de ARP (Aantjes) echter niet helemaal opgelost.

Intussen had de KVP — na een unieke verkiezingsstrijd - het bestuur-De Zeeuw gekregen (november '71). De Zeeuw wilde de partij deconfessionaliseren en politiseren, terwijl hij ook vond dat christendom èn humanisme gelijkelijk als inspiratiebronnen — ook voor de samenwerking met AR en CH — moesten worden aanvaard; hij verwees daarbij naar de Europese Volkspartij in oprichting. Zo kon de KVP, en straks een christendemocratische partij, een flinke aanhang houden.

Andriessen en Steenkamp en vele anderen waren het hiermee oneens. Vooral na het Akkoord van Woudschoten was De Zeeuws concrete plan tot ombouw van de KVP tot een open volkspartij, links van het midden, tot mislukken gedoemd. De Zeeuw trad af (maart '75). Zijn zorg was geweest dat de KVP aan het leeglopen was terwijl het CDA te lang op zich liet wachten. De vervroegde verkiezingen van eind '72 (na het debacle van het kabinet-Biesheuvel) hadden voor 'de KVP acht zetels verlies opgeleverd, terwijl er toen zelfs geen akkoord tussen de 'drie' was gelukt.

memo hfst 5 afb 15

Spotprent 16 december 1974 in Volkskrant

Diezelfde bezorgdheid over de naaste toekomst van de KVP bracht het volgend partijbestuur-Vergeer ertoe eind '75 te dreigen met een noodprocedure — omvorming van de KVP tot de christendemocratische partij — als de grond-slagdiscussie de ene CDA-lijst nog langer zou vertragen. De KVP kreeg nu steun van de CHU, die óók de aanhang zag verdwijnen.

In '76 volgde het gezamenlijk besluit tot de ene lijst van het CDA — eerst beginselpartij, dan programpartij —, met de KVP'er Van Agt als lijsttrekker. Zowel het probleem van de grondslag als dat van de positie van de CHU (door het kabinet-Den Uyl gesteld tegenover AR en KVP) werden door formules opgelost. De KVP hoefde nu niet meer de proef van de stembus te ondergaan; binnen het CDA werd de KVP als sterkste aanvaard. Het CDA werd in '77 een succes.

verkiezingsresultaten 2e kamer cda

De KVP kan nu verdwijnen, na ruim dertig jaar lang regeringsverantwoordelijkheid te hebben gedragen op basis van een afbrokkelende ideologie en kiezersgunst. Die KVP was toch nog voor velen een vertrouwd huis, zij het inmiddels wat uitgewoond. De verhuizing naar een groter, gerenoveerd pand brengt echter ook inwoning van anderen met zich. Er zal nog hard gewerkt moeten worden aan een harmonieuze inrichting.

kabinet van Agt 1

cda 1977

20091980 elsevier

 

     

Verkiezingen 1977

20 september 1980 elsevier

 

     

memo hfst 5 afb 17

5 september 1981 elsevier