We hebben 261 gasten online

10 mei 1940 Echec van de neutraliteitspolitiek

Gepost in Politiek

 In de verdrukking

Met het einde van de Eerste Wereldoorlog op 11 november 1918 brak voor het buitenschot gebleven Nederland ook het einde aan vaneen niet onprofijtelijk gebleken periode waarin het,ondanks de geldelijke offers die de op voet vanoorlog gebrachte krijgsmacht vergde, toch ook nogkans had gezien de eigen beurs terdege te spekken.

Terwijl het merendeel der Europeanen jarenlangwas blootgesteld geweest aan zware beproevingen,die de bevolking in rouw hadden gedompeld en de economie hadden doen wankelen, had Nederland daarentegen slechts weinige slachtoffers te betreuren. En hoewel er zeer zeker financiële schade was geleden, was er van een rampzalig deficit geen sprake: de Nederlandse handel had,in tegenstelling tot die der belligerenten, ook ondanksde hinder die de oorloggstoestand in de wereld had veroorzaakt, een bloeitijd doorgemaakt.

Dan mocht het waar zijn dat Nederland de sympathievan velen had verspeeld en van verschillende zijden werd gesmaad en gehoond omdat het geen partij had willen kiezen, dat neemt niet weg dat het gros der Nederlanders reden te over had om zich te verheugen over het welslagen van de gevoerde neutraliteitspolitiek, welks baten evident waren.

In 1923 kon mr. A. A. H. Struycken, lidvan de Raad van State, dan ook in zijn Hoofdtrekkenvan Nederlands Buitenlands Beleid schrijven dat die politiek nog steeds de beste was:Zo leeft het glorierijke verleden door in de geest vaneen volk, dat in het heden volmaakt tevreden is metde bescheiden, ofschoon gerespecteerde plaats die hetin de internationale verhoudingen inneemt, stelselmatigzich onthoudt van iedere actieve deelnemingaan de grote wereldpolitiek en zelfs in de heftigsteconflicten, die voor het staatkundig stelsel van Europaen daarmede tevens voor het lot van Nederland beslissendkunnen zijn, een strenge afzijdigheid en onpartijdigheidzich tot heilige plicht rekent.

In die formulering bleek niets van een pragmatische instelling ten opzichte van het buitenland enevenmin van wat dat zelfde buitenland de neutralenhad verweten, namelijk dat zij anderen de kastanjes uit het vuur lieten halen zonder zelf bereid te zijn pal te staan voor hoge idealen en menselijke waarden.

De vraag rijst dan ook of het Nederlandse volk inderdaad zijn neutraliteit opvatte als een heilige plicht tot afzijdigheid en oppartijdigheid,dan wel of het die koers alleen maarprefereerde omdat er minder offerbereidheid voornodig was.

Hoe het ook zij, de „heilige plicht" kon stelligdienen als een aanvaardbaar excuus voor het niet aangaan van enige verplichting tot een mogelijkgezamenlijk optreden wanneer andermaal de vredein gevaar zou komen. Het was daarom al een helestap dat Nederland als lid toetrad tot de Volkenbond. Daardoor groeide immers de kans betrokkente raken in mogelijke conflicten die ver buiten de eigen belangensfeer lagen, met name doordat artikel 10 van het grondverdrag aankondigde dat de Volkenbondsraad passende maatregelen zou nemen zodra een der leden zou worden aangevallenof bedreigd.

Geen wonder, dat Nederland zich inzekere zin daarvan distantieerde door zich hetrecht voor te behouden zelf te beoordelen welke oorlogshandelingen wel of niet als wettig zouden worden beschouwd. Dat had meer weg van pragmatisme dan van idealisme en het zag ernaar uitdat de heilige plicht zeker wel eens zou kunnen worden verzaakt als dat beter zou uitkomen.

Jammer genoeg was er echter nauwelijks enige bereidheid tot het aanvaarden van de consequenties die toch onmiskenbaar voortvloeiden uit de positie van Nederland in de wereld, en in West-Europain het bijzonder. Immers, wie voor zijn bestaansmogelijkhedenen voor zijn welvaart zozeer afhankelijk is van nauwe en goede banden met het buitenland, kan zich moeilijk een zelfverkozen isolement veroorloven. Wie dan daarnaast nog de afgunst opwekt van zijn minder bedeelde buren doet er goed aan geen al te zware wissel te trekken op hun gezindheid tot het respecteren van zijn heilige plicht om afzijdig te blijven.

En ten slotte, wie een riant huis bewoont dat zich bevindt op de wederzijdse naderingsweg tussen twee aartsvijanden, heeft weinig reden aan te nemen dat zijn bloemperken zullen worden ontzien om den wille vanzijn vredelievende onpartijdigheid. Het kon dan ook niet anders of de „heilige plicht" moest wel een hersenschim blijken te zijn.

Voorlopig koesterde het Nederlandse volk in de jarentussen de beide wereldoorlogen nog de rustgevende overtuiging dat in voorkomend geval de geschiedenis zich simpelweg zou herhalen zodat de neutraliteit andermaal gewaarborgd zou blijken.Vrijwel niemand vond het nodig zich ernstige zorgen te maken over de deplorabele staat van het militaire apparaat dat toch eventueel geroepen zou zijn de handhaving van de neutraliteit te helpenverzekeren. Wanneer op gezette tijden de krijgsmachtin de politieke arena werd besproken, betrof dat gewoonlijk niet wat er ter verbetering diende te worden gedaan, maar meestal ging het om de vraag hoeveel er kon worden bezuinigd en waarop.

Dat laatste paste voortreffelijk in het streven naar ontwapening.Hoewel de economische situatie verre van rooskleurig was, waren het niet zozeer daaraan ontleende overwegingen die op ontwapening deden aandringen als wel politieke motieven. Vooral de socialisten, in wier programma de internationaleontwapening een der kernpunten was, oefenden sterke aandrang uit, terwijl het volk met leuzen als „Geen man en geen cent" en met emblemen als het gebroken geweertje werd opgeroepen tot steun aan hen die de krijgsmacht wilden afschaffen.

Het tij daarvoor leek gunstig, toen na het Verdragvan Locarno (1925) en het Briand-Kelloggpact(1928) de Europese naties aanstalten schenen te maken op voet van gelijkheid tot overeenstemming te komen: de Internationale Ontwapeningsconferentiete Genève (1932) opende wijde perspectieven.

Er begonnen echter ook andere stemmen op tegaan. Waarschuwende stemmen, die de idealistische,vaak bepaald naïeve ijveraars voor eenzijdige ontwapening erop wezen dat de weerloze maar al te gemakkelijk een prooi kan worden van de agressor die het brute geweld niet schuwt. Steeds luiderklonken die stemmen, in het bijzonder nadat Hitler in 1933 in Duitsland de macht aan zich had getrokken.Verscheidene Nederlanders begonnen zich af te vragen of de jarenlange besnoeiingen op het militaire apparaat niet hadden geleid tot een hachelijke machteloosheid. In Brabant en Limburg herinnerde men zich met enige ongerustheid dat weliswaar in 1914 de Nederlandse landsgrenzen door von Moltke waren gerespecteerd, maar dat von Schlieffens oorspronkelijke plan wel degelijk die beide zuidelijke provincies tot operatiegebiedhad bestemd.

Zelfs de socialisten moesten geleidelijk aan de gevarenvan hun ontwapeningsstreven gaan inzien:de door Hitler in 1935 ingevoerde algemene dienstplicht voorspelde niet veel goeds en de openlijke uitdaging aan de overwinnaars van 1918, in de vorm van de herbezetting van het gedemilitariseerde Rijnland in 1936, bracht het schrikbeeld van een nieuwe oorlog benauwend dichterbij.

De drastische wijze waarop het Nazi-regime zijn tegenstandersaan het maatschappelijke verkeer onttrok om hen vervolgens in de concentratiekampen tijdelijk of voorgoed de mond te snoeren, deed tal van linkse politici in de omliggende landen luide roepen om een adequate bescherming.

Idealisme en zuinigheid hadden in eendrachtige samenwerkingde wijsheid bedrogen en zij die tot dat bedrog hadden bijgedragen maakten nu het meeste misbaar om het ontbreken van de dijk die de bruine springvloed zou moeten keren. Zelfs de SDAP sprakzich uit ten gunste van de noodzakelijke herbewapening— met 1509 tegen 328 stemmen bij devernieuwing van haar beginselprogramma op 28februari 1937 —. . . „handhaving van de nationaleweermacht bevorderen zolang een internationaleontwapeningsovereenkomst tot het rijk derdromen blijft behoren" . . .

Het was dus zaak de strijdkrachten op peil te brengen, die zo lang waren verwaarloosd en zo doelbewust ontkracht. Dat was zeker geen eenvoudige zaak, want het materieel was sterk verouderd en grotendeels in verval, het personeel was weinig gemotiveerd en de organisatie bevatte eigenlijk slechts opleidings- doch geen parate eenheden.

Bij deze moeilijkheden voegde zich nog eenextra handicap. Alom in de verontruste democratieën kwam men tot het inzicht dat het vrijwelzeker „vijf minuten voor twaalf" was. En dus trachtte men allerwegen de desastreuze achterstand in bewapening zoveel mogelijk te verkleinen.Uiteraard was dat pogen vruchteloos, want bij de toch al in volle gang zijnde bewapeningswedloop der grote mogendheden moesten de laatkomers wel achter het net vissen. Toen de nalatigen tenlangen leste ook op de markt verschenen, kondende wapenfabrikanten al niet meer voldoen aan de schier hyperbolisch toenemende vraag.

Voor de neutralen werd dat nog verergerd doordat hun wapenaankopen geen aanleiding mochten geven tot twijfels aan hun strikte neutraliteit. Zij bevondenzich in dezelfde positie als de dwaze maagden uit de gelijkenis, die op het kritieke moment het licht van haar niet tijdig bijgevulde lampen zagen verflauwen en die daarom onder ogen moesten zien dat zij niet aan de machten der duisternis zouden kunnen ontkomen.

De krampachtig volgehouden neutraliteitspolitiek belette een economisch gebruik van de schaarsemiddelen. Om ook maar de geringste schijn van partijdigheid te vermijden was Nederland namelijk genoodzaakt zich naar alle zijden even sterk te weer te stellen. Dat betekende uiteraard een verspilling van krachten in die sectoren waar geen aanval te verwachten was en dientengevolge een aanzienlijk geringere concentratie op een eventueel door een agressor te kiezen zwaartepunt. Het hield eveneens in dat er geen sprake mocht zijn van een vooraf geregelde samenwerking met anderen;een militair verbond was uiteraard geheelen al ondenkbaar.

Het laat zich dan ook begrijpen dat de ter elfderure begonnen inspanningen niet meer tot het beoogde resultaat — de handhaving van de statusquo — zouden kunnen leiden. Toen de Duitse oorlogsmachinerie eenmaal in beweging was gekomen, moest het zelfs de hardnekkigste optimisten wel duidelijk worden dat ook het onverdacht neutrale Nederland nog slechts mocht leven ,,opgeleende tijd".

Als toevallige bate mocht dan die tijd misschien ietwat ruim uitvallen doordat de Duitse oorlogsleiding er klaarblijkelijk de voorkeuraan gaf het patroon van haar strategischeoperaties „tegen de klokrichting in" te doen verlopen, maar na Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije, Polen, Denemarken en Noorwegen kon het niet anders of ook voor Nederland moest het uurslaan: de hoop op een alsnog eerbiedigen van onzezo zorgvuldig gekoesterde neutraliteit was volslagenijdel.

Het was maar al te waar wat Shirer in „Opkomsten ondergang van het Derde Rijk" schrijft over de situatie in Europa na de overweldiging van Denemarkenen Noorwegen:Voor de laatste neutrale staten bevatte Hitlers jongste overwinning ook een gruwelijke les. De neutraliteitvormde blijkbaar geen bescherming meer voor kleine democratische landen die zich in een door totalitaire mogendheden beheerste wereld trachtten te handhaven(. . .) Het was hun eigen schuld als ze nu nog blind bleven, als ze weigerden tijdig — voor de agressieeen feit was — de hulp van hun goed gezindewereldmachten te aanvaarden.

De gruwelijke les miste desondanks haar uitwerking.Nederland bleef erop vertrouwen dat de drinkbeker aan ons zou voorbijgaan. Nederland bleef blind — quos Deus perdere vult, detnentatprius — en klampte zich vast aan een illusie, zoals een man die in een boom klimt om aan een bosbrand te ontkomen. De ontgoocheling was onvoorstelbaar bitter: op 10 mei 1940, om 03.55uur, sloegen de Duitse legers de droom aan scherven.

Bron Militaire Spectator 1975 pagina 195 t/m 197