We hebben 243 gasten online

Het einde van de KVP 1945-1980 Deel 4

Gepost in Politiek

Spotprent Nacht van Schmelzer

De oproep van Romme

Van christendemocratische samenwerking was in de jaren vijftig nauwelijks sprake. Romme streefde er wel naar ARP en CHU in de brede basis op te nemen, omdat hij vond dat het geloof de drie partijen bond. Maar echte samenwerking werd bemoeilijkt door de uiteenlopende beginselprograms: de protestanten wilden een protestantse natie, de KVP een maatschappij naar katholiek model. Volgens Romme was de CHU uitgesproken liberaal en had de ARP andere opvattingen over de rol van de staat en de sociale wetgeving. AR en CH moesten het eerst zelf maar eens worden, aldus de zienswijze van de KVP in de jaren vijftig. Het voorstel-Berghuis namens de ARP om de protestantse kracht te bundelen tegenover de roomsen, dit naar aanleiding van de achteruitgang van AR-CH bij de verkiezingen, werd door de CH afgewezen.

Internationaal konden de drie elkaar wel vinden via het gezamenlijk werk voor de NEI (Nouvelles Equipes Internationales), waartoe de KVP in 1947 en AR en CH in 1953 waren toegetreden, en voor de christendemocratische fractie in de Gemeenschappelijke Vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1953). De NEI was een bundeling van West-Europese christendemocratische partijen (later EUCD/IUCD). Op internationaal niveau moesten de protestanten echter wel samenwerken, aldus Romme in '54, omdat zij daar zwak stonden.

De stembusuitslag van '59, waarbij AR en CH verder achteruitgingen en de KVP niet doorgroeide, lokte in het partijbestuur een discussie uit of het Duitse voorbeeld (CDU) niet moest worden gevolgd. Binnen het bestuur achtte een groep, onder leiding van J. M. Peters, de christendemocratische samenwerking nodig vanwege de gestegen nadruk op de belangenbehartiging, het verdwijnen van het eigen beginsel, het herstel van de werfkracht van de christelijke gedachte door een gezamenlijk optreden. Peters wees op het ongeduld bij de jongeren en de grensstreekbewoners die de CDU voor ogen hadden.

Een andere groep, waaronder Romme en het jonge partijbestuurslid Steenkamp, wilde de zelfstandigheid van de KVP bewaren, een beter verband leggen tussen geloof en materiële zaken, de verzoeningsgedachte tussen de groepen beklemtonen. Hiermee zou volgens Romme de KVP-kiezer — die men altijd tot zelfstandigheid had willen voeren — in zijn bewuster kiezen kunnen worden tegemoetgekomen. Steenkamp zag op lange termijn helemaal niets in een samengaan van de drie. De KVP moest slagvaardig kunnen blijven bij formaties. Ook Van Doorn vond de KVP veel te progressief om samen te gaan met AR en CH. Andere leden van het partijbestuur waren bevreesd dat de KVP zou worden meegesleurd in de dalende lijn van AR en CH.

Het resultaat van dit overleg was het compromisvoorstel Romme (partijraad 13 oktober '59), te komen tot een gezamenlijk verkiezingsprogram als stap op weg naar een samenwerking van de drie. AR en CH moesten het wel eerst eens kunnen worden. Romme deed deze stap met het oog op mogelijke EEG-verkiezingen. AR en vooral CH waren afwijzend. Alleen de jongerenorganisaties van de drie partijen pakten de suggestie op en diepten dit thema uit in de z.g. Witte Heiconferenties. De jongeren zouden ook eerder dan de moederorganisaties een vorm van eenheid weten te vinden. In 1972 kwam een fusie tot stand van de jongerenorganisaties van CHU en KVP. De ARJOS weigerde hieraan mee te doen.

Het structuurrapport

De zaak van de toekomst van de partij werd doorverwezen naar een aparte studie-(structuur-)commissie, die door de aftredende voorzitter Van Doorn op 23 juni '62 op de bestuursraad was aangekondigd. Aanleiding tot deze stap was niet alleen de onzekerheid van het partijbestuur over de richting van de KVP, maar ook de alarmerende serie publicaties van het KASKI (Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut) over het toekomstig gedrag van de r.-k. kiezer. Het KASKI had in opdracht van de KVP een reeks verkiezingsuitslagen onderzocht.

Reeds in '52 had het KASKI geconstateerd dat industrialisatie weliswaar noodzakelijk was als oplossing van het bevolkingsprobleem, maar dat daarmee tegelijk de oude maatschappelijke structuren werden aangetast, ook het geloof en de politieke voorkeur daaruit. (De KVP heeft overigens de industrialisatie, liefst verspreid, sterk bevorderd). Trouwens: ook de media zouden het platteland openbreken. Nu — in 1962 — stelden de onderzoekers vast dat de politieke orthodoxie inderdaad dalende was en de ontkerkelijking doorzette. De KVP zou nog slechts overeind blijven op het platteland en in oude katholieke industriegebieden. Het KASKI voorspelde dat de katholieken, die op dat moment misschien nog geen alternatief hadden, zich zelfstandiger zouden opstellen en het beleid steeds meer op eigen voordeel zouden gaan toetsen.

Het zag er voor de KVP somber uit. Het partijbestuur dacht er nog even over de geestelijkheid dan maar in te schakelen, maar de algemene opinie was dat dit de mensen zou vervreemden van het geloof en dat het beter was het geloof overeind te houden dan de partij. Het voorstel Biesheuvel (ARP) van begin '62 voor een gemeenschappelijk verkiezingsprogram werd van de kant van de KVP (De Kort respectievelijk Aalberse op de partijraad van november '62) wel positief benaderd, maar gekoppeld aan overleg van AR met CH vooraf. Een dergelijk overleg mislukte. Resultaat voor de verkiezingen van '63: nihil. Voor de KVP met 50 zetels hoefde het daarna niet meer zo nodig.

Nadat inmiddels het KVP-bestuur was bekomen van de verrassing van de stembusuitslag van '63, die de partij weer moed gaf, besloot het in meerderheid het eindproduct van de structuurcommissie Grondslag en karakter van de KVP te publiceren (1966). NKV-voorzitter Mertens had bezwaar aangetekend, omdat hij het rapport als het begin van de afbraak van de katholieke zuil zag. Het teleurstellende en te defensief geachte rapport vond namelijk een katholieke partij alleen nog een zaak van doelmatigheid, niet meer van beginsel. Voorzichtig werd de mogelijkheid geopperd dat een commissie uit de drie partijen over een brede christelijke partij zou gaan praten. Een fusie werd niet haalbaar geacht en de KVP moest zich niet omvormen tot een algemene christelijke partij. Berghuis (ARP) liet 12 februari '66 weten het rapport een goed uitgangspunt te vinden voor een gesprek tussen de drie. De KVP zou wèl het initiatief moeten nemen. Dat gebeurde uiteindelijk na de verkiezingsnederlaag van de KVP in 1967. Partijvoorzitter Aalberse (1962-1968) verklaarde zwak op de partijraad van maart '66 dat handhaving van de KVP het enig mogelijke was, ook al was christendemocratische samenwerking gewenst.

In eigen kring, zo bleek uit de werkgroepenenquête, was men in reactie op het rapport in meerderheid ervoor op korte termijn vast te houden aan de „K" in KVP en op lange termijn te streven naar een Algemeen Christelijke Volkspartij. De KVP-jongeren onder René Gerrits waren echter voor een Algemene Volkspartij op basis van een christelijk-humanistisch beginsel. Op deze lijn zaten ook Couwenberg, die in april '66 binnen de KVP met Democratisch Centrum Nederland (DCN) startte om propaganda voor de gedeconfessionaliseerde middenpartij te maken, en de groep-Utrecht van 24 KVP'ers, die in november '66 de nota-Crijns produceerde. Deze nota behelsde een pleidooi vanuit de KVP te trachten een nieuwe oriëntatie van alle partijen te bereiken en oude ballast overboord te zetten.

Met de traditionele christelijke lijnen kon men geen politiek meer bedrijven. Er was ook een richting die alles bij het oude wilde laten, vertolkt door Van der Grinten op het Volkskrant-congres van november '66: een progressieve KVP die met links zou samenwerken en geen binding zou aangaan met AR en CH. De radicale richting zou zich na een reeks gebeurtenissen pas in '67 melden.

De Nacht van Schmelzer

het verschijnsel Schmelzer

1966 was een woelig jaar op politiek gebied. Er was onvrede over de lood-om-oud-ijzer-politiek: in '65 was het kabinet-Marijnen in ruzie geëindigd, waarna dit kabinet met de VVD werd verwisseld voor een regering met de PvdA (Cals), zonder een beroep op de kiezer. Deze onduidelijkheid speelde de oprichting in de kaart van D'66, dat de oude partijen wilde opblazen (1967: 7 zetels). Schmelzer kon in het partijbestuur de ommezwaai naar de PvdA als partner wel verklaren vanuit zijn evenwichtspolitiek — met rechts een sociale koers houden; met links gaan zorgen voor een verstandig kasbeheer en zorgen voor het particulier initiatief; de roep om meer duidelijkheid werd ook in KVP-kring luider. Moest er niet meer gewerkt worden aan echte structuurhervormingen in de maatschappij, vroegen enkele bestuursleden, onder wie Steenkamp, zich toen af.

De aanvaring tussen de KVP-fractie (met uitzondering van enkele dissidenten onder wie Van Doorn) en het kabinet-Cals in de Nacht van Schmetzer (van 13 op 14 oktober '66) heeft de onduidelijkheid over het karakter van de KVP en over het politieke spel vergroot, en bovendien het radicalisme tot leven gewekt. Een ambitieus regeringsprogram - volgens Schmelzer tè ambitieus, gezien de financiële mogelijkheden — was stopgezet.

memo hfst 5 afb 14

Cals struikelt over Schmelzer, 14 oktober 1966. Tekening Fritz Behrendt.

Evenals in '58 waren de voor de KVP niet ongunstig verlopen statenverkiezingen (maart '66), waarbij de PvdA flink was achteruitgegaan, voor partijbestuur en Schmelzer het sein geweest niet langer voor :de PvdA-wensen te bukken. Een deel van het partijbestuur schatte in juni '66 mogelijke vervroegde verkiezingen bij een crisis voor de KVP gunstig in. Andere bestuursleden wensten echter voortzetting van de rit met Cals; sommigen vreesden het ergste bij een breuk. De laatsten zouden gelijk krijgen.

Na de val van het kabinet-Cals werd het beleid van de fractieleider wel door de partijleiding gedekt, maar er was aparte kadervoorlichting nodig om het allemaal uit te leggen en het NKV bleef morren. Toch ging de KVP opgewekt de 'vervroegde verkiezingen van 15 februari '67 tegemoet onder de leuze Welvaartsvast, waardenvast, kenmerkend voor het pragmatisch georiënteerde beleid. Structuurdiscussies, de Nacht, de onvrede in het land over het politiek spel, de verzelfstandiging van de r.-k. kiezer: dat alles leverde de KVP nu acht zetels verlies op; vooral in het zuiden was de val spectaculair. (Ook de PvdA leed verlies). De bakens moesten snel worden verzet.

zetels tweede kamer kvp

Het bestuur-Aalberse nam het initiatief tot gesprekken met AR en CH, wat leidde tot de instelling van een kleine werkgroep (voor de KVP namen Aarden en Steenkamp daaraan deel) en vervolgens tot de oprichting van de Groep van 18, die een aantal kernvraagstukken zou moeten bestuderen, waaronder dat van het beginsel. In mei 1967 verzocht het partijbestuur alle bestuurslagen in de KVP voorstellen te doen voor de toekomst van de partij. Het bestuur tekende hierbij aan dat het een christendemocratische concentratie wenselijk achtte.

De formatie van het kabinet-De Jong (de drie confessionele partijen met de VVD) hield de partijen wel op één politieke lijn, maar was aanleiding voor het optreden van radicalen in de drie partijen. De KVP-radicalen, tot wie ik mij beperk, kwamen in augustus '67 in het nieuws met hun handtekeningenactie en hun antwoord op het verzoek van het partijbestuur. Zij wensten een christen-radicale politiek en een vooruitstrevende politieke keuze. Het verzoek was ondertekend door onder anderen Aarden, Cals, Van Doorn, Lubbers, Bogaers, Jurgens en Van Hulten. Adhesie werd betuigd door zeven kamerleden (Schmelzer riep daarop de fractie in conclaaf bijeen), verontruste Brabantse radicalen (dagelijks bestuurslid De Bekker: „We hebben lang genoeg alles van Den Haag geslikt"), KVP-jongeren en NKV-bestuurders.

Het partijbestuur keurde actievorm af, maar was bereid een goede meningsvorming in de KVP te organiseren ter voorbereiding van de partijraad van december '67. Er werden 24 regionale bijeenkomsten gehouden, waar de vier stromingen zich aan de KVP-ers konden presenteren: de christendemocratische richting (meerderheid partij- en dagelijks bestuur, blijkens een werkgroepenrapport ook 80% van de achterban, voorkeur van Aalberse en Schmelzer); het Democratisch Centrum Nederland; de radicalen en de richting-Van der Grinten. De strijd zou gaan tussen de christendemocratische richting en de radicalen. Schmelzer verklaarde het radicalisme „nul" te vinden, want de KVP was al radicaal (nl. christelijk), maar KVP-nestor Stokman liet weten dat de KVP niets had gedaan aan economische structuurverandering. Van hun kant meenden de radicalen dat de KVP en de christelijke politiek alleen door een radicale koers konden worden gered.

Zie verder Deel 5: Het einde van de KVP 1945-1980 Deel 5