We hebben 136 gasten online

Het rampzalige leiderschap van Bush maakt de VS kwetsbaar

Gepost in V.S.

Zbigniew Brzezinski

voormalig nationaal veiligheidsadviseur onder president Jimmy carter (1977-1981). Zijn laatste boek is: The Choice: Global domination or Global Leadership (2004)

De afgelopen vier jaar hebben Bush en zijn team Amerika's ogenschijnlijk veilige positie op het topje van de mondiale totempaal ondermijnd door van een ernstig, maar wel hanteerbaar en hoofdzakelijk regionaal probleem een internationaal debacle te maken.

Zestig jaar geleden concludeerde Arnold Toynbee in zijn indrukwekkende Study of History dat ,,suïcidaal staatsmanschap'' er uiteindelijk de oorzaak van was dat grote rijken ten onder gingen. Het is jammer voor de plaats van George W. Bush in de geschiedenis, en - veel belangrijker - onheilspellend voor de toekomst van Amerika, dat het er de laatste tijd op lijkt dat die gevatte formulering van toepassing zou kunnen zijn op het beleid van de Verenigde Staten sedert de catastrofe van 11 september.

Het doel van de niet-geslaagde militaire interventie in Irak is tot dusverre vooral beschreven aan de hand van leuzen. Er waren de afgelopen tijd wat aanwijzingen dat de regering begonnen was de einddoelen bij te stellen. Maar Bush' toespraak van 6oktober betekende een terugval in meer demagogische formuleringen. Het was een echo van de taal die hij in 2004 gebruikte tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen, om de oorlog te rechtvaardigen die hij zelf begonnen was.

Het is nog steeds niet helemaal duidelijk wat de motieven waren van de kleine groep beleidsmakers die vóór die oorlog was. In het openbaar werd hij aangeprezen met demagogische retoriek, op basis van onjuiste beweringen. En hij heeft een veel hogere prijs gevergd, in bloed en geld, dan was voorzien.

Wereldwijd heeft deze oorlog een stroom van kritiek losgemaakt. In het Midden-Oosten worden, als gevolg van de inval in Irak, de Verenigde Staten bestempeld tot opvolger van het Britse imperialisme en tot handlanger van Israël in de militaire onderdrukking van de Arabieren. Of dat beeld correct is of niet, het bestaat in elk geval in heel de islamitische wereld.

Er is thans echter meer nodig dan alleen een bijstelling van de Amerikaanse doelstellingen in Irak. De hardnekkige onwil van de regering om de politieke achtergrond van het terroristische gevaar onder ogen te zien, heeft onder het islamitische publiek de sympathie voor de terroristen versterkt.

De Amerikanen houden zichzelf voor de gek als ze menen dat de terroristen hoofdzakelijk worden gedreven door een abstracte `afkeer van de vrijheid' en dat hun daden worden ingegeven door een diepgewortelde culturele vijandschap. Als dat zo was, zouden Stockholm en Rio de Janeiro net zoveel gevaar lopen als New York.

Maar naast de New Yorkers waren de voornaamste slachtoffers van ernstige terroristische aanslagen Australiërs op Bali, Spanjaarden in Madrid, Israëliërs in Tel Aviv, Egyptenaren in de Sinaï en Britten in Londen. Al deze gebeurtenissen worden verbonden door een onmiskenbare politieke draad: de doelen zijn Amerikaanse bondgenoten en staten die van de VS afhankelijk zijn in de steeds verdergaande Amerikaanse militaire interventie in het Midden-Oosten.

Terroristen worden niet geboren, ze worden gemaakt - door gebeurtenissen, ervaringen, indrukken, haatgevoelens, etnische mythen, historische herinneringen, religieus fanatisme en opzettelijke hersenspoeling. Zij worden ook gevormd door wat zij op de televisie zien, en vooral door verontwaardiging over de in hun ogen grove schending van de waardigheid van hun geloofsgenoten door zwaarbewapende vreemdelingen. Een felle politieke haat jegens Amerika, Groot-Brittannië en Israël lokt rekruten voor het terrorisme. Niet alleen uit het Midden-Oosten, maar ook uit verre streken als Ethiopië, Marokko, Pakistan, Indonesië en zelfs het Caraïbische gebied.

Amerika blijkt ook steeds minder vat te krijgen op de non-proliferatie van kernwapens. Het contrast tussen de aanval op het militair zwakke Irak en Amerika's toegeeflijkheid jegens Noord-Korea, met zijn kernwapens, heeft de Iraniërs gesterkt in de overtuiging dat hun veiligheid slechts met kernwapens kan worden vergroot. Daar komt bij dat de Verenigde Staten met hun recente besluit om het Indiase nucleaire programma te steunen - dat hoofdzakelijk is ingegeven door een behoefte aan steun van India in de oorlog in Irak en als dekking tegen China - de indruk wekken voorstanders te zijn van een selectieve verbreiding van kernwapens. Dit meten met twee maten zal het moeilijker maken een constructieve oplossing te vinden voor het Iraanse nucleaire probleem.

De politieke dilemma's van de VS worden nog vergroot door de aftakeling van Amerika's morele aanzien in de wereld. Tientallen jaren lang heeft het land pal gestaan tegen politieke repressie, foltering en andere schendingen van de mensenrechten. Nu is aan het licht gekomen dat ditzelfde land praktijken toelaat die het niet al te nauw namen met de menselijke waardigheid.

Nog laakbaarder is dat de schandalige mishandelingen en/of folteringen in Guantánamo en Abu Ghraib niet aan de kaak zijn gesteld door een verontwaardigde regering, maar door de Amerikaanse media. De regering heeft als reactie alleen een paar laaggeplaatste daders bestraft. Niet één van de hoge civiele en militaire beleidsmakers bij Defensie of in de Nationale Veiligheidsraad die stress interrogations (met andere woorden: foltering) hadden goedgekeurd, werd gedwongen af te treden of is publiekelijk in ongenade gevallen of gerechtelijk vervolgd. Achteraf gezien lijkt het verzet van de regering tegen het Internationale Strafhof ingegeven door eigenbelang.

Ten slotte wordt de treurige stand van zaken in het buitenlandse beleid nog verergerd door met de oorlog samenhangende economische ontwikkelingen: de uitgaven voor defensie en veiligheid zijn spectaculair geëscaleerd. De begrotingen voor Defensie en Binnenlandse Veiligheid zijn nu hoger dan de totale begroting van de meeste landen, en het ziet ernaar uit dat ze zullen blijven escaleren, terwijl Amerika door de groeiende tekorten op de begroting en de handelsbalans de voornaamste debiteur van de wereld geworden is.

Tegelijkertijd stijgen de directe en de indirecte kosten van de oorlog in Irak nog sterker dan de vroege tegenstanders van de oorlog in hun pessimistische prognoses hadden voorzien; van de aanvankelijke voorspellingen van de regering blijft geen spaan heel. Iedere dollar die hierin wordt gestoken, is een dollar die niet wordt uitgegeven aan investeringen, aan wetenschappelijke innovatie of aan onderwijs - stuk voor stuk vanwezenlijk belang als Amerika op de lange duur in een sterk concurrerende wereld zijn economisch prominente positie wil handhaven.

Verstandige Amerikanen zouden het bijzonder verontrustend moeten vinden dat zelfs landen die Amerika traditioneel zeer welgezind zijn, openlijk kritiek leveren op het Amerikaanse beleid. Het gevolg is dat grote delen van de wereld - zoals Oost-Azië, Europa en Latijns-Amerika - stilletjes op zoek zijn gegaan naar mogelijkheden om nauwere regionale banden te smeden. Dergelijke banden zijn veel minder gekoppeld aan het idee van transpacifische of transatlantische samenwerking met de Verenigde Staten of van samenwerking tussen de landen op het westelijk halfrond. De geopolitieke vervreemding van Amerika zou wel eens een blijvende, dreigende realiteit kunnen worden.

Die ontwikkeling zou vooral landen die Amerika van oudsher vijandig gezind zijn, én toekomstige rivalen, in de kaart spelen. Rusland en China zien het Amerikaanse gebroddel vanaf de zijlijn grijnzend aan. Rusland ziet met genoegen dat de islamitische vijandschap, ondanks de Russische misdrijven in Afghanistan en Tsjetsjenië, van Rusland naar Amerika wordt verlegd, en betrekt Amerika maar al te graag bij een anti-islamitisch bondgenootschap. En China volgt geduldig de raad op van zijn oude strategische goeroe Sun Tzu, die leerde dat je het best kunt overwinnen door je tegenstander zichzelf te laten verslaan.

De afgelopen vier jaar hebben Bush en zijn team Amerika's ogenschijnlijk veilige positie op het topje van de mondiale totempaal ondermijnd door van een ernstig, maar wel hanteerbaar en hoofdzakelijk regionaal probleem een internationaal debacle te maken.

Omdat Amerika zo buitengewoon machtig en rijk is, kan het zich nog wel een poosje zelfs een beleid veroorloven dat gekenmerkt wordt door retorische excessen en dat zonder enig oog voor de geschiedenis wordt uitgevoerd. Maar al gaandeweg dreigt Amerika in een vijandige wereld in een isolement te raken, steeds kwetsbaarder voor terroristische aanslagen en steeds minder in staat om wereldwijd constructieve invloed uit te oefenen.

Met een stok naar een wespennest slaan en intussen luidkeels roepen ,,Ik ga door tot het bittere eind!'' is een proeve van rampzalig leiderschap. Maar dat hoeft niet. Een echte koerswijziging is nog altijd mogelijk, en die zou spoedig kunnen beginnen met een bescheiden, nuchter initiatief van de president om de Democratische leiding van het Congres te betrekken bij een serieuze poging om te komen tot een door beide partijen gesteund buitenlands beleid voor een in toenemende mate verdeeld en worstelend land.

Als de twee partijen samenwerken, zou het eenvoudiger zijn om niet alleen de definitie van succes in Irak naar beneden bij te stellen, maar zelfs de troepen terug te trekken - misschien komend jaar al. En hoe eerder de Verenigde Staten daar weggaan, hoe eerder ófwel de sjiieten, de Koerden en de soennieten zelf een politieke regeling zullen treffen, ófwel een of andere coalitie van die groepen met geweld de overhand zal krijgen. Met een door beide partijen gesteund buitenlands beleid en met Irak achter de rug zou het ook eenvoudiger zijn om een breder regionaal beleid te ontwikkelen dat constructief aandacht schenkt aan Iran en het Israëlisch-Palestijnse vredesproces. Dan kan, stukje voor stukje, de legitimiteit van de mondiale rol van Amerika worden hersteld.

In Opinie en Debat van NRC 15 0ktober 2005