We hebben 206 gasten online

Historische kernbegrippen A tm W

Gepost in Historische termen

 

1. Analyseren
Betekent bij geschiedenis: het onderzoeken van bronnen.
2. Betrouwbaarheid
(van een bron)
Is een bron geloofwaardig? Of is een bron bewust of onbewust misleidend?
Is een bron echt of vals?
3. Bewering Opvatting, stelling.
4. Bron
Overblijfsel van het verleden, expres of toevallig bewaard gebleven. Je kunt er informatie uithalen over een gebeurtenis, een situatie, een ontwikkeling.
Een geschreven bron is een tekst. Met een ongeschreven bron bedoel je alles waar geen woorden bij te pas komen, bijvoorbeeld beeldmateriaal - een schilderij of een prent - of een voorwerp - als een speerpunt, een stenen werktuig.
5. Chronologie
De tijdsvolgorde, waarin gebeurtenissen na elkaar hebben plaatsgevonlen.
6. Conclusie
Het antwoord op een vraag of op een heel onderzoek.
7. Continuïteit
Letterlijk: doorgang, voortgang op dezelfde manier.
In de geschiedenis: een situatie die hetzelfde blijft, een ontwikkeling die blijft doorgaan.
8. Discontinuïteit
Letterlijk: niet doorgaan, onderbreking, breuk.
In de geschiedenis: een totaal nieuwe situatie, een breuk met het verleden, met de bestaande situatie.
9. Feit
Iets dat werkelijk gebeurd is of bestaat, dat met bewijzen kan worden gestaafd, bijvoorbeeld met meerdere, betrouwbare bronnen.
10. Historische ontwikkeling Een proces, een verandering in de geschiedenis.
11. Historische parallel
Een overeeri'komst tussen gebeurtenissen uit verschillende tijden.
12. Hypothese
Een veronderstelling, een voorlopig idee, een voorlopig antwoord.
13. Inleving
Je verplaatsen, je indenken in de gedachtenwereld en de omstandigheden van mensen die in een andere tijd leefden.
14. Interpretatie
Een verhaal of een betoog waarin antwoord wordt gegeven op een vraagstelling door verschillende gegevens (bronnen) te bestuderen, te vergelijken en met elkaar in verband te brengen.
15. Mening
Opvatting van iemand persoonlijk of van een groep.
16. Multicausaliteit
Letterlijk: veel oorzaken, veel redenen hebbend.
In de geschiedenis: een ontwikkeling, een gebeurtenis, een situatie heeft vaak meerdere oorzaken, die elkaar ook weer kunnen beinvloeden.
17. Objectiviteit
Volledige zekerheid.
In de geschiedenis: hoe het echt is geweest, is gebeurd. Ook hier is de betrouwbaarheid en het aantal bronnen belangrijk.
18. Oorzaak en gevolg
De reden waarom, en wat daar weer uit voortkomt.
In de geschiedenis: een gebeurtenis, een situatie, komt altijd voort uit een ontwikkeling in het verleden en leidt ook zelf weer tot nieuwe gebeurtenissen en ontwikkelingen.
19. Periodisering
Tijdperken en jaartallen aangeven, eventueel met kenmerken.
20. Probleemstelling/vraagstelling Centrale vraag bij een thema, een schoolonderzoek, een examen.
21. Representativiteit
(van een bron)
Voor hoeveel mensen geldt de inhoud van een bron?
22. Rubriceren
Onderverdelen in categorieën, verdelen in soorten.
In de geschiedenis bijvoorbeeld: economische, politieke en sociale oorzaken; of voor 1917 en na 191
Simplificatie
Letterlijk: makkelijk gemaakt.
De werkelijkheid eenvoudiger voorstellen om een ingewikkelde situatie begrijpelijk te maken.
24. Standplaatsgebondenheid
De eigen ervaringen van ieder mens, van elke groep, die van invloed zijn op het denken en handelen. Van invloed zijn: leeftijd, sekse, maatschappelijke laag waartoe iemand behoort, godsdienst of levensbeschouwing, het volk of de staat waartoe men behoort, de eigen politieke overtuiging.
Dit alles heeft sterke invloed op het denken en handelen van ieder mens en ook op zijn/haar oordeel over iets in het verleden.
25. Stereotype
Vaststaand beeld van een groep of een volk, bijvoorbeeld: Nederland - land van tulpen, molens en kaas.
26. Subjectiviteit
Iets bekijken vanuit een zuiver persoonlijk standpunt.
27. These/stelling
Bewering, standpunt, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek.
28. Verandering Spreekt voor zich
29. Veronderstelling Zie `hypothese' - het is hetzelfde.
30. Vooroordeel
Oordeel over gebeurtenissen, en over mensen, zonder geldige redenen of bewijzen.
31. Waarden
Opvattingen over mooi en lelijk, goed en kwaad, belangrijk en onbelangrijk, die we voor onszelf en anderen dagelijks gebruiken.
32. Waardeoordeel
Mening of uitspraak over iets of iemand waarin een beoordeling zit, positief of negatief.