We hebben 226 gasten online

Deel 47 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

De slag bij Agincourt 1415

De ontwikkelingen op de Balkan deel 4

Tot het voorspel van de Joegoslavische tragedie behoort de wijziging van de Sloweense grondwet in 1989, die het uittreden van de republiek uit de federatie mogelijk maakte. In Juni 1991: Slovenië en Kroatië verklaren zich onafhankelijk. Door het uittreden van deze landen uit de federatie stonden MacedoNië en Bosnië-Hercegowina voor een dilemma. Ten aanzien van Bosnië-Hercegowina hadden zowel Milosovic als Tudjman hun eigen agenda om het land onder Kroatië en Servië te verdelen.

Alija Izetbegovic

Izetbegovic

Alija Izetbegovic, de president van Bosnië, stond voor een dilemma. Hij was tevens leider van de Bosnische moslims, de Partij van de Democratische actie, en zag zijn land afglijden naar een medogenloze oorlog.Izetbegovic, een jurist, was al jaren politief actief toen de wereld hem als president van Bosnië leerde kennen. Hij werd in 1946 tot drie maanden gevangenisstraf verorodeeld wegens 'pan-islamitische activiteiten en kreeg in 1983 zelfs veertien jaar gevangenisstraf wegens zijn in 1970 geschreven Islamitische Verklaring. Van die veertien jaar zat hij er zeven uti. Volgens zijn critici, vooral in Servische hoek, was de Islamitische Verklaring een pleidooi voor een islamitisch-fundamentalistische staat. In feite is het boek het omgekeerde: een pleidooi voor de aanpassing van de islam aan de Westerse beschaving, en vooral een aanpassing van de sociale inzichten van de islam aan de sociale inzichten van de Wersterse samenleving. Niet vreemd als men zich realiseerd dat de meerderheid van de moslims in de steden woonde en een welvarende klasse vormde.Voor de Serviërs was alleen al de gedachte in een moslimstaat te moeten leven onverdraaglijk. Temeer omdat zij nog herinneringen bewaren aan de slachtingen waaraan Bosnische moslims zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben schuldig gemaakt.Toen het uit vertegenwoordigers van drie etnische gemeenschappen bestaande staatspresidium hem begin 1991 tot voorzitter koos, deed het dat in het besef dat Izetbegovic als enige in staat zou kunnen zijn havikken met duiven te verzoenen. Het liep echter anders, maar dat lag niet aan hem. Hij wordt en werd als naief omstreden maar hij hield steeds hartstochtelijk vast aan het concept van een democratische, multiculturele eenheiddssaat waarin de etnische groepen vreedzaam naast elkaar zouden kunnen leven zoals ze dat eeuwen hadden gedaan.

De internationale erkenning van Slovenië en Kroatië plaatste Bosnië-Hercegowina voor drie onmogelijkheden:

1) Deel blijven uitmaken van Klein-Joegoslavië.

2) Opdeling van het land tussen Servië en Kroatië.

3) Een onafhankelijk Bosnië-Hercegowina, maar dat werd door anderhalf miljoen Serviërs fel afgewezen.

Geen wonder dat president Izetbegovic vasthield aan een eenheidsstaat Bosnië-Hercegowina. Toen dan ook de EG en de Verenigde Naties de indruk wekten dat Bosnië-Hercegowina zich onafhankelijk moest verklaren dacht Izetbegovic dat hij op de steun van de volkerenorganisatie kon rekenen.

a) Izebegovic c.s. wezen het eerste tripartite akkoord , dat onder de leiding van de EG tot stand was gekomen af omdat het uitging van een splitsing van de republiek in drie autonome delen.

b) Ze verwierpen ook het tweede plan, dat door Lord Carrengton was opgesteld en een opsplitsing in een aantal kantons nastreefde, op basis van economische, geografische en etnische factoren.

c) Ze wilden ook niets weten van het plan Vance-Owen.

Radovan Karadzic

Karadzic

Karadzic is van afkomst een Montenegrijn, net als zijn grote beschermheer, de Servische president Slobodan Milosovic. Hij werkte voordat hij de politiek inging als psychiater in Sarajewo. Als leider van de Bosnische Serviërs heeft Karadzic duidelijk gemaakt in het geval van een Bosnische afscheiding van de Joegoslavische federatie uit te zijn op een terratoriale afscheiding van Bosnië langs etnische lijnen. Eind 1991 waarschuwde hij dat als het niet tot een opdeling zou komen, Bosnië 'tot hun knieën in het bloed' zou komen te staan.

Etnische verdeling 1991

Karadzic was in 1988 medeoprichter van de Srpska Demokratska Stranka (Nederlands: Servische Democratische Partij). Terwijl deelrepublieken die Joegoslavië vormden zich wilden afscheiden van Joegoslavië, wilden de in Kroatië en Bosnië wonende Serviërs binnen de Joegoslavische federatie blijven. De SDS wilde de Serven binnen verschillende deelrepublieken verenigen, om vervolgens een Servische Republiek uit te roepen die deel zou blijven uitmaken van Joegoslavië. Op 24 oktober 1991 werd de Servische Assemblee opgericht, een vertegenwoordigend orgaan dat zegt alle Serviërs binnen Bosnië-Herzegovina te vertegenwoordigen. Karadzic was in die tijd een leidend politicus en riep - conform de wensen van de SDS - een aantal autonome Servische gebieden uit binnen Bosnië-Herzegovina.

In november 1991 vond onder Bosnische Serviërs een zelf georganiseerd referendum plaats. Een grote meerderheid koos voor een federale staat gevormd door Bosnië, Montenegro en Servië. Deze staat zou deel uit moeten maken van Joegoslavië. Op 9 januari 1992 riep de Bosnisch-Servische Assemblee de Republika Srpskog naroda Bosne i Hercegovine uit (Republiek van Serven van Bosnië-Herzegovina). Op 28 februari 1992 werd de grondwet van deze nieuwe en nimmer als staat erkende republiek aangenomen, waarbij werd verklaard dat alle Servische gebieden tot de Republika Srpska (Servische Republiek), behoorden en dat de republiek deel uitmaakte van Joegoslavië.

De democratisch gekozen regering van Republiek Bosnië-Hercegowina hield, aangemoedigd door de Europese Unie en de Verenigde Naties, op 29 februari en 1 maart 1992 een referendum met de vraag of Bosnië-Herzegovina onafhankelijk moest worden. De meerderheid van Bosniërs (met name Bosnische Kroaten en Moslims -Bosniakken) ) stemden in meerderheid voor onafhankelijkheid. Vele Bosnische Serviërs, aangemoedigd door Karadzic, boycotten dit referendum. Er werd door ruim 63% van de 3,1 miljoen Bosnische stemgerechtigden gestemd, hiervan koos 99,43% voor onafhankelijkheid van Joegoslavië.A

Als resultaat van het referendum, verklaarde de regering van de Republiek Bosnië-Herzcegowina op 5 april 1992 de onafhankelijkheid.

Het eerste gewelddadige incident vond plaats voor de referenda, op 30 september 1991. Het Joegoslavische Volksleger verwoestte het door Bosnische Kroaten bewoonde stadje Ravno tijdens de strijd om het in Kroatië gelegen Duborvnik. In afwachting van het referendum op 29 februari en 1 maart 1992 escaleerde de situatie. Op 2 april 1992 begin van de oorlog in Bosnië met en aanval van servische milities op de moslimbevolking van de Noord-Bosnische stad Bijeljina. Een week eerder hadden Serviërs hun eigen 'Srpska Republica' uitgeroepen. Met als president Radovan Karadzic. Hij streefde er naar de Moslims uit vijfenzestig procent van het Bosnisch territorium te verdrijven. Op 6 april 1992 werd Republiek Bosnië-Hercegowina al internationaal erkend als zelfstandige staat en sinds mei 1992 lid van de VN. Het leger van de Bosnische Serviërs, onder leiding van Karadzic, begon op dezelfde dag de aanval op de Bosnische hoofdstad Sarajewo. De omsingeling van de stad, de langste in de moderne geschiedenis, zou duren tot eind 1995 en kostte ruim 12 duizend mensen het leven. Het merendeel daarvan waren burgers van alle in Bosnië wonende etnische groepen. In mei 1992 werd Karadzic president van de zelf uitgeroepen Servische Republiek. Op 12 mei 1992 presenteerde hij een 'zes-punten plan' dat onder andere inhield dat de volkeren in Bosnië-Herzegovina moeten worden gescheiden. In april, mei en juni werden door het leger van de Bosnische Serviërs grote delen van Noord- en Oost Bosnië-Herzegovina ingenomen. Honderdduizenden sloegen op vlucht. In vele steden vonden tientallen duizenden burgers de dood.

Wat volgde is wat later bekend is geworden als de Bosnische Oorlog, die duurde van 1992 tot 1995. Al voor het eerder genoemde referendum bestonden van de drie etnische groepen (Kroaten, Bosniakken en Serviërs) eigen legertjes paramilitairen die, zeker in het begin, uit een samenraapsel van criminelen, voetbalhooligans en nationalisten bestonden. De Serviërs - die tegen afsplitsing waren - werden gesteund door het Joegoslavisch Volksleger. Door de wapenembargo kon het regeringsleger van Bosnië-Herzegovina waarin alle Bosnische etniciteiten werden vertegenwoordigd, aanvankelijk op weinig steun rekenen. In het oosten en het noordwesten van Bosnië vonden vanaf april 1992 massamoorden en etnische zuiveringen plaats, waarbij de Bosnische burgerbevolking het doelwit was. Serviërs richtten concentratiekampen in. Beelden van deze kampen bereikten in de loop van de jaren 90 het Westen.

In 1992 - het begin van de oorlog - vochten de Bosnische Kroaten en de Bosnische moslims samen tegen de Bosnische Serviërs. De Serviërs hadden inmiddels een eigen republiek uitgeroepen. Maar in 1993 ontstond er ook strijd tussen de Bosnische regeringsleger en de HVO van Bosnische Kroaten, omdat ook de Kroaten een territorium van Bosnië wilden inlijven. In 1994 sloten de Bosnische president Alijja Izetbegovic en Bosnische Kroaten vrede na tussenkomst van de Kroatische president Franjo Tudjman.

Mislukte vredesplannen

Vredesplan Caarinton- Cutileiro

Vredesplan Caarington- Cutielero

Het vredesplan Carrington-Cutileiro is vernoemd naar diens ontwikkelaars, de Britse oud-secretaris-generaal van de Navo Lord Carrington en de Portugese ambassadeur Jorge Curtileiro. Het vredesplan was het resultaat van de vredesconferentie van de Europese Unie van februari 1992 en had als doel een oorlog in Bosnië en Herzegovina te voorkomen. Het plan stond een verdeling van de macht voor op alle bestuurlijke niveaus en de overdracht van macht van de centrale regering naar de lokale etnische gemeenschappen. In het plan werden alle districten ingedeeld als Bosniaks, Servisch of Kroatisch zelfs daar waar geen etnische meerderheid bleek. Uiteindelijk werd het plan goedgekeurd door alle drie zijden, de Bosnische regering, Serviërs en Kroaten, maar was de Bosnische leider Alija Izetbegovic tegen de overeenkomst.

Vredesplan Vance-Owen

Vredesplan Vance-Owen

Begin januari 1993 begonnen de speciale afgezant van de Verenigde Naties en de vertegenwoordiger van de Europese Unie Lord Owen een vredesvoorstel uit te onderhandelen. Het plan betrof een verdeling van Bosnië in tien semi-autonome regio's met een etnische meerderheid die zich nog steeds binnen een verenigde staat bevond, met een zwakke regering die in Sarajewo zetelde. De Kroaten en Bosniakken (Moslims) accepteerden het plan op 7 januari en op 20 januari werd het plan geratificeerd door het Bosnisch-Servische parlement. Twee gebeurtenissen voorkwamen echter dat het plan daadwerkelijk uitgevoerd werd: de aanhoudende aanvallen van Kroaten op Bosniakken en Serviërs en de verkiezing van Bill Clinton als president van de Verenigde Staten. Midden maart hadden alleen de Kroaten op alle drie belangrijke punten ingestemd en op 25 maart deden de Bosniakken hetzelfde. Niettemin verwierp het Bosnisch-Servische parlement het plan op 2 april en op 18 juni verklaarde Lord Owen het plan dood. Gezien de snelheid waarin de territoriale verdeling en etnische zuivering zich voltrok, was het plan tegen die tijd al verouderd. Het werd het laatste voorstel dat de oplossing zocht in een gemixt, verenigd Bosnië en Herzegovina. Op 1 april kondigde Cyrus Vance zijn aftreden aan als speciaal afgezant.

Vredesplan Owen-Stoltenberg

Vredesplan Owen Stoltenberg

Op 1 mei 1993 werd de Noorse minister van buitenlandse zaken Thorvald Stoltenberg benoemd tot speciaal afgezant van de Verenigde Naties. Aan het eind van juli kwamen de vertegenwoordigers van de drie strijdende partijen in Bosnië samen in een nieuwe ronde onderhandelingen en op 20 augustus maakten Stoltenberg en Owen een nieuw plan bekend, dat was gebaseerd op een voorstel van de presidenten Tudjman van Kroatië en Milosovic van Servië om het gebied te verdelen op basis van etniciteit. Het plan deelde Bosnië en Herzegovina op in drie ministaatjes, waarbij de Bosnische Serviërs 52% van het territorium werd gegeven, de Bosniakken 30% en de Kroaten 18%. Owen en Stoltenberg maakten bekend dat ze in de bepaling van de drie staten ook de gebieden hadden meegenomen die de Serviërs en Kroaten hadden veroverd. Ook werd de Herceq-Bosna als staat erkend. Op 29 augustus verwierp het Bosnische parlement, dat grotendeels uit Bosniakken bestond, het plan.

Vredesplan van de Contactgroep

Vredesplan Contactgroep

Tussen februari en oktober 1994 werd er grote vooruitgang bereikt door de Contactgroep, die bestond uit de Verenigde Staten, Rusland, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Hierin nam de Amerikaanse regering onder Bill Clinton een meer pro-actieve rol dan ze had gedaan bij de totstandkoming van de vorige drie plannen. Op 1 maart werd het Akkoord van Washington getekend tussen Bosniakken en Kroaten in Bosnië en Hercegowina, dat de verdeling in kantons regelde. Er werd grote druk uitgevoerd op de Bosnische Serviërs en Slobodan Milosovic om het plan te accepteren toen er op door middel van een economische sancties op Servië. Milosovic stemde toe, maar de Bosnische Serviërs onder leiding van Karadzic verwierpen echter het plan.

Opbreken van voormalig Yoegoslavië

Al in juni 1992 breidde de Veiligheidsraad het mandaat van de VN Vredesmacht UNPROFOR uit naar Bosnië-Herzegovina. UNPROFOR kon echter weinig uitrichten, ze werden gehinderd door een beperkt mandaat, beperkte middelen en gebrek aan bereidheid van de internationale gemeenschap (met name Rusland, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk) om gewapenderhand in te grijpen. Hierdoor kon UNPROFOR niet voorkomen dat de etnische zuiveringen tijdens de Bosnische burgeroorlog, gepland door Karadzic, onverminderd doorgingen.

'Safe Areas'

In de zomer van 1992 bereiken geruchten van verkrachtingen, concentratiekampen en genocide de internationale media. Beelden van een vermeend concentratiekamp in het plaatsje Omarska bereiken wereldwijd de voorpagina. De reactie van de internationale gemeenschap is weliswaar geschokt, maar vooralsnog niet gericht op ingrijpen. Wel neemt met de berichtgeving hierover de wereldwijde (en Europese) aandacht voor de Balkanoorlog toe, wat uiteindelijk ook in de politiek tot uiting komt. Servië krijgt strenge economische sancties en een handelsembargo opgelegd. Bosnië wordt aan het einde van 1992 via VN-resoluties tot no-fly zone verklaard en zes steden (Sarajevo, Bihac, Gorazde, Srebrenica, Tuzla en Zepa) worden tot safe area aangewezen. Dit moet inhouden dat ze onder bescherming van de Verenigde Naties vallen, maar de term heeft geen rechtsgeldigheid en van veiligheid is dan ook geen sprake: Bosnische Serven schenden de resoluties consequent.

In januari 1993 wordt het eerste vredesvoorstel gepresenteerd, het Vance-Owen plan, waarin Bosnië in tien provincies opgedeeld wordt. Dit voorstel wordt in mei van dat jaar alweer afgewezen door de Bosnische Serven. In augustus volgt een nieuw voorstel: het Owen-Stoltenberg plan. Dit plan beoogt een Bosnische confederatie op basis van drie etnische delen. Tuđman en Milošević zijn het hiermee eens, maar Izetbegovic boycot het overleg, omdat hij nog steeds hoopt op een verenigde multinationale staat (zie hierboven).

Etnische zuiveringen

Gedurende de onderhandelingen is de oorlog volop en op vele fronten gaande. Sarajevo gaat gebukt onder onophoudelijke beschietingen door Serven en de gevechten tussen Kroaten en moslims verhevigen. Waar de Kroaten eerst een alliantie met de moslims vormden tegen de Serven, hebben zij nu besloten om hun territorium uit te breiden ten koste van de moslims en het gevecht met het Bosnische regeringsleger aan te gaan. Mostar en haar beroemde brug worden bijvoorbeeld bijna geheel verwoest in dit conflict. Overal in Bosnië gaan de gevechten gepaard met gruweldaden en namens elke partij worden etnische zuiveringen uitgevoerd. Dit heeft een enorme stroom vluchtelingen tot gevolg, die (internationaal) opgevangen moet worden. De internationale gemeenschap wordt hierdoor tot meer daadkracht gedwongen. Diverse incidenten dragen hieraan bij. Zo is er de beruchte aanslag op een markt in Sarajevo, waarbij 68 mensen omkomen. Westerse druk op de verantwoordelijken neemt hierdoor langzamerhand toe. Diplomaten mengen zich binnenskamers in de strijd en werken toe naar een oplossing die voor alle partijen draaglijk is.

Terwijl diplomatieke druk in de loop van 1994 toeneemt, vechten Serven, Kroaten en het Bosnische leger met de dag heviger. Massaal doet de wereldpers verslag van de gruwelijkheden. De internationale gemeenschap is actief betrokken bij de oorlog, maar mag tegelijkertijd weinig doen. Zo kan het gebeuren dat drama's zich ontspinnen in het zicht van VN-militairen. Het laatste deel uit een serie over het uiteenvallen van Joegoslavië.

In de loop van 1994 forceren Amerikaanse diplomaten een wapenstilstand tussen de Kroaten en moslims. De twee groepen worden weer bijeen gebracht onder de Bosnische federatie. Intussen laten de Bosnische Serven hun onvrede over de onderhandelingen blijken en blijven ze zich verzetten tegen de EU, de VN en de NAVO. Zo worden de safe areas door hen beschoten, ontvoeren ze VN-soldaten en schieten ze een met vluchtelingen gevuld Brits vliegtuig neer. De internationale gemeenschap verleidt Servië vervolgens tot een embargo tegen de Bosnische Serven, in ruil voor een versoepeling van de sancties tegen Servië. De VN-troepenmacht die in Kroatië gestationeerd is heeft zich op dat moment grotendeels teruggetrokken, mede door de inzet van Tuđman.

Val van Srebrenica

Kroatië begint in mei 1995 een bliksemcampagne (Operatie Storm) en verovert West-Slavonië en de Krajina binnen vier maanden terug op de Serven. Vervolgens sluiten ze zich bij het Bosnische leger aan en veroveren ze vijftig procent van het Servische gebied. In het oosten van Bosnië gaan Serven door met het belegeren van Sarajevo en moslimenclaves. Zo wordt halverwege juli de safe-area Srebrenica veroverd op Dutchbat, het Nederlandse VN- bataljon. Tijdens en na deze inname worden zo’n achtduizend Bosnische moslims gedood door de troepen van Mladić.

Mladic en het bloedbad in Srebrenica

Dit gebeurt bij beschietingen van vluchtende moslims, maar ook tijdens massa-executies. Na de Val van Srebrenica en een mortieraanval op een drukbezochte markt in Sarajewo veranderde het internationale politieke klimaat. De internationale gemeenschap zette een Rapid Reaction Force in. Dit dwong de nationalistische Serviërs tot het beëindigen van de gewapende strijd.

Terratoriale posities voor het verdrag van Dayton

Bereikte terratoriale posities voor het Verdrag van Dayton.

Dayton-akkoorden

Gedurende het drama van Srebrenica verhevigen de Serven hun verzet tegen de VN en de NAVO, met diverse gijzelingsacties en aanvallen op medewerkers. Als reactie op het optreden van de Bosnische Serven starten de Verenigde Staten en de NAVO twee campagnes om de Serviërs terug te dringen. Ondersteund door moslim-Kroatische grondtroepen wordt zo het Servische overwicht tenietgedaan. Op 1 november beginnen bij Dayton (Ohio, VS) vredesbesprekingen tussen de drie partijen, waarbij de Amerikaanse diplomaat Richard Holbrooke bemiddelt.

Balkan 1995

Op 21 november 1995 is er een overeenkomst bereikt. Op 14 december werden de zogeheten Dayton-akkoorden officieel ondertekend in Parijs.

Vredesverdrag Parijs

Zittend van links naar rechts Milosevic, Tudjman, en Izetbecovic bij de ondertekening in Parijs

Bosnië werd erkend als onafhankelijke staat, met daarin twee delen: een moslim-Kroatische federatie en de Republika Srpska, die elk de helft van het grondgebied omvatten. Uiteindelijk is geen van de partijen volledig tevreden met het verdrag. IFOR (Implementation Force) moet er tenminste een jaar lang op toezien dat de overeenkomst wordt nageleefd en de vrede gehandhaafd blijft.

Het Verdrag van Dayton of de Akkoorden van Dayton (officieel: General Framework Agreement for Peace in Bosnia and Herzegovina) is het vredesverdrag dat een einde maakte aan de Bosnische oorlog. Het is een verdrag tussen :

  • De Republiek Bosnië-Herzcegowina

  • De Republiek Kroatië

  • Federale Republiek Joegoslavië (later Servië en Montenegro, in 2006 uiteengevallen in Servië, Montenegro.

Displace persons 1991-2001

Nasleep

De Balkanoorlog laat puin en littekens na, die vele generaties nodig hebben om te verdwijnen. En regelmatig volgen er nog naweeën: het conflict om Kosovo in 1999, de openbare enquête en NIOD-rapport over de rol van Dutchbat, NAVO, VN en Den Haag, het aftreden van het Kabinet-Kok, het Joegoslavië-tribunaal en het proces tegen Karadzic en Mladic. Over de levensvatbaarheid van de verschillende republieken valt ook te twisten. Waar Kroatië zich wentelt in de weelde die het toerisme brengt, wordt Bosnië gevoed met het infuus van internationale fondsen en NGO's. Ook Servië geldt als een van de arme landen van Europa. De mineur waarmee het Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen eindigde, werkt zo nog altijd door.

Bosnische federatie

Het Verdrag van Dayton deelt Bosnië en Herzegovina administratief op in twee entiteiten, namelijk de Federatie van Bosnië en Hercegowina (51%) en de Servische Republiek (49%). Oorspronkelijk werd het hele grondgebied van Bosnië en Herzegovina tussen de twee entiteiten verdeeld. In 2000 werd echter een derde entiteit, het federaal district Brcko, gecreëerd uit delen van de 'Federatie van Bosnië en Herzegovina' en de 'Servische Republiek'. Sindsdien behoort Brcko officieel in zijn geheel tot beiden.

Nogmaals een overzicht van de ontwikkelingen op de Balkan van 1815 tot 1999.

Ontwikkelingen Joegoslavië 1815-1999

Het VN-mandaat, de taken en de organisatie van IFOR en SFOR

De Veiligheidsraad sanctioneerde op 15 december 1995 in resolutie 1031 de oprichting van de Implementation Force (IFOR), die operatie Joint Endeavour, een zogeheten chapter seven-Qperatie moest gaan uitvoeren.
IFOR was een robuuste 60.000 militairen sterke multinationale NAVO-implementatiemacht onder éénhoofdige leiding. Zij moest toezien op de handhaving van het staakt-het-vuren, op de afbakening van een Inter-Entity Boundary Line tussen de Servische en Moslim-Kroatische gebieden, met aan weerszijden een twee kilometer brede Zone of Separation waarin zich geen troepen of wapentuig van de drie voormalige strijdende partijen mochten bevinden, en op de kantonnering van de militairen en hun zware wapens.
IFOR mocht daarbij indien nodig geweld gebruiken.IFOR moest daarnaast meer in het algemeen orde en rust brengen en de uitvoering van het civiele deel van het vredesakkoord mogelijk maken.

IFOR SFOR Bosnië Hercegowina 1996-2000

Een kleinere Stabilisation Force (SFOR) loste IFOR na een jaar af en voerde operatie Joint Guard uit, vanaf juni 1998 operatie Joint Forge geheten.
Generaal GA. Joulwan, de NAVO-opperbevelhebber in Europa, wees in december 1995 de NAVO-commandant van de Allied Forces in Southern Europe (AFSOUTH) aan als de commandant van de land, lucht en zeestrijdkrachten van IFOR, met het hoofdkwartier in Sarajevo.
Onder hem stonden de drie commandanten van land, tucht en zeemacht elk met hun eigen hoofdkwartier. Generaal Joulwan besloot eind 1996, met SFOR in het verschiet, de commandovoering van IFOR te stroomlijnen. De commandant van IFOR (en vervolgens SFOR) zou voortaan rechtstreeks sturing geven aan de Land, lucht en zeestrijdkrachten. Het personeel voor het nieuwe hoofdkwartier werd vanaf 20 november geleverd door de Land Forces Central Europe (LAND- CENT).

Bosnië was door de NAVO verdeeld in drie sectoren, elk beheerd door een Multinational Division (MND).
De Fransen, Amerikanen en Britten leverden respectievelijk de divisiehoofdkwartieren voor de MND South-Eastin Mostar, de MND North in Tuzla en de MND South-West in Gornji Vakuf.
Het hoofdkwartier van de MND South-West verhuisde op 30 april 1996 naar Banja Lub om de samenwerking te vergemakkelijken met de internationale organisaties die zich daar al bevonden. De divisiegebieden waren onderverdeeld in brigade en bataljonsvakken.

Het aantal militairen in Bosnië-Hercegowina werd met de overgang van IFOR naar SFOR teruggebracht tot ongeveer 32.000. Drie jaaar later wijzigde de omvang en structuur van SFOR opnieuw. De Noord-Atlantische Raad besloot 25 oktober 1999, vanwege de sterk verbetrde veiligeidssituatie in Bosnië, de omvang van SFOR terug te brengen tot ruim 20.000 militairen. De Nederlandse regering besloot vervolgens op 26 november 1999 de Nederlandese miliatiren terug te trekken uit Kosovo en de Nederlandse militaire inspanning op de Balkan te concentreren in Bosnië. De Nederlandse bijdrage aan SFOR steeg daardoor van 1.100 militairen in mei naar 1.431 in augustus 2000.

SFOR sinds augustus 2000

Zie voor deel 5 Ontwikkelingen op de Balkan deel 48 Oorlog door de Eeuwen heen. Deel 48 Oorlog door de Eeuwen heen