We hebben 218 gasten online

Vragen en antwoorden Nederland vanaf 1780

Gepost in Gesloten vragen

 

1          In 1781 werd het anonieme pamflet Aan het volk van Nederland gepubliceerd. Hierin werd zware kritiek geleverd op alle Nederlandse stadhouders: van Willem van Oranje tot en met Willem V. Het werd direct verboden door de regenten en er werd een beloning uitgevaardigd voor de tip die tot de aanhouding van de schrijver zou leiden. Pas een eeuw later werd in Amerika ontdekt wie de schrijver van het pamflet was.

      a    Wie was de schrijver? Leg uit waarom dat gezien zijn maatschappelijke positie verrassend was.

      b    Waarom werd het stuk direct verboden?

 

1    a    Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Hij was van adel en je zou van iemand van zijn stand geen verzet verwachten in democratische zin.

      b    Het was een revolutionaire tekst gericht tegen de positie van de stadhouder.

 

2          In de Bataafse Republiek ontstond onenigheid tussen twee partijen over de staatsvorm.

      a    Noem deze partijen en noem van beide de politieke denkbeelden.

      b    Door wie werd de strijd uiteindelijk gewonnen? Leg uit hoe dat kwam.

 

2    a    De Unitarissen wilden een eenheidsstaat. De Federalisten wilden dat de verschillende gewesten een mate van onafhankelijkheid binnen de federatie behielden.

      b    De strijd werd beslist in het voordeel van de Unitarissen, doordat zij de steun hadden van de Fransen die in de Bataafse Republiek het laatste woord hadden. De Bataafse Republiek was namelijk een satellietstaat van Frankrijk.

 

3          Abraham Kuyper introduceerde het begrip ‘antithese’ in de confessionele politiek.

      a    Leg uit wat dit betekent en waarom het succesvol was.

      b    In 1891 verscheen de encycliek Rerum Novarum. Wat betekende de inhoud van deze encycliek voor het denken over antithese onder de Nederlandse katholieken?

 

3    a    Antithese: de tegenstelling tussen christenen en niet-christenen. Gelovigen moeten zich verenigen tegen ongelovigen. Hierdoor sloten gelovigen van uiteenlopende rangen en standen zich aan bij de confessionele partijen, zoals de gelovige arbeiders die niet op de SDAP stemden in 1918.

      b    De encycliek was antiliberaal en antisocialistisch en vond eigen katholieke organisaties belangrijk in verband met het beginsel van subsidiariteit. Dit stimuleerde de samenwerking met de protestantse partijen.

4    a    Welke oorzaken droegen bij tot de ontzuiling in de jaren zestig?

      b    De ontkerkelijking had invloed op de populariteit van de confessionele partijen in Nederland. Welke oplossing vonden deze partijen voor dit probleem? Had die oplossing succes?

 

4    a    Stijging van de welvaart en het opleidingsniveau. De komst van de televisie. Eventueel de komst van de auto.

      b    De christelijke partijen besloten eind jaren zeventig samen een nieuwe partij op te richten: het Christen Democratisch Appèl. Dit was een groot succes: CDA’ers hebben sinds hun oprichting verschillende kabinetten geleid en het CDA is een van de grootste politieke partijen in Nederland. Op dit moment leidt al zes jaar een CDA-premier de regering.

                                                                                                                              

5          Lees bron 1.

 

Bron 1

De […] gaat uit van de overtuiging: dat de Tweede Wereldoorlog voor alle volkeren de afsluiting betekent van een oud tijdperk der wereldgeschiedenis, tevens het begin van een nieuwe periode: economisch, sociaal, politiek en geestelijk is de wereld grondig veranderd en stelt zij aan enkeling en gemeenschap nieuwe eisen...

 

Fragment uit de oproep van een politieke beweging

 

      a    Uit de oproep van welke politieke groepering is dit fragment afkomstig?

      b    Welk politieke partij kwam voort uit die groepering?

      c    Op welke manier probeerde deze partij de in het citaat genoemde nieuwe eisen in een politiek programma te vertalen?

5    a    De Nederlandse Volksbeweging.

      b    De Partij van de Arbeid.

      c    Door middel van het personalistisch socialisme.

6          Lees bron 2.

 

Bron 2

Dit is tijd voor vernieuwing. Het huidige bestel is ziek en moe. Het schippert en weifelt. Wij willen het doorbreken. Wij willen nieuwe democratie. Een nieuw kiesstelsel. En een praktische politiek. En duidelijkheid. En openheid. En vrijheid. Wij willen dat u ook weer wat te zeggen krijgt. En u?

 

Fragment van een verkiezingsposter uit de jaren zestig

 

      a    Van welke politieke partij is deze oproep afkomstig?

      b    De aanhangers van deze politieke stroming zijn voor ‘participatiedemocratie’. Wat houdt dat in en welke problemen moet dat oplossen?

 

6    a    Democraten ’66, ook goed: D66.

      b    Participatiedemocratie houdt in dat burgers direct deelnemen aan politieke besluitvormingsprocessen. Dit zou de verschillen tussen burgers, maatschappelijk en politiek, moeten wegnemen.

 

7    a    Wanneer en waardoor is het fenomeen zwevende kiezer ontstaan? Licht je antwoord kort toe.

      b    In hoeverre heeft dit verschijnsel invloed gehad op de Nederlandse politiek.

7    a    Het fenomeen zwevende kiezer is ontstaan in de jaren zestig door de ontzuiling. Tijdens de verzuiling wist alle stemgerechtigden vanzelfsprekend op wie ze moesten stemmen, namelijk de partij die de eigen zuil vertegenwoordigde.

      b    Vanaf de jaren zestig was dit voor veel mensen niet meer vanzelfsprekend en daarmee nam ook de twijfel toe. Er kwam daardoor ruimte voor nieuwe partijen zoals D66.

 

8     a    Waarom kwamen er in de negentiende eeuw veel Duitsers als seizoenarbeider in Nederland werken. Gebruik in je antwoord de begrippen 'push- en pullfactoren'.

       b   Waarom kwamen er aan het einde van de negentiende eeuw steeds minder Duitse seizoensarbeiders naar Nederland?

 

8     a   Nederland was in de negentiende eeuw in het algemeen een rijker en welvarende gebied dan veel streken in Duitsland. De pullfactor was dus de welvaart en de werkgelegenheid in Nederland. En de pushfactor was de matige economische situatie in Duitsland, met name in Westfalen.

       b   Duitsland ontwikkelde zich in de tweede helft van de negentiende eeuw tot een sterk en welvarend land. Duitsers hoefden dus niet langer in het buitenland op zoek naar werk: dat was er binnen Duitsland nu ook genoeg.

9          Lees bron 3.

 

Bron 3

Twee poepen* zagen de maan in het water schijnen.

“Een kaasje,” zei de een.

“Dat moeten wij ja bewaren.”

De een hielde de ander aan de beenen vast en liet hem zakken. Al dieper en dieper, totdat hij verdronk.

 

Geciteerd in: Marlou Schrover, Een kolonie van Duitsers. Groepsvorming onder Duitse immigranten in Utrecht in de negentiende eeuw. Amsterdam, 2002.

*spottende benaming voor Duitse seizoensarbeiders

       a    Leg uit waarom Duitse immigranten in het begin van de negentiende eeuw niet heel sterk benadrukten dat ze uit Duitsland kwamen.

       b   Welk stereotiepe beeld hadden Nederlanders van Duitse immigranten? Gebruik de bron. Klopte dat beeld?

9     a   Duitsers hadden een lomp, dom imago. Dus liepen zij liever niet met hun afkomst te koop.

       b   Duitsers waren dom en arm. Dat beeld klopt natuurlijk niet: er waren ook veel Duitsers in Nederland die juist heel slim waren en die door hard werken en intelligent handelen een imperium opbouwden: mensen als Brenninkmeijer, Dreesmann, Hunkemöller en andere

10   a    Veel Nederlandse gezinnen of echtparen namen na de Eerste Wereldoorlog tijdelijk pleegkinderen op in hun gezin. Waar kwamen deze kinderen vandaan?

       b   Waarom bleven deze kinderen niet een duidelijk herkenbare bevolkingsgroep in Nederland. Geef twee redenen.

10    a   Uit Duitsland en Hongarije.

       b   In de eerste plaats was hun verblijf tijdelijk: in principe ging iedereen na verloop van tijd weer naar huis. In de tweede plaats waren de meeste kinderen meisjes. Als zij trouwden met een Nederlander, namen zij in principe de naam van hun echtgenoot aan en kregen zij de Nederlandse nationaliteit.

11   a    Noem een pushfactor en een pullfactor die verklaren waarom er zo veel Duitse dienstmeisjes naar Nederland kwamen na de Eerste Wereldoorlog.

11    a   De pushfactor was dat Duitsland economisch na de Eerste Wereldoorlog door een diep dal ging. Er was werkloosheid, zware inflatie en grote politieke instabiliteit. Een pullfactor was dat er in Nederland een groot tekort aan dienstmeisjes was. Nederlandse meisjes hadden steeds minder trek in het zware werk als dienstmeisje.

    

12        Lees bron 4.

 

Bron 4

De positie der Joden in Duitsland moge betreurenswaardig zijn, maar om voor asylrecht in aanmerking te komen is meer nodig.

 

Minister van Justitie Van Schaik. Geciteerd in: Marij Leenders, Ongenode gasten. Van traditioneel asielrecht naar immigratiebeleid, 1815-1938. Hilversum, 1993.

 

       a    Beredeneer uit welke periode deze bron afkomstig moet zijn. Was de positie van de joden in Duitsland toen inderdaad betreurenswaardig?

       b   Leg uit waarom de positie der Joden in Duitsland en asylrecht in deze bron in één zin worden genoemd.

       c    Welk gevolg voor Duitse joden had het in deze bron verwoorde standpunt van de Nederlandse minister van justitie?

       d   Waarom stond Nederland sceptisch tegenover de opname van veel joodse vluchtelingen. Noem twee redenen.

12    a   De bron is geschreven na de machtsovername door Hitler in Duitsland in 1933. De positie van de joden werd kort daarna al snel inderdaad betreurenswaardig. De joden verloren hun rechten en werden vervolgd. Weliswaar hadden de nazi's in de jaren dertig nog niet een vernietigingsplan voor de joden in werking gesteld, maar hun bestaan werd al wel op allerlei manieren bemoeilijkt.

       b   Nederland gaf asiel aan vluchtelingen. De auteur van deze bron (de minister van Justitie) geeft hier eigenlijk aan dat Duitse joden geen goede reden hadden om het land te ontvluchten. Zonder die goede reden wilde Nederland hen geen asiel verlenen.

       c   De Duitse joden werden niet als vluchtelingen gezien en konden dus niet rekenen op asiel in Nederland.

       d   In de eerste plaats was er in Nederland ook werkloosheid als gevolg van de wereldcrisis. Nog meer werkzoekenden wilde de overheid er daarom niet bij hebben. In de tweede plaats bestond er ook in Nederland antisemitisme: joden werden, omdat ze joods waren, niet gezien als erg gewenste gasten.

13        Kun je de Chinezen die voor de Tweede Wereldoorlog naar Nederland kwamen immigranten noemen? Waarom wel of niet?

13        Chinezen waren in het algemeen geen immigranten, zeker niet in het begin. Toen kwam vooral scheepvaartpersoneel naar Nederland, dat hier tijdelijk verbleef en daarna weer op een schip werd aangemonsterd. Later kwamen er Chinese pensionhouders, handelaren en restaurateurs. Zij vestigden zich wél in Nederland. Maar nadat in 1929 de crisis uit was gebroken, zijn de meeste Chinezen op eigen gelegenheid of onder dwang weer uit Nederland vertrokken.

 

14        Lees bron 5.

 

Bron 5

Ik wist niet wat ik hoorde. Iedereen was erg stil en overdonderd. Het was ons helemaal niet verteld dat wij hier gedemobiliseerd zouden worden. Dan zou toch geen enkele Ambonees meegegaan zijn? We gingen toch al met tegenzin. We hadden gehoord van een afkoelingsperiode van drie tot zes maanden in Nederland en dat we dan naar Ambon zouden gaan.

 

Sergeant-majoor Munster in: Henk Smeets en Fridus Steijlen, In Nederland gebleven. De geschiedenis van Molukkers 1951-2006. Amsterdam en Utrecht, 2006.

 

       a    Over welke groep mensen gaat het in deze bron? Waaruit leid je dat af?

       b   Met welk verwachtingspatroon kwam de auteur van deze bron naar Nederland? Wat gebeurde er in plaats daarvan?

14    a   Deze bron gaat over de Molukkers die in 1951 naar Nederland werden overgebracht. Dat leid je af uit de verwijzing naar 'Ambon' en uit de melding dat 'wij hier gedemobiliseerd zouden worden'.

       b   Hij verwachtte een korte periode in Nederland te blijven en dan weer terug te gaan naar Ambon. In plaats daarvan moest hij voorlopig, of eigenlijk: voorgoed in Nederland blijven.

15        Bestudeer bron 6.

 

Bron 6

Omvang van bevolkingsgroepen in Nederland in absolute aantallen

 

In 1960

In 1970

In 1980

In 1990

Italianen

5.200

16.300

20.900

16.700

Joegoslaven

900

4.300

13.700

12.800

Marokkanen

100

17.400

71.800

148.000

Spanjaarden

300

22.600

23.500

17.400

Turken

100

23.600

119.600

191.500

Totale Nederlandse bevolking

11.417.000

12.958.000

14.091.000

14.893.000

Van: Centraal Bureau voor de Statistiek.

       a    In welke periode zie je procentueel de grootste toename van het aantal uit de in de tabel genoemde landen? Geef twee redenen waarom juist toen de toename het sterkst was.

       b   Verklaar waarom in de periode daarna (zie a) de toename relatief veel kleiner was.

       c    In de periode 1980-1990 nemen twee bevolkingsgroepen heel duidelijk af in aantal. Welke? Leg uit waarom dat gebeurde.

       d   Twee andere bevolkingsgroepen nemen in de periode 1980 - 1990 in absolute aantallen juist sterk toe. Welke twee zijn dat? Wat veroorzaakt die toename?

       e    Laat de volgende stelling goed tot je doordringen: ‘de twee groepen uit vraag 18d zijn slecht geïntegreerd in de Nederlandse samenleving´.

            Kun je uit het antwoord op vraag 18d, wat veroorzaakt de toename van deze bevolkingsgroepen, een argument halen om deze stelling te ondersteunen? Is daarmee de stelling voldoende onderbouwd?

15    a   De relatief sterkste toename vond plaats in de periode 1960-1970. In de eerste plaats omdat toen de werving van gastarbeiders pas echt goed op gang kwam en in de tweede plaats omdat toen gezinshereniging steeds vaker werd toegestaan.

       b   Ondanks dat er door gezinshereniging nog veel instroom was, stopte Nederland in 1975 de officiële werving van gastarbeiders. Dat remde de groei.

       c   Italianen en Spanjaarden. Zij hadden geen reden om in Nederland te blijven. In hun eigen land was de welvaart ondertussen zo gestegen, dat ze niet om welvaartsredenen in Nederland hoefden te blijven. Heimwee naar hun vaderland bewoog velen ertoe om terug te keren.

       d   Marokkanen en Turken. De groei van deze bevolkingsgroepen wordt vooral veroorzaakt door gezinshereniging en de geboorte van nieuwe kinderen.

       e   Als een bevolkingsgroep groeit door gezinshereniging, dan wil dat zeggen dat er weinig interculturele huwelijken zijn: er wordt vooral binnen de eigen cultuur/bevolkingsgroep getrouwd. Dat duidt op geringe integratie. Echter, huwelijksgedrag is niet het enige criterium waarop je integratie kunt beoordelen. Andere factoren zijn bijvoorbeeld taalkennis, opleidingsniveau en deelname/lidmaatschap aan/van maatschappelijke verenigingen. Alleen op basis van huwelijksgedrag kun je geen definitief oordeel vellen over de mate van integratie.

16    a   Wat zijn uitgeprocedeerde asielzoekers?

       b   Wat gebeurde er met uitgeprocedeerde asielzoekers?

       c   Leg uit waarom het Generaal Pardon van 2007 niet gold voor deze groep.

 

16    a   Uitgeprocedeerde asielzoekers zijn vreemdelingen die in Nederland asiel hebben aangevraagd, maar wiens asielaanvraag is afgewezen. Hun asielprocedure is dus afgelopen.

       b   Uitgeprocedeerde asielzoekers moesten Nederland verlaten. Zij werden uitgezet óf zij vluchtten binnen Nederland weg: zij gingen een illegaal bestaan leiden.

       c   Het Generaal Pardon van 2007 was een besluit dat te maken had met de nieuwe Vreemdelingenwet van 2001. Asielzoekers die vóór de invoering van die wet al asiel hadden aangevraagd en die nog steeds op een besluit zaten te wachten, kregen nu alsnog een verblijfsvergunning. Dat heeft niets te maken met uitgeprocedeerde asielzoekers, omdat het Pardon juist gold voor asielzoekers die nog níet uitgeprocedeerd waren.