We hebben 347 gasten online

vragen en antwoorden parlementaire democratie in Nederland in de 19e en 20e eeuw Deel 1

Gepost in Gesloten vragen

Vragen em antwoorden parlementaire democratie in Nederland in de 19e en 20e eeuw Deel 1 

Op weg naar een moderne parlementaire democratie(1848-1945)

Deelvraag: Hoe had de parlementaire democratie zich in Nederland ontwikkeld?

1.1: De grondwet van Thorbecke

1) Wie had goedkeuring gegeven aan een wijziging van de grondwet?

2) Waarom werd die wijziging een noodgreep genoemd?

3) Wie kreeg de opdracht voor een nieuwe grondwet in te dienen?

4) Een van de belangrijkste veranderingen was de ministeriële verantwoordelijkheid. Wat hield die in?

5) Wat betekent:’De koning werd onschendbaar’?

6) Waaruit bestaat het parlement?

7) Welke wijzigingen werden er in 1848 doorgevoerd met betrekking tot de Eerste Kamer en Tweede Kamer?

8) Wat zijn de Provinciale Staten?

9) Wat verstaan we onder een cencuskiesrecht?

10) Toon aan dat Thorbeckes grondwetswijziging de ideeën volgde van de 18-eeuwse filosoof Montesquieu.

11) Werd de Trias politica in Nederland helemaal doorgevoerd?

12) Geef een voorbeeld waaruit blijkt dat Willem III grote moeite had met de nieuwe machtsverdeling.

13) Wat is sinds het conflict tussen Willem III en het parlement voortaan de ongeschreven regel?

14) Hoe werkt het districtenstelsel?

15) Sinds 1917 hebben we in Nederland het systeem van evenredige vertegenwoordiging. Hoe werkt dat systeem?

1.2 Het ontstaan van politieke partijen

1) Waren er in de 19 eeuw partijen in Nederland?

2) Welke 3 kwesties speelden er bij het ontstaan van politieke partijen een rol?

3) Beschrijf de schoolstrijd.

4) Beschrijf de strijd voor het algemeen kiesrecht.

5) Omschrijf het sociale vraagstuk.

6) Wie was Abraham Kuyper?

7) Wat is op te maken uit de naam van de Anti-Revolutionaire Partij?

8) Hoe heet de afsplitsing van de ARP die in 1908 ontstond?

9) Waarom voelden de katholieken zich tweederangs burgers?

10) Wat bedoelde Kuyper met de term Ánti-these’?

11) Wie werd de leider van de katholieken?

12) Wanneer werd pas de Rooms Katholieke Staatspartij opgericht?

13) Wat waren de belangrijkste uitgangspunten voor de liberalen?

14) Schets de liberale partijvorming.

15) Waarom kwam de ongelijkheid in de samenleving volgens de socialisten?

16) Hoe kon volgens de socialisten die ongelijkheid worden opgeheven?

17) Was er een revolutie voor nodig om de productiemiddelen in handen te laten komen van de gemeenschap?

18) Wie was de eerste socialist in de Tweede Kamer en welke partij richtte hij op.

19) Waar had Domela Nieuwenhuis vooral veel aanhang?

20) Wie wilde via democratische weg veranderingen doorvoeren en welke partij richtte hij op?

21) Toch wees de SDAP de revolutie niet af. Toon dat aan.

1.3 Verzuiling

1) Wat verstaan we onder verzuiling?

2) Welke vier zuilen kun je noemen?

3) Abraham Kuyper streefde naar ‘soevereiniteit in eigen kring’. Wat bedoelde hij daarmee?

4) Welke ortodox-protestantse partij werd in 1918 opgericht.

5) Hadden de zuilen contact met elkaar?

1.4 Nederland een Parlementaire Democratie

1) Hoe wordt het parlement ook wel genoemd?

2) Hoeveel zetels telt de Eerste en Tweede Kamer?

3) Welke twee belangrijke taken heeft het parlement?

4) Welke rechten heeft zowel de Eerste als de Tweede Kamer om de regering te controleren?

5) Wie vormt de regering?

6) Omschrijf het recht van Interpellatie.

7) Omschrijf het recht van Enquête.

8) Omschrijf het recht van begroting (budgetrecht).

9) Welke rechten heeft de Tweede Kamer wel en de Eerste Kamer niet?

10) Wat houd het recht van initiatief in?

11) Wat houd het recht van amendement in?

12) Wie staat er aan het hoofd van een kabinet?

13) Welke taak heeft de minster president?

14) Wat is een departement?

15) Hoe ziet de ambtelijke organisatie van een departement er uit?

16) Wat is een staatssecretaris en heeft ieder departement er een?

17) Geef een voorbeeld van een staatssecretaris?

18) Nederland is een Constitutionele Parlementaire Monarchie. Wat wordt daarmee uitgedrukt.

19) Het staatshoofd leest op de derde dinsdag in september ( Prinsjesdag) de troonrede voor? Wat is de troonrede en door wie wordt de troonrede samengesteld?

 

Antwoorden 1.1: De grondwet van Thorbecke

1) Goedkeuring aan de wijziging van de grondwet was gegeven door Koning Willem II

2) Het werd een noodgreep genoemd omdat In 1848 door Europa een revolutiegolf trok. Willem II probeerde in Nederland een revolutie te voorkomen.

3) De opdracht voor een grondwetswijziging werd gegeven aan de de liberaal Johan Rudolf Thorbecke.

4) De ministeriële verantwoordelijkheid hield in dat de ministers het regeringsbeleid voortaan moesten verantwoorden tegenover de volksvertegenwoordiging, het parlement.

5) “De konig werd onschendbaar betekent dat de ministers verantwoordelijk werden voor de daden van de koning en moesten daarover verantwoording afleggen aan het Parlement.

6) Het Parlement bestaat uit de Eerste Kamer en de Tweede Kamer.

7) Ten aanzien van de Eerste - en Tweede Kamer werden in 1848 de volgende wijzigingen doorgevoerd: De Tweede Kamer werd voortaan rechtstreeks door de kiezers gekozen. De Eerste Kamer voortaan door de Provinciale Staten (kiesgerechtigden kiezen de leden van de Provinciale Staten. Deze kiezen op hun beurt de leden van de Eerste Kamer. Dat noemen we getrapte verkiezingen).

8) De Provinciale Staten zijn de volksvertegenwoordiging van de provincie.

9) Onder censuskiesrecht verstaan we dat alleen welgestelde mannen die jaarlijks een bepaalde som aan belasting (census) betaalden, mochten stemmen.

10) Montesquieu stelde dat een land alleen rechtvaardig bestuurd kon worden als de macht niet in de handel lag van één persoon. De macht moest worden opgesplitst in een wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Deze driedeling wordt Trias Politica genoemd.

11) In Nederland werd de Trias Politica in 1848 niet helemaal doorgevoerd omdat de ministers naast de uitvoerende macht ook samen met het parlement de wetgevende macht kreeg.

12) Een voorbeeld waaruit blijkt dat Willem III grote moeite had met de nieuwe machtsverdeling blijkt uit het verzet van de Tweede Kamer tegen de brenoeming van de minster van koloniën tot Gouverneur-Generaal van Nederlands Indië. Daarop liet de koning de Tweede Kamer ontbinden. De nieuwe Tweede Kamer kwam opnieuw in botsing met Koning Willem III en uiteindelijk moest de koning zich neerleggen bij de macht van het parlement.

13) Voortaan is een ongeschreven regel dat een kabinet niet aanblijft tegen de wil van een Kamermeerderheid in.

14) Het districtenstelsel werkte als volgt: Nederland was opgedeeld in zoveel districten als er kamerzetels waren. De kandidaat die in zijn district de meeste stemmen won, kreeg een kamerzetel.

15) Hert stelsel van evenredige vertegenwoordiging werkt als volgt: Alle stemmen uit het hele land worden bij elkaar opgeteld. Vervolgens wordt het aantal stemmen gedeeld door het aantal kamerzetels. Zo krijgen we de kiesdeler. Een partij krijgt zoveel zetels als men de kiesdeler heeft behaald.

Antwoorden bij 1.2 Het ontstaan van politieke partijen

1) Eigenlijk waren er in de 19e eeuw geen politieke partijen zoals we die nu kennen. We spreken van politieke stromingen. Langzamerhand ontstaan er door politieke problemen partijen . De eerste partij was de Anti Revolutionaire Partij (ARP) in 1878.

2) De 3 kwesties die een rol speelden bij het ontstaan van politieke partijen waren 1) De schoolstrijd; 2) Strijd voor het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen; 3) Het sociale vraagstuk.

3) De schoolstrijd ging vooral over de financiering van het onderwijs. De staat subsidieerde alleen de openbare scholen en niet de bijzondere(confessionele) scholen. Na veel strijd (pacificatiepolitiek) kregen de bijzondere scholen ook subsidie van de overheid.

4) Kiesrecht hadden alleen mensen die een bepaald belastbaar inkomen hadden. Dat noemen we censuskiesrecht. Deze census werd wel steeds verder verlaagd maar leidde niet tot algemeen kiesrecht (je stem mogen uitbrengen) en passief kiesrecht ( gekozen mogen worden). Pas in 1917 kregen mannen actief en passief kiesrecht. Vrouwen kregen in 1917 passief kiesrecht en pas in 1919 actief kiesrecht.

5) Het sociale vraagstuk: Veel mensen leefden in armoede die nog steeg door de toenemende bevolking. Er was sprake van kinderarbeid. Velen vonden dat de overheid een rol diende te spelen en door middel van wetgeving iets aan de omstandigheden moest doen. De eerste sociale wet was het zogenaamde kinderwetje van Van Houten. Die wet verbood dat kinderen onder de twaalf jaar in fabrieken gingen werken. ( men voorkwam er niet thuisarbeid mee). In 1901 kwam de woningwet tot stand en de ongevallenwet.

6) Abraham Kuyper was de oprichter in 1878 van de ARP, die grote aanhang kreeg onder de protestanten en de lagere bevolkingsgroepen.

7) Ui de naam van de Anti Revolutionaire Partij is op te maken dat men in verzet kwam tegen de ideeën van de Franse revolutie. De ARP koos voor Godssoevereiniteit en niet voor Volkssoevereiniteit.

8) De afsplitsing van de ARP die in 1908 ontstond was de Christelijk Historische Unie onder leiding van de Savornin Lohman.

9) De katholieken voelden zich tweederangsburgers omdat ze lange tijd werden gediscrimineerd. Sinds de opstand tegen Spanje in de 16 e eeuw was Nederland een protestantse natie. Hoewel ze tijdens de Franse tijd (1795-1813) officieel gelijk werden gesteld aan de protestanten bleven ze zich tweederangsburgers voelen.

10) Met de term Anti - these wilde Kuyper uitdrukken dat alle gelovigen (confessionelen) zich moesten verenigen tegen de ongelovigen, de liberalen en de socialisten.

11) De leider van de katholieken was H. Schaepman.

12) De Rooms Katholieke Staats Partij (RKSP) werd pas in 1926 opgericht. Later dus dan andere partijen.

13) De belangrijkste uitgangspunten van de liberalen waren vrijheid en gelijkheid van het individu.

14) De partijvorming van de liberalen: In 1885 verenigde de liberalen zich in de Liberale Unie. Omdat ze verdeeld waren over het algemeen kiesrecht en de sociale kwestie ontstond er een splitsing. De vooruitstrevende liberalen splitsen zich af in 1901 en richtten de Vrijzinnig Democratische Bond op (BVD). In 1906 werd een derde liberale partij opgericht: de Vrij Liberalen. Zij waren tegen overheidsingrijpen.

15) De ongelijkheid in de samenleving kwam volgens de socialisten door de afhankelijkheid van de arbeiders van een kleine groep ondernemers, die alle productiemiddelen in handen had.

16) De ongelijkheid kon worden opgeheven door de productiemiddelen in handen te laten komen van de gemeenschap.

17) Of er een revolutie voor nodig was om de productiemiddelen in handen te laten komen van de gemeenschap daar dachten de socialisten verdeeld over. Sommigen wilden een revolutie, anderen wilden via parlementaire weg veranderingen doorvoeren.

18) De eerste socialist in de Tweede Kamer was Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Hij richtte in 1881 de Sociaal Democratische Bond (SDB) op.

19) Domela Nieuwenhuis had vooral veel aanhang onder de verpauperde Friese veenarbeiders.

20) Via democratische weg wilde Troelstra veranderingen doorvoeren. Hij richtte in 1894 de Sociaal Democratische Arbeiders Partij op (SDAP).

21) Dat de SDAP de revolutie niet afwees blijkt uit de revolutiepoging van Troelstra in 1919. (overal in Europa braken na de Eerste Wereldoorlog revoluties uit) Deze mislukte. Door deze revolutiepoging zou de SDAP in het Interbellum (tijdperk tussen beide wereldoorlogen) niet worden geaccepteerd als coalitiepartner. Pas in 1939, door de oorlogsdreiging, trad de SDAP toe tot een nationaal kabinet met 2 ministers.

Antwoorden 1.3 Verzuiling

1) Onder verzuiling verstaan we de indeling van de bevolking op grond van geloof en/of politieke overtuiging.

2) De vier zuilen zijn: de protestantse, de katholieke, de socialistische en de liberale.

3) Met ‘soevereiniteit in eigen kring’ bedoelde Kuyper dat het protestantse volksdeel zich moest terugtrekken om zo binnen eigen kring op geheel christelijke wijze te kunnen leven.. Kuyper had sinds de schoolstrijd een diepe afkeer van de staat ontwikkeld en wilde de ‘staatsmacht’ zoveel mogelijk beperken.

4) In 1918 werd de orthodox-protestantse partij (SGP) opgericht.

5) Alleen de leiders van de zuilen hadden contact met elkaar om politiek zaken te doen. Binnen de zuilen bestond een groot saamhorigheidsgevoel maar men had geen contact met mensen van de andere zuilen.

Antwoorden 1.4 Nederland een parlementaire democratie

1) Het parlement wordt ook wel genoemd Volksvertegenwoordiging, Staten Generaal, Eerste en Tweede Kamer.

2) De Eerste kamer telt 75 zetels en de Tweede Kamer 150 zetels.

3) De twee belangrijke taken van het Parlement zijn: 1. het controleren van de regering, 2. Het maken van wetgeving.

4) Zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer heeft het recht van interpellatie, het recht van enquête en het recht van begroting(budgetrecht).

5) De regering wordt gevormd door het Staatshoofd (koning(in)) en het kabinet (de ministers).

6) Het recht van interpellatie: Een kamerlid maag een minister in het parlement ondervragen waarbij de minster verplicht is antwoord te geven. De Tweede Kamer heeft elke dinsdag van 14:00 tot 15:00 uur een vragenuurtje dat wordt uitgezonden op de TV.

7) Het recht van enquête: De beide kamers kunnen buiten de regering om een onderzoek instellen waarbij men getuigen onder ede kan horen. Voorbeelden van parlementaire enquêtes zijn: Het functioneren van de regering tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen; De Bijlmerenquête; De RSV enquête; Paspoort enquête; Bouwfraude enquête.

8) Het recht van begroting (budgetrecht): De totale begroting voor een parlementair jaar wordt op prinsjesdag ( 3e dinsdag in september) door de minster van financiën ingediend bij het parlement. Elke afzonderlijke minster dient zijn begroting voor het Parlement te verdedigen. Het Parlement heeft het recht een begroting af te wijzen. Gebeurt dat dan staat de minster niets anders te doen af te treden. Een minster kan nu eenmaal niet zonder geld zijn beleid uitvoeren.

9) De Tweede Kamer heeft in tegenstelling tot de Eerste Kamer ook nog het recht van initiatief en het recht van amendement.

10) Het recht van initiatief laat goede de wetgevende functie zijn van de Tweede Kamer. Elk Tweede Kamerlid mag zelf een wetsontwerp bij het Parlement indienen. (De regering mag dat ook). Voorbeeld: Het kamerlid Boris Ditrich diende een wetsontwerp in waarbij slachtoffers van misdaden de gelegenheid krijgen tijdens strafzaken het woord te voeren. Sinds 1 januari 2005 is de wet van kracht.

11) Het recht van amendement houd in dat leden van de Tweede Kamer wijzigingen kunnen aanbrengen in een ingediend wetsontwerp. De hele Tweede Kamer moet het daar natuurlijk wel mee eens zijn.

12) Aan het hoofd van een kabinet staat de minster president.

13) De eerste taak van de minster president is te zorgen voor eenheid in het regeringsbeleid. Daarnaast geeft hij leiding aan het ministerie van Algemene Zaken en is hij de eerst verantwoordelijke met betrekking tot zaken die met het Koningshuis te maken hebben.

14) Een departement is een groep ambtenaren die de minster bij zijn werkzaamheden bijstaan. Ook het gebouw waar zij hun werkzaamheden verrichten wordt departement genoemd.

15) De ambtelijke organisatie van een departement ziet er als volgt uit: Aan het hoofd van het departement staat de Secretaris Generaal. Deze heeft een aantal directies onder zich waar directeur generaals leiding aan geven.

16) Een staatssecretaris is een onderminister. Soms heeft een departement er twee of zelfs geen.

17) Een voorbeeld van een staatssecretaris is de staatssecretaris van onderwijs Marc Rutte.

18) Met Nederland is een Constitutionele Parlementaire Monarchie wordt bedoeld dat het staatshoofd gebonden is aan de grondwet en aan de wetten van het Parlement. Daardoor is de macht van het staatshoofd beperkt.

19) In de troonrede die op de derde dinsdag van september (Prinsjesdag) door het staatshoofd wordt voorgelezen worden de plannen van de regering voor het komende parlementaire jaar bekendgemaakt. de troonrede wordt gemaakt door de regering.