We hebben 307 gasten online

Krijgsgeschiedenis en militaire geschiedenis

Gepost in Historische overzichten

modern strategy bush at war

Krijgsgeschiedenis en militaire geschiedenis [1]

In de ontwikkelingsgang van de mensheid heeft, van de vroegste tijden tot op de huidige dag, de gewelddadige strijd tussen de mensen en de groeperingen waarin zij zich hadden georganiseerd een hoogst belangrijke rol gespeeld. Het is daarom dan ook niet in het minst verwonderlijk dat de geschiedenis, als de wetenschap die de kennis van het verleden poogt vast te stellen, zich voor een groot deel heeft moeten richten op de oorlogvoering. Met recht geldt de gespecialiseerde deelsector van de geschiedenis, die zich bezighoudt met het gebeuren op en rond de slagvelden, de krijgsgeschiedenis, als een van de oudste takken van de geschiedschrijving.

Die krijgsgeschiedenis mag dan in de beschreven geschiedenis van de mensheid niet de fraaiste hoofdstukken hebben opgeleverd, zonder enige twijfel droeg zij daaraan wél verscheidene van de boeiendste bij. En zeker staat buiten kijf dat sinds onheuglijke tijden de oorlogen een bijzondere stimulans hebben betekend voor de geschiedvorsers en -schrijvers. Het is daarbij interessant te bezien hoe de krijgsgeschiedenis in de loop der tijden is veranderd, hoe de historische vraagstelling werd verruimd en hoe de zwaartepunten werden verlegd en de grenzen verschoven.

In de Bijbel, en met name in het Oude Testament wordt uitgebreid verslag gedaan van talrijke krijgsverrichtingen, waarover een overvloed aan belangwekkende details wordt verschaft alsmede relevante achtergrondinformatie en gegevens over de causale samenhang der beschreven gebeurtenissen.Het zijn niet alleen de typisch militaire aspecten die worden behandeld maar ook de politieke en sociale factoren van invloed komen aan de orde. Ook Herodotus (ca. 484 — ca. 425) — door Cicero betiteld als de „Vader van de geschiedschrijving" — weefde door zijn Historiae als hoofdmotief het retorische verhaal van de strijd tussen Europa en Azië, met aan de ene zijde de vrije burgergemeenschap der Grieken en ter andere zijde de autoritaire wereld van de Oosterse barbarenwijken, welke strijd tot een hoogtepunt kwam en werd beslist in de Perzische Oorlogen.

Zijn tijdgenoot Thucydides (ca. 471 — ca. 395), die algemeen wordt beschouwd als de grondlegger van de wetenschappelijke geschiedschrijving, werd voor zijn magistrale werk al evenzeer geïnspireerd door de oorlogvoering. Immers, zijn onderwerp was de Peloponnesische Oorlog (431—404), en hij beschrijft niet alleen het krijgsgebeuren, maar plaatst dat centraal in het maatschappelijke decor van zijn tijd en verschaft een duidelijk inzicht in alle facetten van de samenleving der betrokken partijen, die ook maar enigszins van invloed kunnen zijn geweest. Zijn „onvoltooide" — want zijn verslag is blijven steken bij het jaar 411 v.C. — werd gevolgd door Xenophon (ca. 430 — ca. 354) met diens Hellenica, waarin hij de krijgsgeschiedenis beschreef tot en met de Slag van Mantinea (362 v.C.). Ook de door dezelfde schrijver te boek gestelde Anabasis — het verhaal van Cyrus III's mislukte expeditie tegen Artaxerxes II — schetst zowel de krijgsverrichtingen als de achtergronden waartegen dat verslag tot beter begrip moet worden gezien. Polybius (ca. 200 — ca. 120) die in zijn Historiae de Romeinse expansie in de derde en tweede eeuw v.C. beschreef,

Sallustius (86 — 35) die de oorlog tussen Rome en Jugurtha (112 — 105) versloeg in zijn Bellum Jugurthinum, Julius Caesar (100 — 44) die zijn rapportage over de strijd tegen de Galliërs (5 — 50) vastlegde in zijn Commentarii de Bello Gallico, en zijn verslagen over de Burgeroorlog (49 — 45) bundelde in Commentarii de Bello Civili, zij allen vonden niet alleen hun inspiratie in de boeiende gebeurtenissen op het gevechtsveld, maar beschouwden zich klaarblijkelijk meer als algemene geschiedschrijvers dan als specifieke krijgsgeschiedkundigen.

Met andere woorden: uit de geschiedschrijving van de Oudheid laat zich lezen dat de krijgsgeschiedenis een integraal deel was van de algemene geschiedenis, en daaruit ook niét werd losgemaakt. De schrijvers waren géén militaire experts, maar het behoorde nu eenmaal tot des schrijvers stiel zowel de bloedige strijd als de vreedzamer gebeurtenissen te boekstaven. En als gevolg daarvan was de krijgsgeschiedenis in die tijden zeker niet ééndimensioniaal te noemen, sterker: er was eigenlijk geen krijgsgeschiedenis.

Was het in de Oudheid, en nog vele eeuwen daarna, gebruikelijk dat de geschiedschrijving zich concentreerde op het wel en wee van de toplaag van de samenleving, op de regeringen, de vorsten, de veldheren, zodra de geschiedschrijvers zich —mede op grond van zich wijzigende opvattingen in de maatschappij — meer gingen interesseren voor de andere lagen en vooral voor de gewone mens, veranderde geleidelijk ook de geschiedschrijving in overeenkomstige zin. Naarmate de toekomst er voor de gewone mens gunstiger leek te gaan uitzien, leek er ook steeds minder reden voor het centraal plaatsen van het krijgsgebeuren dat in de geschiedenis dan wel een hoofdrol mocht hebben gespeeld maar dat in de toekomst geen functie meer kon en mocht hebben. Bijgevolg concentreerden de geschiedschrijvers zich bijvoorkeur op de verslaglegging van de perioden van vrede, en mitsdien werd de krijgsgeschiedenis „afgeschoven" naar hen wier taak het was in voorkomende — betreurenswaardige — gevallen de oorlog te voeren. Daarmee werd het onplezierige speurwerk naar de juiste toedracht van de bloedige botsingen opgedragen aan de militairen, en het had er daarbij maar al te vaak de schijn van alsof het onderzoek naar de causaliteit hun niet geoorloofd was: waar zou de oorzaak van de oorlog anders kunnen liggen dan juist in het militaire apparaat.

Zo werd de krijgsgeschiedenis teruggedrongen en qua vraagstelling beperkt. Andere wetenschapsbeoefenaren wensten deze tak van geschiedschrijving gewoonlijk niet als wetenschap te aanvaarden, en de militairen deden weinig om in die miskenning verandering te brengen. Zij meenden uit de krijgsgeschiedenis te kunnen afleiden hoe een gevecht kon worden gewonnen, en zochten dus naar het onfeilbare recept voor succes. Dat was tot op zekere hoogte wel verklaarbaar, want de verantwoordelijkheid voor de militaire leider werd steeds zwaarder te dragen naarmate de gevolgen van de strijd, en in het bijzonder van de nederlaag daarin, steeds desastreuzer gingen worden.

Een bijkomend nadeel was evenwel dat het op déze wijze gebruik maken van de lessen uit de krijgsgeschiedenis leidde tot het kopiëren van eerder toegepaste methodes en tactieken, en daardoor recht van spreken gaf aan hen die stelden dat zulks neerkwam op een „zich voorbereiden op de afgelopen oorlog".

Bovendien bleek de krijgsgeschiedenis in handen van de militairen vaak te leiden tot overwaardering van bepaalde facetten. Het heldhaftige van een verdediging tot de laatste man, de onverschrokkenheid waarmee een vrijwel kansloze onderneming toch tot een goed einde kon worden gebracht, de doodsverachting die tot uiting kwam in de zelfopoffering ten bate van de kameraden, het zijn slechts enkele voorbeelden van hoe men de krijgsgeschiedenis kon interpreteren en romantiseren ten dienste van de motivatie en het esprit de corps. Als gevolg daarvan heeft de krijgsgeschiedenislang, te lang, een ondergeschikte rol gespeeld. Zij heeft moeten dienen als receptenboek voor de overwinning enerzijds, zij heeft de bouwstenen moeten verschaffen voor monumenten en mythen anderzijds. Zij is verplicht studieobject geweest voor vele generaties van in opleidingzijnde adspirant-beroepsmilitairen, zij is geen misbruikt voor velerlei subjectieve doeleinden.

Zij heeft de kennis en de kunde van velen vermeerderd, en zij heeft óók velen op een dwaalspoor gebracht. Zij is door detaillisten gebezigd voor het perfectioneren van de doctrines, zij heeft weer anderen in staat gesteld de waarde van de onveranderlijke grondbeginselen opnieuw te bewijzen.

Kortom, de krijgsgeschiedenis, ondergewaardeerd door de wetenschappelijke wereld en overschat door de militaire vaklieden, heeft tot in de vorige eeuw — en in vele gevallen ook nog tot in de onze — moeten lijden onder de éne dimensie die haar was opgedrongen en waarmee haar beoefenaren ten onrechte genoegen hebben genomen.

In die situatie nu is in de laatste tientallen jaren wel een zeer opmerkelijke verandering ingetreden. Men zou kunnen zeggen dat de krijgsgeschiedenis uit haar isolement is gekomen, of misschien gehaald.

Dat in onze dagen de oorlog weer is teruggeplaatst naar de positie die de klassieken hem hadden toebedeeld: geïntegreerd in de totaliteit van de geschiedschrijving, met verruimde historische vraagstelling, met wijdere grenzen, en vooral met een interdisciplinair karakter. Het is, als gevolg van die ingetreden verandering, steeds meer gebruikelijk de term krijgsgeschiedenis te hanterenwanneer het gaat om de beperkte verslaglegging van het verloop van veldslagen en -tochten, wanneer de samenhang met politiek, economie, technische wetenschappen en in het algemeen andere disciplines niet wordt belicht of onderzocht. Voor de meer uitgebreide betekenis geeft men dan de voorkeur aan de term militaire geschiedenis, en geeft daarmee aan dat deze vorm van geschiedschrijving is geplaatst in een veel ruimere context. Daarmee bezigt men dan een benaming die in de pas loopt met elders gebruikte termen: militaryhistory, histoire militaire, Militargeschichte. Het woord „militair" heeft daarin dezelfde betekenis als eertijds het Latijnse „militaris", dat zowel betrekking had op de individuele „miles" als op de collectiviteit van de „milites", met andere woorden op de gehele krijgsmacht en op alles wat met het krijgswezen, de militaire dienst en de oorlogsproblematiek op enigerlei wijze verband houdt.Op die militaire geschiedenis, die zich vooral sinds de Tweede Wereldoorlog zo voorspoedig heeft ontwikkeld uit het nauwe keurslijf van de beperkingen waarin vorige generaties de krijgsgeschiedenis hadden geperst, zal een volgend maal verder worden ingegaan.

Militaire Spectator 1976 pagina 239 en 240

Krijgsgeschiedenis en militaire geschiedenis (2]

Vooral in de jaren na de Tweede Wereldoorlog is de geschiedschrijving over het militaire gebeuren een geheel ander gezicht gaan vertonen.

Van de verouderde opvatting dat de krijgsgeschiedenis een vak was dat bij uitstek — én bij uitsluiting wellicht — diende te worden gerekend tot de belangstellingssfeer van de Generale Staf, is al even weinig overgebleven als van de militaire feuilletonschrijverij van weleer waartoe de krijgsgeschiedenis maar al te vaak leidde. In enkele tientallen jaren heeft de militaire geschiedenis zich ontwikkeld tot een volwaardige vakwetenschap met een zeer bewuste methodiek, welker beoefenaren in hun onderzoekingen vooral trachten te komen tot een samenvattende synthese van de resultaten van hun speurwerk, om het even of dat op nationale basis werd verricht dan wel in internationale samenwerking geschiedde. De louter vakwetenschappelijke uitgangspunten en grondslagen hebben de krijgsgeschiedenis in het verleden lange tijd doen staan op een te smalle basis. Die is thans aanmerkelijk verbreed dank zij de methodische oriëntering op de algemene geschiedenis die essentieel is voor elke deelsector van de geschiedschrijving. Zo speurt de militaire historicus van onze dagen naar de samenhang van het krijgsgebeuren met de politieke, sociale, economische, technische, psychologische en andere aspecten van de tijd waarin zich dat alles heeft afgespeeld,en tracht daarbij dan tevens te komen tot het vaststellen van zekere normen aan de hand waarvan het militair-geschiedkundige oordeel kan worden bepaald. In en door deze ontwikkeling is derhalve de voormalige krijgsgeschiedenis opnieuw — zoals zij dat ook in de Oudheid was — „meerdimensionaal" geworden.

Tegenover enerzijds een tendens tot grotere specialisering staat anderzijds dus een ontwikkeling in de richting van toenemende generalisering, te weten het streven naar verduidelijking van de verhouding van de militaire geschiedenis tot andere takken van wetenschap.

Het is nauwelijks verwonderlijk dat deze heroriëntering nu haar beslag heeft gekregen. Immers, ook de oorlogvoering zelf is een andere plaats gaan innemen, en ook die verandering heeft zich vooral voltrokken na de Tweede Wereldoorlog. Meer dan ooit beschouwt men tegenwoordig de oorlog als een sociaal probleem van de eerste orde. Hoewel er ontegenzeglijk wetenschapsgebieden zijn waarvan het ogenblikkelijke belang groter is en waar de gedachtenwisselingen boeiender zullen zijn, wordt onze tijd gekenmerkt door de tegenstellingen en spanningen tussen de over een mateloos vernietigingsvermogen beschikkende supermogendheden, terwijl de talrijke lokale en regionale gewelddadigheden gevoeglijk mogen worden beschouwd als een gelijk aantal gereedliggende lonten bij het nucleaire kruitvat. Er is dan ook alle reden voor een grondig onderzoek van de militaire geschiedenis, in samenhang met de contemporaine geschiedenis, de polemologie, de irenologie en de futurologie — om er maar enkele te noemen — kortom, in samenhang met alle relevante disciplines.

Die ontwikkeling tekende zich reeds af ten tijde van het begin van de 19e eeuw. Daarvóór waren alle oorlogen nog betrekkelijk beperkt, zowel naar plaats en middelen, als naar doelstelling en uitwerking. De burgerbevolking bleef in hoofdzaak buiten schot, afgezien van incidentele vernielingen, brandschattingen en requisities, en de strijdkrachten der belligerenten waren eigenlijk de enigen die bij de botsing waren betrokken.

De Franse Revolutie, en daarna Napoleon, brachten de levée en masse en de volksoorlogen, waardoor de gehele natie in het oorlogsgebeuren betrokken raakte. De Industriële Revolutie vergrootte de dracht en de uitwerking van de bewapening enerzijds, en deed de economie en het thuisfront betrokken raken én doelwit worden anderzijds. Geleidelijk werd aldus de invloed van de oorlogvoering op leven en overleven van de burgers — en bijgevolg evenzeer op staat en maatschappij — steeds sterker. Dat bleef ten slotte zelfs niet beperkt tot de oorlogvoerenden: grote delen van de inmiddels steeds nauwer aaneengroeiende wereld werden mede getroffen.

Ten gevolge van deze ontwikkeling behoort de oorlog „ergens ver weg, in een uithoek" voorgoed tot het verleden. De massacommunicatiemedia hebben de wereld verkleind, de op ideologische leest geschoeide bondgenootschappen en het wereldomspannende handelsverkeer dragen het hunne bij tot de regionalisering of soms mondialisering van de meesteconflicten. In een eventuele oorlog gaat het ook niet meer om de vraag of de nationale eer al dan niet zal worden gehandhaafd en verdedigd, of om kwesties van etnische minderheden of territoriale aanspraken. Bepalend is thans veeleer of staten, groepen van staten, maatschappijvormen en sociale structuren al dan niet zullen kunnen blijven voortbestaan.Het toch al bijster ingewikkelde probleem waarvoor de speurders naar de achtergronden en de samenhang van het oorlogsgebeuren zich geplaatst zien, is in de aanloopperiode tot de Tweede Wereldoorlog en daarna nog aanzienlijk gecompliceerder geworden, in het bijzonder doordat formele oorlogsverklaringen uitzondering zijn geworden.

„Formaliteiten" als oorlogsverklaringen, capitulaties, wapenstilstandsovereenkomsten en vredesverdragen worden in het interstatelijke verkeer niet langer als vanzelfsprekend beschouwd. De Tweede Wereldoorlog, de strijd in Korea en de conflicten in het Midden-Oosten konden zich afspelen terwijl de voornaamste vredesverdragen nog onverminderd van kracht waren. Dat deed de grens tussen oorlog en vrede steeds meer vervagen, en de militaire geschiedkundigen ondervinden dientengevolge grote moeilijkheden bij het afbakenen van hunonderzoeksobjecten.

Bovendien heeft het huidige „streven naar oorlogsprofylaxe" — het zich beijveren destructieve botsingen tussen met name de rond de supermogendheden gegroepeerde bondgenootschappen zoveel mogelijk te voorkomen — ertoe geleid dat de in het verleden traditionele krachtmetingen tussen belligerente staten steeds meer hebben plaats gemaakt voor andersoortige toepassingen van geweld met maar al te vaak een even bloedig karakter. De niet-verklaarde, subversieve guerrilla kost de strijdende partijen nauwelijks minder verliezen dan een „grote" oorlog, maar de voorkoming van de laatste is nu eenmaal tot een bestaansvraagstuk geworden, en bijgevolg vreest de andere partij voor drastische represailles in geval zij het zou bestaan een oorlog formeel te ontketenen.

De strijd in Vietnam werd dan ook door de Verenigde Staten jarenlang gevoerd als „niet meer dan een politionele actie". Het onvermijdelijke gevolg van deze ontwikkeling moest wel zijn dat het bijna een normaal verschijnsel is als „in volle vredestijd" overal ter wereld gewapende botsingen plaatsvinden, aanhoudende en oplopende spanningen zich blijven voordoen, bevrijdingsbewegingenhun doeleinden met geweld pogen te verwezenlijken, guerrilla en contra-guerrilla elkaar afwisselen, terreurbestrijding en zuiveringsacties worden gebezigd als aanduidingen van wat men niet met de term oorlog wil bestempelen. Deze — met excuses aan von Clausewitz — „voortzetting van de oorlog met andere middelen" speelt zich in onze dagen niet zozeer af tussen staten of groepen van staten als wel tussen elkaar op leven en dood bestrijdende sociale en ideologische groeperingen welker bindingen en verbindingen dwars over de bestaande nationale grenzen heenlopen. Het heeft er alle schijn van dat de mensheid in de loop der laatste jaren — waarin het terrorisme zich mondiaal is gaan manifesteren — is terechtgekomen in een tijdperk van nagenoeg permanente burgeroorlogen;een enkel conflict van het oude type, zoals tussen India en Pakistan of tussen Israël en de Arabische staten, mag dan gevoeglijk worden beschouwd als een uitzondering op deze moderne regel.

Omdat in de beide eeuwen sinds de Franse Revolutie steeds meer mensen, middelen en inspanningen nodig waren voor het voorkómen, voeren of tot een goed einde brengen van de oorlog, moest ook de thematiek van de voormalige krijgsgeschiedenis worden verruimd, indien men althans de nieuwere aspecten niet wilde verwaarlozen bij het wetenschappelijke onderzoek.

De militaire geschiedkundige zal zich moeten bezighouden met al die aspecten, om het even of de grens tussen oorlog en vrede scherp te trekken valt of niet. De traditionele aspecten van de „grote" oorlogen moeten evenzeer worden onderzocht als de „verkapte" oorlogen van de moderne tijd, en datzelfde geldt onverkort ook voor de „vredestijd" tussen de onderscheidene conflicten. Het ligt dan ook in de rede dat de militaire geschiedkundige van vandaag wel zal moeten samenwerken met collega's uit tal van andere disciplines: algemeen-historici, economen,sociologen, technici, politicologen, rechtsgeleerden, volkenrechtskundigen, en vele anderen. Dat vergt van zijn kant aanzienlijk méér kwaliteiten dan die waarmee zijn krijgsgeschiedkundige voorgangers het nog hebben kunnen stellen. Hij zal niet langer kunnen volstaan met een gedegen kennis van de militaire tactiek en van de wapentechniek, van de krijgsmachtorganisatie, van de statische gevechtsvoering en van de formaties in het beweeglijke gevecht, van de manoeuvre van grote eenheden en van de vuursteunmethodieken, maar hij moet ook kunnen beschikken over een helder inzicht in bijvoorbeeld politieke vraagstukken, financieel-economische problemen, theorieën op het terrein vande maatschappijwetenschappen, en de interdependentie van al die facetten.

Hij zal in staat moeten zijn de internationale verhoudingen in een bepaalde periode in zijn beschouwingen te betrekken, hij zal de gevolgen van een oorlog moeten kunnen beoordelen, hij zal op de hoogte moeten zijn van de essentialia van crisisbeheersing, afschrikking, ontspanning, oorlogsvoorkoming, be- en ontwapening, wapenproduktie en -handel, technologische ontwikkelingen op velerlei gebied, veranderingen in de samenleving, en wat niet al.

Zoals reeds eerder gezegd: de vraagstelling voor de militaire historicus is verruimd én verschoven, zijn wetenschap heeft onmiskenbaar aan inhoud en waarde gewonnen, zijn werk is dienovereenkomstig interessanter én zwaarder geworden.

Als illustratie van de nieuwe aanpak door de hedendaagse militaire historicus zij de lezer opmerkzaam gemaakt op het in dit nummer gepubliceerde artikel over de jeugdjaren van Van Heutsz. Het mag daarbij als kenmerkend worden beschouwd dat tot voor zéér kort (men vergelijke ook de bespreking van het boek /. B. van Heutsz, leven enlegende, in dit nummer) de geschiedschrijvers het accent bij uitsluiting plachten te leggen op datgene wat de beschreven figuur beroemd had gemaakt, i.c. de krijgsverrichtingen. Het lijdt geen twijfel, of de vergelijking tussen de eertijdse krijgsgeschiedkundige — mede geïllustreerd met het in dit nummer gereproduceerde artikel uit de Militaire Spectator van driekwart eeuw geleden, „Eene inleiding tot de studie der krijgsgeschiedenis" — en de militaire geschiedkundige van onze tijd móét wel in het voordeel van de laatste uitvallen!

Militaire Spectator 1976 pagina 287 t/m 289