We hebben 290 gasten online

De Vietnamese oorlogen, de verhouding tussen politiek en strategie

Gepost in V.S.

De Vietnamese oorlogen

Een verhandeling over de verhouding tussen politiek en strategie

C. H. Gelok luitenant-kolonel der infanterie, docent SKG, KMA

in Militaire Specator 1978 pagina 339 t/m 349

indochina en de oorlog

In de praktijk van het politieke handelen van de naties wordt, ten einde politieke doelstellingen te verwezenlijken, van een meer of minder uitgebreid arsenaal van machtsmiddelen gebruik gemaakt.

Naar oorlog voeren zal slechts in uiterste noodzaak worden gegrepen, waarbij dit middel dan eveneens als een politiek instrument moet worden gezien. Tijdstip van inzet van gewelddadige middelen, de mate van hun toepassing en de doelstelling worden door de politieke leiding bepaald en gecontroleerd. Indien deze controle zich kenmerkt door onzekerheid of ondeskundigheid kan het beeld ontstaan dat de oorlogvoering „een eigen leven gaat leiden", dat de militaire leiding zich een (te) grote invloed gaat verwerven, dat het gebruik van militaire middelen „zijn doel voorbijschiet" („Selbstzweck des Krieges"); de juiste correlatie tussen doel en middelen is dan verloren gegaan.

Zeker kan in de hier aan de orde zijnde relatie tussen politiek en strategie ook de situatie ontstaan, waarin de politieke leiding ongerechtvaardigde en overdreven verwachtingen koestert van de eenmaal begonnen inzet van strijdkrachten. Dit op grond van onjuiste inzichten omtrent bedoelingen, vastbeslotenheid en reserves van de tegenpartij.

Alsdan kan het beeld ontstaan van een politieke leiding, die zich zeer indringend met de militaire strategie gaat bemoeien: een situatie, waarin duidelijk de nodige conflictstof zich zal ophopen.

Het gezond houden van de relatie dient te worden gebaseerd op, bijvoorbeeld, de richtlijnen van von Clausewitz dienaangaande: DE STAATSMAN:

... dass die Politik an den Krieg Forderungen macht, die er nicht leisten kann, ware gegen die Voraussetzung, doft sie das Instrument kenne, welches sie gebrauchen will... [1]

DE VELDHEER: . . . dafl die Richtungen und Absichten der Politik mit diesen Mitteln (der Kriegskunst) nicht in Widerspruch treten, das kann die Kriegskunst im allgemeinen und der Feldherr in jedem einzelnen Fall fordern ... [2]

Ook al zijn deze regels zonder meer logisch en duidelijk, de toepassing ervan in de turbulente praktijk blijkt steeds weer moeilijk, waarvan ook de hedendaagse geschiedenis getuigenis aflegt.

Als voorbeeld wil ik hier het verloop van het zich gedurende dertig jaren voortslepende Vietnamconflict behandelen. De meeste aandacht zal daarbij worden besteed aan de gang van zaken aan Amerikaanse zijde. De politieke handel van vijf Amerikaanse presidenten en de militaire wandel van hun opperbevelhebbers zal nader worden bestudeerd met als voornaamste oogmerk vast te stellen waarom de Verenigde Staten zich in een uitzichtloze oorlog konden storten, de langste in hun geschiedenis en uitlopende in een grote tragedie.

Het optreden van president Truman, 1945-1953

a. Algemeen

De inzichten en de houding van deze president met betrekking tot de partijen in de Franse kolonie Indo- China, waar een opstandige beweging het terugkerende Franse regime tegemoet trad, ondergingen gedurende zijn ambtsperiode een geweldige verandering. Hij stond aanvankelijk bepaald niet welwillend ten opzichte van de voormalige bondgenoot uit de Tweede Wereldoorlog. Deze houding was een voortzetting van die van zijn voorganger Roosevelt: de VS dienen zich toe te leggen op bestendiging van de traditionele vriendschap met de volkeren op het Aziatische continent, met name met China. Koloniale ambities, ook die van bondgenoten, waren derhalve af te keuren. In 1947 nogwerd op Frankrijk druk uitgeoefend om tot staken van het conflict te komen en werden aanvragen om materiële steun geweigerd.

Het is dan inderdaad wel een wonderlijke ommekeer dat hetzelfde Frankrijk, onder dezelfde omstandigheden nog steeds verwikkeld in een oorlog tegen opstandelingen onder Ho Tsji Minh, zich enkele jaren later „verdediger van de vrije wereld" mocht horen noemen door de Amerikaanse politieke leiders, waarna van die zijde — in snel toenemende mate — de nodige steun werd verleend.

b. Hoe ontstond deze volte face in de politiek der VS?

Zoals boven reeds werd aangegeven was er geen sprake van veranderingen in Indo-China zelf, wél echter wijzigden zich de inzichten in de VS omtrent hun rol in een wereld die zich van de ene crisis in de andere stortte (Griekenland 1947, Berlijn 1948, Tsjecho-Slowakije 1948). Daardoor werd een kloof zichtbaar tussen West en Oost, waarbij tegen als reëel ervaren dreigingen in Europa al onmiddellijk maatregelen werden genomen. De NAVO werd op sterke instigatie van Truman gevormd; deze begon zich zelf — de architect van dit bondgenootschap — te beschouwen als leider van een bedreigde Westerse wereld, die zich tot taak moest stellen de ambities van een monolitisch, communistisch wereldblok op zijn minst te beteugelen („containment"). Alle acties van het blok — ook die in minder belangrijke gebieden als Europa — werden bezien als een onderdeel van een juist begonnen gigantische worsteling tussen twee wereldmachten.

De indruk van gevaar, óók buiten Europa, nam sterk toe nadat Mao Tse-Toeng in 1949 de alleenheerschappij in China verwierf; klaarblijkelijk won het communistische blok aan invloed en macht, en was alle hulp van de VS aan Nationalistisch China vergeefs geweest. De rol van Ho Tsji Minh, leider en oprichter van de in 1930 opgerichte Vietnamese communistische partij, uitroeper op 2 september 1945 van de „Democratische Republiek Vietnam" en aanvoerder van de guerrilla tegen Frankrijk, was in de toenmalige Amerikaanse perceptie duidelijk die van handlanger van het communisme:

Ho Chi Minh is a comintern agent whom the French rate as an authentic political genius, aldus de New York Herald Tribune op 17 juni 1949 [3].

Zo ontstond het beeld van een koude oorlog die zich uitbreidde, van Europa over Azië tot in Indo- China. De koloniale impulsen in het handelen van Frankrijk konden daardoor geredelijk uit het gezichtsveld verdwijnen, doch ook ging alle begrip verloren dat er misschien in de doelstellingen van Ho Tsji Minh ook nationalistische drijfveren konden meespelen.

De zojuist beschreven visie werd ten slotte volkomen gerechtvaardigd door het uitbreken, in juni 1950, van een oorlog in Korea.

In al deze verwikkelingen was de invloed van de besluitvaardige Amerikaanse president een factor van betekenis. Hij maakte de bovenvermelde perceptie geheel tot de zijne en baseerde zijn beslissingen erop. Daarin manifesteerde hij een grote bereidheid de uit zijn beslissingen voortvloeiende verantwoordelijkheden te dragen, een bereidheid die hij reeds eerder had getoond in 1945 inzake de inzet van kernwapens op Japan. Van zich zelf zegt Truman in zijn memoires:

I have to take things as they come and make every decision on the basis of the facts as I have them and then go on from there; then forget that one and take the next.

Zijn naaste medewerkers (o.a. minister Dean Acheson) en bondgenoten (getuige de handelingen na het uitbreken van het Koreaanse conflict) aanvaarddenzijn autoriteit voor de volle honderd procent.

c. De gevolgen voor de strijd in Indo-China

Snel viel vervolgens — met het zich wijzigen van de inzichten — een aantal besluiten ten gunste van Frankrijk dat zich financieel, economisch en militair zo zeer uitputte in de strijd tegen een „brute agressor"; én Indo-China én Korea werden sedert 1950 in een zelfde kader geplaatst. De toen door Truman geautoriseerde materiële hulp liep snel op: in 1953 droegen de VS ongeveer eenderde van de totale kosten van de Franse oorlogsinspanning[4].

de indochinseoorlog en de toekomst van Zuidoost azie

New York Herald Tribune 20 november 1953

d. Wat is er nu in feite precies gebeurd?

Hanteren wij in deze het thema van de doel-middelrelatie, dan kan worden opgemerkt dat het middel (de oorlogvoering door Franse strijdkrachten in het kader van beperkte politieke doelstellingen) zonder meer werd overgeplant en opgenomen in een mondiale, politieke strategie met doelstellingen op dat niveau. Uit de comfortabele positie vanwaar een ruime terugblik mogelijk is, is het heel goed doenlijk uit het gebeurde lering te trekken: dat is in elk geval de les, dat de ommezwaai in de Amerikaanse algemene strategie zich niét baseerde op „present realities"(Term ontleend aan de theorie van Douhet), te weten dat het einde van het koloniale tijdperk definitief was aangebroken, waarmee aan de sterke vraag van vele volkennaar zelfstandigheid en zelfbeschikkingsrecht niet kon en mocht worden voorbijgegaan. (Hierbij eveneens te denken aan de gang van zaken in Nederlands Oost-Indië in de jaren 1945-1949.) Het niet accepteren van de realiteit, aanvankelijk voornamelijk op politiek terrein, heeft geleid tot foutieve interpretatie van de situatie in Zuidoost- Azië (óók vervolgens op militair terrein).

In dat licht bezien was de inschakeling van het middel — in de vorm van een reeds enkele jaren gevoerde, en aanvankelijk nog scherp veroordeelde, koloniale oorlog ten dienste van het eigen (Amerikaanse) politieke streven en handelen een wel zeer vreemde manoeuvre (ook al is ze begrijpelijk).

Toen na 1949 steun aan Frankrijk werd toegezegd en gerealiseerd, is er op het strijdtoneel zelf in feite geen wijziging in de bestaande omstandigheden te bespeuren geweest. Het in de eigen, mondiale algemene strategie opgenomen instrument is ergo als ondeugdelijk aan te merken. De inschakeling van het „middel" was het gevolg van een politiek denken dat zich door gelegenheidsoverwegingen liet leiden en was gebaseerd op het, zonder meer, op Azië van toepassing verklarenvan koude-oorlogomstandigheden die in Europa aan de orde waren.

De Clausewitziaanse voorwaarde „der Krieg isl nichts als die Fortsetzung der politischen Bestrebungen mit veranderten Mitteln" [5] is niet vervuld.

Het snelle, opportunistische handelen door de VS was daaraan in belangrijke mate debet; een zorgvuldig zich beraden op de vraag „de quoi s'agit-il?" bleef achterwege. De „voortzetting" werd van haar natuurlijke startpunt losgekoppeld.

Het optreden van president Eisenhower, 1953-1960

a. Algemeen

De Chinese interventie in het najaar van 1950 in Korea leidde natuurlijk tot de verwachting dat dit eveneens in Indo-China ten gunste van Ho Tsji Minh zou kunnen gebeuren. De Amerikaanse steun werd derhalve opgevoerd door het team Eisenhower-Dulles: in 1954 droegen de VS ongeveer de helft van de oorlogskosten (een miljard dollar). Ter rechtvaardiging van deze politiek van steunverlening was het uiteraard noodzakelijk dat bovengenoemde verwachting in vervulling ging.

Regelmatig klonken er daarom alarmsignalen in uitspraken van vooraanstaande Amerikaanse politici en in artikelen van de toonaangevende pers; zo verklaarde minister Dulles herhaaldelijk datChinezen een direct aandeel namen in de militaire operaties.

Toen dan ook in maart 1954, ten tijde van het beleg van Dien Bien Phoe, de Franse opperbevelhebber generaal Ely de Amerikaanse regering op de hoogte bracht van een dreigende debacle aldaar en verzocht om Amerikaanse inmenging mét strijdkrachten, leek voor Amerika het einde van het laten voeren van de oorlog („proxy war") te zijn aangebroken. (Voornaamste redenen van het

Franse echec: een voortdurende hautaine onderschatting van de vijandelijke mogelijkheden, en daaraan nog gepaard een overschatting van eigen kracht [6].)

vietminh gecontroleerd gebied

Tegen de sterke oppositie van zijn militaire adviseurs in besloot president Eisenhower echter aan het verzoek niet te voldoen. Dat Churchill Britse steun weigerde heeft daartoe zeker bijgedragen. Bovendien lagen de motieven ook nog in het zojuist beëindigd zijn van de oorlog in Korea, in een realistische visie op de positie van Frankrijk in de wereld en bijgevolg op de geringe kansen op een fiat van het Amerikaanse Congres.

Wij mogen hier vaststellen, dat op het handelen van deze Amerikaanse president de Clausewitziaanse stelling

Sobald also der Kraftaufwand so gross wird, dass der Wert des politischen Zwecks ihm nicht mehr das Gleichgewicht halten kann, so muss dieser aufgegeben und der Friede die Folge davon sein [7] voor een deel wel van toepassing mag worden verklaard.

b. De werkelijke relatie van Ho Tsji Minh tot het communistische blok

Van grote betekenis voor het evalueren van de gevoerde algemene strategie is het antwoord op de vraag, hoe de verhouding van Ho Tsji Minh tot zijn „opdrachtgevers" nu eigenlijk wel was?

In feite was de werkelijke situatie niet zoals door verschillende Amerikaanse politieke en vooral militaire leiders werd verondersteld. Zoals boven reeds vermeld, behield Eisenhower een realistische kijk op de stand van zaken. Daarvan getuigt zijn uitspraak:

I have never talked or corresponded with a person knowledgeable in Indochinese affairs who did not agree that had elections been held as of the time of the fighting, possibly 80 percent of the population would have voted for the communist Ho Chi Minh as their leader rather than chief of state Bao Dai. [8]

Ho Tsji Minh probeerde steeds een niet te zeer gebonden positie ten opzichte van China en de Sovjet- Unie te handhaven; hij accepteerde steun van beide landen doch deze mocht nooit de beslissende factor in zijn strijd gaan vormen. Hij omschreef zijn houding als volgt:

This line (zijn nationalistische, anti-Amerikaanse politiek) has mobilized and organized all our people and had developed the strength of our entire country to defeat the U.S. aggressors. It has been imbued with the spirit of independence and of relying mainly on our own strength, while attaching great importance to the assistance of the progressive people all over the world... [9]

De strategie van het door de Vietnamees Ho steeds gewantrouwde China (Vietnam zelfstandig ten opzichte van China is in wezen een uitzonderlijke situatie) was simpelweg, in elk geval steeds te voorkomen dat de balans onverdeeld gunstig voor Frankrijk zou doorslaan. Het opvoeren van Amerikaanse steun resulteerde in vergroting van steun door China (na het einde van de Koreaanse oorlog snel in omvang toenemend), waarbij Ho toch een grote vrijheid voor zich zelf en zijn partij kon bewerkstelligen.

c. Het einde van de Franse militaire presentie,

1954

Op 8 mei 1954 viel Dien Bien Phoe — na 56 dagen te zijn belegerd — in handen van de Noordvietnamezen. Dit feit bezegelde het einde van een tijdvak, waarin het Westen grote invloed uitoefende in Azië. Op operationeel-tactisch gebied boekten Ho en zijn opperbevelhebber Giap een overwinning, die op het hogere niveau van de „grand strategy" geweldige gevolgen had. De Conferentie van Genève getuigde daarvan; zij leverde de volgende overeenkomst op:

— de 17e breedtegraad wordt demarcatielijn tussen Vietminh en Franse strijdkrachten;

— binnen twee jaar zal een volksstemming worden gehouden ten einde tot politieke eenwording te geraken;

— de vijandelijkheden worden gestaakt;

— er zullen drie onafhankelijke staten ontstaan, namelijk Vietnam, Laos en Cambodja.

Onder druk van China en Sovjet-Unie stemde Ho in met de akkoorden van Genève in de stellige verwachting dat, nu de finale militaire overwinning hem ontging, toch de politieke zege in de toekomst kon worden zeker gesteld.

Frankrijk heeft in zekere zin de eer veilig gesteld. De VS tekenden de akkoorden van Genève niet, doch verklaarden wél deze te zullen eerbiedigen. Het nu (1954) realiseren van vrede in Azië was én voor Frankrijk én voor de VS van groot belang (defensie-inspanningen in West-Europa, verkiezingen in de VS).

Het vervolg van de strijd — aangezien immers de dreiging nog bleef bestaan — is te zien in de vorming van de ZOAVO (Zuidoostaziatische verdragsorganisatie), waarbij een collectieve defensie tegen mogelijke agressie werd voorzien. Reeds in 1954 vond de ZOAVO haar beslag te Manilla; in een protocol verklaarden de acht bondgenoten dat Laos, Cambodja en het vrije gebied van Vietnam onder bescherming van de ZOAVO zouden vallen.

Dit initiatief van de VS droeg derhalve de karakteristiek in zich, dat het de mogelijke gevolgen van Genève wilde voorkomen. Uit het perspectief van de opponenten bezien, namen de VS ergo deplaats van Frankrijk in: reden om dat te beschouwen als imperialisme in vermomming.

De Amerikaanse politiek bleef berusten op twee pijlers; enerzijds het voortzetten van de „containment", en anderzijds de hypothese dat het gros van de Vietnamese bevolking pur sang communist was. In de periode van 1954 tot 1956 werd dan ook verdere Amerikaanse steun verleend aan de prowesterse Ngo Dinh Diem. Deze had in oktober 1955 het onafhankelijke Zuid-Vietnam geproclameerd en zich zelf tot president daarvan benoemd.

De situatie spitste zich vervolgens verder toe door:

— Diems weigering verkiezingen te doen houden (motief: Zuid-Vietnam had de akkoorden van Genève niet getekend);

— het bezoek van Ho Tsji Minh aan Moskou en Peking (l955);

— het oefenen en inzetten van guerrillero's door Noord-Vietnam in het zuiden (ingaande l957 begon een algemene en selectieve terreur tegen lokale bestuurders en onderwijzers);

— het uiteindelijk niet houden van de overeengekomen verkiezingen.

Vooral het laatste werd door Noord-Vietnam kundig uitgespeeld om de wereldopinie te beïnvloeden. Met nadruk werd gesteld, dat het onwettige regime in Saigon moest verdwijnen. Niet duidelijk was het toentertijd, of Ho daarvoor een oorlog wilde voeren of dat dit doel door subversieve actie in het zuiden diende te worden bereikt.

d. Wat is er nu in feite precies gebeurd?

Ondanks de weigering (1954) metterdaad militaire steun te verspillen in een uitzichtloos conflict, valt te constateren hoe — vreemd genoeg — de Amerikaanse politieke leiding zich zodanig opstelde in de interne crisis van een klein, primitief veraf gelegen land, dat identificatie met de rol van Frankrijk voor de hand ligt („ook al zijn de VS niet koloniaal, in elk geval zijn zij Westers en blank").

Gegeven de reeds door de opponent geboekte successen was deze opstelling van de VS onverantwoord. Is het lopen van zekere risico's in politiek en strategie — als een belangrijke hoge doelstelling zulks wettigt — zeker niet te vermijden, de vraag is in deze essentieel in hoeverre de hoge doelstelling (het breidelen van het communisme) zou worden vervuld door strijd te voeren tegen een nationalistischgezinde leider van een klein land, en daarbij het autocratische, arrogante regime van een machthebber als Diem van de nodige steun te voorzien.

Het verdere verloop van het Vietnamconflict leert dat het antwoord negatief uitvalt: Diem kende géén compromis; zijn harde militaire ingrijpen was dikwijls verkeerd gericht, waardoor hij zich onder bevolkingsgroepen die in wezen niets van het communisme wilden weten, vele vijanden schiep. Het escaleren van de strijd is mitsdien méér veroorzaakt door de regering Diem, minder door de Noordelijken.

ngodinh diem op bezoek in Washinghton 1967

Diem op bezoek in Washington in 1957. Links president Eisenhower, daarnaast John Foster Dulles

De periode Kennedy en MacNamara, 1960-1963

a. Algemeen

In de korte ambtsperiode van de nieuwe president werd voortgegaan op de reeds ingeslagen weg. Alhoewel Kennedy in diepste wezen de Vietnamese oorlog als een zuiver Vietnamese aangelegenheid beschouwde („In the last analysis, it is their war, it is they who must win or loose it" [10]), zagen zijn naaste medewerkers (met name zijn minister van defensie en stafchefs) Vietnam als een probleem, dat snel militair diende te worden opgelost. Vandaar een voortdurende sterke druk op de president tot het inzetten van Amerikaanse gevechtseenheden. Kennedy autoriseerde deze voorstellen niet, wel werd de Amerikaanse inmenging aanzienlijk verhoogd: eind 1963 deden 17.000 adviseurs dienst in Vietnam en was er sprake van een beperkte inzet van de modernste wapens.

jfk briefing vietnam war

Persconferentie Vietnam oorlog door president Kennedy maart 1961

Twee zaken waren doorslaggevend in deze sterke opvoering van het Amerikaanse engagement. Ten eerste het bezoek van vice-president Johnson aan Vietnam in april 1961 met het doel Diems regime openlijk morele steun te verlenen. Johnson rapporteerde officieel (afwijkend van zijn persoonlijkeinzichten), dat het Amerikaanse hulpprogramma snel en met beleid moest worden volvoerd en raakte op deze wijze persoonlijk sterk in deze zaak verwikkeld.

Ten tweede het Taylor-Rostovrapport, dat na een „fact finding"-bezoek van deze twee adviseurs eind 1961 werd ingediend: hun bevindingen waren, dat inschakelen van gevechtstroepen (ten minste 8000 man) strikt nodig was om de snel verslechterende omstandigheden het hoofd te bieden. Daarop besloot Kennedy tot een compromis; het aantal adviseurs werd met 15.000 man uitgebreid, waardoor de binding manifest en bijkans onherroepelijk werd.

Hoewel er nog geen gevechtseenheden in het operatietoneel waren geïntroduceerd, valt te constateren hoe — vooral ook als gevolg van de invloed van de minister van defensie, de technocraat Mac-Namara, die verschillende malen Vietnam bezocht — er toch vormen van luchthartig optimisme ontstonden, waarbij het uitgangspunt was dat Amerikaanse doelmatigheid, produktietechniek, bewapening en luchtmachtoptreden een snel succes zouden garanderen. En ondanks zijn nuchtere kijk op en scepsis aangaande de voorstellen van zijn adviseurs effende president Kennedy het pad voor een totale binding en verwikkeling in de Vietnamese conflictproblematiek, waarbij steun werd verleendaan een dictatoriaal regime.

b. Hoe was de militair-strategische situatie in feite?

In deze periode nam, ondanks het grote aantal adviseurs, de doelmatige inzet van het Zuidvietnamese leger niet toe. Weliswaar beheerste het de grote steden, doch het waagde het niet deze te verlaten om de toenemende guerrilla-activiteiten op het platteland te beantwoorden. Men heeft de Vietcong de vrijheid geschonken het moeilijke initiële stadium te overleven. De Amerikaanse bombardementen sterkten het moreel van de Vietcong, en Giap verhoogde zijn activiteiten dermate dat eind 1962 de toestand er wanhopig uitzag. Chaos heerste in de politieke en militaire leiding van Zuid- Vietnam. Desondanks gingen naar de president optimistisch gestemde rapporten, dat inzet van napalm en het gebruik van ontbladeringsmiddelen spoedig succes zouden garanderen.

In het kamp van de tegenpartij nam de steun aan de Vietcongstrijdkrachten grote vormen aan door het in bedrijf stellen van het Ho Tsji Minh-pad dat, sinds het akkoord over de neutraliteit van Laos, op Laotiaans grondgebied in gebruik werd genomen. Tevens werd nog een andere aanvoerlijn ingesteld: het Sihanoek-pad.

c. Het einde van deze periode

Een terugblik leert ons, dat de Amerikaanse visie op het conflict sterk werd bepaald door optimistische rapporten uit Vietnam. Deze niet realistische beelden dienden de Amerikaanse „reality" te beinvloeden.

It became increasingly a policy based on appearances; Vietnamese realities did not matter, but the appearances of Vietnamese realities mattered because they could effect American realities. [12]

Op grond daarvan besloot de politieke leiding de voorgestelde koers van de militaire leiding, die om steeds meer vroeg, te volgen. De sceptische visie van de president leidde hem ertoe beperkingen opte leggen aan de escalatie. (Géén gevechtseenheden, echter wel uitbreiding van het aantal „adviseurs" tot 15.000 man, waarmee een valse illusie werd geschapen, als zou men een strategie van beperkingnastreven.)

In november 1963 werd president Ngo Dinh Diem van Zuid-Vietnam vermoord; enkele weken later volgde de moord op president Kennedy, waarmee een nieuw tijdvak in het Amerikaanse aandeelwerd ingeluid.

Het bewind van president Johnson, 1963-1968

a. Algemeen

Zijn gevoelen persoonlijk betrokken te zijn bij de strijd in Zuidoost-Azië, gepaard aan zijn koppigheid en trots, brachten president Johnson ertoe in snel tempo Amerikaans militair potentieel ter sterkte van ruim een half miljoen man in te zetten, gebaseerd op veronderstellingen en hypothesen die niets met de werkelijke situatie te maken hadden.

Deze gigantische escalatie vond plaats in de hoop op spoedige vrede, waardoor de Amerikaanse communis opinio kon worden bewogen de algemene strategie in Vietnam te steunen.

In een memorandum van de Joint Chiefs of Staff van januari 1964 werd sterk aangedrongen op het opheffen van de zelfverkozen beperkingen, ten einde in stoutmoedige militaire acties — waarbij bewust risico's moesten worden aanvaard — de oorlog snel tot een einde te brengen. Speciaal werd gepleit voor uitgebreide strategische bombardementenop Noord-Vietnam:

Ho Chi Minh has an industrial complex to profeet, hè is no langer a guerrillafighter with nothing to lose. [13]

Het strategische bombardement werd ontketend door het maritieme incident op 2 en 4 augustus Haiphong (t 500 km lStrategische verbindingslijnen naar het operatietoneel Zuid-Vietnam (ononderbroken: Ho Tsji Minh-route, onderbroken:Sihanoek-route) 1964, waarna de Amerikaanse luchtmacht op 5 augustus 25 Noordvietnamese schepen vernietigde, evenals het oliedepot te Vinh.

In politicis had dit incident grote gevolgen: op 11 augustus 1964 werd de Tonkingolf-Resolutie getekend die de president machtigde „to use such force as could lead into war".

De bovengeschetste ontwikkeling werd bovendien nog in de hand gewerkt doordat steeds duidelijker de guerrilla de tweede fase was ingetreden. Het bereikte strategische evenwicht werd benut om daarvan uitgaande aan strategische offensieve handelingente beginnen.

In 1963 en 1964 begon Giap in het zuiden geregelde troepen ter sterkte van regimenten te detacheren, die erin slaagden grote delen van het zuidelijke territoir te bezetten. Zuid-Vietnam was duidelijk aan het einde van zijn weerstandskracht, hetgeen de alarmbel in Washington deed klinken.

Hoezeer in het Vietcong-optreden een schaalvergroting plaatsvond, tot aanvallen ter sterkte van wel 2000 man op regeringsposten, kazernes, e.d., bleek wel uit de raid op 7 februari 1965 op de vliegbasis Pleikoe, waarbij acht Amerikanen sneuvelden. Mede daarom volgde er een grote uitbreiding van het strategische bombardement om het Vietcong-offensief te ontkrachten; officieel werd toegegeven dat ook Amerikaanse piloten vluchten uitvoerden tegen Noord-Vietnam; de strategische verbindingslijnen, o.a. het Ho Tsji Minh-pad, werden voortdurend bestookt (operatie „Rolling Thunder"). Het antwoord daarop van de zijde van de Vietcong was weer een verhoging van de guerrilla- activiteit, iets wat de voorstanders van het strategische bombardement in feite niet voor mogelijk hadden gehouden.

Aangezien terugtrekken ten enenmale onmogelijk was, bleef er niets anders meer over dan inzet van geregelde strijdkrachten tegen de snel terrein winnende grondacties van de tegenpartij. Daarmee was het vermijden van een beschamende nederlaag verheven tot politieke doelstelling van hoge orde, een orde die ver uitrees boven de officieel aangehangen doelstelling dat de vrijheid van Zuid-Vietnam gegarandeerd diende te blijven.

b. Werkelijke inzet van Amerikaanse grondstrijdkrachten

In maart 1965 kreeg de Commander U.S. Military Assistance Command Vietnam, generaal Westmoreland, zijn eerste geregelde grondtroepen ter beschikking, waarna de Amerikaanse sterkte in snel tempo opliep tot 200.000 man, met plannen in 1967 een totale inzet van 700.000 man te realiseren.

DE MILITAIRE GEVOLGEN

Op 26 juni 1965 kwam de toestemming af zo nodig Amerikaanse troepen in het gevecht te werpen; die machtiging kreeg op 28 juni haar beslag in een gecombineerde „search and destroy operation". Een Amerikaanse strategie manifesteerde zich, waarin Saigon het krachtig te verdedigen basisgebied moest vormen en noordwaarts langs de kustlijn verschillende enclaves werden gevormd vanwaar „search and hold"-operaties het omringende gebied zouden pacificeren. In deze maanden arriveerden o.a. l (US) Infantrydivision (Big Red One) en de juist geformeerde l (Air Mobile) Cavalry Division. Al spoedig na de vorming van deze bases, die bijna alle over zee konden worden bevoorraad (Dien Bien Phoe-syndroom?) werden zij door de Vietcong ingesloten.

DE POLITIEKE GEVOLGEN

Het Zuidvietnamese regime kon — ook al stond het bijzonder wankel — in het zadel blijven zitten. Directe politieke gevolgen bleven uit doordat Giap wegens de grote Amerikaanse steun de reeds geplande derde fase — die van het inzetten van het strategische offensief door over te gaan op conventionele operaties voor onbepaalde tijd moest uitstellen

c. Een analyse van de feitelijke situatie

Het beeld dringt zich op van een groot, op technisch terrein sterk geavanceerd land dat op grote afstand van zijn grondgebied een beperkte oorlog voert tegen een kleine natie, die deze oorlog ervaart en opneemt als een totale oorlog.

Militair gezien ontwaren wij de conventionele inzet van moderne strijdkrachten tegen een opponent, die zijn kracht ontleende aan nationalistische drijfveren, sterke betrokkenheid van de bevolking en een goed georganiseerde controle over die bevolking(óók in het zuiden van Vietnam).

Aan de Clausewitziaanse regel:

. . . dass die Politik an den Krieg Forderungen macht, die er nicht leisten kann, ware gegen die Voraussetzung, dass sie das Instrument kenne, welches sie gebrauchen will. . . [14]

werd heel duidelijk niet voldaan.

De bovengeschetste omstandigheden leidden ertoe dat, ondanks haar kwantitatieve minderheid van l : 3, de Vietcong de strijd gedurende langere tijd kon volhouden. Als bonus kwam daarbij dat dit volhouden van de strijd in versneld tempo de Amerikaanse offerbereidheid ging aanvreten: de betrokkenheid bij de beperkte oorlog in het verre Zuidoost-Azië was immers niet bijzonder hoog. Hoe juist aan Noordvietnamese zijde de politieke en militaire beoordeling van de toestand was, moge blijken uit deze analyse van generaal Giap uit 1967:

The U.S. imperialists cannot mobilize all their farces for the war of aggression in Vietnam. The present mobilization level has far exceeded initial U.S. forecasts and is at sharp variance with U.S. global strategy. [15]

d. Het Tet-offensief, januari 1968

Dit offensief, dat nota bene werd ondernomen na drie jaren van aanhoudende strategische bombardementen en andere militaire acties op uitgebreide schaal, schokte de Amerikaanse leiding en het volk. Het offensief markeerde het begin van het einde van de Amerikaanse inmenging. Het richtte zich voornamelijk op de grote steden, waarin door de voorwaartse ontplooiing betrekkelijk weinig militaire beveiliging aanwezig was. Klaarblijkelijk was het oogmerk met het overplanten van de strijd naar de grote steden een geweldige schok in de VS te veroorzaken.

Hoewel de resultaten voor Noord-Vietnam op operationeel-tactisch gebied neerkwamen op verlies en niet-slagen — de grote steden werden net niet genomen, er braken geen opstanden op grote schaal uit en er werden grote personele verliezen geleden — moest Westmoreland op 25 februari toch toegeven:

The enemy has obtained a certain psychological advantage(...) The U.S. had underestimated the enemy's capacity to employ the tactic of infiltration into inhabited centres. [16]

Dat nu betekende ontegenzeglijk succes voor Ho Tsji Minh en zijn medewerkers in het politieke en ook wel het militaire vlak.

President Johnson rechts  ontmoet in 1968 Van Thieu

President Johnson (rechts) ontmoet Van Thieu in 1968

De opvolger van MacNamara, Clifford, slaagde langzamerhand erin president Johnson van de ernst van de situatie te overtuigen. In maart 1968 trok Johnson zich terug als kandidaat voor de verlenging van zijn presidentschap. Hij liet een enorm probleem na: de vraag hoe een grote mogendheid als de VS zich zonder al te groot gezichtsverlies uit deze uitputtingsoorlog zou kunnen terugtrekken.

generaal westmoreland en president johnson

Opperbevelhebber Westmoreland en president Johnson

Terzelfder tijd — maart 1968 — vertrok generaal Westmoreland, opgevolgd door generaal Creighton Abrams Jr. Of nu de president in deze commandowisseling al dan niet de hand had, duidelijk werd in de persoon van de nieuwe bevelhebber gestreefd naar vergroting van het takenpakket voor het Zuidvietnamese leger. (Westmoreland had weinig vertrouwen in dat leger en was te optimistisch omtrent de mogelijkheden tot succes voor de Amerikaanse troepen) [17].

De periode Nixon-Kissinger, 1969-1974

a. Algemeen

De dwang der omstandigheden onderkennende werd nu een politieke strategie van „vietnamiseren" opgesteld en uitgevoerd, waarbij vooral het terugtrekken van de Amerikaanse strijdkrachten een belangrijke plaats innam. Om dit pijnlijke en oneervolle proces nog enigszins bevredigend te laten verlopen werd de instandhouding van een krachtig anticommunistisch Zuid-Vietnam onder een pro-Amerikaans regime als conditio sine qua non aangemerkt.

Het uitdunnen begon in juni 1969 met het repatriëren van 25.000 man van de ruim een half miljoen toen in Vietnam gestationeerde Amerikaanse strijdkrachten. Weldra bleek dat dit terugtrekken een verhoging van Vietcongactiviteiten tot gevolg had; een nieuw dilemma voor de politieke en militaire leiding. Als tegenwicht werd de luchtoorlog tot ongekende intensiteit opgevoerd en werd in april 1970 nog een groot Amerikaans-Vietnamees tegenoffensief tegen het basisgebied der guerrillero's in Cambodja ondernomen.

Dat alles speelde zich af terwijl de vredesonderhandelingen al op 25 januari 1969 te Parijs waren begonnen („fighting while negotiating" . . . gevechtshandelingen herhaaldelijk in duidelijke relatietot onderhandelingsstrategie).

b. De gevechtshandelingen 1972

In april en mei 1972 ondernam Noord-Vietnam een tweede offensief op grote schaal met artillerieen tankconcentraties. Als politieke oorzaak voor dit conventionele offensief is zeker in belangrijke mate aan te voeren de duidelijke isolatie van Noord-Vietnam door de Amerikaanse politieke initiatieven inzake toenadering tot China en de Sovjet-Unie (détente; Nixons bezoek aan Peking in februari 1972). De Noordvietnamese leiders stelden zich tot doel zoveel mogelijk winst te boeken vóór de gevolgen van een gesignaleerde isolatievoelbaar zouden worden. Operationeel gezien was de tijd daarvoor beslist rijp wegens:

— het terugtrekken van Amerikaanse troepen uit verscheidene vitale gebieden;

— de manifeste zwakheden van de Zuidvietnamese strijdkrachten (getuige het weinig succesvolle optreden in Laos op de strategische verbindingslijnen van 8 februari tot 25 maart 1971);

— de eigen beheersing van steeds meer dichtbevolkte, vitale gebieden in Zuid-Vietnam zelf.

Een complexe crisissituatie had zich nu aangediend, die nog werd vergroot door de geweldige strategische bombardementen op Hanoi en Haiphong in april, in mei gevolgd door het blokkeren van Noordvietnamese havens, dat alles als antwoord op het Vietnamese geregelde offensief.

c. De vredesonderhandelingen

Op het politieke front trad het duo Nixon-Kissinger intussen zeer pragmatisch op: gebruikmakende van de ingetreden dooi in de verhoudingen met China en de Sovjet-Unie werd — onder zekere voorwaarden — een totaal terugtrekken van Amerikaanse troepen aangeboden. De op 4 mei afgebroken Parijse vredesonderhandelingen konden als gevolg van het geschapen politieke klimaat in juli 1972 worden hervat, zij het dat zij zich bleven kenmerken door een slepend karakter. Na opnieuw een periode van stilstand in de besprekingen, gevolgd door een hervatting van 18 tot 30 december 1972 van het strategische bombardement op Hanoi en Haiphong, werd eindelijk op 23 januari 1973 een staakt-het-vuren-overeenkomst bereikt en op 27 januari getekend.

b 52 bommenwerpers

d. Wat werd in Parijs overeengekomen?

Als belangrijkste punten uit die overeenkomst zijn te vermelden:

— alle Amerikaanse troepen worden teruggetrokken, ook die uit Laos en Cambodja;

— Amerikaanse krijgsgevangenen zullen binnen 60 dagen worden vrijgelaten;

— onderhandelingen tussen Noord en Zuid zullen worden geopend om tot verkiezingen te komen;

— op de afwikkeling van de overeenkomsten zal internationaal toezicht worden ingesteld.

Terugblikkende valt op, dat de klok bijna twintig jaar werd teruggezet en dat dus een situatie werd „bereikt" als ten tijde van de Overeenkomst van Genève van 1954.

e. Analyse van bijzonderheden op het terrein van politiek en strategie

De politieke en strategische nog te vervullen doelstellingen zijn samen te vatten in het begrip „Vietnamisering".

Dat moeilijke en pijnlijke proces is o.i. door de politieke leiding op succesvolle en bekwame manier opgelost. Op het door Noord-Vietnam afbreken van de onderhandelingen werd snel en beslist gereageerd onder gelijktijdig intensiveren van de luchtoorlog (militaire strategie dient de politiek).

Op politiek gebied werd de kleine tegenstander vaardig buitenspel gezet door avances in de richting van diens bondgenoten op de achtergrond. Zodoende werd het best mogelijke geraliseerd; Noord-Vietnam behaalde slechts een gedeeltelijke overwinning. Ook al werden de Amerikaanse strijdkrachten gerepatrieerd, de Zuidvietnamese regering stond nog recht overeind en de VS bleven dat regime steun en advies verlenen.

Voor wat betreft de verhouding tussen politiek en strategie zijn verschillende zaken waard te worden gememoreerd.

• Allereerst zijn daar de grote verschillen van inzicht en de misverstanden tussen de Amerikaanse militaire leiding en de politici. Het herhaaldelijk ontslaan van militaire opperbevelhebbers duidde al op onvrede over de militaire taakstelling. Natuurlijk bezag de militaire leiding pacificatieopdrachten („strategie Hamlef'-programma!) als zaken van tweede rang en bleef zij voortdurend aandringen op strikt militair handelen.

• Ten tweede dient de aandacht te worden gevestigd op tendensen in het militaire handelen, die het beste kunnen worden gekenschetst als de overgang van „search and hold"- naar „search and destroy"- operaties. Daardoor werd de wereldpers gealarmeerd en nam, nationaal en internationaal, de publieke opinie snel een steeds meer afwijzend standpunt in.

• Ten derde valt op te merken dat de Amerikaanse politieke leiding op grond van de boven gesignaleerde „modification" (de communis opinio) zich voortdurend gedwongen zag beperkingen in de inzet van militaire machtsmiddelen aan te brengen. Deze zelf opgelegde beperkingen werden ook manifest bij mogelijk te nemen acties tegen Laos en Cambodja: een optreden op grote schaal als in 1970 werd niet meer herhaald, waardoor de Vietcong over zekere en veilige strategische verbindingslijnen naar Zuid-Vietnam kon blijven beschikken.

Slotbeschouwing

a. Algemeen

Noord-Vietnam beheerste in het begin van 1973 driekwart van het Zuidvietnamese territoir. Het „bevrijdingsleger", goed gedisciplineerd, geoefend en — naar mag worden aangenomen — voor zover mogelijk politiek geïndoctrineerd, telde ruim 200.000 man. Derhalve was een gunstige uitgangspositie bereikt om de uiteindelijke doelstelling — geheel Vietnam onder Noordvietnamees bewind tebrengen — binnen niet al te lange tijd te realiseren.

Opmerkelijk is de mate van succes, behaald door een klein, primitief land in een langdurig conflict met machtige, technologisch zeer geavanceerde mogendheden.

Dit succes kon worden behaald door het scheppen en in stand houden van stevige (revolutionaire) organisatiestructuren, waardoor de Vietcong meer en meer steun van de bevolking verwierf. Dat ging gepaard met een doelbewust en meedogenloos aangrijpen van vooral de civiele organisatie van de opponent. In de periode 1955-1965 werden in selectieveterreuracties per jaar ongeveer duizend regeringsambtenare en onderwijzers gedood. In de voor Noord-Vietnam totale oorlog werd de directe militaire confrontatie met de op dat terrein veel sterkere tegenstanders uit de weg gegaan. In plaats daarvan werd een strategie „in mineur"2 gesteld, een strategie van voortgezette en langdurige strijd. Het is opvallend dat, zodra deze strategie werd verlaten (bv. tijdens het Tet-offensief van 1968), er weinig resultaat werd geboekt.

b. Het falen van Amerikaanse en Zuidvietnamese inspanningen

Het leiderschap van Noord-Vietnam en de Vietcong beschikte niet over geheime wapenen, noch maakte het gebruik van nooit eerder toegepaste tactiek en strategie. De redenen voor succes onttrekken zich niet aan onze waarneming.

Deze redenen zijn voornamelijk terug te voeren op de politieke context waarin de VS de oorlog voerden en bleven voeren. Immers, verschillende oorzaken voor inmenging waren omstreeks 1970 weggevallen: het was niet meer vol te houden dat de VS in Vietnam de Chinese communistische expansie een halt toeriepen; de roeping, tot welke prijs dan ook de instandhouding van „de vrijheid" in Zuidoost-Azië te bevechten, was grotendeels verdwenen.

deelname en slachtoffers vs

Daarmee werd de oorlog in de VS steeds minder populair en kon de Amerikaanse politieke leiding niets meer doen dan zich uit het conflict losmaken; eerst militair, en vervolgens trachten de protégé politiek op de been te houden. Dat laatste is blijkens de gebeurtenissen in de volgende jaren niet gelukt: Zuid-Vietnam heeft opgehouden te bestaan, het regime in Hanoi wist zijn gunstige vooruitzichten volledig te benutten (in de derde Vietnamese oorlog). Daarmee zijn de echte redenen van het communistische succes duidelijk aan het licht getreden: in Zuid-Vietnam werd niet de weerstandskracht opgebracht die gelijkwaardig was aan de geestkracht, toewijding, discipline en ijzeren vastbeslotenheid van de Vietcong. Wat de Verenigde Staten ook aan advies en steunprogramma's in geld, bewapening en troepen leverden, kon zich niet meten met de kwaliteiten van geestelijke, morele en disciplinaire aard bij de opponent. De winst voor de Vietcong vond tevens nog haar oorzaak in de omstandigheid dat het optreden van de VS en Zuid-Vietnam zich diende te beperken tot voor de Westerse democratie acceptabele strijdwijzen.

c. De relaties tussen politiek en strategie

Laten wij nog eens enkele richtlijnen van von Clausewitz herhalen:

Dass die Politik an den Krleg Forderungen macht, ware gegen die Vorraussetzung dass sie das Instrument kenne, welches sie gebrauchen will, also gegen eine natürliche, ganz unerlassliche Voraussetzung. . . Nur dann, wenn die Politik sich von gewissen kriegerischen Mitteln und Maftregeln eine falsche, ihrer Natur nicht entsprechenden Wirkung verspricht, kann sie met ihren Bestimmungen einen schadlichen Einfluft auf den Krieg haben [18].

Vervolgens voegen wij daaraan nog een hedendaags inzicht toe:

The military objective is only the means to a political end. Hence the military objective should be governed by the political objective, subject to the basis condition that policy does not demand what is military — that is practically — impossible [19],

waarin duidelijk het primaat van de politieke leiding wordt verkondigd. Het is nu misschien mogelijk enkele kanttekeningen bij het behandelde onderwerp te plaatsen.

Duidelijk onderkennen wij hoe beide partijen voortdurend erop bedacht zijn de militaire doelstellingen dienstbaar te maken aan de politiek. Aangaande de manier waarop dat in beide kampen werd gedaan, zijn grote verschillen te constateren.

1. Bij de Noordvietnamese partij ontstaan een goede coördinatie en goed begrip tussen de politieke leiding en het militaire operbevel (belichaamd in de figuren Ho Tsji Minh en Giap).

Mede begunstigd door een voortdurende, uitstekende realistische beoordeling van de toestand werd derhalve in de algemene strategie (d.i. politieke en militaire strategie) de beide componenten slechts een haalbaar takenpakket opgedragen.

Voor de militaire strategie betekende dit, dat zij „in mineur" werd gevoerd, dat directe confrontatie met de sterke tegenstanders werd gemeden, dat daarom gedurende langere tijd onorthodoxe strijdwijzen de boventoon voerden en dat slechts dan tot actie „in majeur"3 werd overgegaan indien daarmee — ondanks groot risico op militair gebied — veel winst op politiek gebied viel te boeken.

Wél werd met veel inspanning de militaire strategie op adequate manier aangevuld met middelen uit het arsenaal van de politieke strategie (indoctrinatie, diplomatie, onderhandelingstactiek, terreur, enz.).

2. Aan de zijde van de VS en Zuid-Vietnam ontwaren wij een voortdurende onzekerheid en ongerichtheid inzake het functioneren van de militaire

3 Begrip ontleend aan de theorie van Beaufre. strategie in het bredere kader van de algemene strategie. Als grondoorzaken daarvan zijn naar mijn mening onder andere aan te voeren:

— de onbekendheid van de Amerikaanse politieke leiding met de specifieke omstandigheden van Vietnam;

— de zeer grote afstand tussen Vietnam en de VS;

— de culturele barrière en de taalbarrière tussen de bondgenoten;

— de veelvuldige mutaties in het leiderschap.

De bovengenoemde onzekerheid leidde tot de ongezonde situatie waarin de politieke leiding militaire doelstellingen formuleerde en opdroeg, die in feite niet waren te realiseren door uitsluitend gewelddadige middelen toe te passen in grote conventionele verbanden (brigade- en divisieoptreden) en in dikwijls technologisch zeer geavanceerde vorm (strategische bombardementen). Weliswaar bestond het primaat van de politiek, doch men vraagt zich wel af in hoeverre de politiek het (militaire) instrument kende en bevroedde waarin nu juist de kracht van de opponent besloten lag.

Daarenboven leidde de hier geschilderde situatie ook tot rechtstreekse bemoeienissen van de politieke leiding met de gevechtshandelingen zelf in het verafgelegen operatietoneel (de Amerikaanse presidenten bemoeiden zich persoonlijk met de leiding over de strategische bombardementen!) [20].

Deze gang van zaken werd met name in de hand gewerkt door het uitblijven van successen, ook nadat de VS zich metterdaad in het conflict hadden gemengd. Vele fricties tussen opperbevel en politieke leiding zijn daaruit natuurlijk te verklaren.

In dit verband is ten slotte nog zeker de vraag gerechtvaardigd, waarom de politieke leiding te veel verwachtingen koesterde van het gebruik van het militaire instrument? Zeker zijn hier verschillende generaals in gebreke gebleven. Reeds von Clausewitz stelde immers vast, dat de militaire opperbevelhebber een open oog dient te hebben voor de mogelijkheden en de beperkingen van het militaire apparaat, en dat het zeker ook zijn taak is omtrent die beperkingen en onmogelijkheden te waarschuwen.

Het is duidelijk geworden dat personen als minister van defensie MacNamara en generaal Westmoreland — gelet op hun optimistische inzichten — in dit kader geen taak hebben onderkend. Integendeel, hun optimistische visie heeft de scepsis van verschillende politici weggenomen en aanmerkelijk bijgedragen tot de escalatie van het militaire geweld, dat daardoor tot een ondeugdelijk middel werd gedegradeerd.

Literatuur

1. C. von Clausewitz — V om Kriege. Dümmler, Bonn (1952)892.

2. Zie l, blz. 108.

3. J. G. Stoessinger — Why nations go to war. St. Martin's Press, New York (1974)108.

4. Zie 3, blz. 111.

5. Zie l, Anmerkung 280 (briefwisseling tussen von Clausewitz en Major i.G. von Roeder).

6. S. Menaul — Dien Bien Phu; in: Declsive battles ofthe twentieth century. Frankland and Dowling, Londen (1976)318.

7. Zie l, blz. 115.

8. B. Brodie — Tet offensive; in: Decisive battles of thetwentieth century. Frankland and Dowling, Londen (1976)326.

9. Vo Nguyen Giap — Big victory, great task. Pall Mail Press, Londen (1968)88.

10. Zie 3, blz. 117.

11. E. O'Ballance — The wars in Vietnam, hfdst. 2. Allan, Londen (1975).

12. Zie 3, blz. 122.

13. Zie 3, blz. 124.

14. Zie 1.

15. Zie 9, blz. 90.

16. Zie 11, blz. 130.

17. Zie 11, blz. 138, 139.

18. Zie l, blz. 892, 893.

19. B. H. Liddell Hart — Strategy, the indirect approach, 3e dr. Faber and Faber, Londen (1954)351.

20. R. Evans en R. Novak — Lyndon B. Johnson: the exercise of power. Allan and Unwin, Londen (1967)

VOOR VERDERE INFORMATIE AANBEVOLEN:

B. Brodie — War and politics, hfdst. 7. Cassell, Londen (1974).

R. J. O'Neill — General Giap. Cassell, Melbourne (1968).

Militaire Specator 1978 pagina 339 t/m 349