We hebben 183 gasten online

Vragen en antwoorden Hoofdstuk2 Echt Klassiek!

Gepost in Gesloten vragen

Vragen en antwoorden bij  Hoofdstuk 2 Echt Klassiek!

 tijdvak 2

1)     Waardoor ontstonden er in de achtste eeuw voor Christus problemen met de voedselvoorziening en hoe werden die opgelost?

Antw: door de bevolkingsgroei. Deels loste men dit op door import van graan. Daarnaast ging met expedities uitvoeren en vestigden men zich rond het Middellandse zee gebied en Rond de Zwarte Zee.

2)     Wat was het directe gevolg van de nederlaag van de Perzen?

Antw: de oude tegenstellingen tussen Athene en Sparta kwamen weer boven.

3)     Toon aan dat economische veranderingen de basis vormden voor de Atheense democratie.

Antw: Oorspronkelijk had Athene een aristocratisch bestuur en een koning. Een sterke economische groei, rijke landbouwoogsten, mijnbouw, nijverheid en handel zorgde ervoor dat er een nieuwe rijke klasse ontstond naast de adel. Deze wilden ook invloed op het bestuur.

4)     Democratie betekende voor de Atheners directe democratie. Wat betekende dat in de praktijk en kun je dat wel democratie noemen?

         Antw: Alleen mannen die het Atheense burgerrecht hadden mochten hun stem

          uitbrengen. Vrouwen hadden geen stemrecht. In feite kun je dat dus geen echte

         democratie noemen.

5)     Beschrijf de regeringsvorm van de poleis Sparta.

Antw: Sparta had een mengvorm van monarchie, oligarchie en democratie. In feite hadden de Spartanen niet veel in te brengen.

6)     Wat zijn Sofisten? Noem er twee

Antw: Rondtrekkende redenaars die zich bezighielden met filosofie, politiek en communicatie. Ze hielden zich uitgebreid bezig met methoden om anderen te overtuigen. Palto en Protagoras.

7)     Waren de Sofisten voor- of tegenstanders van de democratie? Verklaar je antwoord.

Antw: Er waren bij de Sofisten voor- en tegenstanders van de democratie. Bijvoorbeeld aristocraten raakten door de democratie hun macht kwijt en hoewel ze Sofistisch dachten waren ze daar niet blij mee.

8)     Was Socrates een Sofist?

Antw: Nee, hij was een tegenstander van de Sofisten. Werd in 399 aangeklaagd door de Sofisten en werd veroordeeld tot de gifbeker.

9)     Beschrijf de Peleponnesische oorlog? Wie won deze oorlog?

Antw: Tussen Sparta en Athene en hun bondgenoten van 431 – 404 voor Christus. Sparta.

10)  Naast democratie zijn er nog andere regeringsvormen. Noem twee andere regeringsvormen en licht deze toe.

Antw: Aristocratie regering door een groep mensen. Theocratie: Een bestuur door religieuze leiders. Autocratie: Alleenheerschappij.

11)  Wat was het nieuwe van de  professionele artsenscholen?

Antw: Men schreef ziekten niet meer toe aan de goden, maar zochten naar natuurwetenschappelijke oorzaken.

12)  Hippocrates paste de natuurwetenschappelijke methode toe. Leg dat eens nader uit.

Antw: Hippocrates wordt de vader genoemd van de medische wetenschap. Hij observeerde, experimenteerde en redeneerde waardoor er een nieuwe medische wetenschap ontstond.

13)  Wanneer kwamen De Romeinen voor het eerst in aanraking met de Griekse cultuur?

Antw: Toen de Romeinen in de loop van de 3e eeuw voor Christus het zuiden van Italië veroverden.

14)  Bij al hun veroveringen kregen de Romeinen als buit ook veel slaven. Hoe kon het dat slaven ook de Griekse cultuur overbrachten?

Antw: Naast de zogenaamde werkslaven maakte men ook slaven die een zeer goede opleiding hadden genoten. Artsen, geleerden, leraren, schrijvers en kunstenaars. Deze brachten de Hellenistische cultuur en wetenschap de Romeinse maatschappij binnen.

15)  Wat verstaan we onder filhellenisme?

Antw: het [positief staan tegenover de Griekse cultuur.

16)  Wat hadden de Romeinen in de beeldhouwkunst overgenomen van de Grieken?

Antw: De Griekse vormentaal. De details van het lichaam zijn goed te zien.

16) Beschrijf het verschil in tempelbouw tussen de Griekse en Romeinse tempels.

Antw: Griekse tempels hadden rondom trappen en waren van alle kanten toegankelijk. Italiaanse tempels stonden op een hoog podium met alleen trappen aan de voorkant. De Romeinen namen wel de vorm van de Griekse tempels over, maar hielden vast aan het podium.

17)  Noem twee belangrijke verbeteringen in de Romeinse bouwkunst en geef aan waarom het beteringen waren.

Antw: Twee belangrijkste Romeinse verbeteringen in de bouwkunst waren het beton en de boogconstructie. De Romeinen konden door middel van boogconstructies, gewelven of koepels grote ruimtes overdekken zonder dat de ruimte helemaal vol zuilen stond. Ook beton hielp daarbij. Dit mengsel van puin, kalk, vulkanisch zand en water was veel lichter dan natuursteen of baksteen en net zo sterk. De Romeinen pasten de combinatie van boogconstructie en beton op allerlei terreinen toe.

18)  Op welke drie pijlers steunt de Europese cultuur:

Antw: De verworvenheden van de Industriële Revolutie; Het christendom; De klassieke cultuur.

19)  Waarin is de invloed van de klassieke cultuur terug te vinden?

Antw: De invloed van de klassieke cultuur is terug te vinden in onze taal, literatuur, beeldende kunst en architectuur, maar ook in onze normen en waarden en in de manier waarop we bestuurd (willen) worden.

20)  Waar was Cartago een kolonie van?

Antw: Carthago was oorspronkelijk een kolonie van Tyrus in Phoenicië (het huidige Libanon) was al in de vijfde eeuw v. Chr. een grootmacht in het westelijk deel van de Middellandse Zee.

21)  Waardoor ontstond de eerste Punische Oorlog (264-241) wie won deze oorlog en wat verkreeg men?

Antw: Door de expansiedrang van de Romeinen. De Romeinen wonnen en verkregen van de Carthagers Sicilië.

22)  Hoe ontstond voor de Romeinen belangstelling voor Spanje?

Antw: Saguntum, een stad in het Carthaags gebied van Spanje, kwam in Rome om hulp vragen tegen de Carthagers die de stad belegerden.

23) Welke twee doelen hadden de Romeinen in Spanje?

Antw: voorkomen dat de Carthagers versterkingen stuurden en het vertrouwen winnen van de Keltiberiërs

24)Wie wist uiteindelijk de Carthagers in Spanje te verslaan?

Antw: de zoon van Publius Scipio

25)  Wat betekende uiteindelijk de ondergang van de Cartagers?

Antw: De Tweede Punische oorlog (218-201) werd Carthago 's ondergang.

26)  Door welke oorzaken verliep de romanisering in de derde en tweede eeuw v. Chr. in Spanje opvallend traag?

Antw:

·          De Romeinen leerden net de Griekse cultuur kennen;

·         De Carthagers waren cultureel verder ontwikkeld;

·         De verbindingen tussen Italië en Spanje, over zee en over land, waren slecht;

·         Het was nog niet duidelijk of de Romeinen er in zouden slagen hun macht in Spanje te behouden;

·         Er was een groot verschil tussen de verstedelijkte kuststreken in Zuid- en Oost-Spanje en de gebieden in het noorden en westen;

·         Door het voortdurende strijdtoneel in Spanje kwam men niet aan romanisering toe.

27)  Toon aan dat in de steden de invloed van de Grieks-Romeinse cultuur het beste was te zien.

Antw: Elke stad had een forum (een plein waar de voornaamste tempels stonden), waar het stadsbestuur zetelde en waar de basilica was voor rechtspraak en handel. En natuurlijk een badhuis (thermen) waar naast hete, lauwe en koude baden mogelijkheden waren voor massage, sport en ontspanning. Voor de watervoorziening werden aquaducten aangelegd. Ook een theater, een arena of amfitheater (voor gladiatorenspelen) en het langgerekte ovale circus (voor wagenrennen) hoorden bij een geromaniseerde stad.

28)  Wat deed Caesar na de vervulling van zijn consulschap?

Antw: Hij werd gouverneur van de Provence nadat hij had kunnen ruilen met een andere proconsul. Caesar veroverde vanuit de Provence tussen 58 en 50 heel het Gallische gebied tot in België.

29)  Waarom was de alleenheerschappij van Caesar in Rome ongehoord en waartoe leidde dat?

Antw: Dat was ongehoord omdat men altijd er alles voor deed om alleenheerschappij te voorkomen. Caesar werd uiteindelijk in de Senaat omgebracht.

30)  Wie volgde Caesar op?

Antw: Octavianus die zichzelf Augustus noemde.

31)  Tot 49 na Christus streefden de Romeinse keizers een Elbe politiek? Wat is dat voor politiek en welke kwam er voor in de plaats?

Antw: De Elbe zou de noordgrens vormen van het Romeinse rijk. Toen dat niet meer te realiseren was door invallen van de Germanen werden de Rijn en de Donau grensrivieren van het Romeinse Rijk.

32)  Wat is het limes-systeen?

Antw: een systeem van legioenkampen, kleinere kampen (castella) en wachttorens. De castella en de wachttorens waren verbonden door een muur of met droge greppels.

33)  Tijdens keizer Marcus Aurelius (161-180) begon de druk van de Germaanse stammen op de limes weer toe te nemen. Noem daarvoor de redenen.

Antw:

·         De welvaart aan de Romeinse kant oefende een grote aantrekkingskracht uit;

·         De gebieden in Noord- en Oost-Europa waren al lange tijd onrustig;

·         Germaanse stammen zochten vruchtbare grond en vroegen aan Rome of ze zich in het Romeinse Rijk mochten vestigen. Marcus Aurelius stond dat toe;

·         Zo werd de buffer tegen de expansie van andere stammen weggehaald;

·         Germaanse stammen opereerden in grotere verbanden;

·         De Germaanse stammen hadden een betere bewapening en organisatie.

34)  De derde eeuw na Christus was een tijd van grote economische en politieke crisis. Toon dat aan.

Antw: Het Romeinse Rijk was niet meer berekend op grote militaire uitgaven en er waren geen inkomsten meer uit buit en oorlogsschatting. Daarnaast volgden de keizers elkaar snel op. Tussen 211 en 284 niet minder dan 24.

35)  Wat moesten de Romeinse keizers  uiteindelijk toch aan de Germanen in 406 toestaan?

Antw: De Romeinse keizers moesten toestaan dat de Germaanse stammen zich onder hun eigen leiders en bestuur in het Romeinse Rijk mochten vestigen. In feite waren de Germanenrijken zelfstandige koninkrijken.

36)  Wanneer kwam er een einde aan het West Romeinse rijk? En wanneer een einde aan het Oost-Romeinse rijk?

Antw: In 476 nam de Germaanse generaal Odoaker het keizerlijk bestuur in het West - Rijk over. Het Oost-Romeinse Rijk zou tot 1453 blijven bestaan.

37)  Wie voelden zich vooral aangesproken door het Christendom?

Antw: De slaven en de vrouwen.

38)  Vanaf de derde eeuw werd het christendom steeds meer gezien als een bedreiging van de samenleving? Waarom?

Antw: De christenen en joden weigerden te bidden voor de Romeinse staatsgoden en voor de keizer werd niet geaccepteerd. De verslechtering van de economische situatie werd gezien als het gevolg van de verwaarlozing van de traditionele goden.

39)  Wie hief uiteindelijk het verbod op het Christendom op, gaf het zelfs een voorkeurspositie en wanneer was dat?

Antw: Keizer Constantijn in 312 zegevierde in de burgeroorlog besloot hij het verbod op het christendom op te heffen. Hij stelde het gelijk aan andere godsdiensten en gaf het in de praktijk zelfs een voorkeurpositie.  

40)Noem de vijf belangrijkste kenmerken van het tijdvak.

Antw:

  • De ontwikkeling van filosofie en wetenschap en het nadenken over de rol van de burger in de samenleving.
  • Klassieke vormen in beeldende kunst en architectuur.
  • De groei van het Romeinse Rijk, waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.
  • Het contact tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germanen van Noordwest Europa.
  • De ontwikkeling van de eerste monotheïstische godsdiensten: jodendom en christendom